Psalmen
Inleiding 1-2 De eeuwige God 3-6 De sterveling tegenover God 7-12 Het leven gaat heel snel voorbij 13-17 Bevestig het werk van onze handen
Inleiding

Psalm 90 is de eerste psalm van het vierde boek van Psalmen. Dit boek komt overeen met het boek Numeri, het vierde boek van de Pentateuch, de vijf boeken van Mozes. In Numeri gaat het over de reis van het volk van God door de woestijn. Dat is ook het onderwerp van dit vierde boek van Psalmen. Dat komt in deze eerste psalm van dit vierde boek wel speciaal tot uiting.


De eeuwige God

1Een gebed van Mozes, de man Gods.
Heere, Ú bent ons een toevlucht geweest
van generatie op generatie.
2[Al] vóór de bergen geboren waren
en U de aarde en de wereld voortgebracht had,
ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God.

Deze psalm is een gebed van Mozes (vers 1a1Een gebed van Mozes, de man Gods.
Heere, Ú bent ons een toevlucht geweest
van generatie op generatie.
)
. Het is een gebed omdat hij zich in de hele psalm tot God richt. Het is de enige psalm van hem in Psalmen en daardoor tevens de oudste psalm. Mozes wordt hier “de man Gods” genoemd (vgl. Dt 33:11Dit nu is de zegen waarmee Mozes, de man Gods, de Israëlieten gezegend heeft, vóór zijn dood.; Jz 14:66Toen kwamen de nakomelingen van Juda bij Jozua in Gilgal. En Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zei tegen hem: U weet zelf van het woord dat de HEERE tegen Mozes, de man Gods, over mij en over u gesproken heeft in Kades-Barnea.; Ea 3:22Jesua, de zoon van Jozadak, stond op met zijn broeders, de priesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, met zijn broeders, en zij [her]bouwden het altaar van de God van Israël om daarop brandoffers te brengen volgens wat geschreven staat in de wet van Mozes, de man Gods.). Hij vertolkt in deze psalm de stem van het hele volk van God, wat blijkt uit het gebruik van de woorden ‘ons’ en ‘wij’. Daarbij moeten we wel bedenken dat Gods volk het Godvrezende deel ervan is, het deel dat God in Zijn rechten erkent en wil handhaven te midden van een afvallig volk. Dit is wat een man Gods kenmerkt.

Wanneer Mozes de psalm heeft geschreven, is niet bekend. Als we de psalm lezen, lijkt het erop dat hij spreekt over de woestijnreis. Het is aannemelijk dat hij de psalm heeft geschreven aan het einde ervan. Tijdens de reis door de woestijn is een hele generatie omgekomen, maar God is de toevlucht voor Zijn volk gebleven.

Mozes richt zich in zijn gebed tot de “Heere”, Adonai, de soevereine Heerser van het heelal. Hij erkent dat de Heere voor Zijn volk “een toevlucht geweest” is (vers 1b1Een gebed van Mozes, de man Gods.
Heere, Ú bent ons een toevlucht geweest
van generatie op generatie.
)
. Het woord voor ‘toevlucht’ wordt ook wel vertaald met ‘woning’. Dit geeft behalve veiligheid en bescherming ook geborgenheid in een intieme sfeer aan (Dt 33:27a27De eeuwige God is [voor u] een woning,
en onder u zijn eeuwige armen.
Hij verdrijft de vijand voor u uit,
en zegt: Vaag [hem] weg!
)
. Het is een toevlucht waar iemand zich thuis voelt, waar hij thuiskomt.

Dat is God niet alleen geweest voor Zijn volk als geheel, maar “van generatie op generatie”. Elke generatie heeft haar eigen moeilijkheden, maar de Heere is er steeds voor hen geweest. Hij is voor elke generatie dezelfde toevlucht, hoe anders de omstandigheden voor een volgende generatie ook mogen zijn. De ene generatie gaat en de andere komt, maar God verandert niet. Daarom is geen generatie zonder Hem als toevlucht.

De God van de generaties is de eeuwige God (vers 22[Al] vóór de bergen geboren waren
en U de aarde en de wereld voortgebracht had,
ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God.
)
. Hij heeft geen begin. Alles buiten Hem heeft een begin. Dat begin is door Hem tot stand gebracht. “Zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is” (Jh 1:33Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.). “Vóór de bergen geboren waren”, dat wil zeggen uit de aarde zijn opgerezen, is Hij er, want de bergen zijn door Hem gemaakt. Hij is er voordat Hij “de aarde en de wereld voortgebracht had” (vgl. Sp 8:22-2622De HEERE bezat Mij [aan] het begin van Zijn weg,
[al] vóór Zijn werken, van oudsher.
23Van eeuwigheid af ben Ik gezalfd geweest,
vanaf het begin, vanaf de tijden voordat de aarde [er was].
24Toen er [nog] geen diepe wateren waren, werd Ik geboren,
toen er [nog] geen bronnen waren, zwaar van water.
25Voordat de bergen waren verzonken,
vóór de heuvels, werd Ik geboren.
26Hij had de aarde en de velden nog niet gemaakt,
evenmin het begin van de stofjes van de wereld.
)
. “De aarde” wordt genoemd in onderscheid met de hemel en de zee. Met “de wereld” wordt het deel van de schepping bedoeld waar mensen wonen.

“Ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid” is Hij God. Hij was en is en zal eeuwig God zijn. Hij is de Eeuwige, de eeuwig Zijnde. Er is geen periode te bedenken dat Hij er niet was. Er is ook geen periode te bedenken dat Hij er niet zijn zal. Altijd is Hij de Aanwezige. Dit gaat ons menselijk denken te boven.

De schepping van het universum heeft Hem in geen enkel opzicht veranderd of beperkt. Ook als de oude schepping door vuur zal vergaan, zal Hem dat in geen enkel opzicht veranderen of beperken. Dat er een eeuwige, onveranderlijke God is, geeft de mens het enige en tegelijk alle houvast in een veranderende wereld en veranderende generaties.


De sterveling tegenover God

3U doet de sterveling terugkeren tot stof
en zegt: Keer terug, mensenkinderen.
4Want duizend jaren zijn in Uw ogen
als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is,
of [als] een wake in de nacht.
5U spoelt hen weg, zij zijn [als de] slaap.
In de morgen zijn zij als het gras [dat] opkomt:
6in de morgen bloeit het en komt het op,
's avonds wordt het afgesneden en het verdort.

In sterke tegenstelling tot de eeuwig zijnde, onveranderlijke, onbegrensde God staat de mens met zijn beperkte levensduur (vers 33U doet de sterveling terugkeren tot stof
en zegt: Keer terug, mensenkinderen.
)
. Door de zonde van de mens is de dood in de wereld gekomen. Het oordeel van God is dat Hij “de sterveling” doet “terugkeren tot stof”. God heeft “zeggenschap over de dag van de dood”, niet de mens (Pr 8:88Er is geen mens die macht heeft over de geest,
om de geest in te houden.
Hij heeft geen zeggenschap over de dag van de dood,
er is geen vrijstelling in [deze] strijd
en de goddeloosheid laat de bedrijvers ervan niet ontkomen.
)
. De mens die dit oordeel erkent, die erkent dat hij stof is, zal leven (Gn 18:2727Abraham antwoordde en zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken, hoewel ik stof en as ben!; Jb 42:66Daarom veracht ik [mijzelf] en ik heb berouw,
in stof en as.
)
.

God heeft het doodsoordeel uitgesproken. Daarnaar handelt Hij als Hij zegt: “Keer terug, mensenkinderen” (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
; Pr 3:2020Zij gaan allen naar één plaats:
zij zijn allen uit het stof
en zij keren allen terug tot het stof.
; 12:77het stof terugkeert naar de aarde zoals het was,
en de geest terugkeert
tot God, Die hem gegeven heeft.
; Ps 104:2929Verbergt U Uw aangezicht, zij worden door schrik overmand,
neemt U hun adem weg, zij geven de geest
en keren terug tot hun stof.
)
. Dit bevel klinkt bij elk sterfgeval sinds de uitspraak in het paradijs na de zondeval. Het geldt zonder uitzondering voor alle mensenkinderen. Iemand mag het nog zover in de wereld hebben geschopt, hij mag zich nog zo beroemen op zijn prestaties, of er nog zo mooi hebben uitgezien, de dag komt er snel aan dat hij naar zijn oorsprong terugkeer: het stof waaruit hij is gemaakt. Niemand ontkomt aan die vernederende gang. Dat Henoch en Elia daaraan zijn ontkomen, is omdat God hen aan dit oordeel heeft onttrokken door hen levend tot Zich te nemen.

Hij heeft bij de schepping voor de mens tijdeenheden als jaren en dagen ingesteld (vers 44Want duizend jaren zijn in Uw ogen
als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is,
of [als] een wake in de nacht.
)
. De mens is aan tijd gebonden. Zelf heeft Hij die gebondenheid of beperking niet. Hij staat boven de tijd. Voor Hem zijn “duizend jaren … als de dag van gisteren, wanneer die voorbijgegaan is” (vgl. 2Pt 3:88Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat één dag bij [de] Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.). Een dag is snel voorbij. Een wake in de nacht – een wake is slechts vier uur (vgl. Ri 7:1919Zo kwam Gideon met de honderd mannen die bij hem waren, bij de rand van het kamp. [Het was] aan het begin van de middelste nachtwake, net nadat zij de wacht [weer] hadden opgesteld. Toen bliezen zij op de bazuinen en sloegen de kruiken die in hun hand waren, in stukken.; Kl 2:19a19Sta op, weeklaag in de nacht, /koph/
vanaf de eerste [nacht]wake!
Stort uw hart uit als water
voor het aangezicht van de Heere!
Hef tot Hem uw handen op,
vanwege het leven van uw kleine kinderen,
die van honger versmachten
op de hoek[en] van alle straten.
)
– is zo voorbij. De vergelijking betekent niet dat de tijd voor God ook snel gaat, maar dat Hij boven de tijd staat. Hij gaat niet met de tijd mee, maar bepaalt van alles de tijd (vgl. Pr 3:11Voor alles is er een vastgestelde tijd,
en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.
)
. Zelf is Hij de eeuwig Onveranderlijke (1Sm 15:2929Ook liegt de Onveranderlijke van Israël niet, en Hij heeft er geen berouw over; want Hij is geen mens, dat Hij ergens berouw over hebben zou.).

Het leven van mensen wordt door God weggespoeld als de slaap (vers 55U spoelt hen weg, zij zijn [als de] slaap.
In de morgen zijn zij als het gras [dat] opkomt:
)
. Wie slaapt, heeft geen besef van tijd. Als hij wakker wordt, is er een aantal uren voorbijgegaan, zonder dat hij het heeft gemerkt. Die uren zijn omgevlogen. Zoals uren tijdens de slaap omvliegen, zo spoelt snelstromend water alles weg wat in zijn stroom terechtkomt. Op gelijke wijze voert de razende stroom van de tijd de mens razendsnel mee naar de dood.

Een ander beeld is dat van het gras dat opkomt. Als mensen ’s morgens wakker worden, zijn ze als het gras dat opkomt. In de loop van de dag groeit en bloeit het gras. Maar als het avond wordt, “wordt het afgesneden en het verdort” (vers 66in de morgen bloeit het en komt het op,
's avonds wordt het afgesneden en het verdort.
)
. De mens is in dit opzicht niet anders dan gras: zijn leven is kortstondig (Ps 103:15-1615De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.
16Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet [meer]
en zijn plaats kent hem niet meer.
; Js 40:6-86Een stem zegt: Roep!
En hij zegt: Wat moet ik roepen?
Alle vlees is gras
en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.
7Het gras verdort, de bloem valt af,
als de Geest van de HEERE erover blaast.
Voorwaar, het volk is gras.
8Het gras verdort, de bloem valt af,
maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig.
; 1Pt 1:2424Want: ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem van [het] gras. Het gras verdort en de bloem valt af,)
.


Het leven gaat heel snel voorbij

7Want wij vergaan door Uw toorn,
door Uw grimmigheid worden wij door schrik overmand.
8U stelt onze ongerechtigheden voor Uw [ogen],
onze verborgen [zonden] in het licht van Uw aangezicht.
9Want al onze dagen gaan voorbij door Uw verbolgenheid,
wij brengen onze jaren door als een gedachte.
10De dagen van onze jaren: daarin zijn zeventig jaren,
of, als wij zeer sterk zijn, tachtig jaren,
maar het beste daarvan is moeite en verdriet,
want het wordt snel afgesneden en wij vliegen heen.
11Wie kent de kracht van Uw toorn
en Uw verbolgenheid, [wie weet] hoezeer U te vrezen bent?
12Leer [ons] zó onze dagen tellen,
dat wij een wijs hart verkrijgen.

De dood is geen deel van een natuurlijk proces, maar is een Goddelijk oordeel. De dood is door de zonde in de wereld gekomen en is het loon dat God aan de zonde heeft verbonden (Rm 5:1212Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan, doordat allen gezondigd hebben …; 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.; Gn 2:1717maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.). Mozes heeft tijdens de hele woestijnreis van veertig jaar allen zien sterven die bij de uittocht twintig jaar en ouder waren (behalve Jozua en Kaleb). Door Gods toorn over hun ongeloof zijn zij vergaan (vers 77Want wij vergaan door Uw toorn,
door Uw grimmigheid worden wij door schrik overmand.
; Nm 14:28-2928Zeg tegen hen: [Zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE, voorwaar, Ik zal met u doen zoals u ten aanhoren van Mij gesproken hebt.29In deze woestijn zullen uw dode lichamen vallen, [te weten] allen van u die geteld zijn, naar hun volledige aantal, van twintig jaar oud en daarboven, [u] die tegen Mij gemord hebt.)
. Het is een lange, verschrikkelijke reis geweest, met elke dag een aantal doden. Elk sterfgeval is een blijk van Gods grimmigheid waardoor zij door schrik overmand zijn.

Elk sterfgeval heeft hen aan hun “ongerechtigheden” herinnerd (vers 88U stelt onze ongerechtigheden voor Uw [ogen],
onze verborgen [zonden] in het licht van Uw aangezicht.
)
. Zij zeggen ervan dat God die voor Zijn ogen stelt als de reden van Zijn doodsoordeel. God kan niet doen of er geen zonde is begaan. Hij ziet zonden voortdurend en handelt ermee naar de eis van Zijn heiligheid. Ook hun verborgen zonden stelt Hij in het licht van Zijn aangezicht. Er is niets voor Hem verborgen (Jr 16:1717Want Mijn ogen zijn [gevestigd] op al hun wegen. Ze zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen en hun ongerechtigheid kan zich niet voor Mijn ogen verhullen.; Hb 4:1313En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.). Zijn licht maakt alles openbaar, niets kan zich daarvoor verbergen.

Zo gaan al hun dagen voorbij door Gods verbolgenheid (vers 99Want al onze dagen gaan voorbij door Uw verbolgenheid,
wij brengen onze jaren door als een gedachte.
)
. Al hun dagen, geen dag uitgezonderd, dragen ze vanwege hun ongerechtigheden Gods verbolgenheid. Ze brengen hun jaren door met de snelheid van een gedachte. Dit is het kortstondige, ellendige leven van de sterfelijke mens die zich bewust is dat hij mens is en dat God God is.

Het aaneenrijgen van dagen gaat voor de mens gemiddeld “zeventig jaren” door (vers 1010De dagen van onze jaren: daarin zijn zeventig jaren,
of, als wij zeer sterk zijn, tachtig jaren,
maar het beste daarvan is moeite en verdriet,
want het wordt snel afgesneden en wij vliegen heen.
)
. Dan valt het doek voor hem. Als hij “zeer sterk” is, kan hij zelfs nog een aantal dagen doorleven, zodat hij “tachtig jaren” kan leven. Zeventig jaar is niet lang en die tien extra jaar is ook bepaald geen eeuwigheid. Hij doet zijn uiterste best om van de jaren die hem gegeven zijn, te genieten.

Maar wat levert het helemaal op? De eerlijke conclusie moet zijn: zelfs “het beste daarvan is moeite en verdriet”. Het ‘beste’ zijn de dingen waarvan hij nog enig plezier heeft gehad, wat dat ook mag zijn, maar waarvan hij nooit echte voldoening heeft gekend. Dan is het ineens voorbij, afgelopen, afgesneden. Het leven is weggevlogen alsof het kaf is dat door de wind wordt weggeblazen.

Prediker stelt het leven voor als een waardevolle gouden oliehouder die door een zilveren koord met boven, de hemel, is verbonden (Pr 12:66voordat het zilveren koord verwijderd wordt
en de gouden oliehouder verbrijzeld,
de kruik bij de bron stukgebroken wordt
en het rad bij de waterput verbrijzeld,
)
. Het leven is verbonden met God. Hij heeft de mens zijn levensadem gegeven. Als echter het zilveren koord verwijderd wordt, als het breekt, stort de gouden oliehouder ter aarde en wordt onherstelbaar verbrijzeld. Het levenslicht is volledig en definitief gedoofd.

Na afloop van het leven volgt de ontmoeting met God. De mens wordt opgeroepen zich daarop voor te bereiden (Am 4:1212Daarom zal Ik zó met u handelen, Israël,
dat Ik u dit zal aandoen.
Maak u gereed om uw God te ontmoeten, Israël!
)
. Maar wie kent “de kracht” van Gods “toorn en … verbolgenheid” waarmee hij het leven van mensen beëindigt, of ze nu sterk of zwak, eenzaam of talrijk, arm of rijk zijn (vers 1111Wie kent de kracht van Uw toorn
en Uw verbolgenheid, [wie weet] hoezeer U te vrezen bent?
)
? De vraag stellen is hem beantwoorden. Geen mens kent die. Hetzelfde antwoord geldt voor de vraag of iemand weet “hoezeer” God “te vrezen” is. Geen mens weet het.

Het tekent de dwaasheid van de mens. Wie die kracht kent, zal zich ogenblikkelijk met berouw over zijn zonden tot God bekeren. Gods verbolgenheid over de zonde is groot. Iemand tot wie dat doordringt, zal zich realiseren hoezeer God te vrezen is. En daarin ligt het begin van de wijsheid (Sp 1:77De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
; 9:1010Het beginsel van wijsheid is de vreze des HEEREN
en de kennis van de heiligen is inzicht.
)
, een wijsheid die zich buigt voor de rechtvaardige toorn en verbolgenheid van God over de zonde.

Mozes vreest God. Hij heeft een wijs hart. Daarom vraagt hij aan God om Zijn volk te leren hun dagen te tellen zó te tellen, dat ze zich ervan bewust worden hoe snel hun dagen voorbijgaan (vers 1212Leer [ons] zó onze dagen tellen,
dat wij een wijs hart verkrijgen.
)
. God alleen kan dat onderwijs geven, zodat zij het juiste zicht, Zijn zicht, op het leven krijgen, dat het zo kort is. Het accentueert het enorme verschil tussen de eeuwige God en de eindige mens. Wie zich dat bewust wordt, verkrijgt “een wijs hart”. Een wijs hart richt zich op God, Die er elke dag met Zijn zorg voor hem is (vgl. Mt 28:2020En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw.).


Bevestig het werk van onze handen

13Keer terug, HEERE, hoelang [nog]?
Laat het U berouwen over Uw dienaren.
14Verzadig ons in de morgen met Uw goedertierenheid,
dan zullen wij juichen en verblijd zijn, tijdens al onze dagen.
15Verblijd ons overeenkomstig de dagen [waarin] U ons verdrukt hebt,
[overeenkomstig] de jaren [waarin] wij het kwade gezien hebben.
16Laat Uw werk aan Uw dienaren gezien worden,
Uw glorie over hun kinderen.
17De lieflijkheid van de Heere, onze God, zij over ons;
bevestig het werk van onze handen over ons,
ja, het werk van onze handen, bevestig dat.

Mozes heeft een wijs hart. Daarom bidt hij met vrijmoedigheid tot de “HEERE” en vraagt Hem: “Keer terug” (vers 1313Keer terug, HEERE, hoelang [nog]?
Laat het U berouwen over Uw dienaren.
)
. Dit is het omgekeerde van wat God in vers 33U doet de sterveling terugkeren tot stof
en zegt: Keer terug, mensenkinderen.
heeft gezegd tegen de mensenkinderen. Ware wijsheid doet een beroep op God om in genade terug te komen op Zijn doodsoordeel en in genade terug te keren tot Zijn volk. Juist de sterfelijkheid van het volk maakt het noodzakelijk dat God Zich ermee verbindt. Anders is er geen hoop.

Die hoop klinkt door in de vraag “hoelang [nog]?” Het duurt al zo lang dat God Zich – terecht – van Zijn volk heeft teruggetrokken. Mozes vraagt in grote nederigheid en tegelijk met grote aandrang of God berouw wil hebben over het oordeel dat Hij over Zijn dienaren heeft moeten brengen. Berouw hebben betekent hier dat God terugkomt op Zijn beslissing om het volk uit te roeien. De pleitgrond is wat de HEERE Zelf heeft gezegd (Dt 32:3636Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen,
Hij zal berouw hebben over Zijn dienaren.
Want Hij zal zien dat [hun] kracht is vergaan,
en dat het met de gebondene en de vrije gedaan is.
; vgl. Ps 135:1414Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen
en het zal Hem berouwen over Zijn dienaren.
)
. Zij zijn toch “Uw dienaren”? Dat geeft aan hoezeer ze afhankelijk zijn van Hem én bereidwillig om Hem te dienen.

Vervolgens vraagt Mozes of God voor het volk een nieuwe dag in hun geschiedenis wil laten aanbreken (vers 1414Verzadig ons in de morgen met Uw goedertierenheid,
dan zullen wij juichen en verblijd zijn, tijdens al onze dagen.
)
. Die dag moet beginnen met Gods “goedertierenheid”, als een samenvatting van al Gods zegeningen, wat vooral betrekking heeft op de geestelijke zegeningen zoals vrede in de omgang met God en met elkaar. Als ze daarmee in de morgen door Hem worden verzadigd, zal dat de hele dag zo blijven. Het zal zijn als het manna dat het volk ook elke morgen in de woestijn heeft gekregen als voedsel voor de hele dag en waarvan ze hebben mogen eten tot verzadiging toe (Ex 16:21a21Zo verzamelden zij het elke morgen, ieder naar wat hij eten [kon], want zodra de zon heet werd, smolt het weg.).

Het gevolg is dat zij zullen “juichen en verblijd zijn, tijdens al onze dagen”. Dit staat tegenover “al onze dagen” die voorbijgaan door de verbolgenheid van God (vers 99Want al onze dagen gaan voorbij door Uw verbolgenheid,
wij brengen onze jaren door als een gedachte.
)
. Elke dag, tot aan het graf, zal dan gevuld zijn met gejuich en blijdschap over alle gunstbewijzen van God.

Hij vraagt aan God om hen evenveel dagen te verblijden als Hij hen heeft verdrukt (vers 1515Verblijd ons overeenkomstig de dagen [waarin] U ons verdrukt hebt,
[overeenkomstig] de jaren [waarin] wij het kwade gezien hebben.
)
. De verdrukking waaronder ze hebben gezucht, is door God over hen gebracht. Dat weet en erkent Mozes. God alleen kan dat veranderen. Daarom vraagt hij of God het aantal dagen lijden dat Hij over hen heeft gebracht wil compenseren met een evenredig aantal dagen blijdschap. De dagen en jaren van blijdschap moeten net zo goed van God komen als de dagen van verdrukking van Hem zijn gekomen.

Mozes vraagt hier in bescheidenheid. Wat God geeft, gaat ver uit boven wat hij vraagt. Wat Hij geeft, laat de dagen van verdrukking en de jaren van kwaad vergeten, er zal niet meer aan gedacht worden (Js 65:1717Want zie, Ik schep een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde.
Aan de vorige dingen zal niet [meer] gedacht worden,
ze zullen niet [meer] opkomen in het hart.
)
. We zien bijvoorbeeld bij Job dat hij na zijn lijden het dubbele terugkrijgt van wat hij heeft verloren (Jb 42:10,1210En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job [bezeten] had tot het dubbele toe.12En de HEERE zegende het latere [leven] van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend juk runderen en duizend ezelinnen.; 1:33Aan vee bezat hij zevenduizend schapen, drieduizend kamelen, vijfhonderd juk runderen en vijfhonderd ezelinnen. Verder had hij een zeer groot aantal slaven, zodat deze man aanzienlijker was dan alle mensen van het oosten.; vgl. Js 61:77In plaats van uw dubbele schaamte en schande
zullen zij juichen over hun deel.
Daarom zullen zij in hun land het dubbele in erfelijk bezit hebben,
zij zullen eeuwige blijdschap hebben.
; Zc 9:1212Keer terug naar de burcht,
[u,] gevangenen die hoop hebt!
Ook heden verkondig Ik: Ik zal u dubbel vergoeden,
)
. Voor ons is alles nog rijker. Wij mogen weten dat de kortstondige lichtheid van onze verdrukking … voor ons een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid” bewerkt (2Ko 4:1717Want de kortstondige lichtheid van onze verdrukking bewerkt voor ons een uitermate uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid;; Rm 8:1818Want ik acht, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet waard is [vergeleken te worden] met de toekomstige heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.).

De laatste vragen van Mozes aan God gaan over Gods werk, “Uw werk”, en hun werk, “het werk van onze handen”. Hij begint met Gods werk aan Zijn dienaren (vers 1616Laat Uw werk aan Uw dienaren gezien worden,
Uw glorie over hun kinderen.
)
. God is voortdurend bezig Zijn dienaren te vormen. Zijn doel is dat Hij Zichzelf in hen herkent. Waar Gods werk wordt gezien, wordt Zijn glorie gezien. Mozes vraagt aan God om Zijn “glorie” ook over “hun kinderen”, dat is de volgende generatie, te laten zien.

Daarvoor moet uit het leven van de dienaren en hun kinderen alles worden weggedaan wat verhindert dat Hij in hun leven zichtbaar wordt. Hij zal dat werk voltooien. Het resultaat zal voor iedereen zichtbaar worden als Hij de Heer Jezus en al de Zijnen met Hem naar de aarde zendt (Fp 1:6,10-116in dit vertrouwen, dat Hij Die een goed werk in u begonnen is, het ook zal voltooien tot op [de] dag van Christus Jezus.10om te beproeven wat het beste is, opdat u zuiver en onberispelijk bent tegen [de] dag van Christus,11vervuld met [de] vrucht van [de] gerechtigheid die door Jezus Christus is, tot heerlijkheid en lof van God.).

Met de vraag dat “de lieflijkheid van de Heere, onze God” over hen zal zijn, vraagt hij naar de komst van de Messias (vers 1717De lieflijkheid van de Heere, onze God, zij over ons;
bevestig het werk van onze handen over ons,
ja, het werk van onze handen, bevestig dat.
)
. Bij Zijn komst wordt niet alleen Gods werk zichtbaar, maar komt “de lieflijkheid van de Heere” over Zijn volk. Gods lieflijkheid is niet alleen iets om zich in te verheugen, maar is ook een groot motief om voor Hem te werken.

Als we bedenken wat Hij allemaal voor ons heeft gedaan, zullen we Hem bij alles wat we doen betrekken en Hem Zijn zegen over ons werk vragen als bevestiging van Zijn instemming ermee. Daarbij is tegelijk het besef dat wat wij doen, alleen goed is als God het werk van onze handen bevestigt. Dit besef en het verlangen daarnaar is zo groot, dat het verzoek om bevestiging wordt herhaald, waarbij de herhaling wordt voorafgaan door een nadrukkelijk “ja”.


Lees verder