Psalmen
Inleiding 1 God is goed voor Israël 2-12 Jaloers op de goddelozen 13-22 In Gods heiligdom 23-28 Dicht bij God zijn
Inleiding

Met Psalm 73 begint het derde boek van Psalmen, dat Psalmen 73-89 bevat. In dit derde boek gaat vooral over de geschiedenis van Israël als volk en niet zozeer van de ervaringen van het gelovig overblijfsel en Christus in verbinding met hen. We vinden er slechts één psalm van David in (Psalm 86). Psalmen 73-83 zijn van Asaf, Psalmen 84-85 en 87-88 zijn van de zonen van Korach en Psalm 89 is van Ethan.


God is goed voor Israël

1Een psalm van Asaf.
Ja, God is goed voor Israël,
voor hen die zuiver van hart zijn.

Dit is “een psalm van Asaf” (vers 1a1Een psalm van Asaf.
Ja, God is goed voor Israël,
voor hen die zuiver van hart zijn.
)
. Het is de eerste psalm in een rij van elf psalmen die hij heeft gedicht (Ps 73-83). Zie verder voor “van Asaf” bij Psalm 50:1, waar zijn naam voor de eerste keer in het opschrift van een psalm wordt genoemd.

Asaf beschrijft in deze psalm zijn worstelingen met de vraag hoe God de goddelozen in voorspoed kan laten leven, terwijl de Godvrezenden met tegenspoed te kampen hebben. Maar in dit eerste vertelt hij direct al de conclusie waartoe hij, na zijn worstelingen, is gekomen. Met een krachtig “ja” spreekt hij de zekerheid uit dat God “goed voor Israël” is (vers 1b1Een psalm van Asaf.
Ja, God is goed voor Israël,
voor hen die zuiver van hart zijn.
)
.

Daaraan voegt hij wel toe dat dit geldt “voor hen” in Israël “die zuiver van hart zijn”. Dit is het ware Israël, het Israël van God. Zuiver of rein van hart zijn zij die opnieuw geboren zijn. Zij hebben een door het geloof gereinigd hart (Hd 15:8-98En God, Die de harten kent, heeft getuigenis gegeven door aan hen de Heilige Geest te geven evenals ook aan ons;9en Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, daar Hij door het geloof hun harten heeft gereinigd.; vgl. Ps 24:44Wie rein is van handen en zuiver van hart,
wie zijn ziel niet opheft tot wat vals is, en niet bedrieglijk zweert.
; Mt 5:88Gelukkig de reinen van hart, want zij zullen God zien.)
en leven gescheiden van het kwaad. Zij zijn Israëlieten als Nathanaël, van wie de Heer Jezus met Zijn volmaakte kennis van het menselijk hart zegt: “Zie, waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is” (Jh 1:4848Jezus zag Nathanaël naar Zich toe komen en zei van hem: Zie, waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is.). Dit wil niet zeggen dat Nathanaël zondeloos is, maar dat hij oprecht is.

De goedheid van God voor Israël komt tot uiting in Zijn zorg voor hen. Hij geeft alles wat ze nodig hebben aan eten en drinken, aan vruchtbare velden, aan vrede in de huizen en aan bescherming tegen hun vijanden. Zij mogen Hem dienen en Hij zegent hen. Hij woont in hun midden. Hij geeft hen niet op als zij Hem ontrouw worden, maar tuchtigt hen om hen bij Zich terug te brengen.


Jaloers op de goddelozen

2Maar wat mij betreft, mijn voeten waren bijna uitgegleden,
mijn schreden waren haast uitgeschoten,
3want ik was jaloers op de dwazen,
toen ik de vrede van de goddelozen zag.
4Tot aan hun dood zijn er immers geen boeien,
en hun kracht is fris.
5Zij verkeren niet in moeiten, [zoals andere] stervelingen,
en worden niet gekweld met [andere] mensen.
6Daarom hangt de hoogmoed hun als een ketting [om de nek],
het geweld bedekt hen [als] een mantel.
7Hun ogen puilen uit van vet,
zij hebben de inbeeldingen van [hun] hart overtroffen.
8Zij spotten en spreken boosaardig van onderdrukking,
zij spreken uit de hoogte.
9Zij zetten hun mond op tegen de hemel,
hun tong wandelt [honend] rond op de aarde.
10Daarom kan [Gods] volk ertoe komen,
wanneer er een volle [beker] water voor hen uitgeperst wordt,
11dat zij zeggen: Hoe kan God het weten?
Zou de Allerhoogste er weet van hebben?
12Zie, dezen zijn goddeloos,
toch hebben zij in de wereld rust [en] vermeerderen [hun] vermogen.

Asaf gaat vertellen over een tijd in zijn leven dat hij heeft getwijfeld aan de zekerheid van wat hij in vers 1b1Een psalm van Asaf.
Ja, God is goed voor Israël,
voor hen die zuiver van hart zijn.
heeft gezegd. Hij kent God en Zijn regering, maar als hij om zich heen kijkt, lijkt het alsof Hij er niet is. Gods goedheid ziet hij niet voor de reinen van hart in Israël, waarvan hij er een is. Hij ziet integendeel goedheid voor de goddelozen, terwijl er voor hem, een reine van hart, slechts tegenspoed is.

Die waarneming heeft ervoor gezorgd, zo geeft hij eerlijk toe, dat zijn voeten “bijna uitgegleden” zijn op de weg van het geloof (vers 22Maar wat mij betreft, mijn voeten waren bijna uitgegleden,
mijn schreden waren haast uitgeschoten,
)
. Hij is bijna in zijn geloof onderuitgegaan. Zijn “schreden waren haast uitgeschoten” omdat hij geen vaste grond meer onder de voeten had. Hij had geen basis meer voor zijn geloof. Alles waar hij vast in geloofde, wankelde niet alleen, maar stond op het punt van verdwijnen.

In de verzen 3-123want ik was jaloers op de dwazen,
toen ik de vrede van de goddelozen zag.
4Tot aan hun dood zijn er immers geen boeien,
en hun kracht is fris.
5Zij verkeren niet in moeiten, [zoals andere] stervelingen,
en worden niet gekweld met [andere] mensen.
6Daarom hangt de hoogmoed hun als een ketting [om de nek],
het geweld bedekt hen [als] een mantel.
7Hun ogen puilen uit van vet,
zij hebben de inbeeldingen van [hun] hart overtroffen.
8Zij spotten en spreken boosaardig van onderdrukking,
zij spreken uit de hoogte.
9Zij zetten hun mond op tegen de hemel,
hun tong wandelt [honend] rond op de aarde.
10Daarom kan [Gods] volk ertoe komen,
wanneer er een volle [beker] water voor hen uitgeperst wordt,
11dat zij zeggen: Hoe kan God het weten?
Zou de Allerhoogste er weet van hebben?
12Zie, dezen zijn goddeloos,
toch hebben zij in de wereld rust [en] vermeerderen [hun] vermogen.
vertelt hij uitvoerig over de oorzaak van zijn ‘bijna-valpartij’. Hij biecht op dat hij in die tijd “jaloers op de dwazen was” (vers 33want ik was jaloers op de dwazen,
toen ik de vrede van de goddelozen zag.
)
. Hij heeft naar hen gekeken en “de vrede van de goddelozen” gezien. Het is duidelijk dat hij tot inkeer is gekomen, want hij noemt de mensen die hij beschrijft “dwazen” en “goddelozen”. Hij is in zijn jaloersheid op hen blind geweest voor hun ware karakter. De goddelozen, zo heeft hij gedacht, zijn toch maar goed af. Ze hebben geld genoeg, veel plezier en ze leven in vrede. Wat een aantrekkelijk leven is dat toch. Dat wil ik ook wel.

De goddelozen gaan tot aan hun dood ongehinderd hun gang (vers 44Tot aan hun dood zijn er immers geen boeien,
en hun kracht is fris.
)
. Er zijn “geen boeien”, wat wil zeggen dat er niets is wat hun enige beperking oplegt. Uit niets blijkt het ongenoegen van God over hun leven en ook niet als ze de wereld verlaten. Ze leven in voorspoed en sterven in vrede. Er is niemand die hen een strobreed in de weg legt. Lichamelijk kennen ze geen problemen. Ze zijn zo gezond als een vis. “Hun kracht is fris”, want ze worden elke morgen uitgerust wakker. Ze worden niet geplaagd door nare dromen of slapeloosheid (vgl. Jb 7:13-1413Als ik zeg: Mijn rustbank zal mij troost bieden,
mijn slaapplaats zal [wat] van mijn klacht wegnemen,
14dan ontstelt U mij door dromen,
en door visioenen jaagt U mij angst aan.
)
.

Veel mensen verkeren in moeiten, vanwege bijvoorbeeld financiële zorgen, maar zij niet (vers 55Zij verkeren niet in moeiten, [zoals andere] stervelingen,
en worden niet gekweld met [andere] mensen.
)
. Die moeiten gaan blijkbaar aan hen voorbij. Ze leven een uitermate gemakkelijk leven. Komt er plotseling iets onaangenaams in hun leven, dan zijn ze goed verzekerd of ze kopen het af. Geld biedt immers schaduw, dat wil zeggen bescherming, tegen het onheil (Pr 7:1212Immers, wijsheid [biedt] schaduw en geld [biedt] schaduw.
Het voordeel van kennis is echter dat wijsheid haar bezitters het leven geeft.
)
.

Ze worden ook niet gekweld door hun geweten. Bij andere mensen spreekt het geweten als ze iets kwaads hebben gedaan. Als ze dat niet belijden, kwelt hun geweten hen. Daar hebben deze goddelozen geen last van, want zij hebben hun geweten dichtgeschroeid, het spreekt niet meer.

Het is dan ook geen wonder, “daarom”, dat “de hoogmoed hun als een ketting [om de nek]” hangt (vers 66Daarom hangt de hoogmoed hun als een ketting [om de nek],
het geweld bedekt hen [als] een mantel.
)
. Ze zien hun manier van leven als een sieraad. De arrogantie druipt ervan af. Wie hoogmoedig is, is hard, meedogenloos. “Het geweld” dat ze gebruiken, hoort bij hen, het “bedekt hen [als] een mantel”. Hun pronkerige gedrag en hun gewelddadige handelwijze laten zien hoe ingenomen ze met zichzelf zijn. Elk medegevoel met iemand anders ontbreekt.

Hun ogen zitten bijna dicht vanwege hun pafferige, door vet opgezwollen gezicht (vers 77Hun ogen puilen uit van vet,
zij hebben de inbeeldingen van [hun] hart overtroffen.
)
. Door het kleine spleetje zie je nog iets van hun ogen. Daarin staat de vraatzucht te lezen. Het is aan hun vette lichaam te zien. Ze hebben zich heel wat van hun luie, vadsige leventje voorgesteld, maar wat ze beleven gaat hun stoutste verwachtingen te boven (vgl. Jr 5:2828vet [en] vadsig.
Zelfs overtreffen zij de slechtste dingen:
geen rechtszaak behartigen zij,
[zelfs niet] de rechtszaak van een wees, en [toch] hebben ze voorspoed,
het recht van de armen laten zij niet gelden.
)
.

Voor hun naasten hebben ze geen goed woord over (vers 88Zij spotten en spreken boosaardig van onderdrukking,
zij spreken uit de hoogte.
)
. Ze spotten met al die stakkers die op een eerlijke manier proberen wat van hun leven te maken. Over zulke mensen spreken ze “boosaardig van onderdrukking”. Ze kunnen hen gemakkelijk uitbuiten om een nog luxer leven te leiden en nog vetter te worden. Verwaten kijken zij vanuit de hoogte op hen neer.

Goddelozen spreken uit de hoogte, wat erop wijst dat zij zich verbeelden God te zijn. Daarom moet natuurlijk ook de hemel het ontgelden (vers 99Zij zetten hun mond op tegen de hemel,
hun tong wandelt [honend] rond op de aarde.
)
. Daar woont God. Ze dulden Hem niet boven zich en niet naast zich. Ze zetten een grote mond tegen Hem op (vgl. Op 13:66En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.).

Waar ze ook op aarde zijn, hun tong wandelt er honend rond. Ze zien de aarde als hun onbegrensde bezit. Dat laten ze met honende taal voor hun naasten en met lasterlijke taal naar God ook duidelijk horen. Ze claimen totale vrijheid van meningsuiting, waarbij iedereen en alles het moet ontgelden (Ps 12:55Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben!
Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?
)
.

Hun leven zonder daarbij enige betrokkenheid van God te veronderstellen zet het volk van God op het verkeerde been (vers 1010Daarom kan [Gods] volk ertoe komen,
wanneer er een volle [beker] water voor hen uitgeperst wordt,
)
. Het volk drinkt de kwalijke levensstijl met volle teugen in. Hun verkwikking is niet het water van Gods Woord, maar wat goddelozen doen en leren. Een dergelijk leven willen ze wel. Dan haal je uit het leven wat erin zit, al is het nog zo walgelijk. Je perst het eruit.

Het brengt hen ertoe te zeggen: “Hoe kan God het weten?” (vers 1111dat zij zeggen: Hoe kan God het weten?
Zou de Allerhoogste er weet van hebben?
)
. God reageert nergens op. Dan moet Hij gewoon niet weten wat er op aarde gebeurt. Hij kan wel “de Allerhoogste” genoemd worden, maar het is zeer te betwijfelen of Hij kennis heeft van wat de goddelozen allemaal uitspoken.

Kijk maar naar die goddelozen (vers 1212Zie, dezen zijn goddeloos,
toch hebben zij in de wereld rust [en] vermeerderen [hun] vermogen.
)
. Ze leven het leven totaal naar eigen goeddunken, zonder rekening te houden met God. “Toch hebben zij in de wereld rust [en] vermeerderen [hun] vermogen.” Asaf komt hier tot een soort conclusie van het leven van de goddelozen. Zo ziet het eruit: rust in de wereld en vermeerdering van hun vermogen. Wat wil je nog meer. Het lijkt wel op het vrederijk.


In Gods heiligdom

13Ja, voor niets heb ik mijn hart gezuiverd
en mijn handen in onschuld gewassen.
14Want de hele dag word ik gekweld
en mijn bestraffing is er elke morgen.
15Als ik zou zeggen: Ik zal ook zo spreken,
zie, ik zou ontrouw zijn aan al Uw kinderen.
16Toch heb ik nagedacht om dit te kunnen begrijpen,
[maar] het was moeite in mijn ogen,
17totdat ik Gods heiligdom binnenging
[en] op hun einde lette.
18Ja, U zet hen op gladde plaatsen,
U doet hen in verwoesting vallen.
19Hoe worden zij in een ogenblik tot een verwoesting!
Zij worden weggevaagd, komen om door verschrikkingen.
20Zoals een droom [vervaagt] bij het ontwaken,
zult U, Heere, als [U] wakker wordt, hun beeld verachten.
21Toen mijn hart verbitterd was
en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
22hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets!
Ik was een redeloos dier bij U.

In het licht van de voorspoed van de goddelozen ziet Asaf al zijn inspanningen om God welgevallig te leven als zinloos. God is goed voor hen die zuiver van hart zijn, heeft hij in het begin gezegd (vers 1b1Een psalm van Asaf.
Ja, God is goed voor Israël,
voor hen die zuiver van hart zijn.
)
. Nou, hij heeft zijn hart gezuiverd (vers 1313Ja, voor niets heb ik mijn hart gezuiverd
en mijn handen in onschuld gewassen.
)
, maar van die goedheid heeft hij niets gemerkt.

In zijn vertwijfeling spreekt hij met een krachtig “ja” uit dat het helemaal geen zin heeft gehad om zijn hart te zuiveren omdat hij in gemeenschap met God wilde leven. Het lijkt veel beter om maar te doen wat je hart je ingeeft en te genieten van het leven. Zijn handen in onschuld wassen is ook voor niets (vgl. Ps 26:66Ik was mijn handen in onschuld;
ik ga rondom Uw altaar, HEERE,
)
. Het levert ook geen voordeel op bij God als je niet meedoet aan kwade praktijken.

Kijk maar naar zijn leven. Het is de hele dag kommer en kwel (vers 1414Want de hele dag word ik gekweld
en mijn bestraffing is er elke morgen.
)
. Dat begint ’s morgens al als hij wakker wordt. Elke morgen is daar Gods bestraffing. Hij kan dat niet zien als Zijn liefdevolle zorg voor hem, om hem dicht bij zich te houden en hem voor afdwalingen te bewaren. Hij kan zich er niet over verheugen dat hij in velerlei verzoeking valt (Jk 1:22Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt,).

Het is wel eens bij hem opgekomen net zo te spreken als de goddelozen en te doen alsof God er niet is (vers 1515Als ik zou zeggen: Ik zal ook zo spreken,
zie, ik zou ontrouw zijn aan al Uw kinderen.
).
Je ontkomt dan aan kwelling en kunt van het leven genieten. Maar die gedachte gaat hem toch te ver. Hij richt zich direct tot God om tegen Hem te zeggen dat hij niet ontrouw wil zijn aan Zijn kinderen. Als hij zo zou gaan spreken als de goddelozen, zou dat voor het gezelschap van de Godvrezenden schokkend zijn.

Hij schrikt ervoor terug een struikelblok te worden voor zijn medegelovigen door over te lopen naar het vijandelijke kamp. Het bewijst zijn liefde voor hen. We zien hier een bijzonder kenmerk van het nieuwe leven. Het nieuwe leven heeft God lief én het heeft de kinderen van God lief. Wie zegt dat hij God liefheeft, terwijl er geen liefde is voor de kinderen van God, is een leugenaar (1Jh 4:2020Als iemand zegt: Ik heb God lief, en hij haat zijn broeder, dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder niet liefheeft die hij gezien heeft, kan God niet liefhebben Die hij niet gezien heeft.).

Maar het probleem is er nog wel. Hij heeft erover “nagedacht om dit te kunnen begrijpen” (vers 1616Toch heb ik nagedacht om dit te kunnen begrijpen,
[maar] het was moeite in mijn ogen,
)
. Hij heeft zijn hersens erover gepijnigd, “maar het was moeite” in zijn ogen. Hij is er niet uitgekomen omdat hij het probleem in het licht van zijn eigen verstand heeft bekeken. Maar nooit heeft het menselijk denken dit mysterie van de voorspoed van de goddelozen en de tegenslagen van de rechtvaardigen kunnen oplossen.

Dan komt er een “totdat” (vers 1717totdat ik Gods heiligdom binnenging
[en] op hun einde lette.
)
. Ineens wordt alles helder voor hem. Dat is gebeurd toen hij “Gods heiligdom binnenging [en] op hun einde lette”. Dat heeft zijn kijk op de goddelozen radicaal veranderd. Om de waarde van iets of iemands leven te kunnen bepalen moeten we op het einde letten (Dt 32:20,28-2920Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen;
Ik zal zien wat hun einde is,
want zij zijn een totaal verdorven generatie,
kinderen in wie geen [enkele] trouw is.
28Want zij zijn een volk dat door raadgevingen verloren gaat,
er is geen inzicht bij hen.
29Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit opmerken.
Zij zouden op hun einde letten.
)
.

Vluchten in het heiligdom is niet vluchten voor de werkelijkheid, maar in de werkelijkheid. De enige plaats waar we leren het leven op aarde in het juiste perspectief te zien, is in het heiligdom, dat wil zeggen in Gods tegenwoordigheid. In het licht van het heiligdom leren we de wil van God kennen en onderwerpen we onze wil aan die van Hem. We leren daar het geduld van God met het kwaad kennen, terwijl duidelijk wordt dat Hij het kwaad op Zijn tijd zal oordelen.

Met zekerheid, “ja”, kan dan gezegd worden dat Hij de goddelozen “op gladde plaatsen” zet (vers 1818Ja, U zet hen op gladde plaatsen,
U doet hen in verwoesting vallen.
)
. Ze komen aan hun einde, niet door een natuurlijke dood, maar door een handeling van God. De weg die zij bewandelen en die hij bijna met hen is gaan bewandelen, is glibberig. Hun voeten zullen uitglijden met als gevolg dat zij ”in verwoesting vallen”. Dit gebeurt “in een ogenblik” (vers 1919Hoe worden zij in een ogenblik tot een verwoesting!
Zij worden weggevaagd, komen om door verschrikkingen.
)
. Plotseling zijn ze er niet meer, “zij worden weggevaagd, komen om door verschrikkingen”.

De snelheid waarmee ze worden weggevaagd, lijkt op wat met een droom gebeurt als iemand wakker wordt (vers 2020Zoals een droom [vervaagt] bij het ontwaken,
zult U, Heere, als [U] wakker wordt, hun beeld verachten.
)
. Er is nog wel een herinnering aan de droom, maar de droom zelf is na het ontwaken abrupt voorbij. De voorspoed van het leven van de goddelozen is een droom. De realiteit van het einde van het leven dient zich aan.

Die realiteit is dat zij worden geconfronteerd met de “Heere”, Adonai. Hij, de soevereine Heerser, is wakker geworden, dat wil zeggen dat Hij de tijd gekomen acht om met hen te handelen. Dan zullen zij tot hun ontsteltenis merken dat Hij het beeld dat ze van zichzelf hebben gegeven en waar mensen van onder de indruk zijn gekomen, niet acht, maar veracht (vgl. Dn 12:2b2En velen van hen die slapen
in het stof van de aarde, zullen ontwaken,
sommigen tot eeuwig leven,
anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.
)
. Hun beeld is een schijnvertoning geweest.

Asaf komt door wat hij in het heiligdom heeft gezien van het einde van de goddelozen tot zichzelf en tot inkeer. Hij erkent dat zijn hart verbitterd was op God toen hij de voorspoed van de goddelozen zag (vers 2121Toen mijn hart verbitterd was
en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
)
. Daardoor is hij ertoe gekomen God van onrecht te beschuldigen.

God was, in zijn ogen, oneerlijk dat zij ongestoord hun gang konden gaan, terwijl hij zijn best deed om God welgevallig te zijn en daarvoor gestraft werd. Zijn nieren werden in hem geprikkeld omdat hij een dergelijk leven zinloos vond. Hart en nieren zijn het diepste innerlijk van de mens. In dat diepste binnenste, waar alleen God bij kan, heeft hij bitterheid en stekende ergernis gevoeld. Daarom belijdt hij dit voor God.

Nu hij terugkijkt, ziet hij hoe onverstandig hij toen was (vers 2222hoe onverstandig was ik toen, ik wist niets!
Ik was een redeloos dier bij U.
)
. Hij zegt eerlijk: “Ik wist niets.” En ten opzichte van God vergelijkt hij zichzelf met “een redeloos dier”. Hij is in het heiligdom, “bij U”, alle eigendunk kwijtgeraakt. Het is hem vergaan als Job die ook met deze vraag heeft geworsteld en God ook van onrecht heeft beschuldigd. Als Job ten slotte voor God komt te staan, zegt hij, diep overtuigd van zijn aanmatiging om God te beoordelen in Zijn wegen: “Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond” (Jb 39:36-3736Toen antwoordde Job de HEERE en zei:
37Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden?
Ik leg mijn hand op mijn mond.
; vgl. Sp 30:2-32Voorzeker, ik ben onverstandiger dan iemand [anders],3Ik heb geen wijsheid geleerd)
.


Dicht bij God zijn

23Ik zal echter voortdurend bij U zijn,
U hebt mijn rechterhand gegrepen.
24U zult mij leiden door Uw raad,
daarna zult U mij [in] heerlijkheid opnemen.
25Wie heb ik [behalve U] in de hemel?
Naast U vind ik nergens vreugde in op de aarde.
26Bezwijkt mijn lichaam en mijn hart,
dan is God de rots van mijn hart
en voor eeuwig mijn deel.
27Want zie, wie zich ver van U houden, zullen omkomen;
U verdelgt allen die als in hoererij U verlaten.
28Maar wat mij betreft, het is voor mij goed dicht bij God te zijn.
Ik neem mijn toevlucht tot de Heere HEERE,
om al Uw werken te vertellen.

Het einde van Asaf en van iedere Godvrezende staat in het grootst mogelijke contrast met dat van de goddelozen. Asaf kan vol vertrouwen tegen God zeggen: “Ik zal echter voortdurend bij U zijn” (vers 2323Ik zal echter voortdurend bij U zijn,
U hebt mijn rechterhand gegrepen.
).
Hij zal altijd bij God zijn omdat God zijn rechterhand heeft gegrepen. Dit wijst op een stevige greep, een greep die niet zal verslappen. God heeft ook onze hand stevig gegrepen en zal ons nooit loslaten (vgl. Jh 10:28-3028En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit Mijn hand.29Mijn Vader Die [ze] Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan [ze] rukken uit de hand van Mijn Vader.30Ik en de Vader zijn één.). Zo gaat Hij met ons op weg naar Zijn einddoel.

Onderweg naar het door Hem bepaalde doel van zegen leidt Hij de gelovige door Zijn raad, zodat hij in de duisternis die hem kan omgeven, de juiste weg volgt (vers 2424U zult mij leiden door Uw raad,
daarna zult U mij [in] heerlijkheid opnemen.
)
. Zo zal hij de zegen van het vrederijk binnengaan. Het einddoel is dat God de gelovige in het vrederijk, nadat Zijn heerlijkheid daarin is neergedaald in de nieuwe tempel, aanneemt en laat delen in de beloofde zegen.

Als dit eenmaal helder voor de aandacht staat, zegt Asaf, en zegt de gelovige, dat hij niemand behalve God in de hemel heeft (vers 2525Wie heb ik [behalve U] in de hemel?
Naast U vind ik nergens vreugde in op de aarde.
)
. En als God genoeg is in de hemel, is er dan ergens op aarde naast Hem iets waar de gelovige vreugde in kan vinden? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Zijn lichaam en zijn hart kunnen bezwijken door alle beproevingen in het leven, maar God niet (vers 2626Bezwijkt mijn lichaam en mijn hart,
dan is God de rots van mijn hart
en voor eeuwig mijn deel.
)
. Hoe hij zelf ook verzwakt, hoe zijn aardse tent ook wordt afgebroken, God is de rots van zijn hart. Zijn hart bouwt op Hem. God is ook voor eeuwig zijn deel. Nooit zal hij Hem kwijtraken. Hij is onlosmakelijk voor eeuwig aan Hem verbonden.

Wie niet dicht bij God zijn, wie geen behoefte hebben aan Zijn tegenwoordigheid, maar zich ver van Hem houden, “zullen omkomen” (vers 2727Want zie, wie zich ver van U houden, zullen omkomen;
U verdelgt allen die als in hoererij U verlaten.
)
. Zulke mensen kiezen er bewust voor Hem te “verlaten”. Dit komt neer op “hoererij”. Zij verbreken de wettige verbinding met Hem en verbinden zich met de afgoden (Jr 5:77Hoe zou Ik u dit vergeven?
Uw kinderen hebben Mij verlaten
en zweren bij wat geen goden zijn.
Als Ik hun overvloed geef, plegen zij overspel,
en in het hoerenhuis drommen zij samen.
)
. God zal hen verdelgen vanwege hun afvalligheid.

De keus van Asaf is totaal anders (vers 2828Maar wat mij betreft, het is voor mij goed dicht bij God te zijn.
Ik neem mijn toevlucht tot de Heere HEERE,
om al Uw werken te vertellen.
)
. Al maakt iedereen een andere keus, wat hem betreft, is maar één ding “goed” en dat is “dicht bij God te zijn”. Dit is het goede deel (Lk 10:4242maar één ding is nodig; want Maria heeft het goede deel gekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen.). Hij is de psalm begonnen met te zeggen dat God goed is voor Israël (vers 1b1Een psalm van Asaf.
Ja, God is goed voor Israël,
voor hen die zuiver van hart zijn.
)
; nu zegt hij dat het voor hemzelf goed is dicht bij God te zijn. Door zijn ervaring is een algemene waarheid een persoonlijke waarheid geworden.

Hij wil leven in een nauwe gemeenschap met Hem. Zijn voeten waren bijna uitgegleden, en daarom heeft hij zijn “toevlucht tot de Heere HEERE” genomen. God is de “Heere”, Adonai, de soevereine Heerser, en Hij is de “HEERE”, Jahweh, de God van het verbond met Zijn volk.

Vanuit de nabijheid van die God zal hij al Gods werken vertellen. In het verband van de lessen die hij heeft geleerd, zal hij spreken over wat hij in het heiligdom heeft gezien. Gods werken zijn niet altijd door mensen te begrijpen, maar ze zijn altijd volkomen betrouwbaar.

Wij moeten leren kijken met de ogen van God om de heerlijkheid van Zijn werken te zien. Dingen die wij proberen te begrijpen, maar niet in staat zijn te doorgronden, kunnen we aanvaarden als we God in het heiligdom aan het werk zien. Dan kunnen we daarover vertellen aan hen die ook worstelen met wat ze in de wereld om zich heen waarnemen.


Lees verder