Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-6 Gebed om spoedige hulp
Inleiding

Deze psalm beschrijft het verlangen om door God gered te worden van mensen die de Godvrezende naar het leven staan. Dit is waar van Christus en van het gelovig overblijfsel dat zo spreekt door de Geest van Christus. Door het lijden dat Christus ondergaat, verbindt Hij Zich met het overblijfsel in hun lijden.


Opschrift

1[Een psalm] van David, voor de koorleider, om te doen gedenken.

Het is een psalm van “David”. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.

De uitdrukking “om te doen gedenken” staat ook nog in het opschrift van Psalm 38. De uitdrukking betekent ‘om in gedachtenis te roepen’. Het is een oproep aan God om Zich te herinneren wat Hij in Zijn verbond en Zijn beloften heeft gezegd. God aan iets herinneren is een indirecte vraag om in te grijpen. Het kan ook betekenen dat de gelovige wordt opgeroepen God te gedenken en Hem aan te roepen in zijn nood.


Gebed om spoedige hulp

2Haast U, o God, om mij te redden;
HEERE, [kom] mij [spoedig] te hulp.
3Laat beschaamd en rood van schaamte worden
wie mij naar het leven staan;
laat terugwijken en te schande worden
wie vreugde vinden in mijn onheil.
4Laat als loon voor hun smaad terugkeren
wie zeggen: Haha!
5Laat in U vrolijk en verblijd zijn
allen die U zoeken;
laat wie Uw heil liefhebben, voortdurend zeggen:
Laat God groot gemaakt worden!
6Maar ik ben ellendig en arm;
o God, kom spoedig tot mij.
U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder.
HEERE, wacht niet langer!

De verzen 2-62Haast U, o God, om mij te redden;
HEERE, [kom] mij [spoedig] te hulp.
3Laat beschaamd en rood van schaamte worden
wie mij naar het leven staan;
laat terugwijken en te schande worden
wie vreugde vinden in mijn onheil.
4Laat als loon voor hun smaad terugkeren
wie zeggen: Haha!
5Laat in U vrolijk en verblijd zijn
allen die U zoeken;
laat wie Uw heil liefhebben, voortdurend zeggen:
Laat God groot gemaakt worden!
6Maar ik ben ellendig en arm;
o God, kom spoedig tot mij.
U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder.
HEERE, wacht niet langer!
zijn bijna woordelijk gelijk aan de laatste verzen van Psalm 40 (Ps 40:14-1814Laat het U behagen, HEERE, mij te redden;
HEERE, kom mij spoedig te hulp.
15Laat tezamen beschaamd en rood van schaamte worden
wie mij naar het leven staan om dat te vernielen;
laat terugwijken en te schande worden
wie vreugde vinden in mijn onheil.
16Laat als loon voor hun smaad verwoest worden
wie tegen mij zeggen: Haha!
17Laat in U vrolijk en verblijd zijn
allen die U zoeken;
laat wie Uw heil liefhebben, voortdurend zeggen:
De HEERE is groot!18Ík ben wel ellendig en arm,
[maar] de Heere denkt aan mij.
U bent mijn Helper en mijn Bevrijder;
mijn God, wacht niet langer!
)
. Toch is het geen herhaling in die zin dat deze verzen uit Psalm 40 zouden zijn overgeschreven. De kleine verschillen tussen de beide gedeelten wijzen erop dat David hier in nog grotere nood is en met nog meer aandrang bidt. In Psalm 40 bijvoorbeeld zegt hij tegen de HEERE: “Laat het U behagen, HEERE, mij te redden” (Ps 40:1414Laat het U behagen, HEERE, mij te redden;
HEERE, kom mij spoedig te hulp.
)
, terwijl hij in deze psalm tegen God zegt: “Haast U, o God, om mij te redden” (vers 22Haast U, o God, om mij te redden;
HEERE, [kom] mij [spoedig] te hulp.
)
.

Wij gebruiken trouwens ook vaak dezelfde woorden om iets tegen God te zeggen. Toch is het, als het goed is, geen formele herhaling, maar telkens een nieuwe beleving van de omgang met God. Wij gaan ook regelmatig door dezelfde oefeningen, waarbij we met dezelfde woorden tot God roepen. De Heer Jezus heeft in Gethsémané ook drie keer hetzelfde woord gebeden (Mt 26:4444En Hij verliet hen, ging opnieuw weg en bad voor [de] derde keer, terwijl Hij opnieuw hetzelfde woord sprak.). Tegelijk is er in die gebeden een klimmende vurigheid (Lk 22:4444En terwijl Hij in zware strijd raakte, bad Hij des te vuriger. En Zijn zweet werd als grote bloeddruppels, die op de aarde vielen.>).

Ook de plaats tussen Psalm 69 en Psalm 71 is niet toevallig. In beide psalmen komt de roep tot God om Zijn spoedige hulp voor (Ps 69:1818Verberg Uw aangezicht niet voor Uw dienaar,
want [de angst] benauwt mij; verhoor mij spoedig.
; 71:1212O God, blijf niet ver van mij;
mijn God, kom mij spoedig te hulp.
)
. David begint met een dringend verzoek aan “God” om er haast mee te maken hem te redden. God is de naam van de almachtige God. Hij roept ook tot de “HEERE”. Met die Naam doet hij een beroep op de God van het verbond met Zijn volk om hem spoedig te hulp te komen. Het gaat om Gods beloften aan hem en Zijn volk.

Deze roep tot God om Zich te haasten doet ons misschien wat oneerbiedig aan. Kunnen wij God commanderen? Mogelijk reageren wij zo, omdat wij een dergelijke nood niet zo uit eigen ervaring kennen. David vraagt om Gods spoedige hulp omdat hij in doodsgevaar is (vers 33Laat beschaamd en rood van schaamte worden
wie mij naar het leven staan;
laat terugwijken en te schande worden
wie vreugde vinden in mijn onheil.
)
. Hij wordt naar het leven gestaan. Als God hem uit dit doodsgevaar redt, zullen zij die hem willen doden, beschaamd en rood van schaamte worden. Ze hebben gemeend dat God David heeft opgegeven. David weet dat dit niet zo is. Daarom roept hij tot God.

Hij vraagt of God de mensen die “vreugde vinden” in zijn onheil – wat hun innerlijke boosaardigheid bewijst –, wil laten terugwijken en te schande wil laten worden. Dat doet hij omdat hij God kent. Hij weet dat God zulke lieden nooit zal bijstaan in hun goddeloze pogingen om een rechtvaardige om te brengen. God zal het kwaad dat de Zijnen wordt aangedaan altijd rechtvaardig straffen. Alleen bepaalt Hij ook de tijd daarvoor en dat vergeten wij wel eens.

David vraagt aan God om zijn vervolgers “als loon voor hun smaad” te laten terugkeren (vers 44Laat als loon voor hun smaad terugkeren
wie zeggen: Haha!
)
. Dat wil zeggen dat ze met lege handen terugkeren omdat ze niet in hun opzet zijn geslaagd hem om te brengen. Deze vervolgers zeggen “haha” over het ongeluk dat de rechtvaardige treft. Het is een uiting van leedvermaak en ook van verachting. Dit heeft de Heer Jezus aan het kruis ervaren, waar de omstanders dat ook tegen Hem hebben gezegd (Mk 15:2929En de voorbijgangers lasterden Hem, terwijl zij hun hoofden schudden en zeiden: Ha, U Die het tempelhuis afbreekt en in drie dagen opbouwt,). Wat het overblijfsel wordt aangedaan, voelt Hij mee, want Hij kent het uit eigen ervaring. Hij vereenzelvigt Zich met hen in hun lijden.

Te midden van de nood vraagt David ook aan God om allen die Hem zoeken “vrolijk en verblijd” te laten zijn (vers 55Laat in U vrolijk en verblijd zijn
allen die U zoeken;
laat wie Uw heil liefhebben, voortdurend zeggen:
Laat God groot gemaakt worden!
)
. Hij weet dat dit het resultaat is van de bevrijding door God. Het gaat om vrolijk en verblijd zijn in God. Er zijn veel dingen die ons vrolijk en blij maken. We mogen blij zijn over alles wat God ons geeft. Maar hier gaat het om blijdschap in God. Daarbij denkt de gelovige niet alleen aan zichzelf, maar aan “allen” die Hem zoeken. Dit is de hoogste en volkomen blijdschap (vgl. 1Jh 1:3-43wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u, opdat ook u met ons gemeenschap hebt. En onze gemeenschap nu is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.4En deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is.).

Het is het gevolg van het heil of de behoudenis van God. Het gelovig overblijfsel ziet daarnaar uit en heeft die lief. Paulus spreekt in dit verband over het liefhebben van de verschijning van de Heer Jezus. Daaraan is een speciale kroon verbonden, die niet alleen voor hem is, maar voor allen die Zijn verschijning liefhebben (2Tm 4:88Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook <allen> die Zijn verschijning hebben lief gekregen.).

De verschijning van de Heer Jezus luidt Gods heil of behoudenis van het vrederijk in. Daar is aan alle nood een einde gekomen en wordt de volle zegen, de volle blijdschap in God, genoten door allen die aan die behoudenis deelhebben. Zij zullen “voortdurend”, onophoudelijk God groot maken voor Zijn behoudenis.

Zover is het echter nog niet. “Maar”, zo zegt David, en in hem het overblijfsel in de eindtijd, ”ik ben ellendig en arm” (vers 66Maar ik ben ellendig en arm;
o God, kom spoedig tot mij.
U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder.
HEERE, wacht niet langer!
)
. Hij is wel Gods gezalfde koning, maar is in een situatie dat hij in levensgevaar is. Er is bij hem geen enkele aanmatiging op zijn positie. Zo is ook ons leven nu. Wij zijn een koningschap, we zullen met Christus mogen heersen, maar nu moeten wij nog een weg van geloof gaan, waaraan vaak lijden verbonden is.

David eindigt de psalm zoals hij hem is begonnen, met de dringende bede tot God om spoedig tot hem te komen. Hij is gedurende zijn roep om hulp gegroeid in zijn vertrouwen. In het begin heeft hij gevraagd of God hem spoedig te hulp wil komen. Daarbij staat de nood voorop. Nu vraagt hij niet om hulp, maar om de Helper en Bevrijder Zelf, Die hij “mijn Hulp” en “mijn Bevrijder” noemt. Hij heeft een persoonlijke relatie met Hem.

Vanuit die persoonlijke relatie bidt hij nog indringender tot de “HEERE” om niet langer te wachten. Een persoonlijke, levende relatie met de God van het verbond geeft grote vrijmoedigheid om God te smeken snel in te grijpen en te bevrijden uit de omstandigheden die zijn leven bedreigen.


Lees verder