Psalmen
Inleiding 1-4 Gebed om redding 5-9 De reden voor het gebed 10-13 Roep om spoedige hulp 14-18 De voortdurende hoop op God 19-24 De zekerheid van de verhoring
Inleiding

Deze psalm vermeldt geen dichter. Er is verondersteld, dat David hem heeft gedicht tijdens zijn vlucht voor zijn opstandige zoon Absalom. Dat de dichter zijn naam niet vermeldt, legt alle nadruk op de inhoud van de psalm. De psalmdichter spreekt over de trouwe zorg van God gedurende zijn hele leven, vanaf de moederschoot tot de ouderdom.

Hierin zien we een duidelijke profetische beschrijving van de trouwe zorg van God voor Israël vanaf het begin van hun geschiedenis tot het einde. De psalm laat een beroep op die trouwe zorg horen dat Hij hen, nu ze aan het einde van hun geschiedenis komen – wat hier ouderdom wordt genoemd – ook nu niet zal verlaten.

We zien ook in deze psalm de Geest van Christus. Veel ervan is op Hem van toepassing, waarin we Zijn verbinding met het gelovig overblijfsel in de eindtijd zien. Het einde van Zijn leven op aarde getuigt van soortgelijke beproevingen, hoewel ze bij Hem dieper en volmaakt zijn.


Gebed om redding

1Tot U, HEERE, heb ik de toevlucht genomen;
laat mij niet voor eeuwig beschaamd worden.
2Red mij door Uw gerechtigheid en bevrijd mij,
neig Uw oor tot mij en verlos mij.
3Wees mij tot een rots om daarin te wonen,
om voortdurend daarin te gaan.
U hebt bevel gegeven om mij te verlossen,
want U bent mijn rots en mijn burcht!
4Mijn God, bevrijd mij uit de hand van de goddeloze,
uit de hand van wie onrecht bedrijft en van wie wreed is.

De psalmist richt zich direct tot de HEERE om tegen Hem te zeggen dat hij tot Hem de toevlucht heeft genomen (vers 11Tot U, HEERE, heb ik de toevlucht genomen;
laat mij niet voor eeuwig beschaamd worden.
)
. Dit is het enige wat iemand moet doen als hij in nood is. Hij vraagt daarbij of de HEERE ervoor wil zorgen dat hij niet voor eeuwig beschaamd zal worden.

Een van de ergste teleurstellingen die een mens kan overkomen, is dat zijn vertrouwen in iemand wordt beschaamd. Bij mensen gebeurt dit regelmatig en dat in de intiemste relaties. Bij God is dat onmogelijk. Dat de psalmist dit vraagt, betekent niet dat hij aan Gods trouw twijfelt. Het is de uiting van een gemoed dat zich bewust is van zijn onvermogen om zelf trouw te blijven in de omstandigheden van nood waarin hij zich bevindt.

Dat hij niet aan de trouw van God twijfelt, blijkt uit zijn beroep op Gods “gerechtigheid” (vers 22Red mij door Uw gerechtigheid en bevrijd mij,
neig Uw oor tot mij en verlos mij.
)
. De gerechtigheid van God is Zijn rechtvaardig handelen. Dat is de pleitgrond voor redding en bevrijding. Dit houdt in dat de psalmist ten onrechte wordt vervolgd. Er is geen aanleiding in zijn daden of woorden om op hem te jagen. Hij vraagt of God Zijn oor tot hem neigt, dat wil zeggen dat Hij met aandacht naar hem luistert en hem verlost.

Ook de verlossing is niet het einddoel van Gods gerechtigheid, maar dat God tot een rots is waarin hij kan wonen (vers 33Wees mij tot een rots om daarin te wonen,
om voortdurend daarin te gaan.
U hebt bevel gegeven om mij te verlossen,
want U bent mijn rots en mijn burcht!
)
. Het wonen bij God als een rots wil zeggen bij Hem thuis zijn en in veiligheid zijn. Het is een plaats waar hij voortdurend in wil gaan, omdat er voortdurend gevaar dreigt. Hij verlangt ernaar bij God te zijn, in Zijn tegenwoordigheid. Het verlangen naar God wordt het sterkst gevoeld als de wereld zich in al zijn vijandschap openbaart.

Tegelijk is er de zekerheid dat de verlossing zal komen, want de psalmist weet dat God daartoe het bevel heeft gegeven. Als God ergens bevel toe heeft gegeven, is er geen macht in het heelal die de uitvoering ervan kan tegenhouden. Het is ermee als met Bileam die wordt ingehuurd om Gods volk te vervloeken. God heeft echter bepaald dat Bileam Zijn volk moet zegenen en daarom gebeurt dat ook (Nm 24:12-1312Toen zei Bileam tegen Balak: Heb ik zelfs niet tot uw boden, die u naar mij toe stuurde, gesproken:13Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven, ik zal het bevel van de HEERE niet kunnen overtreden door uit eigen hart goed of kwaad te doen; wat de HEERE spreken zal, dat zal ik spreken.). De psalmist rekent op de verlossing en bescherming door God, want hij kent God als zijn “rots” en zijn “burcht”.

De psalmist heeft te maken met iemand die goddeloos is, die onrecht bedrijft en die wreed is (vers 44Mijn God, bevrijd mij uit de hand van de goddeloze,
uit de hand van wie onrecht bedrijft en van wie wreed is.
)
. Dit is een beschrijving van de antichrist. Hij vraagt om uit de hand van die persoon te worden bevrijd. Hij zegt dit twee keer in dit vers. Dit betekent dat hij zich in de greep van de goddeloze voelt. Maar hij ziet boven hem uit op God Die in staat is hem uit diens greep te bevrijden.


De reden voor het gebed

5Want U bent mijn hoop, Heere HEERE,
mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd.
6Op U heb ik gesteund van de [moeder]schoot af,
van de baarmoeder af bent U mijn Helper;
voortdurend zal mijn lof van U zijn.
7Ik ben voor velen als een teken geweest,
maar U bent mijn sterke toevlucht.
8Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof
en met Uw luister, de hele dag.
9Verwerp mij niet ten tijde van de ouderdom;
verlaat mij niet nu mijn kracht vergaat.

De psalmist zegt tegen God waarom hij een beroep op Hem doet (vers 55Want U bent mijn hoop, Heere HEERE,
mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd.
)
. Hij is zijn namelijk zijn hoop. Zijn hoop in de ellende is niet op mensen gericht, maar op God. Hij kent Hem van zijn jeugd af als de “Heere, HEERE”, Adonai, Jahweh. Van kindsbeen af heeft hij zijn vertrouwen op Hem gesteld. Er zijn er geweest die vanaf hun jeugd hun vertrouwen op God hebben gesteld, zoals Josia (2Kr 34:33In het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog een jongeman was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken. In het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de [offer]hoogten, de gewijde palen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.) en Timotheüs (2Tm 3:14-1514Maar jij, blijf in wat je geleerd hebt en waarvan je volkomen overtuigd bent, daar je weet van wie je het hebt geleerd,15en omdat je van jongs af <de> heilige Geschriften kent, die je wijs kunnen maken tot behoudenis door [het] geloof dat in Christus Jezus is.).

Als de psalmist zegt dat hij op God heeft gesteund “van de [moeder]schoot af” (vers 66Op U heb ik gesteund van de [moeder]schoot af,
van de baarmoeder af bent U mijn Helper;
voortdurend zal mijn lof van U zijn.
)
, spreekt hij niet over zichzelf, maar spreekt de Geest door hem heen over de Heer Jezus. Alleen de Heer Jezus kan zeggen dat Hij op God heeft gesteund van de moederschoot af. Steunen op God is een daad, het is iets wat alleen iemand kan doen die weet dat hij die steun nodig heeft. Dit is bij de Heer Jezus zo, ook als Hij nog in de schoot van Maria is. Het toont het wonder van Zijn Persoon. Hij is God en Mens tegelijk.

Hij weet ook dat God Zijn Helper van de baarmoeder af is. Dit weet ook ieder mens die tot geloof is gekomen. Dat is het moment dat hij op Gods hulp is gaan rekenen. Iedere Godvrezende zal erkennen dat God hem vanaf de baarmoeder heeft geholpen in het leven. Dit is ook de belijdenis van het herstelde Israël in de eindtijd. God is de Helper van het volk geweest vanaf het prilste begin van zijn bestaan. Dit bewustzijn van Gods zorg vanaf het begin bewerkt grote dankbaarheid. Deze dankbaarheid wordt voortdurend in lofprijzing tot God geuit.

Gedurende de loop van zijn leven is de Godvrezende “voor velen als een teken geweest” (vers 77Ik ben voor velen als een teken geweest,
maar U bent mijn sterke toevlucht.
)
. Het woord ‘teken’ kan ook vertaald worden met ‘wonder’. Er zijn telkens aanslagen op zijn leven gedaan, maar die hebben geen succes gehad. Zijn vijanden zijn niet in hun voornemens geslaagd. Elke redding is een wonder. Het is ook een teken. Dit teken is dat hij onder de bescherming van God staat. God is zijn “sterke toevlucht”. Hij dankt zijn voortleven niet aan zijn eigen slimmigheid of kracht, maar aan de bescherming van zijn God bij Wie hij zijn toevlucht zoekt.

Zo is ook Israël een wonder en een teken. Het volk bestaat nog steeds, ondanks alle pogingen om het uit te roeien. Dat dankt het niet aan zijn militaire kracht en intelligente verdedigingstactieken, maar aan Gods voorzienige bescherming. Alle pogingen die nog steeds worden gedaan om het uit te roeien, zullen mislukken. De reden is dat God dit volk heeft uitgekozen om Zijn volk te zijn. De hele wereld zal het zien als de Heer er zal regeren. Hun bestaan betekent dat God er is en voor Zijn volk opkomt. Zo kan ons leven ook een teken zijn, het kan betekenis hebben voor onze omgeving, omdat men ziet dat wij alles aan God te danken hebben.

Nu is de psalmdichter aan het einde van zijn leven gekomen. Hij vraagt dat zijn mond vervuld zal worden met Gods lof en Gods luister, de hele dag (vers 88Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof
en met Uw luister, de hele dag.
)
. Eerder (vers 66Op U heb ik gesteund van de [moeder]schoot af,
van de baarmoeder af bent U mijn Helper;
voortdurend zal mijn lof van U zijn.
)
heeft hij gezegd dat Gods zorg voor hem vanaf zijn vorming in de moederschoot en de baarmoeder hem voortdurend God doet loven. Nu vraagt hij of God dat de hele dag zo wil laten zijn en dat niet alleen met betrekking tot het loven van God, maar ook met betrekking tot het bekendmaken van Zijn luister, dat is Zijn eer en glorie.

De aanleiding daarvan is dat hij oud is geworden en zijn kracht vergaat (vers 99Verwerp mij niet ten tijde van de ouderdom;
verlaat mij niet nu mijn kracht vergaat.
)
. Als de kracht vergaat, wordt men onzeker in zijn bewegingen (Pr 12:5a5men ook gaat vrezen voor de hoogte,
en er verschrikkingen zijn op de weg,
de amandelboom gaat bloeien,
de sprinkhaan zichzelf tot last wordt,
en de kapperbes niet meer helpt
– de mens gaat immers naar zijn eeuwig huis:
rouwklagers doen de ronde in de straat –
)
. Maar ook in de ouderdom is God Dezelfde. De oude gelovige die dat blijft bedenken, zal aan God vragen hem elke dag te helpen.

Er is geen betere voorbereiding op de oude dag met zijn afnemende krachten al zijn toenemende zwakheden dan in de jeugd de Schepper te zoeken en in de jongelingsjaren aan Hem te denken (Pr 12:11Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd,
voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen
waarvan u zeggen zult:
Ik vind er geen vreugde in;
)
. Ouderdom is een nieuwe levensfase, maar wel een waarin het opgebouwde leven met God verder wordt uitgebouwd. Er worden ervaringen met God opgedaan die eerder niet mogelijk zijn geweest.


Roep om spoedige hulp

10Want mijn vijanden spreken over mij;
wie op mijn ziel loeren, beraadslagen samen,
11[en] zeggen: God heeft hem verlaten,
jaag [hem] na en grijp hem, want er is niemand die redt.
12O God, blijf niet ver van mij;
mijn God, kom mij spoedig te hulp.
13Laat beschaamd en vernietigd worden
wie mijn tegenstanders zijn;
laat met smaad en schande bedekt worden
wie mijn onheil zoeken.

Met het klimmen van de jaren nemen de krachten af, maar niet de vijandschap van de goddelozen. De Godvrezende oude bevindt zich te midden van vijanden die over hem praten en plannen tegen hem beramen (vers 1010Want mijn vijanden spreken over mij;
wie op mijn ziel loeren, beraadslagen samen,
)
. Zij willen hem ombrengen. Er is geen geduld om op de dag van zijn dood te wachten die gezien zijn leeftijd niet lang meer op zich zal laten wachten.

De afnemende kracht zien wij als een teken dat God de Godvrezende heeft verlaten (vers 1111[en] zeggen: God heeft hem verlaten,
jaag [hem] na en grijp hem, want er is niemand die redt.
)
. Daardoor voelen ze zich vrij en zelfs gesterkt om hem na te jagen en te grijpen. Ze zien dat hij er alleen voor staat. Er is niemand, zo menen zij, die het voor hem opneemt en hem redt, God niet en zeker ook geen mens.

Zo zullen de volken het Joodse volk in de eindtijd zonder vrees voor God najagen om hen te grijpen en uit te roeien. Dat zullen ze doen in de veronderstelling dat God hen heeft verlaten. De omstandigheden zullen ook zo zijn, dat het er inderdaad op lijkt dat God hen heeft verlaten.

De Godvrezende voelt de druk die zijn vijanden op hem uitoefenen en roept het uit tot God om niet ver van hem te blijven (vers 1212O God, blijf niet ver van mij;
mijn God, kom mij spoedig te hulp.
)
. Hij heeft behoefte aan de nabijheid van God nu de vijanden zo op hem aandringen. God kent hij als “mijn God”, de God met Wie hij een persoonlijke relatie heeft en vraagt aan Hem om hem spoedig te hulp te komen.

Voor zijn tegenstanders vraagt hij dat God hen beschaamd en vernietigd laat worden (vers 1313Laat beschaamd en vernietigd worden
wie mijn tegenstanders zijn;
laat met smaad en schande bedekt worden
wie mijn onheil zoeken.
)
. Zij zoeken zijn onheil. Daarom vraagt hij dat God hen met smaad en schande bedekt laat worden. Hun deel is in alle opzichten het tegendeel van wat hij voor zichzelf van zijn God verwacht. Dat is geen egoïsme, maar een juist inzicht in wat kwaad is in de ogen van God.


De voortdurende hoop op God

14Maar ík blijf voortdurend hopen
en zal U nog meer loven.
15Mijn mond zal van Uw gerechtigheid vertellen,
van Uw heil de hele dag,
hoewel ik de afmetingen [ervan] niet weet.
16Ik zal komen met de machtige daden van de Heere HEERE,
ik zal Uw gerechtigheid in herinnering roepen, de Uwe alleen.
17O God, U hebt mij onderwezen vanaf mijn jeugd
en tot nu toe verkondig ik Uw wonderen.
18Ja, ook nu de ouderdom en grijsheid gekomen is –
verlaat mij niet, o God,
totdat ik [deze] generatie Uw [sterke] arm verkondigd heb,
alle nakomelingen Uw macht.

De tijd van beproeving is de tijd waarin het geloof van het gelovig overblijfsel tevoorschijn komt. Beproevingen hebben dat doel. Zij blijven hopen (vers 1414Maar ík blijf voortdurend hopen
en zal U nog meer loven.
)
. Hoe zwaar de beproeving ook is, hun vertrouwen blijft op God gericht. Het geloof uit zich krachtig. Wat er ook gebeurt, zij zullen voortdurend blijven hopen dat God zal helpen en dat zij Hem nog meer zullen loven. Het geloof ziet de redding al voordat deze een feit is.

Ervaringen met God zijn gebaseerd op Gods “gerechtigheid” (vers 1515Mijn mond zal van Uw gerechtigheid vertellen,
van Uw heil de hele dag,
hoewel ik de afmetingen [ervan] niet weet.
)
. God is niet willekeurig en nog minder wispelturig in het geven van beproevingen. Hij heeft een rechtvaardige basis om het geloof van de Zijnen op de proef te stellen. Hij heeft diezelfde rechtvaardige basis voor de uitkomst van de beproeving. Daarom hoeft er geen twijfel aan de aard en de uitkomst van een beproeving zijn. God geeft uiteindelijk het heil of de behoudenis. De afmetingen ervan, de omvang, alles wat de behoudenis inhoudt, gaat het bevattingsvermogen van een mens te boven.

Waarmee de psalmist bij God kan komen en waarmee God hem graag ziet komen om Hem te loven, zijn “de machtige daden van de Heere HEERE” (vers 1616Ik zal komen met de machtige daden van de Heere HEERE,
ik zal Uw gerechtigheid in herinnering roepen, de Uwe alleen.
; vgl. Dt 3:2424Heere, HEERE! Ú bent begonnen aan Uw dienaar Uw grootheid en Uw sterke hand te tonen. Want welke god is er in de hemel en op de aarde die zulke werken en machtige daden kan doen als U?; Ps 106:22Wie zal de machtige daden van de HEERE verwoorden,
al Zijn lof verkondigen?
)
. Die machtige daden staan ook in verbinding met Zijn gerechtigheid. Elke machtige daad is een bevestiging van Zijn gerechtigheid. Die zal de psalmist “in herinnering roepen”. Alleen die daden zijn het waard om te vermelden en geen enkele eigen daad. Wat een gelovige kan hebben gedaan, is ook alleen gebeurd door de kracht en genade die God heeft gegeven.

Het hele leven van de psalmist is vanaf zijn jeugd een aaneenschakeling van onderwijzing en vorming door God (vers 1717O God, U hebt mij onderwezen vanaf mijn jeugd
en tot nu toe verkondig ik Uw wonderen.
).
Hij heeft hem geoefend “overeenkomstig zijn levensweg” (Sp 22:66Oefen de jongeman overeenkomstig zijn levensweg,
ook als hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken.
)
. Dit is ook duidelijk van toepassing op de geschiedenis van het volk van God. En kunnen wij het ook niet zeggen met betrekking tot ons eigen leven? Hoe ouder we worden, des te meer stof hebben we om Gods wonderen te verkondigen. Onze hele persoonlijke geschiedenis getuigt van het onderwijs dat de Heer in geduld aan ons heeft gegeven.

De vraag om hem, “nu de ouderdom en grijsheid gekomen is”, niet te verlaten, geeft blijk van het besef dat ook bij het ouder worden Gods bijstand en hulp onontbeerlijk zijn (vers 1818Ja, ook nu de ouderdom en grijsheid gekomen is –
verlaat mij niet, o God,
totdat ik [deze] generatie Uw [sterke] arm verkondigd heb,
alle nakomelingen Uw macht.
)
. Daarom vraagt hij aan God om hem niet te verlaten. Dat doet hij ook omdat hij ziet dat zijn levenstaak nog niet klaar is. Hij is het leven niet zat, maar ziet nog een uitdaging.

Het leven heeft altijd zin, juist ook als we ouder geworden zijn. Dan kunnen we aan de nieuwe generatie die wij zien opkomen, Gods arm, dat wil zeggen Zijn kracht, verkondigen. Aan “alle nakomelingen”, dat zijn alle komende generaties, wil hij Gods macht verkondigen. Dit mag het verlangen van iedere oudere zijn. Hebben wij, als wij oude gelovigen zijn, wel wat door te geven aan ervaringen die wij van de kracht en macht van God hebben opgedaan?

Dit verkondigen geldt ook voor het oude Israël ten opzichte van het nieuwe Israël. Het oude Israël kan getuigen van al Gods daden in hun geschiedenis. Dat zal het nieuwe Israël bemoedigen in hun beproevingen. In de verhouding tussen de oude Naomi en de jonge Ruth zien we daarvan een mooi beeld.


De zekerheid van de verhoring

19Uw gerechtigheid, o God, [reikt] tot in de hoogte,
want U hebt grote dingen gedaan.
O God, wie is aan U gelijk?
20U, Die mij veel benauwdheden en ellende hebt doen zien,
U zult mij weer levend maken en mij weer optrekken
uit de diepe wateren van de aarde.
21U zult mijn aanzien vergroten
en mij omringen met Uw troost.
22Ook ik zal U loven met de luit
[en] Uw trouw [prijzen], mijn God;
ik zal voor U psalmen zingen met de harp,
Heilige van Israël!
23Mijn lippen zullen vrolijk zingen, wanneer ik psalmen voor U zal zingen,
mijn ziel, die U verlost hebt.
24Ja, mijn tong zal de hele dag
Uw gerechtigheid tot uiting brengen,
want zij zijn beschaamd, ja, zij zijn rood van schaamte geworden
wie mijn onheil zoeken.

De psalmist eindigt de psalm met een ode aan de gerechtigheid van God (vers 1919Uw gerechtigheid, o God, [reikt] tot in de hoogte,
want U hebt grote dingen gedaan.
O God, wie is aan U gelijk?
)
. Die gerechtigheid heeft het volk leren kennen, zowel in oordeel over de zonde als in de vervulling van Gods beloften aan Zijn volk. Gods gerechtigheid reikt tot in de hoogte, waar God woont (vgl. Ps 36:66HEERE, Uw goedertierenheid [reikt tot] in de hemel,
Uw trouw tot de wolken.
)
. Zo wordt de aarde met de hemel verbonden. Dit is het gevolg van de “grote dingen” die Hij in Zijn gerechtigheid voor Zijn volk heeft gedaan. Daarvan zijn zij diep onder de indruk. Ze geven daaraan uiting door het vol bewondering tot God uit te roepen: “O God, wie is aan U gelijk?” (vgl. Ex 15:1111       Wie is als U
                        onder de goden, HEERE?
            Wie is als U,
                        verheerlijkt in heiligheid,
            ontzagwekkend in lofzangen,
                        [U] Die wonderen doet?
; 2Sm 7:2222Daarom bent U groot, Heere God, want er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, [zoals blijkt] uit alles wat wij met onze [eigen] oren gehoord hebben.; Ps 35:1010Al mijn beenderen zullen zeggen:
HEERE, wie is aan U gelijk!
U redt de ellendige van wie sterker is dan hij,
en de ellendige en arme van wie hem berooft.
; Js 40:1818Met wie zou u God willen vergelijken,
of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?
; Mi 7:1818Wie is een God als U,
Die de ongerechtigheid vergeeft,
Die voorbijgaat aan de overtreding
van het overblijfsel van Zijn eigendom?
Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn,
want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.
)
.

Ze zijn door de grote verdrukking heen gegaan. Daarin hebben ze “veel benauwdheden en ellende” gezien (vers 2020U, Die mij veel benauwdheden en ellende hebt doen zien,
U zult mij weer levend maken en mij weer optrekken
uit de diepe wateren van de aarde.
)
. Maar zie, dat schrijven ze niet toe aan hun tegenstanders, maar aan Gód. Híj heeft het hun allemaal over hen gebracht en doen zien. Dat bepaalt ook tegelijk de uitkomst, want Hij heeft er een bedoeling mee. Hij wil hun de ervaring van de opstanding geven. Ze worden niet aan de dood overgeleverd, maar levend gemaakt en opgetrokken uit de diepe wateren van de aarde. Het is een dichterlijke beschrijving voor de opstanding uit de dood en het graf. De aanneming van Israël door God na de grote verdrukking is niet anders dan “leven uit [de] doden” (Rm 11:1515Want als hun verwerping [de] verzoening van [de] wereld is, wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit [de] doden?).

Na de herleving van Israël zal het volk groot aanzien genieten in de wereld (vers 2121U zult mijn aanzien vergroten
en mij omringen met Uw troost.
)
. De smaad is veranderd in bewondering. Ze zijn van de staart de kop geworden. Het volk heeft echter ook behoefte aan troost na zoveel ellende en de zware beproevingen waarin ze geweest zijn. Als ze uit de grote verdrukking komen, zal God Zelf de tranen van alle gezichten afwissen (Js 25:88Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,
want de HEERE heeft gesproken.
; vgl. Op 7:1717want het Lam Dat in [het] midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.; 21:44En Hij zal elke traan van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch pijn zal er meer zijn, <want> de eerste dingen zijn voorbijgegaan.)
. Hij zal hen niet alleen troosten, maar met Zijn troost omringen. Zij staan het centrum van Zijn medegevoel. Hij loopt als het ware om hen heen om hen ervan te verzekeren dat Zijn troost compleet is, zonder iets over het hoofd te zien wat vertroosting nodig heeft.

De winter van de grote verdrukking is voorbij, de zangtijd van het vrederijk is aangebroken (vers 2222Ook ik zal U loven met de luit
[en] Uw trouw [prijzen], mijn God;
ik zal voor U psalmen zingen met de harp,
Heilige van Israël!
; Hl 2:11-1211Want zie, de winter is voorbij.
De regen[tijd] is over, [helemaal] voorbijgegaan.
12De bloemen laten zich zien op het land,
de zangtijd is aangebroken,
het koeren van de tortelduif wordt in ons land gehoord.
)
. De muziekinstrumenten begeleiden het gezang. Gods trouw (of waarheid, dit is hetzelfde woord) wordt geprezen. Het is de trouw van “mijn God”, want daardoor zijn ze door die zware tijd heen gekomen. Het bevestigt de waarheid van Zijn belofte, waaraan Hij in Zijn trouw uitvoering heeft gegeven. Daardoor ook zijn ze in de zegen van het vrederijk ingegaan. Daarover zal het overblijfsel psalmen zingen voor God met de harp.

De God Die ze loven en Wiens trouw en waarheid zij prijzen, is de Heilige van Israël. Deze titel komt hier voor de eerste keer in Psalmen voor en hierna nog twee keer (Ps 78:4141Want telkens weer stelden zij God op de proef
en beperkten de Heilige van Israël.
; 89:1919Want ons schild is van de HEERE,
onze koning van de Heilige van Israël.
)
. Het is een titel die de profeet Jesaja graag gebruikt. Hij noemt Hem in zijn boek vijfentwintig keer zo. Zo erkent hier het herstelde Israël Hem. Hij is hun God, de Heilige. Dat heeft Hij bewezen in hun hele geschiedenis, zowel in Zijn oordeel over hun zonden, als in hun verlossing.

Behalve de muziekinstrumenten worden ook de woorden gehoord die het overblijfsel gebruikt om vrolijk voor God psalmen te zingen (vers 2323Mijn lippen zullen vrolijk zingen, wanneer ik psalmen voor U zal zingen,
mijn ziel, die U verlost hebt.
)
. Ze bezingen niet alleen de uiterlijke verlossing van de vijanden, maar ook de verlossing van hun ziel. Dat geldt voor ons in nog hogere mate. Bij ons gaat het niet zozeer om de verlossing van onze vijanden, maar om de behoudenis van de ziel die we nu al mogen genieten (1Pt 1:9-129terwijl u het einde van <uw> geloof ontvangt, [de] behoudenis van [uw] zielen.10Over deze behoudenis hebben profeten onderzocht en nagevorst die van de voor u [bestemde] genade geprofeteerd hebben,11terwijl zij navorsten welke of wat voor tijd de Geest van Christus Die in hen was, aanduidde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat over Christus [zou komen] en van de heerlijkheden daarna.12Aan hen werd geopenbaard dat zij niet voor zichzelf, maar voor u de dingen bedienden die u nu zijn aangekondigd door hen die u het evangelie hebben verkondigd door [de] Heilige Geest Die van [de] hemel is gezonden; dingen waarin engelen begerig zijn een blik te werpen.).

Waar het in de lof uiteindelijk om gaat, is Gods gerechtigheid (vers 2424Ja, mijn tong zal de hele dag
Uw gerechtigheid tot uiting brengen,
want zij zijn beschaamd, ja, zij zijn rood van schaamte geworden
wie mijn onheil zoeken.
)
. De gerechtigheid van God loopt als een rode draad door deze psalm heen. De psalmist gebruikt de uitdrukking vijf keer (verzen 2,15,16,19,242Red mij door Uw gerechtigheid en bevrijd mij,
neig Uw oor tot mij en verlos mij.
15Mijn mond zal van Uw gerechtigheid vertellen,
van Uw heil de hele dag,
hoewel ik de afmetingen [ervan] niet weet.
16Ik zal komen met de machtige daden van de Heere HEERE,
ik zal Uw gerechtigheid in herinnering roepen, de Uwe alleen.
19Uw gerechtigheid, o God, [reikt] tot in de hoogte,
want U hebt grote dingen gedaan.
O God, wie is aan U gelijk?
24Ja, mijn tong zal de hele dag
Uw gerechtigheid tot uiting brengen,
want zij zijn beschaamd, ja, zij zijn rood van schaamte geworden
wie mijn onheil zoeken.
)
. De Godvrezende zal die gerechtigheid met zijn tong de hele dag tot uiting brengen. Daarover kan hij zingen omdat zij die zijn onheil zoeken, door God rechtvaardig geoordeeld en beschaamd zijn.

Zij hebben hun kwade voornemens door Gods bescherming van Zijn gunsteling niet kunnen uitvoeren. Gods tussenkomst ten gunste van de Godvrezende heeft hen rood van schaamte gemaakt. God is Overwinnaar, niet zij. Daar is de Godvrezende zeker van. Hij spreekt erover alsof zijn tegenstanders al beschaamd zijn gemaakt en al schaamrood zijn geworden.

In plaats van dat hij beschaamd is, waarvoor hij aan het begin van de psalm bidt dat dit niet zal gebeuren (vers 11Tot U, HEERE, heb ik de toevlucht genomen;
laat mij niet voor eeuwig beschaamd worden.
)
, zijn zij beschaamd. Dit is kenmerkend voor het geloof dat tijdens de psalm is gegroeid tot een uiting van zekerheid. Zo eindigt de psalm, die is begonnen met een gebed om redding, met een overwinningsroep.


Lees verder