Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2 Lofprijzing 3-4 De Messias oordeelt billijk 5-9 Waarschuwing 10-11 De Messias eert God
Inleiding

Psalm 75 is het antwoord op Psalm 74. Tegenover de hevige tegenstand van de goddelozen kijkt het Godvrezende overblijfsel omhoog naar God. Wat in Psalm 74 is gebeden, dat God moet opstaan om Zijn rechtszaak te voeren (Ps 74:2222Sta op, o God, voer Uw rechtszaak,
denk aan de smaad [die] dwazen U de hele dag [aandoen].
)
, gebeurt in Psalm 75. God staat op als Rechter (vers 88maar God is Rechter:
Hij vernedert de een en verhoogt de ander.
)
.


Opschrift

1Voor de koorleider, [op] ‘Richt niet te gronde’; een psalm van Asaf, een lied.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. Voor “[op] ‘Richt niet te gronde’” zie bij Psalm 57:1. Voor “een psalm van Asaf” zie bij Psalm 50:1. Deze psalm is ook “een lied”, wat wil zeggen dat het een loflied is.


Lofprijzing

2Wij loven U, o God, wij loven [U];
Uw Naam is nabij;
men vertelt Uw wonderen.

Het overblijfsel barst uit in een lofprijzing vanwege wat God zal gaan doen. De herhaling “wij loven U” beklemtoont de lofprijzing. God is het voorwerp ervan. De aanleiding is dat Gods Naam “nabij” is. Dit wil zeggen dat het ogenblik nabij is dat Hij ten gunste van de Zijnen zal optreden en Zijn Naam op heel de aarde zal bekendmaken. Het houdt ook in dat God nabij is in hun gedachten. Hij is niet meer de afwezige God zoals ze Hem in de vorige psalm hebben ervaren.

De wonderen van God die worden verteld, zijn die van Zijn schepping en Zijn verlossing van Zijn volk. Ze hebben gehoord van Zijn wonderen, daarover is aan hen verteld. Daardoor zijn ze herinnerd aan de geschiedenis van de verlossing. Dat bemoedigt hen met het oog op de aanstaande verlossing uit de ellende waarin ze zijn.


De Messias oordeelt billijk

3Wanneer ik ontvangen heb wat [voor mij] bestemd is,
zal ík billijk oordelen.
4Het land en al zijn bewoners smolten weg,
[maar] ík heb zijn pilaren vastgezet. /Sela/

Dan spreekt de Messias (vers 33Wanneer ik ontvangen heb wat [voor mij] bestemd is,
zal ík billijk oordelen.
)
. Hij, en niemand anders, zal “billijk oordelen”, wanneer Hij heeft ontvangen wat voor Hem is bestemd. God heeft de hemel en de aarde voor Hem bestemd om daarover te regeren. Op het door Hem bepaalde tijdstip zal Hij Hem de regering in handen geven (Mk 13:3232Van die dag of dat uur echter weet niemand, ook de engelen in [de] hemel niet, ook de Zoon niet, behalve de Vader.).

Als God Hem de regering in handen heeft gegeven, zal Hij Zijn regering beginnen met het oordelen van het kwaad (Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.). Zijn oordeel zal “billijk” zijn, het zal volstrekt rechtvaardig overeenkomstig het bedreven kwaad worden uitgevoerd.

Als Hij Zijn regering aanvaardt, zullen daardoor “het land [of: de aarde] en al zijn bewoners” wegsmelten (vers 44Het land en al zijn bewoners smolten weg,
[maar] ík heb zijn pilaren vastgezet. /Sela/
)
. Alle menselijke regeringen blijken geen fundament te hebben omdat ze volgens verdorven principes hebben geregeerd. Door Zijn rechtvaardige oordelen zullen zij zich daarvan bewust worden. Daardoor smelt al hun kracht weg. Wat Hij daarvoor in de plaats brengt, is stabiliteit. Hij zet de pilaren van Zijn regering onaantastbaar en onwankelbaar vast.


Waarschuwing

5Ik heb gezegd tegen de dwazen: Doe niet [zo] dwaas,
en tegen de goddelozen: Hef [uw] hoorn niet op.
6Hef uw hoorn niet naar omhoog,
spreek [niet] met hooghartig [uitgestoken] hals.
7Want niet uit het oosten of uit het westen
of uit de woestijn [komt] het verhogen,
8maar God is Rechter:
Hij vernedert de een en verhoogt de ander.
9Want in de hand van de HEERE is een beker.
[Daarin] schuimt de wijn, overvloedig gekruid.
Hij schenkt eruit; zelfs zijn droesem
moeten alle goddelozen van de aarde tot op de bodem opdrinken.

Tegen de achtergrond van Zijn aanstaande regering volgen waarschuwingen aan het adres van de dwazen en de goddelozen (vers 55Ik heb gezegd tegen de dwazen: Doe niet [zo] dwaas,
en tegen de goddelozen: Hef [uw] hoorn niet op.
)
. Het is als het ware een laatste oproep om zich te bezinnen op hun dwaasheid en geloof in eigen kracht. De dwazen krijgen het advies niet zo dwaas te doen. Tegen de goddelozen zegt Hij dat ze hun hoorn, het symbool van kracht, niet moeten opheffen.

Laat ze hun hoorn toch niet naar omhoog, dat wil zeggen naar God, heffen (vers 66Hef uw hoorn niet naar omhoog,
spreek [niet] met hooghartig [uitgestoken] hals.
)
. Het is opperste dwaasheid om met God om de macht te strijden. Ze zullen er ook goed aan doen om “[niet] met hooghartig [uitgestoken] hals” te spreken. Ze rekken hun hals uit, waardoor ze boven anderen uitsteken en hooghartig, trots, verwaand en zelfverzekerd, op hen neerkijken.

Ze moeten bedenken dat “het verhogen” niet van een of andere plek op aarde komt (vers 77Want niet uit het oosten of uit het westen
of uit de woestijn [komt] het verhogen,
)
. Het komt “niet uit het oosten of uit het westen of uit de woestijn”. ‘De woestijn’ is het zuiden. Het noorden wordt niet genoemd. Mogelijk wordt die richting niet genoemd omdat uit die richting de oordelen komen die vernedering en niet verhoging betekenen.

In elk geval komt verhoging niet van een instantie of een mens op aarde, maar van God, want “God is Rechter” (vers 88maar God is Rechter:
Hij vernedert de een en verhoogt de ander.
)
. Zowel vernedering als verhoging komt van Hem en gebeurt op grond van een rechterlijke uitspraak van Hem. “Hij vernedert de een” omdat Hij als Rechter daartoe beslist. Op grond van diezelfde hoedanigheid als Rechter “verhoogt” Hij “de ander”. Hij handelt naar recht, niet naar voorkeur of in willekeur.

Mensen die zichzelf verhogen, vernedert Hij (Lk 14:1111Want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd; en die zichzelf vernedert, zal worden verhoogd.; 18:14b14Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling met de ander; want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd, maar wie zichzelf vernedert, zal worden verhoogd.). Dat zullen de goddeloze aanmatigers ervaren. “In de hand van de HEERE is een beker” die gevuld is met het oordeel van de Rechter (vers 99Want in de hand van de HEERE is een beker.
[Daarin] schuimt de wijn, overvloedig gekruid.
Hij schenkt eruit; zelfs zijn droesem
moeten alle goddelozen van de aarde tot op de bodem opdrinken.
)
. De wijn van het oordeel “schuimt” en is “overvloedig gekruid”. Dit wijst op de onstuimigheid en scherpte van het oordeel (vgl. Op 14:1010die zal ook drinken van de wijn van Gods grimmigheid, die ongemengd is ingeschonken in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van [de] heilige engelen en het Lam.; 16:1919En de grote stad werd tot drie delen en de steden van de naties vielen. En het grote Babylon werd voor God in herinnering gebracht om haar de drinkbeker van de wijn van de grimmigheid van Zijn toorn te geven.).

God schenkt uit de beker. Hij schenkt hem helemaal leeg. “Alle goddelozen van de aarde” moeten hem ”tot op de bodem opdrinken” (vgl. Js 51:1717Ontwaak, ontwaak,
sta op, Jeruzalem!
U die uit de hand van de HEERE gedronken hebt
de beker van Zijn grimmigheid;
de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.
; Jr 25:1515Want zo heeft de HEERE, de God van Israël, tegen mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de grimmigheid uit Mijn hand, en geef die te drinken aan al de volken tot wie Ik u zend,)
. In de beker zit niets anders dan de toorn van God over het zondige leven van de goddeloze. Elke slok uit deze beker is volkomen verdiend. Daarom moet hij hem tot de laatste druppel leegdrinken, er blijft geen restje in de beker achter.

Als het tijdstip om te oordelen is gekomen, is er geen ontkomen meer aan. Er is ook geen verzachting mogelijk. De oordelen komen niets sparend en volledig over alle goddelozen. Niemand van de goddelozen ontkomt eraan. “Vreselijk is het te vallen in [de] handen van [de] levende God” (Hb 10:3131Vreselijk is het te vallen in [de] handen van [de] levende God!).


De Messias eert God

10Maar ík zal het voor eeuwig verkondigen,
ik zal voor de God van Jakob psalmen zingen.
11Ik zal alle hoorns van de goddelozen afhakken,
de hoorns van de rechtvaardige worden omhooggeheven.

Het eindresultaat wordt door de Messias bezongen (vers 1010Maar ík zal het voor eeuwig verkondigen,
ik zal voor de God van Jakob psalmen zingen.
)
. Er is geen twijfel aan. Hij zal wat God heeft gedaan in het oordeel over de goddelozen en de bevrijding van Zijn volk voor eeuwig verkondigen. Ook zal Hij “voor de God van Jakob psalmen zingen”. God is de God van Jakob. Dit wijst op de verbinding tussen de machtige God en de zwakke Jakob. God maakt al Zijn beloften waar aan een volk dat zich zo vaak als Jakob heeft gedragen door eigen wegen te gaan. Daarom is de God van Jakob de God van de uitverkiezing en de God van de genade.

De goddelozen hebben zich voortdurend op hun eigen kracht – de hoorns zijn een symbool van kracht – beroemd (vers 1111Ik zal alle hoorns van de goddelozen afhakken,
de hoorns van de rechtvaardige worden omhooggeheven.
; vgl. Op 17:1212En de tien horens die u hebt gezien, zijn tien koningen, die nog geen koninkrijk ontvangen hebben, maar één uur gezag als koningen ontvangen met het beest.)
. De Messias zal hun hoorns “afhakken”. Hij zal hun kracht verbreken. Daartegenover staat wat met de hoorns van de rechtvaardigen gebeurt: die “worden omhooggeheven”. De kracht van de rechtvaardigen is geen eigen kracht, maar zij ontlenen hun kracht aan de sterke God. Hij is hun kracht. Zij heffen hun hoorns als een hefoffer op om dit aan God aan te bieden. Daarmee geven ze aan dat ze hun kracht alleen aan Hem te danken hebben.


Lees verder