Psalmen
1 Opschrift 2-4 Roepen en vertwijfeling 5-10 Heeft God vergeten genadig te zijn? 11-14 Gods weg is in het heiligdom 15-21 Gods weg is door de zee
Opschrift

1Voor de koorleider, over Jeduthun, van Asaf, een psalm.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. De naam “Jeduthun” staat ook in het opschrift van Psalm 39 en Psalm 62 (Ps 39:11Een psalm van David, voor de koorleider, van Jeduthun.; Ps 62:11Een psalm van David, voor de koorleider, over Jeduthun.). Zie verder bij Psalm 39:1 en Psalm 62:1. Voor “van Asaf, een psalm” zie bij Psalm 50:1.


Roepen en vertwijfeling

2Mijn stem [klinkt] tot God en ik roep,
mijn stem [klinkt] tot God en Hij zal mij aanhoren.
3Op de dag van mijn benauwdheid zocht ik de Heere,
mijn hand was 's nachts uitgestrekt en verslapte niet,
mijn ziel weigerde getroost te worden.
4Dacht ik aan God, dan kermde ik;
peinsde ik, dan bezweek mijn geest. /Sela/

Asaf, en in hem het gelovig overblijfsel, begint deze psalm met zijn stem tot God te laten klinken (vers 22Mijn stem [klinkt] tot God en ik roep,
mijn stem [klinkt] tot God en Hij zal mij aanhoren.
)
. Hij roept tot Hem. Hij laat zijn stem tot God klinken in de zekerheid dat God hem zal aanhoren. Dat hij dit twee keer zegt, geeft de ernst en diepte van zijn nood aan. Tegelijk spreekt hij de zekerheid uit dat God hem zal horen. Hij vertrouwt erop dat zijn gebed gehoor vindt bij God.

Tot God roepen met de stem is meer dan alleen iets van Hem wensen. Het is de uiting van zwakheid en afhankelijkheid van Hem en het verlangen tot Hem de toevlucht te nemen. Wie dit doet, bewijst dat hij een oprecht hart heeft. Het betreft ook niet een nood die hij wel voor zichzelf kan houden, maar een diepe nood waaraan hij voor iedereen hoorbaar uiting moet geven.

Na zijn uiting van vertrouwen (vers 22Mijn stem [klinkt] tot God en ik roep,
mijn stem [klinkt] tot God en Hij zal mij aanhoren.
)
volgt de weg waarlangs de psalmist is gegaan om tot dit vertrouwen te komen. Hij begint ermee te zeggen dat hij “de Heere”, Adonai, heeft gezocht “op de dag van mijn benauwdheid” (vers 33Op de dag van mijn benauwdheid zocht ik de Heere,
mijn hand was 's nachts uitgestrekt en verslapte niet,
mijn ziel weigerde getroost te worden.
)
. Hij is in grote nood geweest. Dat hij de Heere heeft gezocht, is een goede zaak. De vraag is alleen met welke instelling van zijn hart hij heeft gezocht. Uit het vervolg blijkt dat hij diepgaand heeft getwijfeld aan Gods betrokkenheid bij zijn situatie en dat dit een diepe crisis in zijn geloofsleven tot gevolg heeft gehad.

Niet alleen overdag strekte hij zijn hand uit tot God als een teken van hulpeloos met de vraag om Zijn hulp. Hij is er ’s nachts mee doorgegaan. Er is geen verslapping opgetreden. Hij is blijven roepen om hulp. En die kwam maar niet. Daarom heeft zijn ziel geweigerd “getroost te worden”. Iemand die troost weigert, is diep ontmoedigd en zwaar teleurgesteld in God. Hij ziet geen uitweg. Het leven is donker en zinloos geworden. Alle troostwoorden stuiten af op een hart dat zich door God afgewezen voelt.

Hij heeft wel aan God gedacht. Maar in plaats van dat de gedachte aan God hem heeft vertroost, heeft hij gekermd (vers 44Dacht ik aan God, dan kermde ik;
peinsde ik, dan bezweek mijn geest. /Sela/
)
. Het heeft zijn zielenleed slechts groter gemaakt. God is in zijn beleving geen Helper, maar Iemand Die niets aan zijn ellende doet, Iemand Die hem aan zijn lot overlaat.

Hij heeft erover gepeinsd, maar hij is er niet uitgekomen. Integendeel, zijn geest is bezweken. Hij is in een totale depressie beland. Mensen kunnen praten wat ze willen over God en Zijn goedheid. Maar als God zwijgt, heeft al het praten van mensen en al het eigen denken alleen maar een vermeerdering van de innerlijke pijn tot gevolg.

Overweldigd door de moeilijkheden en problemen, teleurgesteld door het feit dat God nog niet heeft geantwoord, raakt de ziel uitgeput en begint te klagen. Ook de geest raakt uitgeput door de moeilijkheden. Misschien dringt ook de herinnering aan vroeger gemaakte fouten zich op en ontstaat de vraag: Oordeelt God alsnog vroegere maar wel beleden overtredingen? De gedachten draaien in een cirkel rond. Het is een spiraal naar beneden. Het wordt steeds donkerder en een oplossing verdwijnt uit zicht.


Heeft God vergeten genadig te zijn?

5U hield mijn ogen wakend,
ik was verontrust en sprak niet.
6Ik overdacht de dagen vanouds,
de jaren van [vroegere] eeuwen.
7Ik dacht aan mijn snarenspel,
's nachts peinsde ik in mijn hart,
en mijn geest onderzocht:
8Zou de Heere [dan] in alle eeuwigheid verstoten
en voortaan niet meer goedgezind zijn?
9Houdt Zijn goedertierenheid voor altijd op?
Komt aan [Zijn] toezegging een einde, van generatie op generatie?
10Heeft God vergeten genadig te zijn?
Of heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten? /Sela/

De smart van de Godvrezende is zo groot geweest, dat hij de slaap niet heeft kunnen vatten (vers 55U hield mijn ogen wakend,
ik was verontrust en sprak niet.
)
. ‘Dat hebt U gedaan’, heeft hij tegen God gezegd. Het is geen uiting van berusting, maar een verwijt. Daarom is er verontrusting en geen vertrouwen. Vanwege zijn geschokte vertrouwen op God, zijn teleurstelling in Hem, is zijn slapeloosheid een bewijs te meer geweest dat God Zich niets van hem heeft aangetrokken.

Verderop zal hij tot nog sterkere uitspraken komen die aangeven hoezeer zijn vertrouwen op God is geschokt. Hij heeft er nu zijn mond maar over gehouden. Wat zou hij over zijn diepe zielennood moeten zeggen, en tegen wie? Er is immers niemand die hem begrijpt.

In het overdenken van zijn omstandigheden is hij in gedachten teruggegaan naar “de dagen vanouds, de jaren van [vroeger] eeuwen” (vers 66Ik overdacht de dagen vanouds,
de jaren van [vroegere] eeuwen.
)
. Dat is niet om zich te herinneren hoe God toen heeft geholpen. Dan zou zijn vertrouwen op God zijn hersteld en zou er lofprijzing voor Hem zijn opgekomen. Dat is hier niet het geval. Hij is niet bij God als Zijn toevlucht in de nood uitgekomen. Het lijkt erop dat hij met heimwee aan vroeger heeft teruggedacht omdat hij toen in voorspoed en geluk leefde.

Hij heeft gedacht aan zijn “snarenspel” (vers 77Ik dacht aan mijn snarenspel,
's nachts peinsde ik in mijn hart,
en mijn geest onderzocht:
)
. Hij heeft zich de tijd herinnerd dat hij vol vreugde muziek heeft gemaakt en God heeft geprezen. Maar wat helpt de gedachte aan vroegere vreugde bij het zoeken naar een oplossing voor de huidige ellende als je niet bij God uitkomt? Als we blijven graven in het verleden om te kunnen omgaan met de problemen in het heden, zakken we steeds dieper in de depressie weg. We moeten leren omhoog en vooruit te kijken. Dan zien we dat God, Die er gisteren was, er ook vandaag is en er morgen ook zal zijn.

In de nacht heeft hij in zijn hart gepeinsd over de kwellende vragen die hem in zijn toestand van ontgoocheling hebben gebracht. Hij heeft die vragen met zijn “geest onderzocht”. De onderste steen moest als het ware boven komen om het antwoord op zijn diepe levensvragen te vinden. Het zijn geen theologische vragen, maar ervaringsvragen. Ze gaan over de beleving van Gods aanwezigheid in het leven van de gelovige, terwijl die gelovige daaraan zeer twijfelt vanwege de onbegrijpelijke ellende waarin hij is.

Hij stelt zes vragen over God. Deze vragen kunnen theologisch correct worden beantwoord. Dan nemen we de nood niet serieus, en geven we blijk van onvermogen om mee te lijden met de lijdende. We zouden zelfs kunnen zeggen dat een gelovige die weet Wie God is, zulke vragen niet zou moeten stellen. Dan maken we de gelovige verwijten, terwijl God dat niet doet. In beide gevallen tonen we ons gebrek aan zelfkennis. Ook is er geen besef dat alleen de genade van God ons tot nu toe voor zulke omstandigheden en dergelijke vragen heeft bewaard.

De zes vragen zijn:
1. “Zou de Heere [dan] in alle eeuwigheid verstoten?” (vers 8a8Zou de Heere [dan] in alle eeuwigheid verstoten
en voortaan niet meer goedgezind zijn?
)
.
2. “en voortaan niet meer goedgezind zijn?” (vers 8b8Zou de Heere [dan] in alle eeuwigheid verstoten
en voortaan niet meer goedgezind zijn?
)
.
3. “Houdt Zijn goedertierenheid voor altijd op? (vers 9a9Houdt Zijn goedertierenheid voor altijd op?
Komt aan [Zijn] toezegging een einde, van generatie op generatie?
)
.
4. “Komt aan [Zijn] toezegging een einde, van generatie op generatie?” (vers 9b9Houdt Zijn goedertierenheid voor altijd op?
Komt aan [Zijn] toezegging een einde, van generatie op generatie?
)
.
5.“Heeft God vergeten genadig te zijn?” (vers 10a10Heeft God vergeten genadig te zijn?
Of heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten? /Sela/
)
.
6. “Of heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten?” /Sela/ (vers 10b10Heeft God vergeten genadig te zijn?
Of heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten? /Sela/
)
.

De eerste vraag van het gekwelde gemoed is of “de Heere [dan] in alle eeuwigheid verstoten” zou (vers 10a10Heeft God vergeten genadig te zijn?
Of heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten? /Sela/
)
. Deze vraag geeft uiting aan het diepe gemis van Gods nabijheid. Het geeft ook aan dat hij geen uitkomst ziet. Wij mogen weten dat God nooit iemand zal verstoten die de toevlucht tot Hem heeft genomen. Daar mogen we de wanhopige gelovige telkens weer aan herinneren, zonder hem van ongeloof te beschuldigen. Het gaat om een gelovige die zich, om welke oorzaak ook, door God verstoten voelt. Hij is wanhopig op zoek naar God, maar voelt zich door Hem verstoten.

De tweede vraag, of de Heere “voortaan niet meer goedgezind” (vers 8b8Zou de Heere [dan] in alle eeuwigheid verstoten
en voortaan niet meer goedgezind zijn?
)
zou zijn, hangt direct met de eerste samen. Wie het gevoel heeft ‘in alle eeuwigheid verstoten’ te zijn, ervaart er niets meer van dat God hem goedgezind is. Dit gaat vooral over Gods innerlijk, wat er in Zijn hart is. Wie meent dat God hem heeft afgeschreven, is het zicht kwijt op wat er in Gods hart is.

De oorzaak daarvan is het drijven op de ellendige gevoelens die hij heeft en de teleurstellende ervaringen die hij met God heeft opgedaan. Dan meent een gelovige dat God hem niet goedgezind is als het niet goed met hem gaat. Waar het op aankomt, is dat we God blijven vertrouwen, ook als in ons leven alles tegenzit. Als we denken dat God ons alleen goedgezind is als het goed met ons gaat, kan snel de gedachte postvatten dat God ons niet meer goedgezind is als het slecht met ons gaat. Hetzelfde geldt voor Gods goedertierenheid, genade en barmhartigheid waarover de psalmist ook zijn vragen heeft.

Uit twijfel aan Gods goede gezindheid tegenover de gelovige volgt als vanzelf de vraag of “Zijn goedertierenheid voor altijd ophoudt” (vers 9a9Houdt Zijn goedertierenheid voor altijd op?
Komt aan [Zijn] toezegging een einde, van generatie op generatie?
)
. Dat God de gelovige goedgezind is, blijkt uit Zijn goedertierenheid. Goedertierenheid is een kenmerk van de liefde (1Ko 13:4a4De liefde is lankmoedig, is goedertieren; de liefde is niet jaloers; <de liefde> praalt niet, is niet opgeblazen,). In Psalmen staat vaak dat Zijn goedertierenheid voor eeuwig is (Ps 136), wat slaat op het vrederijk. Als alles donker is voor de gelovige, denkt hij daar niet meer aan, maar vraagt zich af of Gods goedertierenheid voor altijd is opgehouden. Dat is het tegenovergestelde.

De vraag die hier weer op aansluit, is of er aan Gods “toezegging een einde” komt, “van generatie op generatie” (vers 9b9Houdt Zijn goedertierenheid voor altijd op?
Komt aan [Zijn] toezegging een einde, van generatie op generatie?
)
. Het geloof in Gods toezegging is verdwenen. Wie zijn gevoelens tot norm voor zijn verhouding tot God maakt, twijfelt ook aan de toezeggingen of beloften van God. Er is geen vertrouwen in het Woord van God, dat onveranderlijk geldt voor alle generaties. Als we daar onze steun niet meer in vinden, worden we een speelbal van onze gevoelens.

In zijn vijfde vraag oppert de vertwijfelde gelovige de gedachte dat God misschien vergeten is “genadig te zijn” (vers 10a10Heeft God vergeten genadig te zijn?
Of heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten? /Sela/
)
. Deze vraag geeft aan hoever de gelovige verwijderd is van een goede kijk op God. Hoe zou God kunnen vergeten genadig te zijn? Dat de gelovige het zo ervaart, geeft de diepte van zijn depressie aan. Als er geen genadige God is, is de gelovige gedoemd in duisternis en hopeloosheid te sterven.

Zijn laatste vraag is of God “Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten” heeft (vers 10b10Heeft God vergeten genadig te zijn?
Of heeft Hij Zijn barmhartigheid door toorn afgesloten? /Sela/
)
. Hier ziet Hij God als een toornig God. God is wel barmhartig, maar dat kan Hij niet laten blijken, omdat Zijn toorn de boventoon voert. Hier is de gelovige op het dieptepunt van zijn depressie beland. Hij beeldt zich in dat God toornig op hem is en hem daarom geen barmhartigheid kan bewijzen. Het klinkt logisch, maar het is menselijke logica. Wij kunnen niet op hetzelfde ogenblik twee tegengestelde gevoelens hebben, maar God kan wel toornig en tegelijk barmhartig zijn (vgl. Hk 3:22HEERE, [toen] ik Uw tijding hoorde,
heb ik gevreesd.
HEERE, Uw werk, behoud het in het leven in het midden van de jaren,
maak [het] bekend in het midden van de jaren.
Denk in [Uw] toorn aan ontferming!
)
.


Gods weg is in het heiligdom

11Toen zei ik: Dit krenkt mij,
[maar] de rechterhand van de Allerhoogste verandert.
12Ik zal de daden van de HEERE gedenken,
ja, ik zal denken aan Uw wonderen van oudsher.
13Ik zal al Uw werken overdenken
en over Uw daden spreken.
14O God, Uw weg is in het heiligdom.
Wie is een God zo groot als God?

In vers 1111Toen zei ik: Dit krenkt mij,
[maar] de rechterhand van de Allerhoogste verandert.
komt het keerpunt. De Godvrezende is zozeer met zijn ellende en problemen bezig geweest, dat hij zijn vertrouwen in de goedheid en genade van God is kwijtgeraakt. Dat is veranderd op het moment dat hij oog heeft gekregen voor het werkelijke probleem: hij heeft alleen oog gehad voor zichzelf en zijn omstandigheden. Daarbij heeft hij God uit het oog verloren.

Als hij zich dat bewust wordt, verandert zijn kijk op zijn situatie totaal. Hij ontdekt wat hem “krenkt”, of ziek maakt, namelijk de gedachte dat “de rechterhand van de Allerhoogste verandert”. Hij erkent daarmee dat het probleem niet bij God ligt, maar bij hemzelf, bij zijn zienswijze op Gods handelen. Gods rechterhand spreekt van Zijn handelen. Dat Hij de Allerhoogste is, wil zeggen dat Hij boven alles en iedereen staat.

Asaf heeft gedacht dat God een veranderlijke God is. God handelt inderdaad niet altijd op dezelfde manier. Zijn handelingen met ons zijn door ons niet altijd na te gaan en te begrijpen. Maar Hij handelt wel altijd met hetzelfde doel. Hij wil ons dichter bij Zich hebben, ons nauwer aan Zich te verbinden, dat wil zeggen voor ons besef.

Als Asaf heeft ontdekt dat het probleem bij hemzelf zit, is het afgelopen met het denken aan zichzelf. Hij zal vanaf nu “de daden van de HEERE gedenken” (vers 1212Ik zal de daden van de HEERE gedenken,
ja, ik zal denken aan Uw wonderen van oudsher.
)
. Hij spreekt hier over “de HEERE”, de God van het verbond en de beloften, met Wie hij een relatie heeft en Die hij kan vertrouwen. Het licht breekt door in de duisternis van zijn denken en gevoelens.

God is betrouwbaar. Al Zijn daden bewijzen dat. Aan die daden wil hij denken. Hiermee kan hij Gods scheppingsdaden bedoelen, maar ook Zijn daden van zorg en bescherming van de Zijnen. Hij wil denken aan Zijn wonderen “van oudsher”, zoals de bevrijding van Zijn volk uit de slavernij in Egypte.

Als de geplaagde gelovige zover is dat hij boven zijn nood is uitgestegen en God weer voor zijn aandacht heeft, is hij in staat “al Uw werken” te overdenken (vers 1313Ik zal al Uw werken overdenken
en over Uw daden spreken.
)
. Zijn gedachten cirkelen niet meer om zichzelf, maar gaan naar God uit. En denken aan God is denken aan Zijn werken. God openbaart Zich in Zijn werken. Daarin ziet de gelovige “van [de] schepping van [de] wereld af … Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid” (Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,).

God zorgt voor Zijn schepping. Daarbij gaat de waarde van de Zijnen de waarde van de schepping ver te boven (Mt 6:2626Kijkt naar de vogels van de hemel, dat zij niet zaaien, niet maaien en niet in schuren verzamelen, en uw hemelse Vader voedt ze. Gaat u ze niet ver te boven?; 10:3131Weest dan niet bang; u gaat vele musjes te boven.; 12:1212Hoeveel dan gaat een mens een schaap te boven! Daarom is het geoorloofd op de sabbat goed te doen.). De gelovige kan spreken over Gods daden van zorg voor hem, vanaf zijn geboorte tot zijn bekering en zolang hij daarna leeft. Hij heeft oog gekregen voor het ware karakter van het leven, dat God alles bestuurt. Hoe Hij dat doet, begrijpt hij niet altijd, maar hij vertrouwt God, dat Hij alles zal besturen op een manier die tot verwondering en aanbidding leidt. Daarvan getuigt hij naar anderen.

Asaf is op het punt aangekomen dat hij tegen God kan zeggen: “O God, Uw weg is in het heiligdom” (vers 14a14O God, Uw weg is in het heiligdom.
Wie is een God zo groot als God?
)
. Dat Gods weg in het heiligdom is, wil zeggen dat Zijn weg een heilige weg is die heiliging bewerkt. Het is Góds weg. Dat is de beste weg. Wij kunnen daar misschien anders over denken als die weg ons wel eens in moeilijkheden voert. Maar als we zover komen dat we met Gods weg voor ons als de beste weg instemmen, komt er rust in ons hart.

We stellen dan verwonderd de vraag: “Wie is een God zo groot als God?” (vers 14b14O God, Uw weg is in het heiligdom.
Wie is een God zo groot als God?
)
. Hij bestuurt alles in het heiligdom. Niemand is met Hem te vergelijken, niet in Zijn macht en niet in Zijn bestuur. Elke poging tot vergelijking met wat of wie ook is in feite dwaasheid. Er is geen andere levende God. God is oneindig verheven boven de dode afgoden van wie mensen hun hulp verwachten en die door hen worden aangebeden.


Gods weg is door de zee

15U bent de God Die wonderen doet,
U hebt Uw macht bekendgemaakt onder de volken.
16U hebt Uw volk door [Uw sterke] arm verlost,
de nakomelingen van Jakob en van Jozef. /Sela/
17De wateren zagen U, o God,
de wateren zagen U, zij beefden,
ook de diepe wateren sidderden.
18De wolken goten water uit,
de hemel gaf geluid,
ook vlogen Uw pijlen overal heen.
19Het geluid van Uw donder [klonk] in het rond,
de bliksemflitsen verlichtten de wereld,
de aarde sidderde en beefde.
20Uw weg was door de zee,
Uw pad door grote wateren,
en Uw voetstappen werden niet bekend.
21U leidde Uw volk als een kudde
door de hand van Mozes en Aäron.

God is “de God Die wonderen doet” (vers 1515U bent de God Die wonderen doet,
U hebt Uw macht bekendgemaakt onder de volken.
)
. Hij doet dingen die verbazing bewerken. Het zijn dingen die een mens niet kan doen en niet kan begrijpen. Zijn wonderen laten zien waartoe Hij in staat is. Dit kan pas achteraf worden geconstateerd, als Hij een wonder heeft gedaan. We zien het in de schepping, in Zijn regering van de wereld en in de verlossing van de Zijnen. Hij houdt alles in het leven, Hij is “een Onderhouder … van alle mensen, het meest van [de] gelovigen” (1Tm 4:10b10want hiertoe arbeiden wij en strijden wij, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, Die een Onderhouder is van alle mensen, het meest van [de] gelovigen.).

Wel, God heeft in de bevrijding van Zijn volk Zijn “macht bekendgemaakt onder de volken”. De volken hebben daarvan gehoord (Jz 2:9-109en zei tegen die mannen: Ik weet dat de HEERE u dit land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land weggesmolten zijn [van angst] voor u.10Want wij hebben gehoord dat de HEERE het water van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen u uit Egypte ging. En [ook] wat u hebt gedaan met de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, die aan de andere zijde van de Jordaan waren, die u met de ban geslagen hebt.). God zal in de toekomst Zijn macht opnieuw bekendmaken, als Christus Zijn volk uit de macht van hun vijanden zal bevrijden door die vijanden te oordelen.

Asaf spreekt tot God over de verlossing van Zijn volk (vers 1616U hebt Uw volk door [Uw sterke] arm verlost,
de nakomelingen van Jakob en van Jozef. /Sela/
)
. Hij kijkt nu terug naar het verleden zoals God wil dat de gelovige daarnaar terugkijken. Dan herinnert hij zich weer dat God Zijn volk door Zijn sterke arm – dat is Christus – heeft verlost (Ex 6:55Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten.; 15:1616Op hen viel
verschrikking en angst.
Door de grootheid van Uw arm
verstomden zij als een steen,
terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,
terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.
)
. Dat mag de gelovige, dat mogen wij, met een dankbaar harttegen Hem zeggen. Het is tevens een bemoediging voor de uitzichtloze situatie waarin we ons kunnen bevinden.

Het volk van God wordt hier “de nakomelingen van Jakob en van Jozef” genoemd. Jakob is de aartsvader uit wie de twaalf stammen zijn voortgekomen. Jozef wordt genoemd omdat hij de voortreffelijkste onder de twaalf broers is. Hij is ook de man door wie God Zijn volk in het leven heeft gehouden en die in Egypte heeft geheerst.

In de verzen 17-1917De wateren zagen U, o God,
de wateren zagen U, zij beefden,
ook de diepe wateren sidderden.
18De wolken goten water uit,
de hemel gaf geluid,
ook vlogen Uw pijlen overal heen.
19Het geluid van Uw donder [klonk] in het rond,
de bliksemflitsen verlichtten de wereld,
de aarde sidderde en beefde.
beschrijft Asaf op indrukwekkende en dichterlijke wijze hoe God de weg van Zijn volk naar de bevrijding heeft gebaand. Hij spreekt over “de wateren” als vijandige personen die Gods volk de weg naar de bevrijding willen versperren. Maar dan zien ze hun Schepper en beven (vers 1717De wateren zagen U, o God,
de wateren zagen U, zij beefden,
ook de diepe wateren sidderden.
; vgl. Hk 3:1010De bergen zagen U, zij beefden van angst.
Een vloed van water stroomde voorbij,
de watervloed liet zijn stem klinken,
hoog hief hij zijn handen op.
)
. “Ook de diepe wateren” reageren op de macht van hun Schepper: ze sidderen. Asaf zegt twee keer dat de wateren God zien. Daarmee onderstreept hij dat de wateren vijandige machten zijn die zich plotseling geconfronteerd zien met de almachtige God.

‘De wateren’ zijn ook een beeld van de volken (Js 17:12-1312Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
)
. Bij ‘de diepe wateren’ kunnen we denken aan demonische machten die de volken opzwepen in hun haat tegen Gods volk. Van de demonen lezen we, net als van de diepe wateren hier, dat ze ‘sidderen’ voor God (Jk 2:1919U gelooft dat God één is? Daar doet u goed aan; de demonen geloven dat ook en zij sidderen.). De satan en zijn demonen kunnen slechts over de elementen van de natuur beschikken voor zover God dat toestaat. We zien dat bij Job (Jb 1:12,1912De HEERE zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht van de HEERE.19En zie, een hevige stormwind kwam van over de woestijn en trof de vier hoeken van het huis, en het viel boven op de jonge mensen, zodat zij stierven; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.). Het opperbestuur berust altijd bij God (Mk 4:3939En wakker geworden bestrafte Hij de wind en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er ontstond een grote stilte.).

Na Zijn verschijning en het effect daarvan op de wateren volgt Zijn optreden (vers 18-1918De wolken goten water uit,
de hemel gaf geluid,
ook vlogen Uw pijlen overal heen.
19Het geluid van Uw donder [klonk] in het rond,
de bliksemflitsen verlichtten de wereld,
de aarde sidderde en beefde.
)
. Hij heerst over de wateren op aarde en in de wolken. De wolken laten op Zijn bevel het water los en gieten het uit op de aarde. Dat gaat gepaard met geluid uit de hemel ofwel met het geluid van Gods donder dat in het rond klinkt. Daarbij vliegen Gods pijlen, dat zijn de bliksemflitsen, “overal heen” en verlichten de wereld. Daaronder siddert en beeft de aarde. De hele schepping, wateren en aarde, beeft en siddert als God in majesteit ten gunste van Zijn volk verschijnt.

Na het imposante optreden van God is Zijn volk binnengebracht in de rust. De grote nood en beproevingen liggen achter hen. Nu kunnen ze omkijken en nadenken over de manier waarop God hen heeft bevrijd. Ze zeggen tegen Hem: “Uw weg was door de zee” (vers 2020Uw weg was door de zee,
Uw pad door grote wateren,
en Uw voetstappen werden niet bekend.
)
. Het is de weg die Gód is gegaan. Hij heeft die weg niet alleen voor hen uitgestippeld, maar Hij is hen door de Rode Zee heen voorgegaan. Zijn pad was ook “door grote wateren”. Ze zijn te midden van grote wateren van nood en verdrukking geweest. Ook daarin is Hij bij hen geweest (Js 43:2a2Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
)
.

De weg en het pad van God voor Zijn volk, voor ons, kunnen we niet van tevoren weten. Ook als we onderweg zijn, zien we Zijn voetstappen niet, ze worden niet bekend. Vaak begrijpen we Zijn weg niet. God verklaart ons niet altijd waarom we in moeilijkheden komen. Zoals er op de bodem van de zee geen voetafdrukken te zien zijn, zo zien we niet welke weg God met ons gaat. Maar we mogen gaan in vertrouwen dat Hij de weg wel kent en ziet en waar die weg uitkomt: bij Hem.

Op de weg neemt Hij ons bij de hand en leidt ons. Daaraan herinnert de psalmist ons in het laatste vers. De psalm eindigt met een terugblik op het wonderbare handelen van God met Israël vanaf de uittocht uit Egypte tot aan het einde van de woestijnreis (vers 2121U leidde Uw volk als een kudde
door de hand van Mozes en Aäron.
)
. Hij, Die toen Zijn volk als een kudde heeft geleid “door de hand van Mozes en Aäron” (vgl. Gn 48:1515En hij zegende Jozef en zei:
De God voor Wiens aangezicht mijn vaderen, Abraham en Izak, gewandeld hebben,
de God Die mij als herder geleid heeft, mijn [leven] lang tot op deze dag,
)
, zal dat in de toekomst weer doen. Het is een van die verbazingwekkende feiten dat Hij een miljoenenvolk veertig jaar lang door de woestijn heeft gedragen en verzorgd. Nooit heeft het volk iets ontbroken. Altijd is er water en voedsel geweest, ondanks alle ongeloof en falen van het volk. God is trouw gebleven.

Zowel Mozes als Aäron wordt hier voor de eerste keer in Psalmen genoemd. Mozes wordt hierna nog zeven keer en Aäron nog acht keer genoemd. “Mozes en Aäron” zijn samen een prachtig beeld van de Heer Jezus. Mozes is een beeld van de Heer Jezus als de Leraar van de gerechtigheid Die het Woord van God tot het volk heeft gesproken. Aäron is een beeld van de Heer Jezus als de Hogepriester Die medelijden heeft met de zwakheden van Zijn volk (Hb 4:12-1612Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.13En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.14Daar wij nu een grote Hogepriester hebben, Die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij de belijdenis vasthouden.15Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.16Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.). “De hand” van de Heer Jezus wijst erop dat Hij Zijn volk met Zijn hand bij de hand heeft genomen. Zo heeft Hij hen geleid en veilig door de woestijn heen geloodst.

De psalmist, en in hem het overblijfsel, is van de wanhoop die hem heeft beheerst in het begin van de psalm, tot hoop gekomen. In de psalm heeft hij beschreven door welke gevoelens hij is heengegaan om zover te komen. Zo mogen ook wij onze nood en hopeloosheid en onze waaromvragen aan God vertellen. Aan wie kunnen we ze beter vertellen dan aan Hem? Dan zullen we ervaren dat Hij Zelf het antwoord op die vragen is en tot rust komen in Zijn trouw en liefde.


Lees verder