Psalmen
1 Opschrift 2-4 God is Zijn land goedgezind 5-8 Breng ons terug 9-14 Zegen voor het land
Opschrift

1Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. Voor “van de zonen van Korach” zie bij Psalm 42:1.


God is Zijn land goedgezind

2U bent Uw land goedgezind geweest, HEERE,
U bracht een omkeer in de gevangenschap van Jakob.
3De ongerechtigheid van Uw volk hebt U weggenomen,
U hebt al hun zonden bedekt. /Sela/
4U hebt al Uw verbolgenheid weggenomen,
U hebt Zich van Uw brandende toorn afgewend.

Het eerste deel van de psalm (verzen 2-42U bent Uw land goedgezind geweest, HEERE,
U bracht een omkeer in de gevangenschap van Jakob.
3De ongerechtigheid van Uw volk hebt U weggenomen,
U hebt al hun zonden bedekt. /Sela/
4U hebt al Uw verbolgenheid weggenomen,
U hebt Zich van Uw brandende toorn afgewend.
)
is profetisch. De psalm begint met de dankbare erkenning dat de HEERE “Uw land – Israël is Zijn land – goedgezind geweest” is (vers 22U bent Uw land goedgezind geweest, HEERE,
U bracht een omkeer in de gevangenschap van Jakob.
)
. Het gaat over de tijd dat God “een omkeer in de gevangenschap van Jakob” heeft gebracht. Dit zal het overblijfsel zeggen als de grote verdrukking voorbij is en het volk, Jakob, dat zijn de twaalf stammen, door God is teruggebracht in Zijn land. Het land is van God, Hij bezit het land, en doet dat in de Zijnen die erin wonen.

De zegen is het gevolg van het wegdoen van de ongerechtigheid en de zonde van het volk (vers 33De ongerechtigheid van Uw volk hebt U weggenomen,
U hebt al hun zonden bedekt. /Sela/
)
. Die zijn voor God de aanleiding geweest om Zijn volk uit Zijn land te verdrijven. Maar Hij heeft “de ongerechtigheid” van Zijn volk “weggenomen”. De ongerechtigheid is dat het volk Hem in Zijn Zoon heeft verworpen. Hij heeft die weggenomen door de verwerping te maken tot de grondslag voor hun zegen. Dat heeft Hij gedaan door de ongerechtigheid van het volk op Zijn Zoon te leggen en Hem daarvoor te oordelen.

De ongerechtigheid is in hun talloze zonden tot uiting gekomen. De verwerping van de Zoon is het hoogtepunt en het onweerlegbare bewijs van een leven vol van zonden. Maar Hij heeft “al hun zonden bedekt”. De bedekking voor de zonden is eveneens gelegen in het werk van Zijn Zoon. Het bloed van Christus bedekt alle zonden, zonder uitzondering, van ieder die zijn zonden belijdt en in Hem gelooft (1Jh 1:77Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.).

Het overblijfsel kan tegen God zeggen “U hebt al Uw verbolgenheid weggenomen”, omdat de Zoon van God al de verbolgenheid van God over de zonde heeft ondergaan (vers 44U hebt al Uw verbolgenheid weggenomen,
U hebt Zich van Uw brandende toorn afgewend.
; vgl. Ps 42:8b8Watervloed roept tot watervloed,
terwijl Uw waterkolken bruisen;
al Uw baren en Uw golven
zijn over mij heen gegaan.
)
. Omdat God Zijn brandende toorn over Zijn Zoon heeft laten gaan door Hem tot zonde te maken (2Ko 5:2121Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.), heeft God Zich “afgewend” van Zijn “brandende toorn” over Zijn volk.


Breng ons terug

5Breng ons terug, o God van ons heil,
doe Uw toorn over ons teniet.
6Zult U voor eeuwig toornig op ons zijn,
Uw toorn laten duren van generatie op generatie?
7Zou Ú ons niet weer levend maken,
zodat Uw volk zich in U verblijdt?
8Toon ons Uw goedertierenheid, HEERE,
geef ons Uw heil.

De heerlijke situatie van de vorige verzen is nog niet aangebroken. Het overblijfsel is nog ver van Gods land verwijderd. Daarom doen ze een dringend beroep op de “God van ons heil” om hen terug te brengen in het land (vers 55Breng ons terug, o God van ons heil,
doe Uw toorn over ons teniet.
)
. Ze bevinden zich in de grote verdrukking, waarin ze Gods toorn over hun ongerechtigheid en zonden erkennen. De vraag aan God “doe Uw toorn over ons teniet”, houdt de erkenning van de rechtvaardigheid ervan in. Het is een vraag om genade.

Het kan toch niet zo zijn, zo vragen ze verder, dat “U voor eeuwig toornig op ons” bent? (vers 66Zult U voor eeuwig toornig op ons zijn,
Uw toorn laten duren van generatie op generatie?
)
. God kan Zijn toorn toch niet “laten duren van generatie op generatie?” Ze buigen zich in wanhoop onder Gods toorn, waarbij ze die als eindeloos ervaren.

Toch klinkt er in hun wanhoop ook een spoor van hoop. Ze spreken met nadruk tot God en zeggen: Ú, God, “zou Ú ons niet weer levend maken?” (vers 77Zou Ú ons niet weer levend maken,
zodat Uw volk zich in U verblijdt?
)
. Ze erkennen dat alleen God daartoe in staat is. Als Hij dat doet, is het gevolg dat Zijn volk zich in Hem verblijdt. Een volk dat geestelijk levend gemaakt is, is een volk dat zich in God verheugt.

Ze doen een hartstochtelijk beroep op de HEERE om hun Zijn “goedertierenheid” te tonen (vers 88Toon ons Uw goedertierenheid, HEERE,
geef ons Uw heil.
)
. Ze maken alles afhankelijk van Hem. Van zichzelf verwachten ze niets. Het heil of de behoudenis van het vrederijk, waarnaar ze zo verlangen, moet van Hem komen. Hij moet het geven. Daar smeken ze Hem om.


Zegen voor het land

9Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal,
want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstelingen
van vrede spreken;
maar laten zij niet tot dwaasheid terugkeren.
10Ja, Zijn heil is nabij hen die Hem vrezen,
zodat er eer in ons land woont.
11Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar,
gerechtigheid en vrede kussen [elkaar].
12Trouw komt op uit de aarde,
gerechtigheid ziet uit de hemel neer.
13Ook geeft de HEERE het goede,
en geeft ons land zijn opbrengst.
14Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht uit,
Hij zet [haar] langs de weg [waar] Zijn voetstappen [staan].

Na de smeekbede in de vorige verzen wacht de rechtvaardige op het antwoord dat God zal geven (vers 99Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal,
want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstelingen
van vrede spreken;
maar laten zij niet tot dwaasheid terugkeren.
)
. Die verwachtende houding na het smeken is prachtig en een voorbeeld voor ons. Daarbij weet de rechtvaardige wat God zal gaan zeggen. Hij weet dat, omdat hij Gods liefde voor Zijn volk kent. Het volk staat in Zijn gunst, het zijn “Zijn gunstelingen”.

God zal tot hen, die nu nog zo in nood zijn, “van vrede spreken”. Zo spreekt God altijd van vrede tot hen die vrede met Hem hebben gesloten op grond van bekering en belijdenis van hun zonden. Daarbij moeten ze vastbesloten zijn om niet “tot dwaasheid” terug te keren (vgl. Sp 28:13b13Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn,
maar wie ze belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.
)
. Terugkeren tot dwaasheid wil zeggen terugkeren tot een staat van ongeloof, tot het aanbidden van de afgoden en het buitensluiten van God (Ps 14:11Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
)
.

Het overblijfsel weet het zeker, “ja”: “Zijn heil is nabij hen die Hem vrezen” (vers 1010Ja, Zijn heil is nabij hen die Hem vrezen,
zodat er eer in ons land woont.
)
. De behoudenis, het heil, is niet het deel van iedereen, maar alleen van de Godvrezenden. Voor hen is het “nabij”, het is aanstaande en zal er spoedig zijn. Ze moeten nog even volhouden en dan zullen ze de behoudenis in het vrederijk ten volle genieten. Daaraan is verbonden dat “er eer in ons land woont”. Als God wordt gevreesd, dat wil zeggen dat er wordt geleefd in ontzag voor Hem – en dat zal zo zijn in het vrederijk –, zal dat eer over het hele land brengen (vgl. Ps 72:1919Geloofd zij voor eeuwig Zijn heerlijke Naam;
laat heel de aarde met Zijn heerlijkheid vervuld worden.
Amen, ja, amen.
)
.

Die eer bestaat daaruit dat de Messias te midden van Zijn volk woont. Hij is hun eer (Js 60:1-21Sta op, word verlicht, want uw licht komt
en de heerlijkheid van de HEERE gaat over u op.
2Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken
en donkere [wolken] de volken,
maar over u zal de HEERE opgaan
en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.
; Zc 2:55En Ík zal voor haar zijn, spreekt de HEERE,
een muur van vuur rondom,
en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.
)
. Die eer of heerlijkheid is bij de eerste komst van Christus op aarde in Hem tot hen gekomen (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.), maar door hen verworpen (Js 53:2-32Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
3Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als [iemand] voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.
)
. Als Hij voor de tweede keer tot hen komt, zal Zijn volk hun zonde belijden en zal Hij hen in Zijn aardse heerlijkheid laten delen (Zc 12:22Zie, Ik ga Jeruzalem maken [tot] een bedwelmende beker voor alle volken rondom, ja, ook tegen Juda zal het gaan bij de belegering van Jeruzalem.; 13:1,91Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.9Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
)
.

Dit is allemaal het resultaat van het werk van Christus op het kruis. Daar hebben “goedertierenheid en trouw” elkaar ontmoet en “gerechtigheid en vrede” elkaar gekust (vers 1111Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar,
gerechtigheid en vrede kussen [elkaar].
)
. Wat door de zonde onoverbrugbare tegenstellingen zijn geworden, heeft God in Christus op het kruis met elkaar verzoend. Goedertierenheid gaat altijd vooraf aan trouw of waarheid (Ps 25:1010Alle paden van de HEERE zijn goedertierenheid en trouw /kaph/
voor wie Zijn verbond en Zijn getuigenissen in acht nemen.
; 89:1515Gerechtigheid en recht zijn het fundament van Uw troon,
goedertierenheid en trouw gaan voor Uw aangezicht uit.
; Sp 16:66Door goedertierenheid en trouw wordt een misdaad verzoend,
en door de vreze des HEEREN keert men zich af van het kwade.
; 20:2828Goedertierenheid en trouw beschermen een koning,
en door goedertierenheid versterkt hij zijn troon.
; vgl. Jh 1:17b17Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.)
. De oorzaak daarvan is dat op grond van de waarheid het volk elk recht op zegen heeft verspeeld. Het heeft daarom goedertierenheid of genade nodig om de zegen alsnog te kunnen ontvangen. Maar het is wel genade op grond van waarheid.

Als resultaat van het werk van de verzoening van Christus komt er trouw of waarheid “op uit de aarde” (vers 1212Trouw komt op uit de aarde,
gerechtigheid ziet uit de hemel neer.
)
. Sinds de zondeval heeft de aarde dorens en distels voortgebracht, de symbolen van de zonde (Gn 3:1818dorens en distels zal hij voor u laten opkomen
en u zult het gewas van het veld eten.
)
. Door Christus en Zijn dood aan het kruis is dat veranderd. Hij is de tarwekorrel geworden Die in de aarde is gevallen en is gestorven. Daardoor is er nu al een geestelijke oogst van allen die door het geloof in Hem vruchten zijn van Zijn werk (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.).

De trouw in het vrederijk komt niet op uit de aarde vanwege de gerechtigheid van de mens. De gerechtigheid die zich met trouw uit de aarde kan verbinden, komt uit de hemel. Het is de gerechtigheid van God, niet die van de mens. Dit zien we in het vrederijk. De trouw die opkomt, is de trouw van God aan al Zijn beloften, waarvan de vervulling in de volheid van zegen op aarde wordt gezien.

De zegeningen van de nieuwtestamentische gelovige gaan daar ver bovenuit. De zegeningen van hen die tot de gemeente behoren, zijn niet aards en stoffelijk, maar hemels en geestelijk. Zij zijn gezegend “met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus” (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,). Maar zowel de aardse als de hemelse zegeningen vloeien voort uit de gerechtigheid van God in Christus in de hemel. De hemel is de bron van alle zegen.

In die tijd, dat gerechtigheid van God in de hemel en trouw van God op aarde met elkaar verbonden zijn, zal “de HEERE het goede” geven (vers 1313Ook geeft de HEERE het goede,
en geeft ons land zijn opbrengst.
)
. “Het goede” bestaat uit alle goede dingen die God aan Zijn volk zal geven. Dat betreft zowel de aardse goede dingen als de geestelijk goede dingen. Een van de goede dingen van het vrederijk is dat het land een overvloedige “opbrengst” zal geven.

De Messias zal het land doortrekken. Daarbij gaat “gerechtigheid … voor Zijn aangezicht uit” zoals een heraut voor een koning uit gaat (vers 1414Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht uit,
Hij zet [haar] langs de weg [waar] Zijn voetstappen [staan].
)
. Die gerechtigheid is te zien “langs de weg [waar] Zijn voetstappen [staan]”. Het overblijfsel mag Hem volgen. Het enige wat ze moeten doen, is hun voetstappen in die van de Messias zetten. De weg die het overblijfsel gaat, is de weg die de Messias in gerechtigheid eerst is gegaan.

Als de Messias regeert, zal het recht niet meer terugwijken en de waarheid niet meer struikelen op de straat, zoals nu nog het geval is (Js 59:1414Daarom is het recht teruggeweken,
en de gerechtigheid blijft van verre staan.
Want de waarheid struikelt op de straat,
en wat recht is, kan niet binnenkomen.
)
. Het recht is in Christus teruggekeerd op aarde en er wordt in waarheid geregeerd. “De vrucht van de gerechtigheid zal vrede zijn, en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid” (Js 32:1717De vrucht van de gerechtigheid zal vrede zijn,
en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid.
)
.


Lees verder