Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-3 Roep om gehoor 4-10 De grootte van de ellende 11-13 Vragen 14-19 Verstoten
Inleiding

Deze psalm is de treurigste psalm in het hele boek Psalmen. Het is het gebed van een man die onophoudelijk lijdt. Hij klaagt over de vreselijke, harde verdrukking die hem aan de rand van de dood brengt. Toch heeft hij dag en nacht de HEERE aangeroepen. We zien hier een mens onder de wet, om zo te zeggen in verbinding met de Sinaï. Dit staat tegenover de mens in Psalm 87, die in verbinding met Sion staat, die de genade voorstelt.

Het lijden van de psalm is van toepassing op het lijden van het overblijfsel in de eindtijd, vlak voor de komst van de Heer Jezus. Het overblijfsel zal in de grote verdrukking zo zwaar lijden, dat het voor hen lijkt alsof er aan hun nood geen einde komt en de duisternis het wint van het licht. De psalm herinnert vooral ook aan het lijden van de Heer Jezus.

Op grond van Zijn lijden kan de vreugde van de stad van God er zijn bij allen die daarin zijn (Ps 87:77De zangers evenals zij die [in reien] dansen, [zingen]:
Al mijn bronnen zijn in u!
)
. Iedereen die daarin is, Jood en heiden, en in de zegen deelt, is aan de macht van de duivel onttrokken en wordt gerekend tot die stad.


Opschrift

1Een lied, een psalm van de zonen van Korach, voor de koorleider, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, de Ezrahiet.

Deze psalm wordt “een lied” genoemd. Het is echter niet, zoals meestal, een loflied, maar het is een klaaglied waarin droefheid en wanhoop worden bezongen. Voor “de zonen van Korach” zie Psalm 42:1. Voor “voor de koorleider” zie Psalm 4:1. Het lied wordt gezongen “op Machalath Leannoth”, waaruit blijkt dat het een klaaglied is. Het woord ‘machalath’ komt alleen nog voor in Psalm 53 (Ps 53:11Een onderwijzing van David, voor de koorleider, op Machalath.). Het is mogelijk afgeleid van een woord voor ziekte. ‘Leannoth’ betekent ‘om te antwoorden’. Het kan ook ‘neergedrukt’ betekenen. We kunnen het dan zo opvatten dat het lied wordt gezongen door een neergedrukte met zwakke stem, met een toonzetting in mineur.

Deze psalm is “een onderwijzing”, een maskil. Zie verder bij Psalm 32:1. De psalm is een onderwijzing “van Heman, de Ezrahiet”. Het is de enige psalm van hem in Psalmen. Heman is een wijze, een Leviet en een zanger (1Kn 4:3131ja, hij was wijzer dan alle mensen, dan Ethan, de Ezrahiet, Heman, Chalcol en Darda, de zonen van Mahol, en zijn naam was [bekend] bij alle heidenvolken rondom.; 1Kr 15:17,1917Toen stelden de Levieten Heman op, de zoon van Joël. En uit zijn broeders Asaf, de zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broeders, Ethan, de zoon van Kusaja.19En de zangers Heman, Asaf en Ethan lieten zich horen met koperen cimbalen;). Hij wordt opgenomen in de stam Juda. Hij wordt ook genoemd de ziener van de koning, met woorden van God om de hoorn op te heffen” (1Kr 25:55Deze allen waren zonen van Heman, de ziener van de koning, met woorden van God om de hoorn op te heffen. God had Heman veertien zonen gegeven en drie dochters.).


Roep om gehoor

2HEERE, God van mijn heil,
overdag en in de nacht [kom ik] voor U en roep ik.
3Laat mijn gebed voor Uw aangezicht komen,
neig Uw oor tot mijn roepen.

De psalmist richt zich in zijn diepe nood tot de “HEERE”, Die Hij “God van mijn heil” noemt (vers 22HEERE, God van mijn heil,
overdag en in de nacht [kom ik] voor U en roep ik.
)
. Dit is een lichtpuntje, want hij kent God als de God van zijn behoudenis. Daarom richt hij zich tot Hem. Te midden van de nood houdt het geloof vast aan de God Die beloofd heeft te verlossen. Tegelijk maakt het zijn situatie nog duisterder, want de God Die Hij zo kent, antwoordt niet. Dit is een dramatische gewaarwording.

Hij meldt zich “overdag en in de nacht” bij God en roept Hem aan. Dit ‘roepen’ wijst op een indringend en krachtig bidden vanuit een hart dat aan de zwaarte van de nood ten onder gaat. Maar God lijkt geen aandacht aan hem te schenken. De Heer Jezus heeft ook “met sterk geroep en tranen” gebeden tot God (Hb 5:77Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),). Dat is in Gethsémané, bij het vooruitzien van het lijden voor de zonde. Hij weet wat het is een diep bezwaard hart te hebben en kan daarom meevoelen met het overblijfsel en allen die zich zo voelen. Bij Hem is er echter niet de hopeloosheid die de bidder hier kenmerkt. Hij roept in het volle besef dat God Hem hoort.

Heman dringt er bij de God van zijn heil op aan dat zijn gebed voor Zijn aangezicht komt, dat wil zeggen in Zijn tegenwoordigheid (vers 33Laat mijn gebed voor Uw aangezicht komen,
neig Uw oor tot mijn roepen.
)
. Het lijkt namelijk of de deur naar God dicht zit, dat zijn gebed niet tot Hem doordringt. God lijkt niet te luisteren. Maar hij geeft niet op en vraagt Hem: “Neig Uw oor tot mijn roepen.” Hier gebruikt hij weer dat sterke woord ‘roepen’. Hij weet dat God er is, hoewel Hij Zich voor hem teruggetrokken lijkt te hebben.


De grootte van de ellende

4Want mijn ziel is verzadigd van ellende,
mijn leven raakt [bijna] het graf.
5Ik word gerekend tot hen die in de kuil neerdalen,
ik ben geworden als een man zonder kracht,
6afgezonderd onder de doden,
net als de gesneuvelden, die in het graf liggen:
aan hen denkt U niet meer!
Zíj zijn afgesneden van Uw hand.
7U hebt mij in de onderste kuil gelegd,
in duistere oorden, in diepten.
8Uw grimmigheid leunt op mij,
U hebt [mij] neergedrukt door al Uw golven. /Sela/
9Mijn bekenden hebt U ver van mij verwijderd,
U hebt mij tot iets gruwelijks voor hen gemaakt;
ik ben opgesloten en kan er niet uit komen.
10Mijn oog is treurig van ellende;
HEERE, ik roep tot U de hele dag,
ik strek mijn handen naar U uit.

Heman gaat tegen God zeggen waarom hij tot Hem roept, wat we zien aan het woord “want” (vers 44Want mijn ziel is verzadigd van ellende,
mijn leven raakt [bijna] het graf.
)
. Hij wordt niet verzadigd van het goede dat God heeft beloofd aan wie Hem dienen, maar “van ellende”. Daardoor staat hij niet in verbinding met het leven, maar met de dood. Door alle ellende raakt zijn “leven [bijna] het graf”.

Hij wordt al gerekend “tot hen die in de kuil neerdalen” (vers 55Ik word gerekend tot hen die in de kuil neerdalen,
ik ben geworden als een man zonder kracht,
)
. Dit is het perspectief dat hij ook volgens zijn omgeving voor ogen heeft: niet het leven, maar de kuil, het graf, de dood. Zijn lot is als dat van alle mensen van wie het leven erop zit. Er is in hem ook geen enkele kracht zich tegen deze afdaling te verzetten. Hij is “geworden als een man zonder kracht”. De ellende heeft hem van zijn kracht beroofd en krachteloos gemaakt.

Dat hij van zichzelf zegt dat hij is “afgezonderd onder de doden” (vers 66afgezonderd onder de doden,
net als de gesneuvelden, die in het graf liggen:
aan hen denkt U niet meer!
Zíj zijn afgesneden van Uw hand.
)
, klinkt wrang, want in het dodenrijk heeft niemand een afgezonderde plaats (Js 14:9-109Het rijk van de dood beneden raakte om u in beroering,
om [u] tegemoet te gaan, wanneer u zou komen.
Het schudt ter wille van u de gestorvenen wakker,
al de leiders van de aarde.
Het laat van hun tronen opstaan
al de koningen van de volken.
10Zij zullen allemaal het woord nemen
en zeggen tegen u:
Ook u bent [nu] zo zwak geworden als wij,
u bent aan ons gelijk geworden!
)
. Hij ziet zich daar “net als de gesneuvelden, die in het graf liggen”. ‘Gesneuvelden’ doet denken aan omgekomen in de oorlog. Mogelijk doelt hij op een graf van eer, omdat hij toch in zijn leven God heeft gediend.

Maar hij voegt er direct aan toe dat God niet meer aan hen denkt. Dat is de verschrikking van de hel: dat God niet meer aan de mensen daar denkt. “Zíj zijn afgesneden van Uw hand.” Zij hebben in hun leven de hand van God, Zijn bemoeienis met hen om hen te redden, afgesneden, geweigerd. De nadruk ligt op “zíj”. Heman lijkt daarmee te zeggen dat dit voor hem toch niet zo is, terwijl hij hetzelfde lot moet ondergaan. Hij weet nog niet wat wij wel mogen weten, dat God altijd aan de gelovigen denkt, omdat Hij nooit meer aan hun zonden denkt.

Heman ziet zichzelf niet als afgesneden van Gods hand. Hij zegt tegen God dat Hij hem “in de onderste kuil gelegd” heeft (vers 77U hebt mij in de onderste kuil gelegd,
in duistere oorden, in diepten.
)
. Daarmee erkent hij Gods handelen met hem. Zo schrijft hij ook verder in de psalm alles toe aan Gods handelen. Steeds zegt hij wat God met hem doet. Dit handelen drukt wel heel zwaar op hem. Hij beschrijft de onderste kuil als “duistere oorden” en “diepten”. Om zich heen is alles duister. Naar boven, naar het licht kijken kan hij niet, zo diep zit hij in de ellende.

Hij zegt tegen God dat Zijn grimmigheid op hem “leunt” (vers 88Uw grimmigheid leunt op mij,
U hebt [mij] neergedrukt door al Uw golven. /Sela/
)
. Het is alsof Gods grimmigheid bij hem steun vindt, alsof Zijn grimmigheid op hem tot rust komt. Zozeer voelt hij zich het mikpunt van die grimmigheid. Hij wordt “neergedrukt door al Uw golven”. Dit herinnert weer aan de Heer Jezus. Maar Zijn lijden gaat daar ver bovenuit. Hij heeft op het kruis in de drie uren van duisternis al de golven van Gods toorn over Zich heen heeft gekregen vanwege de zonden van de Zijnen die op Hem zijn gelegd. Dat is bij Heman niet het geval. De golven van ellende komen alleen over hem en hebben alleen betrekking op hem. Het is Gods tucht of opvoeding om de Zijnen tot Zich te trekken. Dat zien we hier ook bij Heman. Heman roept in Zijn nood tot Hem.

Die nood betreft ook zijn eenzaamheid en afwijzing door zijn “bekenden” (vers 99Mijn bekenden hebt U ver van mij verwijderd,
U hebt mij tot iets gruwelijks voor hen gemaakt;
ik ben opgesloten en kan er niet uit komen.
)
. Dit heeft Job ook meegemaakt (Jb 19:13-1413Mijn broeders heeft Hij ver van mij weggedaan;
en wie mij kennen, zijn geheel van mij vervreemd.
14Mijn naaste verwanten blijven weg,
en mijn bekenden vergeten mij.
)
. Hij zegt tegen God dat Hij ze ver van hem heeft “verwijderd”. En alsof dat niet erg genoeg is, heeft Hij hem ook nog “tot iets gruwelijks voor hen gemaakt”. Hij is niet alleen in de steek gelaten, maar zijn bekenden gaan met een boog om hem heen. Hij is voor hen als een melaatse, iemand met een besmettelijke, stinkende ziekte, bij wie je uit de buurt moet blijven (vgl. Lv 13:4646Alle dagen dat hij de ziekte heeft, zal hij onrein zijn. Onrein is hij, hij moet afgezonderd wonen. Buiten het kamp moet zijn woongebied zijn.).

Zo is de psalmist “opgesloten” in zijn eigen situatie. Zelf heeft hij geen kracht om uit zijn ellende en lijden te komen. Om zich heen is er niemand die naar hem omkijkt en hem enige hulp of troost geeft. Hij voelt zich als Job, die klaagt dat God zijn weg heeft versperd en daarom niet tot het licht kan komen (Jb 3:2323[Waarom geeft Hij het levenslicht] aan een man voor wie zijn [eigen] weg verborgen is,
en voor wie God [de weg] verspert?
)
.

Zijn oog, dat uitkijkt naar God om uit zijn ellende verlost te worden, “is treurig van ellende” (vers 1010Mijn oog is treurig van ellende;
HEERE, ik roep tot U de hele dag,
ik strek mijn handen naar U uit.
)
. Hij roept “de hele dag” tot de “HEERE”, de God van het verbond. God zal toch niet vergeten dat Hij een verbond met Zijn volk, waartoe hij behoort, heeft gesloten om het te zegenen? Heman strekt als een beeld van totale hulpeloosheidzijn handen naar Hem uit. Naar wie kan hij zijn handen anders uitstrekken? Hij weet dat alleen God hem kan helpen. Als God zijn uitgestrekte hand maar pakt, dan is hij bevrijd.


Vragen

11Zou U wonderen doen aan de doden?
Of zouden gestorvenen opstaan [en] U loven? /Sela/
12Zou er van Uw goedertierenheid in het graf verteld worden,
van Uw trouw in het verderf?
13Zouden Uw wonderen bekend worden in de duisternis,
Uw gerechtigheid in het land van vergetelheid?

Heman gaat verder met het stellen van een aantal vragen aan de HEERE. Het zijn vragen die zich aan hem opdringen in de ‘bijna-dood’ situatie waarin hij verkeert. Het zijn vragen over het loven van God dat toch niet door de doden, maar door de levenden gebeurt (vgl. Js 38:18-1918Immers, het graf zal U niet loven,
de dood U niet prijzen;
wie in de kuil neerdalen,
zullen op Uw waarheid niet hopen.
19De levende, de levende, die zal U loven,
zoals ik vandaag.
De vader zal zijn kinderen
met Uw waarheid bekendmaken.
)
. Het zijn geen vragen van ongeloof, maar van vertwijfeling die voortkomen uit een beperkte kennis van God. Er klinkt ook geloof in door.

In zijn eerste vraag klinkt door dat God “wonderen” kan “doen aan de doden” (vers 1111Zou U wonderen doen aan de doden?
Of zouden gestorvenen opstaan [en] U loven? /Sela/
)
. In zijn tweede vraag zegt hij het specifieker en vraagt hij of gestorvenen zouden opstaan om Hem te loven. Job heeft na een tijd van vertwijfeling de zekerheid uitgesproken dat God hem zal doen opstaan (Jb 19:25-2725Ik weet echter: mijn Verlosser leeft,
en Hij zal ten laatste over het stof opstaan.
26En als zij na mijn huid dit doorknaagd hebben,
zal ik uit mijn vlees God aanschouwen.
27Ik zelf zal Hem aanschouwen,
en mijn ogen zullen [Hem] zien, niet een vreemde;
mijn nieren bezwijken van verlangen in mijn binnenste.
)
. God is de God van de opstanding. Zo kennen de oudtestamentische gelovigen Hem (vgl. Jh 11:2424Martha zei tot Hem: Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag.).

Wat voor hen echter verborgen is, is de toestand van hen die gestorven zijn. Zij verbinden het loven van God en het spreken van Zijn goedertierenheid met het leven op aarde (vers 1212Zou er van Uw goedertierenheid in het graf verteld worden,
van Uw trouw in het verderf?
)
. Dat kan zijn vóór hun dood en in de opstanding na hun dood. Maar de situatie “in het graf” en “in het verderf”, wat ziet op het lichaam, daarvan hebben ze geen begrip. [NB De Heer Jezus is wel in het graf geweest, maar Zijn lichaam heeft het verderf niet gezien (Ps 16:1010Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten,
U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.
; Hd 2:24-2724Hem heeft God opgewekt door de weeën van de dood te ontbinden, aangezien het niet mogelijk was dat Hij door deze werd vastgehouden.25Want David zegt van Hem: ‘Ik zag de Heer altijd voor Mij, want Hij is aan Mijn rechterhand, opdat Ik niet wankel.26Daarom heeft Mijn hart zich verblijd en Mijn tong zich verheugd, ja, ook Mijn vlees zal rusten in hoop,27want U zult Mijn ziel niet aan [de] hades overlaten en Uw Heilige geen ontbinding te zien geven.)
.]

Daarom wenst Heman dat God het wonder van de opstanding nu aan hem voltrekt door hem uit zijn ellende verlossen. Hoe zal hij dan van Zijn goedertierenheid en trouw vertellen! Wij weten dat de gelovigen die in Christus ontslapen zijn, met Christus zijn, met Hem in het paradijs zijn, waar zij Hem voortdurend loven en prijzen (Lk 23:4343En Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn.; Fp 1:2323maar ik word van beide kanten gedrongen: ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, <want> dit is verreweg het beste;).

Voor de oudtestamentische gelovige is de dood verbonden met “duisternis” (vers 1313Zouden Uw wonderen bekend worden in de duisternis,
Uw gerechtigheid in het land van vergetelheid?
)
. Er is geen licht aanwezig. Alleen in het licht worden Gods wonderen bekend. Voor hen is de dood “het land van vergetelheid”. Daar is voor hem, naar wat hij van die toestand kent, geen herinnering aan de gerechtigheid van God.

De nieuwtestamentische gelovige leeft in het licht en in de volle herinnering aan de gerechtigheid van God die hij door het geloof in Christus heeft ontvangen. Hij zal daar God dagelijks voor prijzen en het wonder ervan in de duisternis van de wereld waarin hij leeft, bekendmaken. Als hij gestorven is en bij de Heer is, is dat op grond van die gerechtigheid. Dat zal de aanleiding zijn Hem eeuwig te prijzen.


Verstoten

14Ik echter, ik roep tot U, HEERE,
mijn gebed komt U tegemoet in de morgen.
15HEERE, waarom verstoot U mijn ziel?
[Waarom] verbergt U Uw aangezicht voor mij?
16Ellendig ben ik en stervende van jongs af,
ik draag Uw bedreigingen, ik ben radeloos.
17Uw brandende [toorn] gaat over mij heen,
Uw verschrikkingen doen mij omkomen.
18De hele dag omringen ze mij als water,
ze omsingelen mij, allemaal.
19Geliefden en vrienden hebt U ver van mij verwijderd,
mijn bekenden zijn duisternis.

Met het woord “echter” (vers 1414Ik echter, ik roep tot U, HEERE,
mijn gebed komt U tegemoet in de morgen.
)
geeft Heman de tegenstelling met het hiernamaals aan. Na zijn vragen over het hiernamaals en zijn voorstelling van de situatie daar laat hij door zijn roepen weten dat hij nog steeds in het land van de levenden is. In het dodenrijk is stilte, duisternis en vergetelheid, maar hij is niet stil. Hij roept tot de HEERE, want hij is nog in de ellende, waaruit hij zo graag verlost wil worden.

Hij heeft al gezegd dat hij “overdag en in de nacht” tot God roept (vers 22HEERE, God van mijn heil,
overdag en in de nacht [kom ik] voor U en roep ik.
)
en dat hij “de hele dag” tot God roept (vers 1010Mijn oog is treurig van ellende;
HEERE, ik roep tot U de hele dag,
ik strek mijn handen naar U uit.
)
. Nu zegt hij dat zijn gebed “in de morgen” God “tegemoet” komt. Hiermee geeft hij op een prachtige manier aan dat hij in zijn gebed een ontmoeting met God wil hebben, ’s morgens al, direct na het wakker worden. Hij gaat door met bidden, hoewel hij geen antwoord krijgt.

Hij voelt zich door de HEERE verstoten (vers 1515HEERE, waarom verstoot U mijn ziel?
[Waarom] verbergt U Uw aangezicht voor mij?
)
. Maar “waarom” verstoot Hij hem, zo vraagt hij. Hij ziet geen reden waarom Hij hem heeft verstoten, maar toch heeft Hij het gedaan. Maar Heman blijft bij de HEERE aandringen, ondanks dat hij zich verstoten voelt. Omdat hij blijft aandringen, maar God niet antwoordt, stelt hij zijn tweede ‘waaromvraag’. Die is waarom God Zijn aangezicht voor hem verbergt. Hij begrijpt het allemaal niet. Hij heeft God lief en wil graag in Zijn tegenwoordigheid zijn, maar God laat Zich niet vinden.

Dit vervult hem met wanhoop (vers 1616Ellendig ben ik en stervende van jongs af,
ik draag Uw bedreigingen, ik ben radeloos.
)
. Hij is er zo ellendig aan toe. “Van jongs af” heeft hij als toegewijde gelovige met lijden te maken gehad (vgl. Ps 129:11Een pelgrimslied.
Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd
– zeg dat toch, Israël.
)
. Hij is ermee vertrouwd. Vanaf zijn jeugd heeft hij zijn vertrouwen op de HEERE gesteld en is daarin nooit beschaamd (vgl. Ps 71:55Want U bent mijn hoop, Heere HEERE,
mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd.
)
. Maar nu lijkt dit vertrouwen niet te werken.

Hij draagt niet Gods welgevallen, maar Zijn bedreigingen. Dat maakt hem “radeloos”. Hij weet niet meer wat hij moet doen. Er is geen sprake van opstandigheid, maar hij begrijpt er niets meer van. Hoe kan het zijn dat God, Die hij zo liefheeft, Zich tegenover hem gedraagt alsof Hij zijn vijand is (vgl. Jb 30:2121U bent veranderd in een wreedaard tegen mij;
met de macht van Uw hand hebt U Zich tegen mij gekeerd.
)
.

De ellende waarin Heman zich bevindt, ervaart hij als de “brandende [toorn]” van God die over hem heen gaat (vers 1717Uw brandende [toorn] gaat over mij heen,
Uw verschrikkingen doen mij omkomen.
)
. Het zijn Gods “verschrikkingen”, verschrikkingen die van God uitgaan. Hoe zal hij zich daartegen kunnen verzetten, dat is onmogelijk. De enige uitwerking die ze hebben, is dat ze hem “doen … omkomen”. Gods verschrikkingen betekenen de dood voor hem.

Ze omringen hem zonder een moment van onderbreking “de hele dag … als water” (vers 1818De hele dag omringen ze mij als water,
ze omsingelen mij, allemaal.
)
. Hij kan niet op adem komen en dreigt erin te verdrinken. “Ze omsingelen” hem, “allemaal”. Ze zijn als een leger dat God tegen hem heeft opgesteld en waarvan iedere soldaat, zonder uitzondering, de pijl op hem heeft gericht. Zo heeft Job zich ook geuit over de verschrikkingen die over hem zijn gekomen (Jb 6:44Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij,
mijn geest drinkt het vergif ervan;
de verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld.
; 27:2020Verschrikkingen treffen hem als water;
's nachts zal een wervelwind hem wegnemen.
)
.

Heman besluit zijn onderwijzing met nog een keer te wijzen op de grote eenzaamheid waarin God hem heeft gebracht (vers 1919Geliefden en vrienden hebt U ver van mij verwijderd,
mijn bekenden zijn duisternis.
; vers 99Mijn bekenden hebt U ver van mij verwijderd,
U hebt mij tot iets gruwelijks voor hen gemaakt;
ik ben opgesloten en kan er niet uit komen.
)
. God verbergt Zich voor hem en Hij heeft ook zijn “geliefden en vrienden” ver van hem “verwijderd”. Hij is helemaal alleen in zijn lijden. Zijn “bekenden” zijn niet in de duisternis, maar zij zelf “zijn duisternis”.

Het laatste woord van Heman is ‘duisternis’. Daarmee lijkt de psalm een absoluut en uitzichtloos dieptepunt te hebben bereikt. Veel psalmen gaan vanuit de duisternis naar het licht. Dat is hier niet zo. Toch spreekt het einde niet van wanhoop. Heman heeft zich tot God gericht. God zal zijn roepen beantwoorden. Dat doet Hij op Zijn tijd. Als het nieuwemaan is, als de maan geen enkele lichtstraal meer laat zien, als er diepe duisternis heerst, is dat tegelijk de start van de loop naar de volle maan.

Zo kan het zijn in het leven van een gelovige dat alle hoop op redding verdwenen is. Dat betekent echter niet dat alle gebeden tevergeefs zijn geweest. Soms moeten we zo’n dieptepunt bereiken om tot volledige overgave en berusting te komen. Dan zien we dat God gaat werken.


Lees verder