Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-3 Hoe machtig is Gods Naam 4-9 Wat is het mensenkind? 10 Hoe machtig is Gods Naam
Inleiding

Psalm 8 is na Psalm 2 de tweede messiaanse psalm. Dat blijkt uit de aanhaling ervan in Hebreeën 2, waardoor duidelijk wordt dat deze psalm over de Heer Jezus gaat. Psalm 8 is de eerste lofzang in Psalmen. Deze psalm is de enige die alleen tot God is gericht. Dit is opmerkelijk omdat het hier gaat om de ware Mens, de Zoon des Mensen, Die gekomen is om God te verheerlijken, maar dan alleen nadat Hij als de tarwekorrel in de aarde is gevallen en is gestorven (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.).

Er is een overeenkomst en een verschil tussen Psalm 8 en Psalm 2. De overeenkomst is dat beide psalmen over de heerlijkheid van de Heer Jezus gaan. Het verschil is dat Psalm 2 over de Heer Jezus als Koning op Sion gaat, waar Hij als de Zoon van God, de Messias, over Israël regeert (Jh 1:5050Nathanaël antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent [de] Koning van Israël.) en vandaaruit ook over de volken. Hij komt in de eerste plaats voor Israël als “Dienstknecht van [de] besnijdenis … ter wille van [de] waarheid van God, om de beloften van de vaderen te bevestigen” (Rm 15:88Want ik zeg, dat Christus een Dienstknecht van [de] besnijdenis geworden is ter wille van [de] waarheid van God, om de beloften van de vaderen te bevestigen,).

In Psalm 8 gaat het over de Heer Jezus als de Zoon des mensen Die over al het geschapene heerst. Hij heeft een Naam boven alle naam. Hij is niet in de hemel, maar boven de hemel. Hij gaat alles te boven. Maar daartoe moest Hij als de Zoon des Mensen lijden en sterven en opstaan uit de doden. De aankondiging daarvan door de Heer Jezus Zelf vinden we drie keer in de evangeliën (Mk 8:3131En Hij begon hun te leren dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten, de overpriesters en de schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.; 9:3131want Hij leerde Zijn discipelen en zei tot hen: De Zoon des mensen wordt overgeleverd in handen van mensen en zij zullen Hem doden; en na gedood te zijn zal Hij na drie dagen opstaan.; 10:33-3433Zie, wij trekken op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en de schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem overleveren aan de volken;34en zij zullen Hem bespotten, Hem bespuwen, Hem geselen en doden; en na drie dagen zal Hij opstaan.).

Psalm 8 is wat wel een ‘envelop-psalm’ wordt genoemd omdat hij met dezelfde zin begint en eindigt: “HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde” (Ps 8:2,102HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
U Die Uw majesteit getoond hebt boven de hemel.
10HEERE, onze Heere,
hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
)
. Dat benadrukt het feit dat de verheerlijking van God zal plaatsvinden door de gestorven en weer opgestane Zoon des Mensen. De Heer Jezus is als de tweede Mens en de laatste Adam gekomen om Gods doel met de schepping van de mens te verwerkelijken, namelijk de verheerlijking van God. Christus is de ware Adam.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De Gittith’.

Evenals de voorgaande psalmen is Psalm 8 “een psalm van David” en is eveneens “voor de koorleider”. Zie voor een verklaring van “voor de koorleider” bij Psalm 4:1.

Dan volgt er een aanwijzing die nog niet eerder is voorgekomen: het is een psalm “op ‘De Gittith’”. Deze uitdrukking komt drie keer in Psalmen voor (Ps 8:11Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De Gittith’.; 81:11Voor de koorleider, op ‘De Gittith’, [een psalm] van Asaf.; 84:11Voor de koorleider, op ‘De Gittith’; een psalm, van de zonen van Korach.). De betekenis van dit woord hangt samen met een afleiding ervan, het Hebreeuwse woord gat, dat wijnpers betekent. Daardoor lijkt het erop dat het om een ‘wijnperslied’ gaat.

De wijnpers is een symbool van oordeel en van vreugde. We kunnen hierin in de eerste plaats een verwijzing zien naar het lijden van Christus Zelf. Hij heeft de drinkbeker van de wijn van Gods toorn gedronken voor ieder die in Hem gelooft. In de tweede plaats is het een profetische verwijzing naar het oordeel over de goddelozen. Wijn is behalve een beeld van de toorn een beeld van de vreugde die het resultaat is van verdrukking door het oordeel (Jr 48:3333Zo zijn de blijdschap en de vreugde weggenomen
van het vruchtbare veld, namelijk het land Moab.
De wijn uit de perskuipen heb Ik doen ophouden,
men zal geen [druiven] treden onder vreugderoep,
de vreugderoep zal geen vreugderoep zijn.
; Js 63:33Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
; Op 14:2020En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.; 19:1-5,151Hierna hoorde ik als een luide stem van een grote menigte in de hemel zeggen: Halleluja! De behoudenis en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God!2Want waarachtig en rechtvaardig zijn Zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde heeft verdorven met haar hoererij, en Hij heeft het bloed van Zijn slaven van haar hand gewroken.3En voor de tweede maal zeiden zij: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheid.4En de vierentwintig oudsten en de vier levende wezens vielen neer en aanbaden God Die op de troon zat en zeiden: Amen, halleluja!5En van de troon ging een stem uit die zei: Prijst onze God, al Zijn slaven, <en> u die Hem vreest, kleinen en groten!15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.)
.

Om de wijn tot stand te brengen moeten de druiven geperst worden. Zo komt ook de vreugde en verheerlijking van God alleen tot stand door het lijden. Het zal een vreugde zijn, wanneer de goddelozen geoordeeld worden en de Messias over Israël en de hele aarde zal regeren.


Hoe machtig is Gods Naam

2HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
U Die Uw majesteit getoond hebt boven de hemel.
3Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen
hebt U een sterk fundament gelegd, omwille van Uw tegenstanders,
om de vijand en wraakzuchtige te laten ophouden.

David spreekt tot de “HEERE, onze Heere” (vers 22HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
U Die Uw majesteit getoond hebt boven de hemel.
)
. HEERE, Jahweh, is de naam van God in Zijn relatie met de mens en in het bijzonder met Zijn volk. Heere, Adonai, geeft Zijn soevereine heerschappij over al het geschapene aan. David, en in hem het gelovig overblijfsel, ziet de macht van Gods Naam “op de hele aarde”. De hele aarde is één grote openbaring van die Naam. Dit zal het geval zijn als de Heer Jezus de aarde door het oordeel heeft gereinigd en het vrederijk opricht.

Tegelijk beseft David dat de majesteit van God “boven de hemel” uitgaat. Zijn majesteit overstijgt al het geschapene, of het nu het zichtbare of het onzichtbare deel ervan is. David ziet alleen het geschapene en daarvan slechts een klein gedeelte, het deel dat hij met zijn ogen kan waarnemen. Door het geloof weet hij dat God Zijn majesteit overal toont, op talloos veel meer plaatsen dan hij om zich heen kan waarnemen, maar ook veel hoger dan de geschapen hemel. God gaat Zijn schepping onmeetbaar ver te boven.

Daar heeft de mens die los van God leeft geen oog voor omdat hij God niet erkent, hoewel God Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid in de schepping kenbaar maakt (Rm 1:19-2019omdat wat van God gekend kan worden, onder hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard20– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,). Maar wat voor de wijzen en verstandigen van de wereld verborgen is, omdat hun ogen verblind zijn door “de god van deze eeuw”, de satan (2Ko 4:44in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die [het] beeld van God is, [hen] niet zou bestralen.), heeft God aan kleine kinderen geopenbaard (vers 33Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen
hebt U een sterk fundament gelegd, omwille van Uw tegenstanders,
om de vijand en wraakzuchtige te laten ophouden.
; Mt 11:2525In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard.)
.

Wat van “de mond van kleine kinderen en zuigelingen” wordt gezegd, is van toepassing op het gelovig overblijfsel. Zij zijn als kleine kinderen en zuigelingen volkomen weerloos tegenover de tegenstanders, de vijanden en de wraakzuchtige mensen. Maar hun mond gaat open om God te prijzen. Dit toonbeeld van zwakheid en onverstand naar menselijke maatstaven is “een sterk fundament” dat God heeft gelegd om daarop Zijn eer en glorie te bouwen.

Als de Heer Jezus dit vers uit Psalm 8 aanhaalt, doet Hij dat uit de Septuaginta en zegt “hebt U Zich lof bereid” (Mt 21:1616en zeiden tot Hem: Hoort U wat dezen zeggen? Jezus nu zei tot hen: Jawel, maar hebt u nooit gelezen: ‘Uit [de] mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U Zich lof bereid’?) in plaats van “hebt U een sterk fundament gelegd”. In de lof aan God – en aan de Heer Jezus – worden Zijn kracht en grootheid bezongen. Het is Gods methode om dat te doen door de mond van kinderen en zuigelingen, het zwakke, zodat door het zwakke het sterke beschaamd wordt (1Ko 1:2727maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen,). David zegt tegen God dat Hij zo te werk gaat “omwille van Uw tegenstanders”. God snoert hiermee de mond van “vijand en wraakzuchtige”. Dit zijn vooral en in de eerste plaats de goddelozen van het volk en vervolgens ook de vijanden van buitenaf.

De Heer Jezus haalt dit vers aan om Zijn tegenstanders, de overpriesters en de schriftgeleerden, de mond te snoeren (Mt 21:15-1615Toen nu de overpriesters en de schriftgeleerden de wonderen zagen die Hij deed, en de kinderen die in de tempel de woorden riepen: Hosanna voor de Zoon van David, namen zij het zeer kwalijk16en zeiden tot Hem: Hoort U wat dezen zeggen? Jezus nu zei tot hen: Jawel, maar hebt u nooit gelezen: ‘Uit [de] mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U Zich lof bereid’?). Die dwazen openbaren hun weerstand tegen Hem door Hem op het ‘ongehoorde’ te wijzen dat kinderen Hem in de tempel loven met de woorden “hosanna voor de Zoon van David” (Mt 21:1515Toen nu de overpriesters en de schriftgeleerden de wonderen zagen die Hij deed, en de kinderen die in de tempel de woorden riepen: Hosanna voor de Zoon van David, namen zij het zeer kwalijk; vgl. Ps 118:25-2625Och HEERE, breng toch heil;
och HEERE, geef toch voorspoed.
26Gezegend Wie komt in de Naam van de HEERE!
Wij zegenen U vanuit het huis van de HEERE.
)
. De Heer houdt hun vervolgens dit vers voor. Hij zegt daarbij verwijtend tegen hen of ze dat vers in Psalm 8 “nooit gelezen” hebben. Ze zullen het vaak genoeg hebben gelezen, maar altijd zonder de ware betekenis te begrijpen.

Iets niet begrijpen is niet erg. Iets niet willen begrijpen is echt erg (vgl. Js 6:9-109Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
10Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
)
. Dat is het geval bij de overpriesters en de schriftgeleerden. Hun onwil maakt hen er blind voor dat dit vers aantoont dat de Heer Jezus Jahweh Zelf is. De kinderen geven daaraan luidruchtig uiting.


Wat is het mensenkind?

4Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U [hun] plaats gegeven hebt,
5wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
6Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen
en hem met eer en glorie gekroond.
7U doet hem heersen over de werken van Uw handen,
U hebt alles onder zijn voeten gelegd:
8schapen en runderen, die allemaal,
en ook de dieren van het veld,
9de vogels in de lucht en de vissen in de zee,
al wat over de paden van de zeeën gaat.

Na de tegenstelling tussen kleine kinderen en zuigelingen enerzijds en de tegenstanders anderzijds volgen vanaf vers 44Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U [hun] plaats gegeven hebt,
nog meer tegenstellingen. In vers 44Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U [hun] plaats gegeven hebt,
spreekt David over het machtige hemelgewelf en in vers 55wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
over de geringheid van de sterveling. Hij spreekt over “Uw hemel”. Het is Góds hemel omdat Hij hem heeft gemaakt en er de Eigenaar van is. Hij ziet “het werk van Uw vingers, de maan en de sterren”. Dat er sprake is van Gods vingers wekt de gedachte dat Hij als een bekwaam kunstenaar aan het werk is geweest.

Hij heeft ook aan alle hemellichamen “hun plaats gegeven” heeft. Alle hemellichamen bevinden zich niet toevallig op de plaats waar ze nu staan, maar hebben die plaats van God gekregen. Daarom is er harmonie in het heelal. Alles staat in de juiste verhouding tot elkaar. De hemellichamen zijn de stille getuigen van Gods majesteit, scheppingsmacht en onderhoudskracht, waardoor zij op hun plaats en in hun baan blijven. We hebben hier een van de vele aanwijzingen dat de evolutietheorie een leugentheorie is. God heeft alles zijn plaats aan de hemel gegeven, niet door ontwikkeling, maar door het werk van Zijn vingers. Het is geen proces, maar een daad.

Diep onder de indruk van het onmetelijke heelal met zijn ontelbare sterren spreekt David vol verbazing over het feit dat God aan die nietige “sterveling” (vers 55wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
; vgl. Jb 35:55Kijk naar de hemel en zie,
en aanschouw de wolken, die hoger zijn dan jij.
)
denkt. Job stelt dezelfde vraag, maar dan als een aanklacht, vanuit het perspectief van het lijden dat God over hem brengt (Jb 7:1717Wat is de sterveling dat U hem groot maakt,
en dat U Uw hart op hem richt?
)
. ‘Sterveling’ is de vertaling van het Hebreeuwse enos, dat betekent zwakke, sterfelijke mens. Dat is de mens geworden na de zondeval. Enos staat dan ook voor de zondige mens. Dit is niet van toepassing op de Heer Jezus.

David verbaast zich er ook over dat God naar “het mensenkind” omziet. ‘Mensenkind’ is de vertaling van het Hebreeuwse ben adam, dat betekent ‘zoon van Adam’, wat er de nadruk op legt dat hij uit het stof van de aarde is gemaakt, en ook zonder de bijgedachte aan zonde. Wat maakt hem zo waardevol voor God dat Hij, de Schepper en Onderhouder van het heelal, hem niet vergeet, maar hem verzorgt en telkens Zijn gunst bewijst? De mens is in zijn sterfelijkheid en zwakheid immers een onbeduidend schepseltje te midden van God imponerende, overweldigende scheppingswerken (vgl. Ps 144:33HEERE, wat is de mens, dat U hem kent,
de sterveling, dat U aan hem denkt?
)
.

Na zijn verbazing over de betekenis die de mens ondanks zijn geringheid voor God heeft, spreekt David over de relatie tussen de mens en de engelen (vers 66Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen
en hem met eer en glorie gekroond.
)
. In vergelijking met de engelen is de mens door God “een weinig minder gemaakt” dan zij. De mens is het hoofd van de schepping en God heeft alles aan hem onderworpen (Gn 1:26,2826En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!28En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!). Zodoende heeft God hem met eer en glorie gekroond.

Dit is verbazingwekkend. Als schepsel bezit de mens niet de kracht en beweeglijkheid van engelen. Hij is ook tot de aarde beperkt, terwijl de engelen in de hemel zijn en op aarde kunnen komen. Toch heeft God niet een engel als heerser van de schepping gesteld, maar die zwakke, begrensde mens.

Wat voor aantrekkelijks kan er in die nietige mens zijn dat God aan hem denkt? Het antwoord op die vraag is: Kijk naar de Heer Jezus, ‘de Mensenzoon’ – zo kan ‘mensenkind’ in vers 55wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
ook, en beter, vertaald worden –, Die nu in de heerlijkheid is, door God gekroond met heerlijkheid en eer. In Hem zien we hoe God echt over de mens denkt. Hij is de ware Zoon van Adam (Lk 3:23-24,3823En Hij, Jezus, begon ongeveer dertig jaar oud te worden, en was, naar men meende, een Zoon van Jozef, de [zoon] van Eli,24van Matthat, van Levi, van Melchi, van Jannai, van Jozef,38van Enos, van Seth, van Adam, van God.). In Hem zien we de heerlijkheid en eer van de mens.

Hij is de Zoon des mensen ofwel de Zoon van de mens en niet de Zoon der mensen ofwel Zoon van de mensen. Dit verschil is belangrijk. Hij is namelijk de Zoon van één mens, Maria, en niet de Zoon van twee mensen, Jozef en Maria. Wij mensen zijn allemaal geboren uit twee mensen, wij zijn allemaal “zonen van de mensen” (Ef 3:55die in andere geslachten de zonen van de mensen niet bekend is gemaakt, zoals zij nu in [de] Geest geopenbaard is aan Zijn heilige apostelen en profeten:), van een vader en een moeder. De Heer Jezus is door Zijn geboorte de Zoon van Maria in wie Hij verwekt is door de Heilige Geest.

Dat David door de Geest spreekt over Christus, zien we in Hebreeën 2 waar deze verzen van Psalm 8 worden aangehaald en verklaard. Vanwege het belang ervan citeren we het hele gedeelte:
“Want niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk waarover wij spreken, maar iemand heeft ergens betuigd en gezegd: ‘Wat is [de] mens dat U hem gedenkt, of [de] mensenzoon dat U acht op hem geeft? U hebt hem een weinig minder gemaakt dan [de] engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond <en hem gesteld over de werken van Uw handen>; alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door <Hem> alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen; maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte” (Hb 2:5-95Want niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk waarover wij spreken,6maar iemand heeft ergens betuigd en gezegd: ‘Wat is [de] mens dat U hem gedenkt, of [de] mensenzoon dat U acht op hem geeft?7U hebt hem een weinig minder gemaakt dan [de] engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond <en hem gesteld over de werken van Uw handen>;8alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door <Hem> alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen;9maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte.).

Vers 77U doet hem heersen over de werken van Uw handen,
U hebt alles onder zijn voeten gelegd:
van Psalm 8 gaat boven de eerste Adam uit over de laatste Adam (1Ko 15:45,4745Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, [werd] tot een levende ziel’; de laatste Adam tot een levendmakende geest.47De eerste mens is uit [de] aarde, stoffelijk, de tweede Mens is uit [de] hemel.). “Alles hebt U onder Zijn voeten onderworpen”, duidt op de volkomen heerschappij van de Heer Jezus over de schepping, zoals het citaat in Hebreeën 2 duidelijk maakt. ‘Alles’ is ook echt alles en laat geen uitzondering toe. Het omvat alle dingen in de hemel en op de aarde, elk onderdeel van het geschapen universum. Waar we ook in het heelal kijken, er is niets te vinden wat Hem niet onderworpen is.

Van die algemene heerschappij is nu nog niets te zien. We zien veel ellende en verdriet. Dat komt omdat de mens door de zonde de heerschappij uit handen heeft gegeven en die heeft verloren. Die heerschappij ligt nu in handen van de satan (Lk 4:66En de duivel zei tot Hem: U zal ik al deze macht en hun heerlijkheid geven, want zij is mij overgegeven en aan wie ik wil geef ik ze;), die sinds de zondeval “de god van deze eeuw” (2Ko 4:44in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die [het] beeld van God is, [hen] niet zou bestralen.) en “de overste van deze wereld” (Jh 12:3131Nu is [het] oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld worden buiten geworpen.) is. De vloek ligt over de schepping. Vreedzame dieren zijn roofdieren geworden en de aardbodem is begonnen dorens en distels voort te brengen.

Maar dat zal niet altijd zo blijven. Om te zien hoe het zal worden, moeten we naar boven kijken. Daar zien we “Jezus” en wel “met heerlijkheid en eer gekroond”. God heeft Hem die plaats van eer gegeven als beloning voor Zijn werk aan het kruis. Vanwege dit lijden van de dood is de Heer Jezus “een weinig [of: een korte tijd] minder dan [de] engelen gemaakt”. Hij, Die de Schepper van de engelen is en daardoor hun Meester, is, al is het voor een korte tijd, slechts drie dagen, toch gedurende die tijd minder dan de engelen geweest. Zijn vernedering kent geen grenzen en daarom Zijn verhoging ook niet. We zien nog niet alles aan Hem onderworpen, maar in het geloof zien we wel Hem aan Wie alles onderworpen zal zijn.

Het gaat de schrijver van de brief aan de Hebreeën erom de blik te richten naar boven, naar Hem. En Hem zien is ook Zijn werk zien dat Hij op aarde in opdracht van God heeft gedaan. Waar de eerste mens zo schromelijk en onherstelbaar heeft gefaald, is de tweede Mens gekomen om het volledige recht op de schepping te verwerven. Hij heeft dat recht verworven door God te verheerlijken op hetzelfde terrein waar de eerste mens heeft gefaald.

Alles wat “onder zijn voeten gelegd” is (vers 77U doet hem heersen over de werken van Uw handen,
U hebt alles onder zijn voeten gelegd:
)
, dat wil zeggen de voeten van de eerste mens, betreft vooral het dierenrijk (vers 88schapen en runderen, die allemaal,
en ook de dieren van het veld,
; vgl. Gn 1:2626En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!)
. Hij heerst over de tamme dieren, de “schapen en runderen, die allemaal”. Deze dieren dienen hem. Hij heerst ook over de wilde dieren, “de dieren van het veld”. Hij is in staat die te vangen en te temmen of onschadelijk te maken (vgl. Jk 3:77Want elke natuur, zowel van wilde dieren als van vogels, van kruipende dieren als van zeedieren, wordt getemd en is getemd door de menselijke natuur,). Ook heerst hij over de dieren in het luchtruim, “de vogels in de lucht” (vers 99de vogels in de lucht en de vissen in de zee,
al wat over de paden van de zeeën gaat.
)
. Hetzelfde geldt voor de dieren in het water, “de vissen in de zee” (vgl. Gn 9:22Vrees en schrik voor u zal er zijn bij alle dieren van de aarde en bij alle vogels in de lucht, bij alles wat over de aardbodem kruipt en bij alle vissen in de zee; zij zijn in uw hand gegeven.). De vissen gaan “over de paden van de zeeën”. Het zijn geen menselijke paden. Toch weet de mens de vissen te vangen.

Dat alles onder de voeten van de mens is gelegd, wordt drie keer in het Nieuwe Testament op de Heer Jezus toegepast (Hb 2:88alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door <Hem> alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen;; 1Ko 15:2727Want ‘Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen’. Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft.; Ef 1:2222En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente,). Daar zien we ook dat er twee uitzonderingen zijn. De eerste uitzondering is God, want God heeft alles aan Hem onderworpen: Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft” (1Ko 15:2727Want ‘Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen’. Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft.).

De tweede uitzondering is de gemeente, want zij is aan Christus verbonden als een lichaam aan een hoofd: “En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is, de volheid van Hem Die alles in allen vervult” (Ef 1:22-2322En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente,23die Zijn lichaam is, de volheid van Hem Die alles in allen vervult.). Dat de Heer Jezus samen met Zijn gemeente over de schepping regeert, zien we in beeld in de heerschappij die Adam en Eva samen over de schepping krijgen (Gn 1:27-2827En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.28En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!).


Hoe machtig is Gods Naam

10HEERE, onze Heere,
hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!

De psalm besluit in vers 1010HEERE, onze Heere,
hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
met dezelfde woorden als die waarmee de psalm in vers 22HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
U Die Uw majesteit getoond hebt boven de hemel.
begint. David heeft, wat hij in het openingsvers zegt, in de volgende verzen verklaard. Daardoor hebben wij begrepen waarom David daarmee begint en ons in zijn bewondering voor Gods Naam betrokken. Dit zal in het vrederijk volledig vervuld worden.

Voor ons heeft het een nog diepere dimensie. Wij zien nog niet alles aan Hem onderworpen, maar we zien Hem aan Wie alles onderworpen zal zijn. Daarbij komt nog dat wij met Hem, de Mensenzoon, verbonden zijn en zullen delen in Zijn heerschappij in het vrederijk. Voor ons is Zijn Naam nu al machtig in ons hart en leven, terwijl er uiterlijk nog niets van Zijn heerschappij zichtbaar is.


Lees verder