Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-5 Verlangen naar het heiligdom 6-9 Van kracht tot kracht 10-13 Een zon en een schild
Inleiding

Deze psalm is een pelgrimspsalm. De gelovige is onderweg naar Jeruzalem en daarin specifiek naar de tempel. Dit zien we ook na de verlossing van Israël uit de slavernij in Egypte. Dan gaat het volk op reis naar het land en het huis van God (Ex 15:13-1713U leidde in Uw goedertierenheid
dit volk, dat U verlost hebt.
U leidde [hen] zachtjes door Uw kracht
naar Uw heilige woning.14De volken hebben het gehoord, zij sidderden,
angst heeft de inwoners van Filistea aangegrepen.
15Toen werden door schrik overmand
de stamhoofden van Edom.
De machthebbers van Moab
greep huivering aan.
Al de inwoners van Kanaän smolten weg [van angst].
16Op hen viel
verschrikking en angst.
Door de grootheid van Uw arm
verstomden zij als een steen,
terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,
terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.17U zult hen brengen en hen planten
op de berg [die] Uw eigendom is,
Uw vaste woonplaats,
die U gemaakt hebt, HEERE,
het heiligdom, Heere,
dat Uw handen gesticht hebben.
)
. Als ze in het land zijn, trekken ze drie keer per jaar op naar Jeruzalem en de tempel (Dt 16:1616Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk is onder u, verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen: op het Feest van de ongezuurde [broden], op het Wekenfeest en op het Loofhuttenfeest. Men mag echter niet [met] lege [handen] voor het aangezicht van de HEERE verschijnen,). Maar ook onderweg naar het land, in de woestijn, hebben ze een heiligdom: de tabernakel.

Als een toepassing op ons kunnen wij eraan denken dat wij op reis zijn naar de plaats waar de Heer Jezus in het midden is (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). Telkens mogen we samenkomen als gemeente rondom Hem. Daar draait ons leven om. De tempel bestaat voor ons niet uit een gebouw, maar uit de vergaderde gelovigen. Als gelovigen samenkomen, stijgen de lofzangen op tot God.

We kunnen er ook aan denken dat we op reis zijn naar de hemel, het Vaderhuis. Daar zullen we eeuwig mogen wonen. Maar ook nu, op onze reis daarheen, mogen wij vrijmoedig in Gods tegenwoordigheid binnengaan en Hem voortdurend lofoffers brengen (Hb 10:1919Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,; 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.).


Opschrift

1Voor de koorleider, op ‘De Gittith’; een psalm, van de zonen van Korach.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. “Op ‘De Gittith’” komt ook voor in het opschrift van Psalm 8 en Psalm 81 (Ps 8:11Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De Gittith’.; 81:11Voor de koorleider, op ‘De Gittith’, [een psalm] van Asaf.). Daardoor zijn deze drie psalmen met elkaar verbonden. Psalm 8 spreekt over de heerschappij van de Heer Jezus in het vrederijk. Psalm 81 spreekt over het Feest van het bazuingeschal, dat is het feest van het herstel van Israël in zijn relatie met de Messias in het vrederijk. Psalm 84 sluit daarop aan met het verlangen om in de tegenwoordigheid van de HEERE te zijn. Zie verder bij Psalm 8:1.

Dit is de eerste “psalm, van de zonen van Korach” van de vier die in het derde psalmboek staan (Psalmen 84-85; 87-88). Ze vormen een aanhangsel bij de acht psalmen die van hen aan het begin van het tweede psalmboek staan (Psalmen 42-49). Psalm 84 heeft overeenkomst met Psalm 42. In beide psalmen gaat het over het verlangen naar het heiligdom van God, waar ze nu ver vandaan zijn. Zie verder bij Psalm 42:1.


Verlangen naar het heiligdom

2Hoe lieflijk zijn Uw woningen,
HEERE van de legermachten.
3Mijn ziel verlangt, ja, bezwijkt zelfs van verlangen
naar de voorhoven van de HEERE;
mijn hart en mijn lichaam
roepen het uit tot de levende God.
4Zelfs vindt de mus een huis
en de zwaluw haar nest,
waarin zij haar jongen legt:
bij Uw altaren,
HEERE van de legermachten,
mijn Koning en mijn God.
5Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen,
zij loven U voortdurend. /Sela/

De hartstochtelijke liefde van het overblijfsel voor Gods woningen staat in scherp contrast met het verlangen van de vijanden om die woningen te verwoesten (vers 22Hoe lieflijk zijn Uw woningen,
HEERE van de legermachten.
; Ps 83:1313die zeiden: Laten wij [deze] woningen van God
voor onszelf in bezit nemen.
)
. Voor het overblijfsel zijn “Uw woningen” uiterst “lieflijk”. Dat is omdat Hij, Die hen zo dierbaar is, daar woont. Er is voor hen niets anders op aarde waarnaar hun hart zo uitgaat.

Tegenover de verzamelde vijanden om Gods woningen te verwoesten spreekt het overblijfsel tot de “HEERE van de legermachten”. Alle machten, ook de Godvijandige, staan onder Zijn oppergezag. Hij controleert, regeert, bestuurt en ordent alles. Deze titel komt nog drie keer voor in deze korte psalm: verzen 4,9,134Zelfs vindt de mus een huis
en de zwaluw haar nest,
waarin zij haar jongen legt:
bij Uw altaren,
HEERE van de legermachten,
mijn Koning en mijn God.
9HEERE, God van de legermachten, luister naar mijn gebed,
neem [het] ter ore, o God van Jakob. /Sela/13HEERE van de legermachten,
welzalig de mens die op U vertrouwt.
.

De “ziel” van de Korachiet, en van ieder die God kent, zoals het overblijfsel, heeft een groot verlangen “naar de voorhoven van de HEERE” (vers 33Mijn ziel verlangt, ja, bezwijkt zelfs van verlangen
naar de voorhoven van de HEERE;
mijn hart en mijn lichaam
roepen het uit tot de levende God.
)
. De ziel is het innerlijk, het denken, alles wat in hem is. Dit verlangen is zo groot, dat zijn ziel “zelfs van verlangen” bezwijkt. Alles in hem hunkert naar God. Hij wordt erdoor verteerd. Er is een hevige dorst naar God (vgl. Ps 42:2-32Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
; 63:22O God, U bent mijn God!
U zoek ik vroeg [in de morgen];
mijn ziel dorst naar U,
mijn lichaam verlangt naar U
in een land, dor en dorstig, zonder water.
)
. Als hij maar in “de voorhoven van de HEERE” zal zijn, dan zal aan zijn verlangen zijn voldaan. Dan is hij in de directe nabijheid van God.

De nieuwtestamentische gelovige mag dat verlangen ook kennen, een verlangen dat wordt gestild als hij bewust in Gods heiligdom binnengaat. De weg daartoe is voor hem door de Heer Jezus geopend. Hij heeft de vrije toegang tot God, Die voor hem Vader is (Hb 10:19-2219Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,20langs [de] nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is Zijn vlees,21en [wij] een grote Priester over het huis van God [hebben],22laten wij naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van [het] geloof, de harten door besprenkeling gezuiverd van [het] kwaad geweten en het lichaam gewassen met rein water.; Rm 5:1-21Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus,2door Wie wij ook de toegang verkregen hebben <door het geloof> tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in [de] hoop op de heerlijkheid van God.; Ef 2:1818Want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.). Als de Heer Jezus de gemeente tot Zich in het Vaderhuis heeft genomen, zal er een ongestoorde, volle, eeuwige vervulling van dit verlangen zijn.

Het overblijfsel verlangt met hun hele wezen, “mijn hart en mijn lichaam”, naar het zijn in de nabijheid van God. Ze “roepen het uit tot de levende God” dat Hij aan hun verlangen zal voldoen. Hij is de levende God in tegenstelling tot de dode afgoden. Het is zinloos om tot dode afgoden te roepen. Maar de levende God luistert als er tot Hem wordt geroepen (vgl. 1Kn 18:25-29,36-3925Elia zei tegen de profeten van de Baäl: Kies voor uzelf de ene jonge stier en maak [die] eerst klaar, want u bent met velen. Roep dan de naam van uw god aan, maar u mag er geen vuur bij leggen.26Zij namen de jonge stier die hij hun had gegeven, en maakten [die] klaar. Ze riepen de naam van de Baäl aan, van de morgen tot de middag: O Baäl, antwoord ons! Maar er kwam geen stem en er was niemand die antwoordde. Zij sprongen tegen het altaar aan, dat men gemaakt had.27En het gebeurde tijdens de middag dat Elia met hen begon te spotten en zei: Roep met luide stem! Hij is immers een god. Hij is vast in gedachten! Of hij heeft zich vast afgezonderd! Of hij is vast op reis! Misschien slaapt hij [wel] en moet hij wakker worden!28Zij riepen met luider stem en kerfden [hun lichamen] naar hun wijze van doen met zwaarden en speren, totdat [het] bloed over hen heen stroomde.29En het gebeurde, toen de middag voorbij was, dat zij in geestvervoering raakten, tot [de tijd van] het brengen van het graanoffer. Er kwam geen stem en er was niemand die antwoordde; er kwam geen teken van leven.36En het gebeurde, toen men het graanoffer bracht, dat de profeet Elia naar voren kwam en zei: HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, laat het heden bekend worden dat U God bent in Israël, en ik Uw dienaar, en dat ik al deze dingen overeenkomstig Uw woord heb gedaan.37Antwoord mij, HEERE, antwoord mij, zodat dit volk weet dat U, HEERE, de [ware] God bent, en dat U hun hart tot inkeer gebracht hebt.38Toen viel er vuur van de HEERE neer, verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof. Zelfs het water in de geul likte het op.39Toen heel het volk [dat] zag, wierpen zij zich met hun gezicht [ter aarde] en zeiden: De HEERE is God, de HEERE is God!).

Ze weten dat God zorgt voor de waardeloze “mus” (Lk 12:66Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningen? En niet een van hen is voor God vergeten.) door dit diertje te voorzien van “een huis” (vers 44Zelfs vindt de mus een huis
en de zwaluw haar nest,
waarin zij haar jongen legt:
bij Uw altaren,
HEERE van de legermachten,
mijn Koning en mijn God.
)
. Ook de onrustige “zwaluw” geeft hij een “nest waar zij haar jongen legt”. Deze twee vogeltjes, die een beeld zijn van de mens, die niets voorstelt en rusteloos zijn weg gaat, hebben een rustplaats gevonden, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun jongen.

Dit voorbeeld van Gods zorg voor een rustplaats voor deze diertjes past het overblijfsel toe op de rustplaats die God voor hen heeft. Die rustplaats is “bij Uw altaren”. In Gods huis zijn twee altaren: het koperen brandofferaltaar en het gouden reukofferaltaar. Het brandofferaltaar staat in de voorhof en spreekt van het werk van de Heer Jezus op het kruis. Daar vindt de mens rust voor zijn geweten. Het reukofferaltaar spreekt van aanbidding. Het staat in het heiligdom, in Gods tegenwoordigheid, waar de gelovige in rust de gemeenschap met Hem geniet.

Het overblijfsel spreekt hier direct tot God. Ze noemen Hem weer “HEERE van de legermachten”. Hij staat boven alle hemelse en aardse legermachten. Maar ze voegen er nu hun persoonlijke relatie met Hem aan toe. Ieder lid van het overblijfsel heeft ook een eigen, persoonlijke verhouding met Hem. Daarom spreekt ieder het zelf tot God uit: “Mijn Koning en mijn God.”

De Korachieten, die ver van het heiligdom verwijderd zijn, prijzen hen “welzalig … die in Uw huis wonen” (vers 55Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen,
zij loven U voortdurend. /Sela/
)
. ‘Welzalig’ wil zeggen ‘gelukkig’ of ‘vol geluk’. Wonen in Gods huis betekent daar thuis te zijn, daar rust te hebben in de gemeenschap met God (vgl. Ps 23:66Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.
)
. Wie daar wonen, zijn vol van Gods heerlijkheid en “loven” Hem “voortdurend” (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.). In Gods huis vindt plaats wat in de eeuwigheid ook zonder ophouden zal plaatsvinden: God loven. Daar is alle reden toe. Hij heeft de Zijnen immers verlost en in Zijn nabijheid gebracht (Ko 1:12-1512terwijl u de Vader dankt, Die u bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht;13Die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde,14in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving van de zonden.15Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,).


Van kracht tot kracht

6Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
7Gaan zij door het dal van de moerbeibomen,
dan maken zij [God] tot [hun] bron;
ook zal de regen [hen] overvloedig bedekken.
8Zij gaan voort van kracht tot kracht,
zij zullen verschijnen voor God in Sion.
9HEERE, God van de legermachten, luister naar mijn gebed,
neem [het] ter ore, o God van Jakob. /Sela/

De verzen 2-52Hoe lieflijk zijn Uw woningen,
HEERE van de legermachten.
3Mijn ziel verlangt, ja, bezwijkt zelfs van verlangen
naar de voorhoven van de HEERE;
mijn hart en mijn lichaam
roepen het uit tot de levende God.
4Zelfs vindt de mus een huis
en de zwaluw haar nest,
waarin zij haar jongen legt:
bij Uw altaren,
HEERE van de legermachten,
mijn Koning en mijn God.
5Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen,
zij loven U voortdurend. /Sela/
gaan over het wonen in Gods huis. De verzen 6-96Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
7Gaan zij door het dal van de moerbeibomen,
dan maken zij [God] tot [hun] bron;
ook zal de regen [hen] overvloedig bedekken.
8Zij gaan voort van kracht tot kracht,
zij zullen verschijnen voor God in Sion.
9HEERE, God van de legermachten, luister naar mijn gebed,
neem [het] ter ore, o God van Jakob. /Sela/
gaan over de weg van de pelgrim daarheen. Zij die in Gods huis wonen, zijn ‘welzalig’ (vers 55Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen,
zij loven U voortdurend. /Sela/
)
, maar ook de pelgrim is “welzalig” (vers 66Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
)
, al is hij nog niet in Gods huis. Hij is ‘welzalig’ omdat zijn hart in Gods huis is en hij daarheen onderweg is. Wie in Gods huis zijn, zijn gezegend. Zij die onderweg daarheen zijn, worden ook gezegend, zoals de volgende verzen laten zien.

Niet iedere gelovige is welzalig. De zonen van Korach zeggen dat dit geldt van de mens “van wie de kracht in U is”. Zulke mensen kijken niet naar hun eigen bekwaamheden. Ze zien zichzelf als onmachtig om de weg naar het heiligdom te gaan. Maar ze weten dat God machtig is om hen daar te brengen. Daarom zoeken ze hun kracht in Hem (vgl. 2Tm 2:11Jij dan, mijn kind, sterk je in de genade die in Christus Jezus is;; Ef 6:1010Overigens, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte.).

Het gevolg daarvan is dat “in hun hart … de gebaande wegen” zijn. Er is een ongedeeld hart in hen (Ps 86:1111Leer mij, HEERE, Uw weg,
ik zal in Uw waarheid wandelen,
maak mijn hart één om Uw Naam te vrezen.
)
. Ze hinken niet op twee gedachten (1Kn 18:2121Toen kwam Elia naar voren, bij heel het volk, en zei: Hoelang hinkt u [nog] op twee gedachten? Als de HEERE God is, volg Hem, maar als het de Baäl is, volg hem! Maar het volk antwoordde hem niet één woord.). Hun hart is volkomen op God gericht (2Kr 16:99Want de ogen van de HEERE trekken over de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan [hen] van wie het hart volkomen is met Hem. U hebt hierin dwaas gehandeld, want vanaf nu zullen oorlogen uw deel zijn.). De gebaande wegen zijn de wegen die naar Gods huis, naar God, naar de hemel leiden. Gebaande wegen zijn vrijgemaakt van alle hindernissen (vgl. Js 40:3-43Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
4Alle dalen zullen verhoogd worden,
alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;
wat krom is, zal recht worden;
wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.
; Lk 3:2-92kwam [het] woord van God tot Johannes, de zoon van Zacharia, in de woestijn.3En hij kwam naar <de> hele streek van de Jordaan en predikte [de] doop van bekering tot vergeving van zonden;4zoals geschreven staat in [het] boek van [de] woorden van de profeet Jesaja: ‘Stem van een roepende in de woestijn: Bereidt de weg van [de] Heer, maakt Zijn paden recht.5Elk dal zal gevuld en elke berg en heuvel zal verlaagd worden, en wat krom is zal tot een rechte [weg] worden, en de oneffen tot vlakke wegen.6En alle vlees zal de behoudenis van God zien’.7Hij zei dan tot de menigten die uitliepen om door hem gedoopt te worden: Adderengebroed, wie heeft u een aanwijzing gegeven om de komende toorn te ontvluchten?8Brengt dan vruchten voort, de bekering waardig; en begint niet bij uzelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot vader! Want ik zeg u, dat God uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.9En ook ligt de bijl al aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen <goede> vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in [het] vuur geworpen.)
. Wie in zijn hart gebaande wegen heeft, heeft de zonde geoordeeld en zo de weg vrijgemaakt voor de kracht van Gods Geest om in hem te werken.

Als het hart ongedeeld en volkomen op God is gericht, kunnen de pelgrims de moeilijkheden die ze onderweg tegenkomen, overwinnen (vers 77Gaan zij door het dal van de moerbeibomen,
dan maken zij [God] tot [hun] bron;
ook zal de regen [hen] overvloedig bedekken.
)
. Ze overwinnen ze niet alleen, maar de moeilijkheden worden tot zegen. “Het dal van de moerbeibomen” is letterlijk ‘het dal van tranen’. De weg door het leven is geen pijnloze weg. Vaak is het leven moeilijk en komen de tranen tevoorschijn. Maar de tranen van de pelgrim die zijn kracht in God heeft, worden parels in het licht van God. Hij kan psalmen zingen in de nacht (Hd 16:2525Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen.; Jb 35:1010Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker,
Die psalmen geeft in de nacht?
)
.

Moeilijkheden en verdriet drijven uit naar God. Daardoor wordt de weg door het tranendal een bron van zegen. Gods tegenwoordigheid wordt op een manier ervaren die bij voorspoed niet mogelijk is. De tranen maken plaats voor “de regen” die “[hen] overvloedig bedekken” zal. Talloze gelovigen hebben ervan getuigd dat de nood hen heeft uitgedreven naar God en dat ze bij Hem een vertroosting hebben gevonden die ze voor geen goud zouden willen missen.

Zo gaan de pelgrims “voort van kracht tot kracht” (vers 88Zij gaan voort van kracht tot kracht,
zij zullen verschijnen voor God in Sion.
)
. Elke nieuwe beproeving, elk nieuw leed, is een aanleiding om de kracht van God te ervaren. We sterken ons in de genade als we ons bewust zijn dat we die genade nodig hebben. Genade is de kracht waardoor “zij zullen verschijnen voor God in Sion”. De pelgrims weten dat. De zekerheid van de behouden aankomst in Gods huis geeft kracht om te volharden. Voor ons, christenen, geldt hetzelfde, maar dan met betrekking tot het hemelse Sion waarheen wij op weg zijn (Hb 12:2222maar u bent genaderd tot [de] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen,).

Tegelijk is er opnieuw het besef dat het in eigen kracht niet zal gelukken om het einddoel te bereiken. Zekerheid van de aankomst maakt niet blind voor de omstandigheden en de eigen zwakheid. Daarom bidt de pelgrim tot de “HEERE, God van de legermachten” (vers 99HEERE, God van de legermachten, luister naar mijn gebed,
neem [het] ter ore, o God van Jakob. /Sela/
)
en vraagt Hem naar zijn gebed te luisteren.

Tegelijk noemt hij God ook de “God van Jakob”. De boven alle machten staande God is de God van de zwakke Jakob. Met een beroep op die Naam vraagt de pelgrim aan Hem om zijn gebed ter ore te nemen. Ze kennen de God van Jakob als de God die talloze malen in het leven van Jakob Zijn genade aan hem heeft bewezen. Zij herkennen zichzelf in Jakob. Daarom doen ze door God zo aan te spreken op die genade een beroep.


Een zon en een schild

10O God, ons schild, zie
en aanschouw het aangezicht van Uw gezalfde.
11Want één dag in Uw voorhoven
is beter dan duizend [elders];
ik verkoos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God
dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid.
12Want God, de HEERE,
is een zon en een schild,
de HEERE zal genade en eer geven,
Hij zal het goede niet onthouden
aan hen die in oprechtheid [hun weg] gaan.
13HEERE van de legermachten,
welzalig de mens die op U vertrouwt.

Wie God als de God van Jakob kennen omdat zij zichzelf kennen, zien in God hun schild, hun bescherming (vers 1010O God, ons schild, zie
en aanschouw het aangezicht van Uw gezalfde.
)
. Die bescherming is niet iets wat ze verdienen op grond van een aan God toegewijd leven. Ze weten wel beter. Dat blijkt uit wat ze vervolgens vragen: “Zie en aanschouw het aangezicht van Uw gezalfde.”

Dit betekent dat ze aan God vragen niet naar hen, maar naar Zijn Messias te kijken. “Gezalfde” is de vertaling van het Hebreeuwse woord ‘Messias’ en het Griekse woord ‘Christus’. Het overblijfsel weet dat zij niet in zichzelf aangenaam zijn voor God en dat God hen niet verhoort op grond van wie zij zijn. Ze zijn voor God alleen aangenaam door hun verbinding met de Messias.

Hetzelfde, en dat op een hoger, hemels niveau geldt voor de nieuwtestamentische gelovige. Hij is “begenadigd [of: aangenaam gemaakt] … in de Geliefde” (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,). God kan welk gebed dan ook alleen verhoren op grond van Wie Zijn Zoon is voor Hem en op grond van het werk dat Hij heeft volbracht op het kruis van Golgotha.

De gelovige, in welke tijd hij ook leeft, weet te onderscheiden wat “beter” is (vers 1111Want één dag in Uw voorhoven
is beter dan duizend [elders];
ik verkoos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God
dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid.
)
. Het is beter, zo belijdt hij, één dag gemeenschap met God te beleven dan talloze dagen te genieten van alle goederen die de wereld te bieden heeft. “Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend [elders].” De vergelijking één dag tegenover duizend dagen maakt duidelijk dat één dag in de voorhoven van God al het andere in het niet doet verdwijnen. Er is niets wat opweegt tegen het zijn in de voorhoven van God.

De zonen van Korach voegen er nog een vergelijking aan toe. Zij verkiezen een plaats “op de drempel van het huis van God” boven “lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid”. Zij zijn bij de opstand van hun vader gehoorzaam geweest aan de oproep van Mozes om bij de tenten van de goddeloosheid vandaan te gaan. Daardoor zijn ze niet met hun vader omgekomen (Nm 16:23-27,31-3223En de HEERE sprak tot Mozes:24Spreek tot de gemeenschap en zeg: Trek u terug van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram.25Toen stond Mozes op en hij ging naar Dathan en Abiram, en de oudsten van Israël gingen achter hem aan.26En hij sprak tot de gemeenschap: Ga toch bij de tenten van deze goddeloze mannen vandaan, raak niets aan van alles wat van hen is, anders zult u door al hun zonden weggevaagd worden.27En zij trokken zich terug van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram, maar Dathan en Abiram kwamen naar buiten en bleven [bij] de ingang van hun tenten staan, met hun vrouwen, en hun zonen en hun kleine kinderen.31En het gebeurde, toen hij geëindigd had al deze woorden te spreken, dat de aardbodem die onder hen was, gespleten werd.32De aarde opende haar mond en verzwolg hen, met hun gezinnen, en alle mensen die Korach toebehoorden, en al [hun] bezittingen.; Nm 26:9-119De zonen van Eliab nu waren Nemuel, Dathan en Abiram. Deze Dathan en Abiram waren afgevaardigden van de gemeenschap, die tegen Mozes en tegen Aäron in opstand waren gekomen, [samen] met de aanhang van Korach, toen die tegen de HEERE in opstand gekomen was.10Maar de aarde had haar mond geopend en hen samen met Korach verzwolgen, toen [zijn] aanhang stierf, doordat het vuur tweehonderdvijftig mannen verteerd had. Zo waren zij tot een teken geworden.11Maar de kinderen van Korach waren niet gestorven.). Hun keus voor de HEERE is een keus tegen de goddeloosheid.

De Korachieten lichten toe waarom ze voor de tegenwoordigheid van de HEERE kiezen, zelfs al staan ze maar op de drempel van Gods huis en zijn ze er niet in. De afweging is niet moeilijk, “want God, de HEERE, is een zon en een schild” (vers 1212Want God, de HEERE,
is een zon en een schild,
de HEERE zal genade en eer geven,
Hij zal het goede niet onthouden
aan hen die in oprechtheid [hun weg] gaan.
)
. Het overblijfsel is hier in de duisternis en de kou. God is in die omstandigheden voor hen “een zon” die licht en warmte geeft. Het overblijfsel is hier te midden van vijanden. Daarom is Hij “een schild” om hen tegen aanvallen te beschermen.

Na te hebben gezegd wat God is, zeggen de zonen van Korach wat Hij zal geven. Hij “zal genade en eer geven”. Genade is nodig om de weg naar Gods huis te gaan. Eer krijgen de pelgrims als ze daar Zijn aangekomen. God zal hen eren voor hun volharding. Genade vindt haar oorsprong in Hem. Hetzelfde geldt voor de eer. Waarvoor Hij de pelgrim eert, is Zijn werk in de pelgrim.

Toch rekent Hij de volharding, waarvoor Hij de kracht heeft gegeven, de pelgrim toe. Het eerbetoon dat Hij bewijst, is dan ook een uiting van Zijn genade. Niemand zal zichzelf op de borst slaan en zichzelf prijzen voor wat hij heeft gedaan. Niemand zal dat ook willen, want God heeft alles gegeven wat nodig is geweest voor de weg die is afgelegd.

God heeft “het goede niet onthouden aan hen die in oprechtheid [hun weg] gaan”. Dat God het goede niet onthoudt, betekent dat God geeft wat nodig is (vgl. Fp 4:1919Maar mijn God zal in al uw behoefte voorzien naar Zijn rijkdom in heerlijkheid in Christus Jezus.). Maar het is een sterkere uitdrukking dan te zeggen dat God geeft. Bij geven staat de daad, het geven, meer op de voorgrond. Bij niet onthouden ligt de nadruk op de persoon die gebruikmaakt van de mogelijkheid om te geven.

Met deze wijze van uitdrukken komt de Geest tegemoet aan onze neiging God ervan te beschuldigen dat Hij ons iets onthoudt als Hij ons iets niet geeft wat we vragen of menen nodig te hebben. De duivel heeft bij Eva succes geboekt omdat hij haar ervan heeft kunnen overtuigen dat God haar iets heeft onthouden.

Zij “die in oprechtheid [hun weg] gaan”, zijn zij die hun weg met God gaan. Zij zijn niet zondeloos of foutloos, maar ze zijn rein van hart, hoewel ze ‘dikwijls struikelen’ (Jk 3:22Want wij struikelen allen dikwijls. Als iemand in [het] woord niet struikelt, die is een volmaakt man, in staat ook het hele lichaam in toom te houden.). De oprechte is eerlijk en doorzichtig in zijn motieven. Hij is op God gericht en wil voor Zijn aangezicht leven, dat wil zeggen in Zijn tegenwoordigheid, in het besef van Zijn aanwezigheid.

Die God is de “HEERE van de legermachten” (vers 1313HEERE van de legermachten,
welzalig de mens die op U vertrouwt.
)
. De zonen van Korach gebruiken deze titel hier voor de vierde keer in deze psalm (verzen 2,4,9,132Hoe lieflijk zijn Uw woningen,
HEERE van de legermachten.
4Zelfs vindt de mus een huis
en de zwaluw haar nest,
waarin zij haar jongen legt:
bij Uw altaren,
HEERE van de legermachten,
mijn Koning en mijn God.
9HEERE, God van de legermachten, luister naar mijn gebed,
neem [het] ter ore, o God van Jakob. /Sela/13HEERE van de legermachten,
welzalig de mens die op U vertrouwt.
)
. Dat geeft wel aan hoezeer ze onder de indruk zijn van Zijn verhevenheid boven alle hemelse en aardse legermachten. Het vertrouwen dat alles in Zijn hand is, geeft rust om de weg naar Gods huis te vervolgen.

Die almachtige, alles en iedereen te boven gaande God is het vertrouwen van de mens volkomen waard. Wie dat doet, is werkelijk “welzalig”. Dit is de derde keer dat dit woord, deze ‘zaligspreking’, voorkomt. De eerste keer is het in verbinding met het wonen in het huis van God (vers 55Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen,
zij loven U voortdurend. /Sela/
)
. De tweede keer staat het in verband met het hart van wie zijn kracht in God zoekt (vers 66Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
)
. De derde keer, hier, is het verbonden met het vertrouwen op God.


Lees verder