Psalmen
Inleiding 1-7 Gerechtigheid en vrede 8-11 Wereldheerschappij 12-14 Aard van de regering van de Messias 15-17 Zegen van de regering 18-19 Lofprijzing 20 Einde van de gebeden van David
Inleiding

Er is in deze psalm geen sprake van lijden of vervolging en strijd, maar van vrede en zegen. De psalm stelt de grote Zoon van David voor als de Bron en Waarborg van de zegeningen van het duizendjarig vrederijk. Het is de vervulling van de bede “Moge … Uw koninkrijk komen” (Mt 6:9-109Bidt u dan zó: Onze Vader Die in de hemelen bent, moge Uw Naam worden geheiligd,10Uw koninkrijk komen, Uw wil gebeuren, zoals in [de] hemel, zo ook op aarde.).


Gerechtigheid en vrede

1Voor Salomo.
O God, geef de koning Uw recht
en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning.
2Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid
en over Uw ellendigen met recht.
3De bergen zullen voor het volk vrede dragen
en de heuvels, met gerechtigheid.
4Hij zal de ellendigen van het volk recht doen,
Hij zal de kinderen van de arme verlossen
en de onderdrukker verbrijzelen.
5Zij zullen U vrezen, zolang de zon en de maan er zijn,
van generatie op generatie.
6Hij zal neerdalen als regen op het gemaaide [veld],
als regendruppels die de aarde bevochtigen.
7In Zijn dagen zal de rechtvaardige tot bloei komen;
er zal grote vrede zijn, tot de maan er niet [meer] is.

David bidt voor zijn zoon Salomo (vers 1a1Voor Salomo.
O God, geef de koning Uw recht
en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning.
)
. Salomo is een beeld van de Heer Jezus als Koning in het vrederijk, als de Vredevorst. Salomo betekent ‘vrede’, ‘vreedzame’, ‘vredebrenger’.

De psalm begint met een gebed tot God voor “de koning”, dat is Salomo, dat God hem Zijn recht geeft (vers 1b1Voor Salomo.
O God, geef de koning Uw recht
en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning.
)
. Een dergelijk gebed past bij een troonsbestijging (1Kn 1:38-4038De priester Zadok daalde af, met de profeet Nathan, Benaja, de zoon van Jojada, de Krethi en de Plethi, en zij lieten Salomo op het muildier van koning David rijden en begeleidden hem naar Gihon.39De priester Zadok nam de oliehoorn uit de tent en zalfde Salomo. Ze bliezen op de bazuin, en heel het volk zei: Leve koning Salomo!40En achter hem trok heel het volk [de stad binnen]. Het volk blies op fluiten en verblijdde zich ten zeerste, zodat de aarde opengespleten werd door hun geluid.). De vraag dat God hem Zijn recht zal geven, betekent dat God hem inzicht geeft in het recht van God en het gezag om het uit te voeren. Hij vertegenwoordigt God in Zijn regering op aarde. Dan moet alles naar het recht van God worden beoordeeld.

In het gebed wordt ook aan God gevraagd om “aan de zoon van de koning”, dat is opnieuw Salomo, Zijn gerechtigheid te geven. Hier is de vraag dat Salomo op een rechtvaardige wijze naar het recht zal handelen, zonder aanzien des persoons. Dit betekent dat het kwaad moet worden bestraft en het goede moet worden beloond.

Het belang van gerechtigheid met betrekking tot het vrederijk zien we ook hierin dat ‘gerechtigheid’ in de verzen 1-31Voor Salomo.
O God, geef de koning Uw recht
en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning.
2Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid
en over Uw ellendigen met recht.
3De bergen zullen voor het volk vrede dragen
en de heuvels, met gerechtigheid.
in elk vers een keer wordt genoemd. Het is de belangrijkste eigenschap van de regering van Christus, een eigenschap die in elke menselijke regering totaal ontbreekt of slechts in zeer beperkte mate aanwezig is. Recht en gerechtigheid zijn het fundament van de troon van de Messias (Ps 89:1515Gerechtigheid en recht zijn het fundament van Uw troon,
goedertierenheid en trouw gaan voor Uw aangezicht uit.
)
. Een regering in gerechtigheid heeft vrede in het koninkrijk tot gevolg (Js 32:1717De vrucht van de gerechtigheid zal vrede zijn,
en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid.
)
.

De psalm gaat in feite over de Heer Jezus. Er wordt over een wereldwijde en eeuwige regering wordt gesproken en die zal alleen door Christus worden uitgeoefend. Daarbij komt dat de Heer Jezus de ware Zoon van David en daarom “meer dan Salomo” is (Mt 12:4242[De] koningin van [het] Zuiden zal worden opgewekt in het oordeel met dit geslacht en het veroordelen, want zij kwam van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen; en zie, meer dan Salomo is hier!).

De psalm is vanaf vers 22Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid
en over Uw ellendigen met recht.
in de toekomende tijd gesteld, zoals het steeds terugkerende woord “zal” aangeeft. Niet Salomo, maar de Heer Jezus zal alles volmaakt vervullen waarover David in dit gebed spreekt. Wat nu in dit gebed volgt, vloeit voort uit vers 11Voor Salomo.
O God, geef de koning Uw recht
en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning.
.

De Heer Jezus zal over “Uw volk”, dat is Gods volk, “rechtspreken met gerechtigheid” (vers 22Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid
en over Uw ellendigen met recht.
)
. Voordat volken met het recht van God te maken krijgen, is er eerst rechtspraak over het volk van God. Alle goddelozen zullen worden geoordeeld volgens een volmaakt rechtvaardige rechtspraak. Met name over “de ellendigen” zal worden rechtgesproken “met recht”. Zij hebben onder zware verdrukking en lasterlijke beschuldigingen volhard in hun vertrouwen op God en Zijn Naam niet verloochend. Nu wordt hun – niet ‘weldadigheid bewezen’, maar – recht gedaan.

Met “de bergen” worden mogelijk vorsten van Gods volk bedoeld (vers 33De bergen zullen voor het volk vrede dragen
en de heuvels, met gerechtigheid.
)
. Zij zullen hun onderdanen niet meer onderdrukken en uitbuiten, maar “voor het volk vrede dragen”. Zij zullen zich inzetten voor de handhaving van de vrede voor hun volk. Met “de heuvels” worden mogelijk lagere overheden bedoeld of de rechterlijke macht. Zij zullen hun verantwoordelijke positie niet meer misbruiken om zichzelf ten koste van anderen te verrijken.

Nog een keer wordt gezegd dat de Messias “de ellendigen van het volk recht doen” zal (vers 44Hij zal de ellendigen van het volk recht doen,
Hij zal de kinderen van de arme verlossen
en de onderdrukker verbrijzelen.
; vers 22Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid
en over Uw ellendigen met recht.
; vgl. Js 11:44Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
)
. Dit bewijst wel hoezeer het belang van de ellendigen de Messias aan het hart gaat. Hij zal hen belonen voor de doorstane beproevingen en recht doen door hun de beloofde zegen te geven. Dat zal het onrecht dat zij hebben geleden niet alleen compenseren, maar volledig doen vergeten.

Hij denkt ook aan “de kinderen van de arme”. Kinderen zijn tegen wil en dank de grootste slachtoffers van een situatie van ellende waarin ouders schuldig of onschuldig terecht zijn gekomen. Zij worden als ‘betaling’ van schulden van de ouders door de schuldeisers meegenomen (vgl. 2Kn 4:11Een vrouw, een van de vrouwen van de leerling-profeten, riep tot Elisa om hulp en zei: Uw dienaar, mijn man, is gestorven, en u weet zelf dat uw dienaar de HEERE vreesde. Maar [nu] is de schuldeiser gekomen om mijn beide kinderen als slaven met zich mee te nemen.). De Messias trekt Zich hun lot aan en zal hen verlossen. Hij onttrekt hen niet alleen aan de macht van de onderdrukker, maar Hij verbrijzelt de onderdrukker, zodat zij nooit meer bang voor hem hoeven te zijn.

Het optreden van de Messias in recht en gerechtigheid zal vrees bewerken bij de inwoners van het land (vers 55Zij zullen U vrezen, zolang de zon en de maan er zijn,
van generatie op generatie.
)
. Men zal zich ervoor hoeden iets kwaads te doen. Dit respect of ontzag zal er zijn “zolang de zon en de maan er zijn”, dat wil zeggen gedurende de duizend jaar dat het vrederijk duurt. “Van generatie op generatie” zal deze vrees aanwezig zijn.

Hier volgen de generaties elkaar niet op in de zin van de ene generatie gaat en de andere komt (Pr 1:4a4[De ene] generatie gaat en [de andere] generatie komt,
maar de aarde blijft voor eeuwig staan.
)
, maar er worden voortdurend nieuwe generaties aan al bestaande generaties toegevoegd. De oudste generatie zal het meest door de vrees voor God moeten worden gekenmerkt. Zij hebben immers de langste tijd de zegen van het vrederijk genoten.

De komst van de Messias wordt vergeleken met het “neerdalen als regen op het gemaaide [veld], als regendruppels die de aarde bevochtigen” (vers 66Hij zal neerdalen als regen op het gemaaide [veld],
als regendruppels die de aarde bevochtigen.
)
. Dit roept het beeld op van overvloedige verkwikking die in de Messias aanwezig is en over het volk komt dat er klaar voor is Hem te ontvangen.

Het veld is gemaaid, dat wil zeggen dat alle afvalligen zijn geoordeeld. Maaien is een beeld van het oordeel, het afsnijden van het leven (Op 14:14-1614En ik zag en zie, een witte wolk, en op de wolk zat [Iemand, de] Zoon des mensen gelijk, Die op Zijn hoofd een gouden kroon en in Zijn hand een scherpe sikkel had.15En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luider stem tegen Hem Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai, want het uur om te maaien is gekomen, want de oogst van de aarde is overrijp geworden.16En Hij Die op de wolk zat, sloeg Zijn sikkel op de aarde en de aarde werd gemaaid.). Het wil ook zeggen dat het overblijfsel zichzelf heeft veroordeeld met erkenning van hun schuld aan de dood van de Messias (Zc 12:10-1410Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.11Op die dag zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadad-Rimmon in het dal van Megiddo.12Het land zal rouw bedrijven, elk geslacht afzonderlijk: het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Nathan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,13het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simeï afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,14al de overige geslachten: elk geslacht afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk.). Wat een verkwikking is het voor hen om te ontdekken dat door diezelfde dood de Messias verzoening voor hun zonden heeft bewerkt bij God. Daardoor weten ze ook dat ze voor God rechtvaardigen zijn.

Zijn komst met Zijn verkwikking heeft tot gevolg dat “in Zijn dagen … de rechtvaardige tot bloei komen” zal (vers 77In Zijn dagen zal de rechtvaardige tot bloei komen;
er zal grote vrede zijn, tot de maan er niet [meer] is.
)
. “Zijn dagen” zijn de dagen van Zijn regering. Het zijn dagen die worden gekenmerkt door Zijn aanwezigheid op aarde in macht en zegen. Zijn dagen zijn alle dagen van het vrederijk, dagen van “grote vrede, tot de maan er niet [meer] is”. De vrede is groot, want zij is overal op aarde overvloedig aanwezig. De vrede is ook groot omdat er geen einde aan zal komen (Js 9:66Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
)
.


Wereldheerschappij

8Hij zal heersen van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot de einden der aarde.
9De woestijnbewoners zullen voor Hem neerbukken,
Zijn vijanden zullen het stof oplikken.
10De koningen van Tarsis en de kustlanden
zullen schatting brengen;
de koningen van Sjeba en Seba
zullen schatten aanvoeren.
11Ja, alle koningen zullen zich voor Hem neerbuigen,
alle heidenvolken zullen Hem dienen.

De regering van de Messias is universeel (vers 88Hij zal heersen van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot de einden der aarde.
)
. Er is geen gebied dat niet onder Zijn heerschappij valt of zich ervoor kan verbergen. Zijn heerschappij doortrekt alles en iedereen. Het is duidelijk dat dit niet slaat op de regering van Salomo. Dit is alleen van toepassing op de Messias.

De bewoners van de meest woeste gebieden, de vrijgevochten “woestijnbewoners” die geen heerschappij erkennen, “zullen voor Hem neerbukken” (vers 99De woestijnbewoners zullen voor Hem neerbukken,
Zijn vijanden zullen het stof oplikken.
)
. Dit zijn de nomaden, de zwervers zonder vaste woonplaats, dus zonder vast gezag waaraan ze gehoorzaam moeten zijn. Zij zullen Zijn gezag erkennen. Zijn tegenstanders, “Zijn vijanden”, zullen worden vernederd tot in het stof, dat zij zullen “oplikken” (vgl. Js 49:2323En koningen zullen uw verzorgers zijn
en hun vorstinnen uw voedsters.
Zij zullen zich voor u neerbuigen met het gezicht ter aarde
en zij zullen het stof van uw voeten likken.
U zult weten dat Ik de HEERE ben:
zij zullen niet beschaamd worden die Mij verwachten.
)
.

De machtigen van de aarde, “de koningen”, zij die een plaats van gezag innemen, zullen zich eveneens aan Hem onderwerpen (vers 1010De koningen van Tarsis en de kustlanden
zullen schatting brengen;
de koningen van Sjeba en Seba
zullen schatten aanvoeren.
)
. Er is hier sprake van de koningen “van Tarsis en de kustlanden”. Tarsis ligt in het zuiden van Spanje, een handelsstad waarmee Salomo handel heeft gedreven (1Kn 10:2222De koning had namelijk een Tarsisvloot op zee, [samen] met de vloot van Hiram. Eens in de drie jaar liep de Tarsisvloot binnen, beladen met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen.). De kustlanden zijn de kustlanden aan de Middellandse Zee. Beide gebieden liggen ten westen van Israël. Ze zullen hun onderwerping tonen door de hun opgelegde schatting naar de Messias in Jeruzalem te brengen. Ook “de koningen van Sjeba en Seba zullen schatten aanvoeren”. Sjeba ligt in het tegenwoordige Jemen en Seba in Opper-Egypte. Beide liggen ten zuiden van Israël.

Er is geen heerser die niet voor Hem zal buigen. “Ja, alle koningen” – dit laat geen uitzondering toe – “zullen zich voor Hem neerbuigen” (vers 1111Ja, alle koningen zullen zich voor Hem neerbuigen,
alle heidenvolken zullen Hem dienen.
)
. Er is geen heidenvolk dat Hem niet zal dienen. “Alle heidenvolken” – dit laat geen uitzondering toe – “zullen Hem dienen”. De Messias is God. Koningen buigen zich voor Hem neer en aanbidden Hem. De Messias is Heer. De heidenvolken zullen Hem in gehoorzaamheid dienen.


Aard van de regering van de Messias

12Want Hij zal de arme redden die om hulp roept,
en de ellendige, en wie geen helper heeft.
13Hij zal de geringe en arme sparen
en de ziel van de armen verlossen.
14Hij zal hun ziel van list en geweld bevrijden,
hun bloed is kostbaar in Zijn ogen.

Het woord “want” (vers 1212Want Hij zal de arme redden die om hulp roept,
en de ellendige, en wie geen helper heeft.
)
, geeft aan dat nu de reden volgt voor wat hiervoor is gezegd. Zijn regering, waarvoor iedereen van hoog tot laag en van vriend tot vijand ontzag zal hebben (verzen 9-119De woestijnbewoners zullen voor Hem neerbukken,
Zijn vijanden zullen het stof oplikken.
10De koningen van Tarsis en de kustlanden
zullen schatting brengen;
de koningen van Sjeba en Seba
zullen schatten aanvoeren.
11Ja, alle koningen zullen zich voor Hem neerbuigen,
alle heidenvolken zullen Hem dienen.
)
, blijkt een regering van ontfermende liefde te zijn. Het gaat hier niet om “Uw ellendigen” (vers 22Dan zal hij over Uw volk rechtspreken met gerechtigheid
en over Uw ellendigen met recht.
)
, de ellendigen van Gods volk, maar om de ellendige uit de volken, ieder die Hem nodig heeft.

Door Zijn kracht heeft Hij aan alle tegenstand en vijandschap een einde gemaakt. In Zijn liefde redt Hij “de arme … die om hulp roept”. Hij redt ook “de ellendige, en wie geen helper heeft”. Voor wie geen helper heeft, is Hij een Helper. Elihu getuigt van Hem tegenover Job: “Zie, God is machtig, maar Hij veracht niets [of: niemand]” (Jb 36:5a5Zie, God is machtig, maar Hij veracht niets;
machtig is de kracht van [Zijn] hart.
)
.

Ook “de geringe en arme” zullen de weldaad van Zijn regering ervaren (vers 1313Hij zal de geringe en arme sparen
en de ziel van de armen verlossen.
)
. De aanzienlijken en rijken hebben hen uitgebuit en niet gespaard. Hij zal hen “sparen”, hen ontzien en geen lasten opleggen (Ml 3:1717En zij zullen voor Mij, zegt de HEERE van de legermachten,
op de dag die Ik maken zal, een persoonlijk eigendom zijn.
Ik zal hen sparen,
zoals een man zijn zoon spaart
die hem dient.
)
. Dit zal voor hen genezing betekenen van de vele wonden waarmee ze geslagen zijn door hun uitbuiters en onderdrukkers. Zo zal Hij “de ziel van de armen verlossen” van al hun lijden.

Ze zijn zo vaak het slachtoffer geweest “van list en geweld” (vers 1414Hij zal hun ziel van list en geweld bevrijden,
hun bloed is kostbaar in Zijn ogen.
)
. Maar Hij zal hun ziel daarvan bevrijden. “Hun bloed” en hun tranen en hun lijden zijn “kostbaar in Zijn ogen” (vgl. Ps 116:1515Kostbaar is in de ogen van de HEERE
de dood van Zijn gunstelingen.
)
. Ze hebben in hun nood tot Hem geroepen, soms zonder dat ze op aarde verhoord zijn en omgekomen zijn.

Hun bloed is zo kostbaar voor Hem, dat hij niet zal toestaan dat het onrechtvaardig vergoten wordt, maar zal komen om hen te redden als hun leven in gevaar is. Het kan ook zijn dat het wordt vergoten. Ook dan beschouwt Hij hun bloed als zo kostbaar, dat hij het niet toelaat dat het ongewroken blijft. Hij zal nooit onverschillig zijn voor hun veiligheid of hun reputatie.

Het zal hun duidelijk worden dat Hij hen niet is vergeten en ook niet wat hun is aangedaan. Wat ze hebben geleden, heeft tot Hem geroepen en is tot Zijn oren gekomen (vgl. Gn 4:1010En Hij zei: Wat hebt u gedaan! Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept.; Jk 5:44Zie, het loon van de arbeiders die uw akkers geoogst hebben, dat door u is ingehouden, roept, en de kreten van de maaiers zijn gekomen tot de oren van [de] Heer Zebaoth.). Nu is de tijd gekomen om al die destijds onverhoorde gebeden te verhoren.


Zegen van de regering

15Hij zal leven!
Men zal Hem van het goud van Sjeba geven,
men zal voortdurend voor Hem bidden,
de hele dag zal men Hem zegenen.
16Is er een handvol koren op het land,
op de top van de bergen,
de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon;
de stedelingen zullen bloeien als het gewas op de aarde.
17Zijn Naam zal voor eeuwig blijven;
zolang de zon er is, wordt Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant.
Zij zullen in Hem gezegend worden;
alle heidenvolken zullen Hem gelukkig prijzen.

De uitroep “Hij zal leven!”, is geen wens, maar een getuigenis (vers 1515Hij zal leven!
Men zal Hem van het goud van Sjeba geven,
men zal voortdurend voor Hem bidden,
de hele dag zal men Hem zegenen.
)
. Leven is het grote kenmerk van de Messias (vers 1515Hij zal leven!
Men zal Hem van het goud van Sjeba geven,
men zal voortdurend voor Hem bidden,
de hele dag zal men Hem zegenen.
)
. Dat Hij zal leven, wil zeggen dat er aan Zijn leven geen einde komt. Hij leeft naar de kracht van een onvergankelijk leven (Hb 7:15-1715En dit is nog aanmerkelijk duidelijker als er naar de gelijkenis van Melchizédek een andere Priester opstaat,16Die het niet geworden is naar [de] wet van een vleselijk gebod, maar naar [de] kracht van een onvergankelijk leven;17want [van Hem] wordt getuigd: U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizédek.). Zijn koninkrijk is daarom een eeuwig koninkrijk. De zegen van het vrederijk is onlosmakelijk verbonden aan Zijn leven. Waar Hij in zegen heerst, wordt het leven in al Zijn volheid genoten. Leven is pas leven en wordt pas echt geleefd als het wordt geleefd in verbinding met Hem.

De waardering van dat leven, dat overal in het vrederijk zichtbaar is, wordt door mensen op diverse manieren tot uiting gebracht:
1. “Men zal Hem van het goud van Sjeba geven.” Het goud dat Hem wordt gegeven, is van Hem (Hg 2:99Van Mij is het zilver en van Mij is het goud,
spreekt de HEERE van de legermachten.
)
. Dat ze Hem dat geven, wil zeggen dat ze Zijn recht op het meest waardevolle in de schepping erkennen. Daarmee erkennen zij Zijn recht op de hele schepping.
2. “Men zal voortdurend voor Hem bidden.” Er zal voortdurend voor Hem worden gebeden dat Hij Zijn zegenrijke regering gedurende het hele vrederijk zal voortzetten. Deze gebeden geven het verlangen aan naar een eindeloze voortgang van Zijn regering.
3. “De hele dag zal men Hem zegenen.” Dat men Hem “de hele dag” zal zegenen, wil zeggen dat men Hem gedurende ‘de hele dag’ van het vrederijk het goede zal toewensen, dat men goede dingen over Hem zal zeggen.

Onder de zegenrijke regering van de Messias levert “een handvol koren op het land, op de top van de bergen”, een enorm rijke oogst op (vers 1616Is er een handvol koren op het land,
op de top van de bergen,
de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon;
de stedelingen zullen bloeien als het gewas op de aarde.
)
. Het vrederijk kent geen gebrek, maar wordt gekenmerkt door overvloed. Het geloof ervaart nu al dat “een handvol” tot een grote hoeveelheid kan worden als we met dat kleine beetje naar de Man Gods gaan (1Kn 17:12-1512Maar zij zei: [Zo waar] de HEERE, uw God, leeft! Ik heb geen broodkoek [meer], behalve een handvol meel in de pot en een beetje olie in de kruik! En zie, ik ben een paar stukken hout aan het sprokkelen. Zodra ik [thuis] kom, ga ik het voor mij en voor mijn zoon klaarmaken. Daarna zullen we het opeten en sterven.13Maar Elia zei tegen haar: Wees niet bevreesd! Ga, doe overeenkomstig uw woord, maar maak er eerst voor mij een kleine koek van en breng die bij mij. Maak daarna voor u en voor uw zoon [iets] klaar.14Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Het meel in de pot zal niet opraken en in de kruik zal het aan olie niet ontbreken tot op de dag dat de HEERE regen op de aardbodem geven zal.15Zij ging en deed overeenkomstig het woord van Elia. Zo at zij, en hij, en haar gezin, [vele] dagen.). In het vrederijk is er een overvloed aan koren in de dalen en op de bergen. Op de bergen groeit normaal gesproken geen koren. Maar dan wel. De volle korenaren zullen “ruisen als de Libanon”.

De overvloedige oogsten zullen gelijke tred houden met de groei en bloei van de bevolking in de steden. Er is geen angst voor overbevolking, geen angst voor een tekort aan voedsel, geen angst voor wanbeheer van voorraden. Alles wordt op volmaakte wijze beheerd en verdeeld door de Heerser in gerechtigheid, Die ook hierin volmaakt rechtvaardig te werk gaat.

Alles hangt af van Hem, Wiens Naam voor eeuwig zal blijven (vers 1717Zijn Naam zal voor eeuwig blijven;
zolang de zon er is, wordt Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant.
Zij zullen in Hem gezegend worden;
alle heidenvolken zullen Hem gelukkig prijzen.
)
. Hij staat met Zijn Naam garant voor een ogenblikkelijk genot van alle weldaden en overvloed aan zegen, en dat daaraan geen einde zal komen. Het oog wordt afgewend van de zegen naar Hem Die zegent, naar Zijn Naam. De zegen kan alleen door de komende generaties worden genoten in verbinding met Zijn Naam. Niet de zegen wordt “van kind tot kind voortgeplant”, maar Zijn Naam en daarmee ook de zegen.

Dit zal gebeuren “zolang de zon er is”. Hij Zelf is “de Zon der gerechtigheid” (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. In het licht van de Zon zullen de komende generaties “gezegend worden”. De zegen van het vrederijk wordt onafgebroken voortgezet omdat Hij de Bron van zegen is en blijft. Dit is Hij niet alleen voor Zijn volk Israël, maar voor “alle heidenvolken”. Ook zij prijzen niet zichzelf gelukkig vanwege de zegen, maar prijzen Hem gelukkig door Wie zij de zegen krijgen.


Lofprijzing

18Geloofd zij de HEERE God, de God van Israël;
Hij doet wonderen, Hij alleen.
19Geloofd zij voor eeuwig Zijn heerlijke Naam;
laat heel de aarde met Zijn heerlijkheid vervuld worden.
Amen, ja, amen.

Met deze lofprijzing sluit het tweede boek van Psalmen af. Het is een uitgebreidere versie van de lofprijzing waarmee het eerste boek van Psalmen afsluit (Ps 41:1414Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen, ja, amen.
)
. Na de beschrijving van de algehele heerschappij van de Messias en de zegen die dit voor de hele schepping betekent, wordt gewezen op Hem Die de oorsprong ervan is. Hij staat aan het begin en aan het einde van alle zegen.

Hij is “de HEERE God, de God van Israël” (vers 1818Geloofd zij de HEERE God, de God van Israël;
Hij doet wonderen, Hij alleen.
)
. God staat met dit volk in een bijzondere relatie. De zegen van het vrederijk is de zegen die vanuit Gods relatie met dit volk naar de einden van de aarde stroomt. “HEERE” is de naam van God waarmee God Zich aan Zijn volk heeft bekendgemaakt als de God van het verbond. Op grond daarvan vervult Hij alle beloften die Hij aan Zijn volk heeft gedaan. De vervulling daarvan is het vrederijk.

Alles wat Hij aan zegen aan Zijn volk in het vrederijk geeft, zijn wonderen van Hem. Hij alleen kan die wonderen doen. Van de kant van het volk is er geen enkel recht. Zij hebben zich niet aan het verbond gehouden. Maar God kan alle beloften vervullen omdat de Messias alle verplichtingen van het volk op Zich heeft genomen en ook de straf voor hun falen. Aan Gods rechtvaardige eisen heeft Hij voldaan. Dat is het grote wonder dat Hij alleen heeft gedaan.

De reactie kan niet anders zijn dan een uitbundige en eeuwige lofprijzing van “Zijn heerlijke Naam” (vers 1919Geloofd zij voor eeuwig Zijn heerlijke Naam;
laat heel de aarde met Zijn heerlijkheid vervuld worden.
Amen, ja, amen.
)
. Zijn heerlijkheid zal heel de aarde vervullen. De hele schepping zal Zijn volmaaktheden uitstralen, zowel in het grote heelal als in de kleinste details. Bovenal zal Zijn heerlijkheid gezien worden in allen die vol zijn van de kennis van Hem. Zij zijn de bijzondere wonderen van Zijn genade door de verlossing die hun deel is door het werk van Christus. Zij zullen zijn roem verkondigen tot in lengte van dagen. Dit alles is zeker en vast wat tot uitdrukking wordt gebracht door de driedubbele bevestiging “amen, ja, amen”.


Einde van de gebeden van David

20[Hier] eindigen de gebeden van David, de zoon van Isaï.

Dat de gebeden van David hier eindigen, wil niet zeggen dat er geen gebeden van David meer volgen. We zullen in de volgende psalmen nog regelmatig gebeden van David horen. Hier gaat het erom dat met de komst van het vrederijk alle gebeden van David in vervulling zijn gegaan.

Hij noemt zichzelf hier “de zoon van Isaï” en niet ‘de koning van Israël. Daarmee verwijst hij naar zijn natuurlijke en nederige afstamming. Hij doet als het ware een stap terug. Het gaat niet om hem, maar om de Messias, de Zoon van David. Iets dergelijks zien we in “de laatste woorden van David” (2Sm 23:1a1En dit zijn de laatste woorden van David.
David, de zoon van Isaï, spreekt;
de man die hoog is opgericht, spreekt,
de gezalfde door de God van Jakob,
en lieflijk in psalmen van Israël.
)
. Dat zijn ook niet zijn laatste woorden in letterlijke zin, want we horen daarna nog meer woorden van hem.

Zijn ‘laatste woorden’ gaan de regering van de Messias. In die laatste woorden noemt hij zich ook “de zoon van Isaï” (2Sm 23:1b1En dit zijn de laatste woorden van David.
David, de zoon van Isaï, spreekt;
de man die hoog is opgericht, spreekt,
de gezalfde door de God van Jakob,
en lieflijk in psalmen van Israël.
)
, want het gaat hem om “een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser [in] de vreze Gods” (2Sm 23:3-43De God van Israël heeft gezegd,
de Rots van Israël heeft tot mij gesproken:
[Er komt] een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige,
een Heerser [in] de vreze Gods.
4Hij is als het licht van de morgen,
[wanneer] de zon opgaat,
een morgen zonder wolken;
[als] de glans na de regen,
[die] groen [laat opkomen] uit de aarde.
)
. Bij deze Heerser zinkt hij in het niet (2Sm 23:5a5Hoewel mijn huis zo niet is bij God,
heeft Hij mij toch een eeuwig verbond gesteld,
in alles geordend en bewaard.
Voorzeker, [daarin] is al mijn heil en al [mijn] vreugde,
hoewel Hij het [nog] niet laat opkomen.
)
en die plaats neemt hij ook graag in. Zo maakt hij ruim baan voor de Messias, de gezalfde Koning van God.


Lees verder