Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-5 Gods goedertierenheid en trouw 6-9 Wie is als God? 10-15 Bewijzen van Gods almacht 16-19 Het volk van die God 20-30 Het verbond met David 31-38 Als … dan … Maar 39-46 Verstoten en verworpen 47-52 Hoelang nog? 53 Amen, ja, amen
Inleiding

Het kenmerk van deze psalm is het vertrouwen op God op grond van Zijn beloften. Dit vertrouwen spreekt te meer omdat de uiterlijke omstandigheden geen enkele basis voor de vervulling van die beloften geven. Dit betekent dat de vervulling ervan is gebaseerd op genade. Die genade krijgt gestalte in Christus in Wie alle beloften van God ja en amen zijn (2Ko 1:2020Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons.). Hij zal ze vervullen, ja, Hij is de vervulling.


Opschrift

1Een onderwijzing van Ethan, de Ezrahiet.

Deze psalm is, evenals de vorige, “een onderwijzing”, een maskil. Zie verder bij Psalm 32:1. De psalm is “van Ethan, de Ezrahiet”. Het is de enige psalm van hem in Psalmen. Ethan is een wijze, een Leviet en een zanger (1Kn 4:3131ja, hij was wijzer dan alle mensen, dan Ethan, de Ezrahiet, Heman, Chalcol en Darda, de zonen van Mahol, en zijn naam was [bekend] bij alle heidenvolken rondom.; 1Kr 7:1919De zonen van Semida waren Ahjan, Sechem, Likhi en Aniam.).


Gods goedertierenheid en trouw

2Ik zal de [blijken van] goedertierenheid van de HEERE eeuwig bezingen,
van generatie op generatie Uw trouw met mijn mond bekendmaken.
3Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal voor eeuwig gebouwd worden;
Uw trouw hebt U vast doen staan in de hemel zelf.
4Ik heb – [sprak U] – een verbond gesloten met Mijn uitverkorene,
Ik heb Mijn dienaar David gezworen:
5Ik zal uw nakomelingen tot in eeuwigheid stand doen houden,
uw troon bouwen van generatie op generatie. /Sela/

De psalmist, in wie we de geest van het overblijfsel horen spreken, is diep onder de indruk van “de [blijken van] goedertierenheid van de HEERE” (vers 22Ik zal de [blijken van] goedertierenheid van de HEERE eeuwig bezingen,
van generatie op generatie Uw trouw met mijn mond bekendmaken.
)
. Het betreft hier, zoals blijkt uit de verzen 4-54Ik heb – [sprak U] – een verbond gesloten met Mijn uitverkorene,
Ik heb Mijn dienaar David gezworen:
5Ik zal uw nakomelingen tot in eeuwigheid stand doen houden,
uw troon bouwen van generatie op generatie. /Sela/
, de goedertierenheid van de HEERE ten opzichte van David, om hem koning te maken over Zijn volk. Nog grotere blijken van goedertierenheid zijn verbonden aan de grote Zoon van David, door Wie Gods goedertierenheid naar de hele wereld stroomt. Die goedertierenheden zal hij, zo zegt hij, “eeuwig bezingen”.

Onlosmakelijk is aan die blijken van goedertierenheid Gods “trouw” of ‘waarheid’ verbonden. God zal in trouw alle beloften vervullen die Hij aan David en de Zoon van David heeft gedaan. Hij heeft die vastgelegd in een verbond dat Hij met David heeft gesloten. Deze verbondsbeloften zal Ethan “van generatie op generatie” met zijn “mond bekendmaken”. Hij maakt ze tot een psalm die alle geslachten door tot eer van God kan worden gezongen.

Ethan spreekt met grote zekerheid – “ik heb gezegd” – over “Uw goedertierenheid” en “Uw trouw”. Het zijn onwankelbare eigenschappen van God. Hij heeft tegen God gezegd: “Uw goedertierenheid zal voor eeuwig gebouwd worden” (vers 33Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal voor eeuwig gebouwd worden;
Uw trouw hebt U vast doen staan in de hemel zelf.
)
. Zijn goedertierenheid ten opzichte van David wordt als een huis voorgesteld dat “voor eeuwig gebouwd” zal worden. Het is een huis met een duurzaamheid zonder einddatum. Zijn goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid.

Wat Gods trouw betreft, geldt hetzelfde, want “die hebt U vast doen staan in de hemel zelf”. Zoals de hemellichamen vast en voortdurend aan de hemel staan, zo vast staat Zijn trouw. Aan Zijn trouw verandert niets, zoals ook de zon en de maan en de sterren niet van plaats veranderen. Alles wat er op aarde gebeurt, waar zoveel verandert, kan Zijn trouw niet in het minst verminderen (Jr 33:20-2120Zo zegt de HEERE: Als u Mijn verbond met de dag en Mijn verbond met de nacht kunt verbreken, zodat dag en nacht er niet [meer] op hun tijd zullen zijn,21dan zal ook Mijn verbond met Mijn dienaar David verbroken kunnen worden, zodat hij geen zoon zal hebben die koning is op zijn troon, en [ook het verbond] met de Levieten, de priesters, Mijn dienaren.).

Dan vertelt Ethan waarop Gods goedertierenheid en trouw betrekking hebben: op “een verbond” dat God heeft “gesloten met Mijn uitverkorene” (vers 44Ik heb – [sprak U] – een verbond gesloten met Mijn uitverkorene,
Ik heb Mijn dienaar David gezworen:
; vgl. Ps 78:70-7170Hij verkoos Zijn dienaar David
en haalde hem bij de schaapskooien vandaan.
71Van achter de zogende [schapen] deed Hij hem komen
om te weiden Jakob, Zijn volk,
en Israël, Zijn eigendom.
)
. God heeft aan David onvoorwaardelijke en eeuwige verbondsbeloften gegeven (2Sm 7:11-1611en sinds de dag waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb u rust gegeven van al uw vijanden. Ook maakt de HEERE u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal maken.12Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen.13Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.14Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat [wil zeggen]: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen en met slagen [als] van mensenkinderen.15Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw [ogen] weggenomen heb.16Uw huis en uw koningschap zullen voor uw [ogen] voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn.; Js 55:33Neig uw oor en kom tot Mij,
luister, en uw ziel zal leven;
want Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten:
de betrouwbare gunstbewijzen aan David.
)
. Die beloften zijn vast en zeker. God heeft zelfs met het zweren van een eed Zijn verbond bekrachtigd.

Het is een verbond waarvan God alleen alle verplichtingen op Zich neemt. David is daarvan het uitverkoren voorwerp (1Kr 28:44De HEERE, de God van Israël, heeft uit heel mijn familie mij uitgekozen om voor eeuwig over Israël koning te worden, want Hij heeft Juda tot een vorst uitgekozen, en in het huis van Juda mijn familie. Onder de zonen van mijn vader heeft Hij een welgevallen aan mij gehad om mij koning te maken over heel Israël.). Los van enige voorwaarde heeft God aan Zijn dienaar David gezworen: “Ik zal uw nakomelingen tot in eeuwigheid stand doen houden” (vers 55Ik zal uw nakomelingen tot in eeuwigheid stand doen houden,
uw troon bouwen van generatie op generatie. /Sela/
; vgl. 2Sm 7:12-1312Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen.13Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.)
.

God belooft plechtig dat er altijd een nakomeling van David op de troon zal zitten. Hij zal zijn ”troon bouwen van generatie op generatie” (vgl. Lk 1:31-3331en zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven.32Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,33en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.). Daarin zal Hij niet falen, ook al heeft het soms de schijn ervan, zoals dat verderop in de psalm naar voren komt. Gods toezegging is even onveranderlijk als Zijn goedertierenheid en Zijn trouw. Wie die God is Die zulke onvoorwaardelijke toezeggingen kan doen, wordt in de volgende verzen op indrukwekkende wijze voorgesteld.


Wie is als God?

6[Daarom] looft de hemel Uw wonderen, HEERE,
ja, [prijst men] Uw trouw in de gemeente van de heiligen.
7Want wie kan in de hemel met de HEERE gemeten worden?
[Wie] is de HEERE gelijk onder de machtige vorsten?
8God is zeer geducht in de raad van de heiligen
en ontzagwekkend boven allen die Hem omringen.
9HEERE, God van de legermachten, wie is als U?
Groot van macht [bent U], HEERE; Uw trouw omringt U.

God, Die David verzekert van een eeuwige troon, zit Zelf op de troon vanwaar Hij het heelal bestuurt. Hij is het Voorwerp van de lofprijzing van de hemel, ofwel de hemelbewoners, die Zijn wonderen looft (vers 66[Daarom] looft de hemel Uw wonderen, HEERE,
ja, [prijst men] Uw trouw in de gemeente van de heiligen.
)
. Zijn “trouw”, of waarheid, wordt “in de gemeente van de heiligen” geprezen (vgl. Lk 2:13-1413En plotseling was er met de engel een menigte van een hemelse legermacht, die God prees en zei:14Heerlijkheid zij God in [de] hoogste [hemelen], en vrede op aarde, in mensen van [Zijn] welbehagen.). Dit zijn de uitverkoren engelen ofwel de niet-gevallen engelen, de “algemene vergadering” (Hb 12:2222maar u bent genaderd tot [de] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen,). Deze engelen hebben een bijzondere belangstelling voor de vervulling van de verbondsbeloften (1Pt 1:1212Aan hen werd geopenbaard dat zij niet voor zichzelf, maar voor u de dingen bedienden die u nu zijn aangekondigd door hen die u het evangelie hebben verkondigd door [de] Heilige Geest Die van [de] hemel is gezonden; dingen waarin engelen begerig zijn een blik te werpen.).

In de vraag “wie kan in de hemel met de HEERE gemeten worden? (vers 77Want wie kan in de hemel met de HEERE gemeten worden?
[Wie] is de HEERE gelijk onder de machtige vorsten?
)
ligt het antwoord opgesloten. Natuurlijk is er niemand die zich met Hem kan meten, niet in wijsheid en verstand en niet in kracht. Dit geldt ook voor de vraag wie de HEERE “gelijk” is “onder de machtige vorsten”, dat zijn de engelenvorsten. Natuurlijk is niemand Hem gelijk.

De werkelijkheid is dat God “zeer geducht” is “in de raad van de heiligen” (vers 88God is zeer geducht in de raad van de heiligen
en ontzagwekkend boven allen die Hem omringen.
)
. Zijn macht, Zijn heiligheid, Zijn gerechtigheid, het vervult iedereen met groot ontzag, ook de engelen, die de mens in kracht ver te boven gaan. Engelen staan en gaan op Zijn bevel (vgl. 1Kn 22:19-2219Verder zei [Micha]: Daarom, hoor het woord van de HEERE: Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en heel het hemelse leger stond bij Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerzijde.20En de HEERE zei: Wie zal Achab misleiden, zodat hij zal optrekken en bij Ramoth in Gilead zal vallen [in de strijd]? De een nu zei dit, en de ander zei dat.21Toen trad er een geest naar voren en ging voor het aangezicht van de HEERE staan. Hij zei: Ík zal hem misleiden. En de HEERE zei tegen hem: Waarmee?22Hij zei: Ik zal eropuit gaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U mag misleiden, en u zult er ook toe in staat zijn. Vertrek en doe het zo.). Hij is “ontzagwekkend boven allen die Hem omringen”. Hij is omgeven door talloze engelen, maar maakt geen deel uit van een kring waarvan Hij de voornaamste zou zijn. Hij is ver boven de engelen verheven (Hb 1:5-135Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?6En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’.7En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die Zijn engelen tot geesten maakt en Zijn dienaars tot een vuurvlam’,8maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is [de] scepter van Uw koningschap.9U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie boven Uw metgezellen’.10En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen.11Zij zullen vergaan, maar U blijft;12en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’.13Tegen wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden stel tot een voetbank voor Uw voeten’?). Hij is de Schepper en zij zijn slechts schepselen, het maaksel van Zijn handen, dienende geesten die Hij kan uitzenden (Hb 1:1414Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die [de] behoudenis zullen beërven?).

Diep onder de indruk van Gods grote verhevenheid roept Ethan het uit: “HEERE, God van de legermachten, wie is als U?” (vers 99HEERE, God van de legermachten, wie is als U?
Groot van macht [bent U], HEERE; Uw trouw omringt U.
)
. Hij noemt God de “God van de legermachten” omdat God boven alle aardse en hemelse legermachten staat. Alle legermachten, of ze nu goed of slecht zijn, zijn aan Hem onderworpen, Hij voert het bevel erover. Geen enkele legermacht kan zijn eigen gang gaan.

God is “groot van macht”. Niemand is Hem in macht gelijk, niemand kan met Hem vergeleken worden (Js 40:2525Met wie zou u Mij willen vergelijken,
of aan wie ben Ik gelijk?
zegt de Heilige.
)
. Hij is de “HEERE”, de God van het verbond met David. Hij is geen God van willekeur, maar van trouw. Zijn trouw “omringt Hem”, het hoort bij Zijn natuur en wordt zichtbaar in Zijn handelen. Hij is volkomen betrouwbaar in Zijn beloften. Al Zijn handelingen vloeien uit Zijn trouw voort. Enkele bewijzen daarvan worden in de volgende verzen voorgesteld.


Bewijzen van Gods almacht

10U heerst over de overmoed van de zee;
wanneer haar golven zich verheffen, stilt Ú ze.
11Ú hebt Rahab als een dodelijk gewonde verbrijzeld,
U hebt Uw vijanden verstrooid met Uw sterke arm.
12De hemel is van U, ja, de aarde is van U;
de wereld en al wat ze bevat, die hebt Ú gegrondvest.
13Het noorden en het zuiden, die hebt Ú geschapen,
Tabor en Hermon zingen vrolijk om Uw Naam.
14U hebt een arm met macht,
Uw hand is sterk, Uw rechterhand verheven.
15Gerechtigheid en recht zijn het fundament van Uw troon,
goedertierenheid en trouw gaan voor Uw aangezicht uit.

God heeft in het verleden bewezen waartoe Hij in staat is, wat de omstandigheden ook mogen zijn. Hij “heerst over de overmoed van de zee”, en “wanneer haar golven zich verheffen, stilt U ze” (vers 1010U heerst over de overmoed van de zee;
wanneer haar golven zich verheffen, stilt Ú ze.
; Ps 107:2929Hij brengt de storm tot stilte,
zodat hun golven zwijgen.
)
. Er is nauwelijks iets waar Gods macht en heerschappij over alle dingen duidelijker uit blijkt dan in Zijn gezag over de zee en de golven. Zo machteloos als de mens daartegenover staat, zo beheerst en rustig heerst Hij daarover (Jb 38:8-118Of [wie] heeft de zee met deuren afgesloten,
toen zij losbarstte [en] uit de baarmoeder naar buiten kwam,
9toen Ik haar een wolk gaf als kleding,
en de donkere [wolken] als haar omslagdoek.
10Ik stelde haar Mijn grens,
en plaatste een grendel en deuren,
11en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,
hier zal zich [een grens] stellen tegen de hoogmoed van uw golven.
)
. De Heer Jezus heeft dat gezag ook, wat bewijst dat Hij God is (Mk 4:3939En wakker geworden bestrafte Hij de wind en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er ontstond een grote stilte.).

De overmoedig bruisende zee is een beeld van de Godvijandige volken waarover Hij ook heerst (Js 17:12-1312Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
)
. Een voorbeeld van Zijn heerschappij over de overmoed van de zee is dat Hij “Rahab als een dodelijk gewonde” heeft verbrijzeld (vers 1111Ú hebt Rahab als een dodelijk gewonde verbrijzeld,
U hebt Uw vijanden verstrooid met Uw sterke arm.
)
. Híj, met nadruk, dat wil zeggen Hij en niemand anders, heeft dat gedaan. Rahab staat voor Egypte, maar dan gezien als de boze macht, het zeemonster, waardoor Egypte wordt bestuurd (Js 30:99Want het is een opstandig volk,
het zijn leugenachtige kinderen,
kinderen die niet willen luisteren naar
de wet van de HEERE;
; Jr 51:9-109Wij hebben getracht Babel te genezen, maar het is niet genezen.
Verlaat het, en laten wij gaan, ieder naar zijn land,
want het oordeel erover reikt tot aan de hemel,
het is verheven tot aan de wolken.
10De HEERE heeft onze rechtvaardige daden naar voren gebracht.
Kom, laten wij in Sion vertellen de daden van de HEERE, onze God.
)
. Wat Hij met Egypte heeft gedaan, heeft Hij met al Zijn vijanden gedaan. Hij heeft ze met Zijn sterke arm verstrooid.

“De hemel” is van Hem, “ja”, ook “de aarde” is van Hem (vers 1212De hemel is van U, ja, de aarde is van U;
de wereld en al wat ze bevat, die hebt Ú gegrondvest.
)
. De hemel is vanzelfsprekend van Hem, daar woont Hij. Van de aarde lijkt dat op dit moment niet het geval te zijn, gezien de zonde die er heerst. Toch zegt het geloof bevestigend: “Ja, de aarde is van U.” “De wereld en al wat ze bevat” is van Hem omdat Hij die heeft “gegrondvest” (vgl. Ps 24:1-21Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
2Want Híj heeft haar gegrondvest op de zeeën
en haar vastgezet op de rivieren.
)
.

Zijn heerschappij betreft “het noorden en het zuiden”, want die zijn door Hem geschapen (vers 1313Het noorden en het zuiden, die hebt Ú geschapen,
Tabor en Hermon zingen vrolijk om Uw Naam.
)
. Het noorden is wat verborgen of wat donker is, waar het koud is. Het zuiden is wat in het licht is, waar het warm is. Er is niets voor Hem verborgen, want Hij heeft alles gemaakt. “Hij weet wat in het duister is, want het licht woont bij Hem” (Dn 2:2222Hij openbaart diepe en verborgen dingen,
Hij weet wat in het duister is,
want het licht woont bij Hem.
)
. Waar het licht is, komt dat door Zijn aanwezigheid. De bergen “Tabor en Hermon”, verheffen zich boven het landschap. Zij zijn in hun pracht en grootsheid als het ware de mond van de aarde die opengaat om vrolijk voor Gods Naam te zingen.

Alles wat Hij heeft geschapen, openbaart Zijn macht en kracht. Hij heeft “een arm met macht” (vers 1414U hebt een arm met macht,
Uw hand is sterk, Uw rechterhand verheven.
)
. Zijn “hand is sterk”. Met Zijn hand bewerkt Hij wat Hij wil. Zijn “rechterhand” is “verheven”. Wat Hij doet, gaat zowel het denken als de kracht van de mens te boven. God werkt Zijn plannen uit in situaties waar voor de mens alles hopeloos is.

Het “fundament van Uw troon”, de troon waarop Hij zit en vanwaar Hij alles bestuurt en over alles regeert, zijn “gerechtigheid en recht” (vers 1515Gerechtigheid en recht zijn het fundament van Uw troon,
goedertierenheid en trouw gaan voor Uw aangezicht uit.
)
. Hij handelt in volmaakte gerechtigheid met alles en iedereen en doet recht aan alles en iedereen. Daarbij gaan “goedertierenheid en trouw” voor Zijn aangezicht uit. Ze zijn als het ware Zijn herauten die verkondigen dat Hij met Zijn zegen in aantocht is. Ze stellen Zijn openbaring als liefde en licht in het vooruitzicht (1Jh 4:8,168Wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde.16En wij hebben onderkend en geloofd de liefde die God ten aanzien van ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem.; 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.). De weg die Hij op aarde gaat en al Zijn werken dragen het stempel van Wie Hij is in goedertierenheid en trouw.


Het volk van die God

16Welzalig het volk dat de klank [van de bazuin] kent,
zij wandelen, HEERE, in het licht van Uw aangezicht.
17Zij verheugen zich de hele dag in Uw Naam
en worden door Uw gerechtigheid verheven.
18Want U bent het sieraad van hun kracht;
door Uw welbehagen zal onze hoorn opgeheven worden.
19Want ons schild is van de HEERE,
onze koning van de Heilige van Israël.

Na de beschrijving van Gods verhevenheid volgt het gelukkig prijzen van het volk dat die God als zijn HEERE kent (vers 1616Welzalig het volk dat de klank [van de bazuin] kent,
zij wandelen, HEERE, in het licht van Uw aangezicht.
)
. Dit volk kent “de klank [van de bazuin]” (vgl. Nm 23:21b21Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob;
ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.
De HEERE, zijn God, is met hem,
en de [jubel]klank van de Koning is bij hem.
)
. Dit doet denken aan het Feest van het bazuingeschal, dat gevierd wordt als het nieuwemaan is (Lv 23:2424Spreek tot de Israëlieten en zeg: In de zevende maand, op de eerste [dag] van de maand, moet u een rustdag houden, een gedenkdag [aangekondigd] door [bazuin]geschal, een heilige samenkomst.; Nm 29:11In de zevende maand nu, op de eerste [dag] van de maand, moet u een heilige samenkomst houden; geen enkel dienstwerk mag u [dan] doen. Het is voor u een dag [aangekondigd] door [bazuin]geschal.). Dit feest wijst op het herstel van de relatie tussen God en Zijn volk.

Bij Israël begint de maand altijd met nieuwemaan. Op de vijftiende van de maand, het begin van het Loofhuttenfeest, is het vollemaan. Op die dag weerspiegelt de maan, die zijn licht van de zon ontvangt, het licht van de zon. Op de eerste dag is daarvan niets te zien. Dat geeft in beeld aan dat het getuigenis van Israël verdonkerd is. Tegelijk is dat ook het keerpunt naar de tijd dat de maan weer begint te schijnen. In geestelijk opzicht zal het voor Israël volle maan zijn als de gemeente is opgenomen. Het licht dat het weer zal gaan doorgeven, is van God afkomstig. God zal Zijn volk verlossen van hun vijanden (Ps 81:44Blaas [op] de bazuin bij nieuwemaan,
bij vollemaan, op onze feestdag.
)
.

Als ze van hun vijanden zijn verlost, zullen ze weer “in het licht van Uw aangezicht” wandelen. Dit betekent dat ze leven in Zijn gunst en in het besef van Zijn aandacht, dat Hij weer naar hen omziet. God, Die zo lange tijd Zijn aangezicht voor hen verborgen heeft moeten houden, heeft Zich weer in genade tot hen gewend.

Dit wandelen in het licht veroorzaakt vreugde, “zij verheugen zich de hele dag in Uw Naam” (vers 1717Zij verheugen zich de hele dag in Uw Naam
en worden door Uw gerechtigheid verheven.
)
. Een volk dat zo’n Koning heeft, wordt vervuld van grote vreugde. Hun vreugde betreft Hem, ze zijn Hem dankbaar voor de verandering die Hij in hun nood heeft bewerkt. Ze vinden hun geluk in Hem, in Wie Hij is, in Zijn regering en bescherming. Dat is “de hele dag” zo. Dit verwijst naar de periode van het duizendjarig vrederijk. God, hun Koning, is altijd Dezelfde. Daarom is hun vreugde ook altijd aanwezig. Die vreugde kan bij ons ook altijd aanwezig zijn (Fp 4:44Verblijdt u altijd in [de] Heer! Nog eens zal ik zeggen: Verblijdt u!).

Hij heeft hen uit het stof omhooggetild. Ze zijn niet meer de staart van de volken, maar God heeft hen door Zijn “gerechtigheid verheven” en gemaakt tot het hoofd van de volken (Sp 14:3434Gerechtigheid verhoogt een volk,
maar zonde is een schandvlek voor de natiën.
)
. Hun verheven positie danken ze zeker aan Zijn genade. Maar het is genade gebaseerd op gerechtigheid, want de Heer Jezus heeft het noodzakelijke werk daarvoor verricht op het kruis van Golgotha.

Ze verheerlijken God voor wat Hij met en voor hen heeft gedaan (vers 1818Want U bent het sieraad van hun kracht;
door Uw welbehagen zal onze hoorn opgeheven worden.
)
. Ze schrijven alles aan Hem toe. Hij is “het sieraad van hun kracht”. Wat ze zijn, zijn ze door Hem. Van die kracht is nu niets te zien. Maar ze weten het en zeggen in geloof: “Door Uw welbehagen zal onze hoorn” – de hoorn is een beeld van kracht – “opgeheven worden”. Hij zal hen als bewijs van Zijn welbehagen in hen hun verheven positie van heerschappij geven. Ze hebben het niet verdiend, maar Hij geeft het uit genade.

Ze beseffen dat ze beschermd worden door hun koning, dat is de Messias (vers 1919Want ons schild is van de HEERE,
onze koning van de Heilige van Israël.
)
. Hij is hun “schild … van de HEERE”, Hij heeft Hem aan hen als hun schild gegeven. Ze noemen Hem “onze koning” die zij “van de Heilige van Israël” hebben gekregen. Dit ziet weer bovenal op de Heer Jezus. Hij is door God aan Zijn volk als Koning gegeven. Hij zal regeren namens God, “de Heilige van Israël”, en dat dan ook in volkomen overeenstemming met Gods heiligheid doen.


Het verbond met David

20Eens hebt U in een visioen gesproken over Uw heilige, en gezegd:
Ik heb een held van hulp voorzien,
Ik heb een verkorene uit het volk verheven.
21Ik heb David, Mijn dienaar, gevonden;
met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd.
22Mijn hand zal hem doen standhouden,
ja, Mijn arm zal hem sterk maken.
23Geen vijand zal hem overweldigen,
geen onrechtvaardige zal hem onderdrukken.
24Maar Ik zal zijn tegenstanders verpletteren voor zijn [ogen],
wie hem haten, zal Ik treffen.
25Mijn trouw en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn,
zijn hoorn zal in Mijn Naam opgeheven worden.
26Ik zal zijn hand op de zee leggen,
zijn rechterhand op de rivieren.
27Híj zal tot Mij roepen: U bent mijn Vader,
mijn God en de rots van mijn heil.
28Ja, Ík zal hem tot een eerstgeboren zoon maken,
tot de allerhoogste van de koningen van de aarde.
29Ik zal Mijn goedertierenheid tegenover hem voor eeuwig houden,
aan Mijn verbond met hem trouw blijven.
30Ik zal zijn nageslacht voor eeuwig laten bestaan
en zijn troon als de dagen van de hemel.

Ethan herinnert God aan wat Hij over het verbond met David heeft gezegd. De eerste bekendmaking daarvan heeft Hij “in een visioen” gedaan (vers 2020Eens hebt U in een visioen gesproken over Uw heilige, en gezegd:
Ik heb een held van hulp voorzien,
Ik heb een verkorene uit het volk verheven.
)
. Over dit visioen is verder niets bekend. Het kan zijn dat het te maken heeft met wat Samuel tegen Saul zegt, dat hij niet langer koning zal zijn en God David heeft uitgezocht als man naar Zijn hart (1Sm 13:1414maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De HEERE heeft een man naar Zijn hart voor Zich uitgezocht, en de HEERE heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de HEERE u geboden had.). Samuel kan dit tegen Saul zeggen omdat God hem dat op de een of andere manier duidelijk heeft gemaakt, misschien in een visioen. Of dat God Samuel bij de zalving van David hem in een visioen duidelijk heeft gemaakt dat David degene is die hij moet zalven (1Sm 16:6-136En het gebeurde, toen zij kwamen, dat hij Eliab zag en dacht: [Deze] is [vast en] zeker voor de HEERE Zijn gezalfde.7Maar de HEERE zei tegen Samuel: Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.8Toen riep Isaï Abinadab en hij deed hem voorbij Samuel gaan, maar hij zei: De HEERE heeft ook deze niet uitgekozen.9Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan, maar hij zei: De HEERE heeft ook deze niet uitgekozen.10Zo liet Isaï zijn zeven zonen voorbij Samuel gaan, maar Samuel zei tegen Isaï: De HEERE heeft dezen niet uitgekozen.11Toen zei Samuel tegen Isaï: Zijn dit al de jongens? En hij zei: De jongste is nog achtergebleven; zie, hij weidt de schapen. Samuel zei tegen Isaï: Stuur [een bode] en [laat] hem halen, want wij zullen niet rond [de tafel] gaan [zitten], totdat hij hier gekomen is.12Toen stuurde hij [een bode] en bracht hem. Hij was rossig, had mooie ogen en was knap om te zien. De HEERE zei: Sta op, zalf hem, want deze is het.13Toen nam Samuel de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broers. En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan. Daarna stond Samuel op en ging naar Rama.).

De psalmist spreekt tot God over David als “Uw heilige”, dat is ‘hij die U voor Uzelf hebt afgezonderd’. God noemt David “een held”. Dat is hij niet in zichzelf, maar omdat God hem van “hulp voorzien” heeft (vgl. Gn 49:2424maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
)
. God heeft hem de kracht gegeven om een held te zijn. Het heldendom van David is zijn zorg voor de schapen, die hij heeft beschermd tegen de leeuw en de beer. Zelf zegt hij daarvan: “De HEERE, Die mij uit de klauwen van de leeuw gered heeft en uit de klauwen van de beer” (1Sm 17:34-3734Toen zei David tegen Saul: Uw dienaar weidde de schapen van zijn vader, en kwam er een leeuw of een beer die een schaap van de kudde wegnam,35dan ging ik hem achterna, sloeg hem neer en redde het uit zijn bek. En als hij mij dan aanviel, greep ik hem bij zijn baard, sloeg hem neer en doodde hem.36Uw dienaar heeft zowel leeuw als beer verslagen. Zó zal deze onbesneden Filistijn zijn als een van hen, omdat hij de gelederen van de levende God gehoond heeft.37Verder zei David: De HEERE, Die mij uit de klauwen van de leeuw gered heeft en uit de klauwen van de beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn. Toen zei Saul tegen David: Ga heen, de HEERE zij met je!).

Deze herdersjongen, die door Gods hulp een held is, is door God “een uitverkorene uit het volk”. De uitverkiezing van David is helemaal Gods zaak. De nederige afkomst en het eenvoudige beroep van David maken des te duidelijker dat God hem heeft verheven en hem die hoge positie heeft gegeven (2Sm 7:88Nu dan, dit moet u tegen Mijn dienaar zeggen, tegen David: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi vandaan gehaald, van achter het kleinvee, om een leider over Mijn volk te zijn, over Israël.; Ps 78:70-7270Hij verkoos Zijn dienaar David
en haalde hem bij de schaapskooien vandaan.
71Van achter de zogende [schapen] deed Hij hem komen
om te weiden Jakob, Zijn volk,
en Israël, Zijn eigendom.
72Hij heeft hen geweid met een oprecht hart
en hen geleid met zeer bekwame hand.
)
.

God heeft David uitverkoren. Tegelijk is het zo, dat God naar iemand heeft gezocht die Hem dient (vers 2121Ik heb David, Mijn dienaar, gevonden;
met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd.
; Hd 13:2222En na hem te hebben afgezet verwekte Hij hun David tot koning, van wie Hij ook aldus getuigenis gaf: ‘Ik heb David gevonden, de [zoon] van Isaï, een man naar Mijn hart, die Mijn hele wil zal doen’.)
. Die heeft Hij gevonden in David, die Hij “Mijn dienaar” noemt. Dat is David niet pas als hij koning wordt, maar dat is hij al als hij de schapen weidt en hoedt. In dat werk heeft hij kwaliteiten getoond die van bijzondere waarde voor God zijn om als Zijn vertegenwoordiger over Zijn volk te regeren.

We beluisteren de vreugde in de stem van God als Hij zegt: “Met Mijn heilige zalfolie hen Ik hem gezalfd.” Ethan heeft David “Uw heilige” genoemd (vers 1919Want ons schild is van de HEERE,
onze koning van de Heilige van Israël.
)
en God heeft David met “Mijn heilige zalfolie” gezalfd. Dat heeft Hij gedaan door de hand van Samuel (1Sm 16:1313Toen nam Samuel de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broers. En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan. Daarna stond Samuel op en ging naar Rama.). Alles bij de roeping van David draagt het kenmerk van heiligheid.

God vindt grote vreugde in David. Hij is een beeld van de Heer Jezus, van Wie staat dat God Hem heeft gezalfd met vreugdeolie boven Zijn metgezellen (Ps 45:7-87Uw troon, o God, bestaat eeuwig en altijd;
de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van rechtvaardigheid.
8U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,
met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
)
. Zalving gebeurt met het oog op een te verrichten dienst. Door de zalving wordt iemand daarin ingewijd. De zalving spreekt voor ons van de Heilige Geest, met Wie iedere gelovige is gezalfd (1Jh 2:2020En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.). Door de Geest kunnen we een vreugde zijn voor Gods hart. Dat is zo, als we ons door de Geest laten leiden. Bij de Heer Jezus is dat op aarde altijd en volmaakt het geval geweest. Daarom is Hij altijd een vreugde voor Gods hart geweest.

God belooft dat Hij David in zijn dienst voor Hem door Zijn hand zal “doen standhouden” (vers 2222Mijn hand zal hem doen standhouden,
ja, Mijn arm zal hem sterk maken.
)
. Hij stelt Zich garant voor het slagen van zijn dienst, want Hij zal hem beschermen en verdedigen. Met Zijn hand is Hij altijd bij hem. David zal zijn dienst kunnen uitvoeren omdat Gods arm “hem sterk” zal maken. Hier is weer sprake van Gods “hand” en Gods “arm” (vgl. vers 1414U hebt een arm met macht,
Uw hand is sterk, Uw rechterhand verheven.
)
. God is de werkzame kracht. Gods hand en arm zijn even vast aan hem verbonden als zijn eigen hand en arm aan zijn lichaam. Alles gebeurt door Hem. Hij werkt Zijn verbond uit en maakt het waar. Daarom is mislukking uitgesloten.

Er is geen vijandige macht die David onder druk zal kunnen zetten of hem zal kunnen overweldigen (vers 2323Geen vijand zal hem overweldigen,
geen onrechtvaardige zal hem onderdrukken.
)
. Want het opnemen tegen David staat gelijk aan het opnemen tegen de Almachtige. En wie zal het met enige kans van slagen kunnen opnemen tegen de Almachtige? De veronderstelling alleen al getuigt van grote dwaasheid. Ook is er “geen onrechtvaardige” die hem zal “onderdrukken”. God zorgt ervoor dat David niet in zijn handen valt.

God zal Zijn grote macht voor de ogen van Zijn uitverkoren koning tonen door “zijn tegenstanders” te “verpletteren” (vers 2424Maar Ik zal zijn tegenstanders verpletteren voor zijn [ogen],
wie hem haten, zal Ik treffen.
)
. Hij hoeft geen enkele tegenstander te vrezen, want God neemt het voor hem op. Ook “wie hem haten”, zal God “treffen” met dodelijke plagen. Niemand krijgt enige kans Gods gezalfde koning enig kwaad te doen omdat God hem met Zijn macht beschermt.

De bescherming van God bestaat uit Zijn “trouw” en Zijn “goedertierenheid” (vers 2525Mijn trouw en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn,
zijn hoorn zal in Mijn Naam opgeheven worden.
)
. Deze eigenschappen zijn om zo te zeggen de beschermers van Zijn verbond. Zij zullen met hem, zijn uitverkoren koning zijn. In Zijn trouw zal Hij David voor kwaad bewaren en in Zijn goedertierenheid zal Hij hem leiden. De hoorn, die de kracht van de koning symboliseert, zal door David “in Mijn Naam opgeheven worden”. Zijn kracht ligt in de Naam van God, dat is alles wat God is en heeft gezegd.

Alles in en aan de koning verwijst naar God. Daarom is een uitgebreid gebied aan zijn heerschappij onderworpen. Omdat God zijn hand bestuurt, zal hij “zijn hand op de zee leggen” en “zijn rechterhand op de rivieren” (vers 2626Ik zal zijn hand op de zee leggen,
zijn rechterhand op de rivieren.
)
. Hiermee wordt zijn algemene heerschappij aangegeven, die in de onbegrensde heerschappij van de Messias zijn volle vervulling zal krijgen.

Maar God bewijst Zijn voorkeur voor David niet alleen door hem een groot gebied te geven om daarover te heersen. Hij heeft David bovenal in een persoonlijke relatie tot Zichzelf gebracht (vers 2727Híj zal tot Mij roepen: U bent mijn Vader,
mijn God en de rots van mijn heil.
)
. De verhouding tussen David en God is die als van een zoon tot zijn vader (vgl. 2Sm 7:1414Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat [wil zeggen]: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen en met slagen [als] van mensenkinderen.). Dit is in volmaakte zin waar van de Heer Jezus (Hb 1:55Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?).

Dat David tot God zal roepen “U bent mijn Vader”, betekent dat hij God als de oorsprong van zijn koningschap erkent. In die zin is God ook de Vader van Zijn volk, Hij is de oorsprong ervan (Dt 32:6b6Doet u dit de HEERE aan,
dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft,
Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden?
)
. David kan niet zeggen, wat de nieuwtestamentische gelovige door de Heilige Geest Die in hem woont, wel kan zeggen “Abba, Vader” (Rm 8:15-1615Want u hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar u hebt ontvangen een geest van zoonschap, waardoor wij roepen: Abba, Vader!16De Geest Zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn.; Gl 4:5-65opdat Hij hen die onder [de] wet waren, vrijkocht, opdat wij het zoonschap zouden ontvangen.6En omdat u zonen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon in onze harten uitgezonden, Die roept: Abba, Vader!). De Geest werkt wel in David, maar woont niet in hem. De Geest woont in het Oude Testament nog niet op aarde, want Hij is pas op aarde komen wonen nadat de Heer Jezus na Zijn kruiswerk is teruggekeerd naar God (Jh 7:37-3937En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus [daar] en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken!38Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.; 14:16-1716En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid:17de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, omdat zij Hem niet aanschouwt en Hem niet kent; u kent Hem, omdat Hij bij u blijft en in u zal zijn.; 15:2626Maar wanneer de Voorspraak is gekomen, Die Ik u zal zenden van de Vader, de Geest van de waarheid Die van de Vader uitgaat, zal Die van Mij getuigen.; 16:13-1413Maar wanneer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.14Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen.).

David noemt God ook “mijn God en de rots van mijn heil”. In zijn persoonlijke relatie met God, “mijn God”, kent hij Hem als “de rots van mijn heil”. Hiermee drukt hij uit dat zijn God in alle tijden zijn enige vertrouwen en hoop is. God is de onwankelbare rots die hem naar het volle heil of de volle behoudenis zal brengen.

Gods genade gaat nog verder. David wordt door God “tot een eerstgeboren zoon” gemaakt (vers 2828Ja, Ík zal hem tot een eerstgeboren zoon maken,
tot de allerhoogste van de koningen van de aarde.
)
en daarmee tot erfgenaam. David is niet de eerstgeboren zoon van Isaï. Hij is de jongste zoon. ‘Eerstgeboren’ geeft dan ook niet de volgorde van geboorte aan, maar een plaats van eer boven anderen. God maakt hem “tot de allerhoogste van de koningen van de aarde”. Beide namen gelden weer in het bijzonder voor de Heer Jezus (vgl. Ko 1:15,1815Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,18En Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeente, Hij Die [het] begin is, [de] Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alle dingen de eerste plaats zou innemen.; Rm 8:2929Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.; Op 1:55en van Jezus Christus, de trouwe Getuige, de Eerstgeborene van de doden en de Overste van de koningen van de aarde. Hem Die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door Zijn bloed,).

Niets kan een einde maken aan Gods goedertierenheid ofwel Zijn liefde voor David (vers 2929Ik zal Mijn goedertierenheid tegenover hem voor eeuwig houden,
aan Mijn verbond met hem trouw blijven.
)
. Hij zal “voor eeuwig” Zijn liefde voor hem “houden”. God heeft Zijn verbond met David niet gesloten op basis van de wet, maar uit liefde. Daaraan zal Hij “trouw blijven”. Niets kan Hem aan dat verbond ontrouw maken. Hij zal zonder enig falen alles vervullen waartoe Hij Zich in dat verbond heeft verplicht.

God “zal zijn nageslacht voor eeuwig laten bestaan” (vers 3030Ik zal zijn nageslacht voor eeuwig laten bestaan
en zijn troon als de dagen van de hemel.
)
. Hierbij mogen we vooral denken aan de Heer Jezus, de Zoon van David. God heeft Hem op het oog. De Messias zal in het vrederijk op “Zijn troon” zitten. Zijn regering zal zijn “als de dagen van de hemel”. In Zijn regering brengt Hij de hemel op aarde, waardoor de dagen op aarde worden als de dagen van de hemel (vgl. Dt 11:2121opdat uw dagen en de dagen van uw kinderen in het land waarvan de HEERE uw vaderen gezworen heeft het hun te geven, [zo] talrijk worden als de dagen dat de hemel boven de aarde staat.; Js 66:2222Want zoals de nieuwe hemel
en de nieuwe aarde die Ik ga maken,
voor Mijn aangezicht zullen blijven staan, spreekt de HEERE,
zo zullen [ook] uw nageslacht en uw naam blijven staan.
)
.


Als … dan … Maar

31Als zijn kinderen Mijn wet verlaten
en in Mijn bepalingen niet gaan,
32als zij Mijn verordeningen ontheiligen
en Mijn geboden niet in acht nemen,
33dan zal Ik hun overtreding met de roede straffen
en hun ongerechtigheid met slagen.
34Maar Mijn goedertierenheid zal Ik bij hem niet wegnemen
en in Mijn trouw niet falen.
35Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen
en wat over Mijn lippen gekomen is, niet veranderen.
36Eens heb Ik gezworen bij Mijn heiligheid:
Nooit zal Ik tegen David liegen!
37Zijn nageslacht zal voor eeuwig blijven,
zijn troon zal vóór Mij zijn, [vast] als de zon.
38Hij zal [voor] eeuwig standhouden, zoals de maan;
de getuige [hoog] aan de hemel is trouw. /Sela/

Het verbond met David betekent niet dat zijn kinderen ongestraft Gods “wet” kunnen verlaten (vers 3131Als zijn kinderen Mijn wet verlaten
en in Mijn bepalingen niet gaan,
)
. De wet is de uitdrukking van Gods wil voor hun hele maatschappelijke en godsdienstige leven. Als ze de wet verlaten, gaan ze niet in Gods “bepalingen” die Hij voor bepaalde aspecten van hun leven heeft gegeven.

Ze kunnen ook Zijn “verordeningen”, Zijn regels voor de omgang met Hem en met elkaar, niet zonder gevolgen terzijde schuiven (vers 3232als zij Mijn verordeningen ontheiligen
en Mijn geboden niet in acht nemen,
)
. Als ze die ontheiligen, dat wil zeggen als gewone, menselijke verordeningen zien die ze naar believen kunnen negeren, zullen ze bestraft worden. Ook het niet in acht nemen, ofwel veronachtzamen, van Gods “geboden”, zal Gods tucht over hen brengen. Zijn geboden zijn een uitdrukkelijke uiting van Zijn wil.

Als Davids nakomelingen met al deze verschillende uitingen van Gods wil geen rekening houden, zal Hij “hun overtreding met de roede straffen en hun ongerechtigheid met slagen” (vers 3333dan zal Ik hun overtreding met de roede straffen
en hun ongerechtigheid met slagen.
)
. God heeft dat gedaan door de Assyriërs en de Babyloniërs respectievelijk de tienstammen en de twee stammen uit het land weg te laten voeren. Hij heeft deze volken gebruikt om Zijn volk met de roede te straffen en te slaan.

Maar ondanks dat heeft Hij Zijn goedertierenheid niet bij David weggenomen (vers 3434Maar Mijn goedertierenheid zal Ik bij hem niet wegnemen
en in Mijn trouw niet falen.
)
. Het is onmogelijk dat Hij in Zijn trouw aan Zijn verbond zal falen. God heeft geen definitief einde aan Zijn ongehoorzame volk gemaakt. Hij wordt niet in verlegenheid gebracht door hun ontrouw. God bewaart voor het waarmaken van Zijn verbond altijd een overblijfsel naar de verkiezing van de genade (Rm 9:27-2927En Jesaja roept over Israël uit: ‘Al was het getal van de zonen van Israël als het zand van de zee, het overblijfsel zal behouden worden.28Want [de] Heer zal ten einde toe en met haast een zaak doen op de aarde’.29En zoals Jesaja tevoren heeft gezegd: ‘Als [de] Heer Zebaoth ons geen nageslacht had gelaten, dan zouden wij als Sodom geworden zijn en aan Gomorra gelijk gemaakt’.; 11:55Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.).

In krachtige bewoordingen verklaart God de vastheid van Zijn verbond (vers 3535Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen
en wat over Mijn lippen gekomen is, niet veranderen.
)
. Hij noemt het “Mijn verbond”. Hij heeft het gesloten en Zich garant gesteld voor de naleving ervan. Daarom zal Hij het “niet ontheiligen” door er niet naar te handelen. Wat er over Zijn lippen is gekomen, zijn geen ondoordachte uitspraken, zoals dat bij ons zo vaak het geval is. Wat Hij heeft gezegd, verandert Hij niet, Hij past de voorwaarden niet aan, maar houdt Zich aan Zijn oorspronkelijke afspraak.

Wat Hij heeft gezegd, heeft Hij gezworen (vers 3636Eens heb Ik gezworen bij Mijn heiligheid:
Nooit zal Ik tegen David liegen!
)
. Het is de krachtigste wijze om iets te beloven, wat bij Hem tegelijk de absolute vervulling op de juiste tijd en wijze inhoudt. Hij heeft gezworen “bij Mijn heiligheid”. Hij ontheiligt Zijn verbond niet, zoals Hij in vers 3535Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen
en wat over Mijn lippen gekomen is, niet veranderen.
heeft gezegd, omdat dit in strijd is met Zijn heiligheid. Hij is volmaakt heilig, volmaakt afgezonderd van het kwaad en de zonde.

God zegt dit alles op deze manier om Zijn zwakke, vaak twijfelende volk ervan te overtuigen dat Hij Zijn beloften waarmaakt. Als extra bevestiging zegt Hij: “Nooit zal Ik tegen David liegen” (vgl. Hb 6:17-1817Daarom heeft God, omdat Hij de erfgenamen van de belofte de onveranderlijkheid van Zijn raad overvloediger wilde bewijzen, Zich met een eed verbonden,18opdat wij door [deze] twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke vertroosting hebben, wij die de toevlucht hebben genomen om de voorgestelde hoop aan te grijpen.). Het is onmogelijk dat God liegt, want Hij kan niet liegen (Tt 1:22in [de] hoop van [het] eeuwige leven dat God, Die niet kan liegen, beloofd heeft vóór [de] tijden van de eeuwen; maar op Zijn eigen tijd heeft Hij Zijn Woord geopenbaard door [de] prediking; Nm 23:1919God is geen man, dat Hij liegen zou,
of een mensenkind, dat Hij [ergens] berouw over hebben zou.
Zou Híj [iets] zeggen en [het] dan niet doen?
Zou Híj spreken en het niet gestand doen?
)
. Liegen is volkomen vreemd aan Zijn natuur.

Hij heeft gezegd dat Davids nageslacht voor eeuwig blijven zal, dus blijft dat voor eeuwig (vers 3737Zijn nageslacht zal voor eeuwig blijven,
zijn troon zal vóór Mij zijn, [vast] als de zon.
)
. Er zal altijd iemand uit zijn nageslacht op zijn troon zitten. Dit is niemand anders dat de Messias, de Zoon van David en tevens de Zoon van God. Zijn troon “zal vóór Mij zijn”, wil zeggen dat God die troon altijd ziet. Hier is een regering die volmaakt en ononderbroken beantwoordt aan Zijn heiligheid. Daarom staat die troon net zo vast “als de zon” vaststaat aan de hemel.

De heerschappij van de Messias “zal [voor] eeuwig standhouden, zoals de maan” (vers 3838Hij zal [voor] eeuwig standhouden, zoals de maan;
de getuige [hoog] aan de hemel is trouw. /Sela/
)
. De maan staat in verbinding met de zon, ze ontleent haar licht aan de zon. De zon staat vast, de maan houdt voor eeuwig stand. Beide symboliseren ze de heerschappij van het licht in het vrederijk (Gn 1:14-1614En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!15En laten zij tot lichten zijn aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde! En het was zo.16En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.). Zowel de positie als de duur van de heerschappij zijn onveranderlijk. Het koninkrijk van de Messias is een eeuwig koninkrijk (Dn 2:4444In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.).

De maan is “de getuige [hoog] aan de hemel”. Deze getuige “is trouw”. De maan kent wisselingen in haar verschijning. Het gaat in een kringloop van nieuwemaan van volle maan en van volle maan naar nieuwemaan. Hoewel er wisseling is, is er geen verrassing. Het is een getrouw beeld dat elke maand opnieuw terugkeert. God wijst hiermee op Zijn trouw, die altijd blijft, ook al is die voor de mens op het ene moment duidelijker waar te nemen dan op het andere moment.


Verstoten en verworpen

39Maar Ú hebt [hem] verstoten en verworpen,
U bent verbolgen geworden op Uw gezalfde.
40U hebt het verbond met Uw dienaar tenietgedaan,
U hebt zijn diadeem ontheiligd en op de aarde [geworpen].
41U hebt een bres geslagen in al zijn muren,
U hebt zijn vestingen in puin gelegd.
42Alle voorbijgangers op de weg hebben hem beroofd;
zijn buren is hij tot smaad geworden.
43U hebt de rechterhand van zijn tegenstanders verheven,
U hebt al zijn vijanden verblijd.
44Ja, U hebt de scherpte van zijn zwaard gekeerd,
U hebt hem in de strijd geen stand doen houden.
45U hebt zijn luister doen ophouden,
U hebt zijn troon op de aarde neergestoten.
46U hebt de dagen van zijn jeugd verkort,
U hebt hem met schaamte bedekt. /Sela/

De actuele situatie staat haaks op de vastheid en vervulling van het verbond en doet denken aan de nieuwemaan. Het is nacht, zonder het licht van de maan. David, de uitverkoren koning, is door God verstoten en verworpen (vers 3939Maar Ú hebt [hem] verstoten en verworpen,
U bent verbolgen geworden op Uw gezalfde.
)
. Niet in persoon, maar in zijn nakomelingen. We bevinden ons in de tijd die vlak aan de vervulling van de belofte voorafgaat, de tijd van de grote verdrukking. God is verbolgen geworden op Zijn volk en de nakomelingen van Zijn gezalfde koning omdat zij Hem ontrouw zijn geworden.

Het lijkt erop dat Hij het verbond met Zijn dienaar teniet heeft gedaan (vers 4040U hebt het verbond met Uw dienaar tenietgedaan,
U hebt zijn diadeem ontheiligd en op de aarde [geworpen].
)
. God heeft zijn diadeem van koninklijke waardigheid “ontheiligd en op de aarde geworpen”. Er is niets meer van de vroegere grootheid en eer over.

De stad van God, de stad van David, is een bouwval geworden (vers 4141U hebt een bres geslagen in al zijn muren,
U hebt zijn vestingen in puin gelegd.
)
. De stad is vrij toegankelijk geworden door de bressen in de muren. De verdediging is uitgeschakeld, de vestingen liggen in puin. Ethan schrijft het toe aan het handelen van God.

Door het wegvallen van de bescherming is de Davidsstad door “alle voorbijgangers op de weg … beroofd” van alle kostbaarheden die erin te vinden waren (vers 4242Alle voorbijgangers op de weg hebben hem beroofd;
zijn buren is hij tot smaad geworden.
)
. Er is ook geen enkel respect meer voor stad. Voor “zijn buren”, de buurvolken, “is hij tot smaad geworden”.

God heeft de tegenstanders niet alleen toegang tot de stad gegeven, maar ook hun “rechterhand … verheven” (vers 4343U hebt de rechterhand van zijn tegenstanders verheven,
U hebt al zijn vijanden verblijd.
)
. Hij heeft hun de kracht ervoor gegeven en hun de macht over Zijn volk gegeven. Wat heeft Hij hun vijanden daardoor “verblijd”, maar dan in de zin van leedvermaak.

Daartegenover heeft Hij het zwaard van Zijn volk tegen henzelf gekeerd (vers 4444Ja, U hebt de scherpte van zijn zwaard gekeerd,
U hebt hem in de strijd geen stand doen houden.
)
. Hij heeft hun Zijn kracht onthouden en hen daardoor “in de strijd geen stand doen houden”. Ze zijn verslagen, omgekomen, verstrooid, weggevoerd of gevlucht.

Van zijn luister als koning is niets over, die heeft Hij “doen ophouden” (vers 4545U hebt zijn luister doen ophouden,
U hebt zijn troon op de aarde neergestoten.
)
. Alle pracht die zijn koningschap heeft gekenmerkt, is verdwenen. Van zijn heerschappij is ook niets over, want Hij heeft “zijn troon op de aarde neergestoten”. Er is ook niets meer om over te regeren, want het volk is verstrooid over de omringende landen of weggevoerd in ballingschap.

De heerlijke regering van David en van zijn eerste opvolger, zijn zoon Salomo, hebben maar kort geduurd. Door de ontrouw van Salomo heeft God “de dagen van zijn jeugd”, dat is van het koninkrijk van Israël, “verkort” (vers 4646U hebt de dagen van zijn jeugd verkort,
U hebt hem met schaamte bedekt. /Sela/
)
. Het is van kwaad tot erger gegaan. God heeft de dagen van voorspoed en jeugdige schoonheid niet kunnen verlengen. Hij heeft Zijn troon aan de volken moeten geven en Zijn volk “met schaamte bedekt”.


Hoelang nog?

47Hoelang [nog], HEERE? Zult U Zich voor altijd verbergen?
[Hoelang] zal Uw grimmigheid branden als een vuur?
48Bedenk hoe kort mijn levensduur is.
Waarom zou U alle mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?
49Welke man leeft er die de dood niet zien zal,
die zijn ziel bevrijden zal uit de greep van het graf? /Sela/
50Heere, waar zijn Uw vroegere [blijken van] goedertierenheid?
U hebt ze David gezworen bij Uw trouw.
51Denk, Heere, aan de smaad van Uw dienaren;
[de hoon van] alle grote volken, die ik in mijn binnenste meedraag.
52Daarmee smaden Uw vijanden, HEERE,
daarmee smaden zij de voetstappen van Uw gezalfde.

Het overblijfsel vraagt weer “hoelang” die situatie nog moet duren (vers 4747Hoelang [nog], HEERE? Zult U Zich voor altijd verbergen?
[Hoelang] zal Uw grimmigheid branden als een vuur?
; Ps 13:22Hoelang [nog], HEERE? Zult U mij voor altijd vergeten?
Hoelang zult U Uw aangezicht [nog] voor mij verbergen?
)
. Het is een vraag van wanhoop met betrekking tot de omstandigheden. Ze ervaren dat God Zich voor hen verbergt. Zal Hij dat “voor altijd” doen (vgl. Ps 77:7-97Ik dacht aan mijn snarenspel,
's nachts peinsde ik in mijn hart,
en mijn geest onderzocht:
8Zou de Heere [dan] in alle eeuwigheid verstoten
en voortaan niet meer goedgezind zijn?
9Houdt Zijn goedertierenheid voor altijd op?
Komt aan [Zijn] toezegging een einde, van generatie op generatie?
)
? Tegelijk is de vraag “hoelang” ook een vraag waarin de hoop doorklinkt dat er een einde aan het lijden komt. Maar hoelang nog zal Gods “grimmigheid branden als een vuur?”

Ze vragen God te bedenken “hoe kort” hun “levensduur is” (vers 4848Bedenk hoe kort mijn levensduur is.
Waarom zou U alle mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?
)
. Als Hij nog iets wil waarmaken van Zijn verbond, laat Hij dat dan snel doen, want anders is hun leven voorbij. “Waarom zou U alle mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben”, als Hij hen toch maar zo kort laat leven en dan het hun dan ook nog zo moeilijk maakt? Uiteindelijk sterft ieder mens (vers 4949Welke man leeft er die de dood niet zien zal,
die zijn ziel bevrijden zal uit de greep van het graf? /Sela/
)
. Niemand ontkomt eraan, want niemand kan “zijn ziel bevrijden … uit de greep van het graf”.

Dan komt de vraag aan de “Heere”, Adonai, waar Zijn “vroegere [blijken van] goedertierenheid” zijn (vers 5050Heere, waar zijn Uw vroegere [blijken van] goedertierenheid?
U hebt ze David gezworen bij Uw trouw.
)
. Waar zijn ze gebleven? Toch heeft Hij “David gezworen bij Uw trouw”. Maar er is nu niets van te zien. Is God vergeten dat Hij bij Zijn trouw heeft gezworen?

Nog een aspect dat het overblijfsel voor God brengt, is de smaad die Zijn dienaren ondergaan (vers 5151Denk, Heere, aan de smaad van Uw dienaren;
[de hoon van] alle grote volken, die ik in mijn binnenste meedraag.
)
. Denkt de Heere daar wel aan? “Alle grote volken” honen hen. Die hoon schudden ze niet van zich af, maar die dragen ze mee in hun binnenste. Alle hoon raakt hen diep en blijft zitten zolang er geen uitkomst komt, geen verhoring, geen vervulling van het verbond.

Ten slotte wijzen zij de HEERE erop dat de vijanden niet hun vijanden zijn, maar die van Hem, “Uw vijanden” (vers 5252Daarmee smaden Uw vijanden, HEERE,
daarmee smaden zij de voetstappen van Uw gezalfde.
)
. Zijn vijanden smaden ook niet in de eerste plaats hun doen en laten, maar “de voetstappen van Uw gezalfde”. Gods gezalfde is David en boven hem uit de Messias.

De vijanden van Christus hebben Hem gesmaad en bespot als ‘de Koning van de Joden’. Ze hebben de weg van God die Hij met de Messias is gegaan, gesmaad. Dat Gods Koning als Baby in een timmermansgezin is geboren en Zijn leven in vernedering heeft geleefd, is aanleiding voor het ongeloof om met Hem te spotten. Alle spotters zullen Hem tot hun ontsteltenis terugzien, maar dan als Rechter.


Amen, ja, amen

53De HEERE zij voor eeuwig geloofd.
Amen, ja, amen.

Ondanks dat Ethan erover spreekt dat God Zich niet laat zien, gelooft hij dat God er is en al Zijn beloften zal vervullen. Daarom zegt hij: “De HEERE zij eeuwig geloofd”. Hij onderstreept die uitspraak met een overtuigd “amen, ja, amen”. Het is vast en zeker.

Zo triomfeert het geloof over de omstandigheden. De gelovige ziet door de duisternis het licht van de hoop. Die hoop is het vertrouwen in Hem, Die Zijn verbondsbeloften zal vervullen, ook al lijkt alles de vervulling ervan te verhinderen.


Lees verder