Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-6 Gebed in nood 7-13 Klacht 14-19 Gebed om redding 20-22 Gebroken en verzwakt 23-30 Gebed om oordeel 31-37 Lofgezang voor Gods Naam
Inleiding

Direct na de psalm van de terugkeer van de Heer Jezus naar de hemel (Ps 68:1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
)
, volgt de psalm die gaat over de Heer Jezus in Zijn lijden (Psalm 69). Elke climax is alleen mogelijk vanwege de vernedering van Christus. Alle zegeningen die in de voorgaande psalmen beschreven worden, zijn het gevolg van het lijden van de Messias dat in deze psalm wordt beschreven.

In het lijden van de Messias is grotendeels ook het lijden van het gelovig overblijfsel in de eindtijd vervat. In alle psalmen waarin het lijden van het overblijfsel wordt beschreven, horen we de Geest van Christus.


Opschrift

1[Een psalm] van David, voor de koorleider, op ‘De lelies’.

Het is een psalm “van David”. Dit wordt Romeinen 11 ook gezegd. Daar worden de verzen 23-2423Laat hun tafel voor hen tot een strik worden
en voor hun gasten tot een val.
24Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien;
doe hun heupen voortdurend wankelen.
van deze psalm aangehaald, waarbij het citaat wordt voorafgegaan door de vermelding “David zegt” (Rm 11:9-109En David zegt: ‘Laat hun tafel hun tot een strik, tot een vangnet, tot een aanleiding tot vallen en tot een vergelding worden;10laten hun ogen verduisterd worden om niet te kijken en laat hun rug voor altijd krom zijn’.). David is de spreker, maar de woorden zijn van Hem Die veel groter is dan hij, dat is Christus. Hij is zijn Zoon en tevens zijn Heer (Mt 22:42-4542Wat denkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Van David.43Hij zei tot hen: Hoe noemt David Hem dan in [de] Geest ‘Heer’, als hij zegt:44‘[De] Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden onder Uw voeten stel’?45Als dan David Hem ‘Heer’ noemt, hoe is Hij zijn Zoon?).

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. Voor “op ‘De lelies’” zie bij Psalm 45:1.


Gebed in nood

2Verlos mij, o God,
want het water is tot aan de ziel gekomen.
3Ik ben gezonken in bodemloze modder,
waarin men niet kan staan;
ik ben gekomen in de waterdiepten
en de vloed overspoelt mij.
4Ik ben moe van mijn roepen,
mijn keel is ontstoken;
mijn ogen zijn bezweken,
omdat ik steeds hoop op mijn God.
5Wie mij zonder reden haten,
zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd;
wie mij willen ombrengen en om valse redenen mijn vijand zijn,
zijn machtig geworden;
wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven.
6O God, Ú weet van mijn dwaasheid,
mijn schulden zijn voor U niet verborgen.

De Messias is in diep lijden en roept tot God om Hem te verlossen (vers 22Verlos mij, o God,
want het water is tot aan de ziel gekomen.
)
. Hij roept het uit dat “het water … tot aan de ziel gekomen” is. Dit betekent dat Hij dreigt te verdrinken. De nood is buitengewoon groot. Hij zakt steeds dieper weg in de modder, want er is geen bodem (vers 33Ik ben gezonken in bodemloze modder,
waarin men niet kan staan;
ik ben gekomen in de waterdiepten
en de vloed overspoelt mij.
; vgl. Jr 38:66Zij namen Jeremia mee en wierpen hem in de put van Malkia, de zoon van de koning, die op het binnenplein van de wacht was, en zij lieten Jeremia met touwen neer. Nu was er geen water in de put, maar [wel] slijk. In dat slijk zakte Jeremia weg.)
. Modder stinkt en maakt vies.

Zijn lijden is zo hevig, dat hij het uitroept dat Hij “in de waterdiepten” is gekomen en dat de vloed ervan Hem overspoelt (vgl. Jn 2:55Water omving mij, bedreigde mijn leven,
de watervloed omving mij.
Zeewier was om mijn hoofd gebonden.
)
. Zo heeft Hij de vijandschap van de mensen tegen Zich ervaren. Dit is ook de ervaring van het overblijfsel in de eindtijd. Zij lijden enorm vanwege de vijanden van buiten en de antichrist met zijn volgelingen vanbinnen.

Christus heeft voortdurend tot God geroepen (vgl. Ps 22:33Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.
)
en is daar moe van geworden (vers 44Ik ben moe van mijn roepen,
mijn keel is ontstoken;
mijn ogen zijn bezweken,
omdat ik steeds hoop op mijn God.
)
. Zijn keel is ontstoken, zodat Hij niet meer kan roepen. Hij heeft geen stem meer. Ook Zijn “ogen zijn bezweken”. Steeds hoopt Hij op God, Hij kijkt smekend naar Hem met in Zijn ogen de roep om hulp.

Zijn vijanden zijn mensen die Hem “zonder reden haten” (vers 55Wie mij zonder reden haten,
zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd;
wie mij willen ombrengen en om valse redenen mijn vijand zijn,
zijn machtig geworden;
wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven.
)
. De Heer Jezus haalt dit woord aan in Zijn onderwijs aan de discipelen over Zijn verwerping (Jh 15:2525Maar het woord moet worden vervuld dat in hun wet geschreven staat:’ Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat’.). De vervulling van dit woord is een bewijs dat het in deze psalm in de eerste plaats over Christus gaat en dat Zijn tijdgenoten Hem bewust hebben verworpen.

Er is immers geen enkele aanleiding voor het haten van Hem. Hij is altijd in liefde en genade en goedheid onder hen geweest. Hij heeft woorden van genade gesproken en daden van genade gedaan. Toch hebben zij Hem gehaat. Het bewijst de boosheid van het hart van de mens en de waarheid van Gods Woord.

Hij heeft altijd het goede voor hen gezocht en gedaan, maar Hij heeft haat ontvangen voor de liefde die Hij heeft gegeven. Het aantal vijanden is “talrijker dan de haren van Mijn hoofd”, zo klaagt Hij. De bedoeling van Zijn vijanden is ook duidelijk: zij willen Hem ombrengen. De redenen daarvoor zijn vals, gezocht, verzonnen vanwege eigen voordeel. Hoe verhard is een mens die God, Die Zich in genade en goedheid aan hem openbaart, verwerpt.

Zijn vijanden zijn niet alleen talrijk maar ook machtig geworden. Zij hebben Hem in hun macht. Dit kan alleen omdat Gods tijd daarvoor is gekomen. Dat doet echter niets af van de gevoelens van het leed waardoor de Messias wordt getroffen. Maar wat Hem het meest aangrijpt, is dat Hij moet teruggeven wat Hij niet heeft geroofd.

Hiermee bedoelt de Heer Jezus de eer die de mens door de zonde van God heeft geroofd. Hij moet die eer aan God teruggeven. Dat heeft Hij ook gedaan. Hij heeft God volkomen geëerd op de plaats, dat is op aarde, waar de mens God zo diep heeft onteerd (Jh 8:4949Jezus antwoordde: Ik heb geen demon, maar Ik eer Mijn Vader en u onteert Mij.).

Hij heeft als het ware Schuldoffer God ook méér teruggegeven dan de mens Hem heeft ontroofd (Lv 5:1616Zo moet hij het heilige waartegen hij gezondigd heeft, vergoeden en er een vijfde [deel] aan toevoegen. Hij moet dat aan de priester geven. Zo zal de priester met de ram van het schuldoffer verzoening voor hem doen, en het zal hem vergeven worden.). Christus heeft in Zijn leven Gods eer in alle dingen gehandhaafd. Maar op het kruis heeft Hij God verheerlijkt in alles wat God is. Daardoor kan God niet alleen zonden vergeven, maar ook grotere zegeningen aan de mens geven dat hij door de zonde heeft verspeeld.

Hij spreekt er tot God over dat God van Zijn dwaasheid weet en dat Zijn schulden niet voor Hem verborgen zijn (vers 66O God, Ú weet van mijn dwaasheid,
mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
)
. Wat de Heer Jezus hier zegt, slaat op het feit dat Hij de zonden op Zich neemt van ieder die in Hem gelooft. Hij vereenzelvigt zich hier met de zonden. Dat noemt Hij “Mijn dwaasheid”. Hij, Die Zelf de zondeloze en schuldloze Mens is, Die geen zonde heeft gedaan, spreekt hier over “Mijn schulden” die voor God niet verborgen zijn.

Dit is werkelijke plaatsvervanging. Hij doet niet alsof, maar maakt werkelijk de schulden van berouwvolle zondaars tot de Zijne. Daarbij zegt Hij dat ze voor God niet verborgen zijn. Dit betekent dat Hij ze voor God belijdt en daarvoor door God wordt geoordeeld.

Hij heeft niet de zonden van de hele wereld gedragen, Hij heeft niet de schulden van alle mensen beleden. Hij heeft alleen de zonden gedragen van hen die in Hem geloven en alleen de zonden beleden van hen die erkennen dat ze schuldig staan voor God. God kent de zonden van allen voor wie Christus aan het kruis heeft geleden. Hij heeft ze daar in Hem geoordeeld, zodat zij vrij van het oordeel zijn.


Klacht

7Laat door mij niet beschaamd worden
wie U verwachten, Heere, HEERE van de legermachten;
laat door mij niet te schande worden
wie U zoeken, o God van Israël.
8Want ter wille van U draag ik smaad,
schande heeft mijn gezicht bedekt.
9Een vreemde ben ik geworden voor mijn broeders,
een onbekende voor de kinderen van mijn moeder.
10Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd;
al de smaad van wie U smaden, is op mij gevallen.
11Ik weende, terwijl mijn ziel vastte,
maar het werd mij tot allerlei smaad.
12Ik deed een rouwgewaad aan als mijn kleed,
maar ik werd hun tot een spreekwoord.
13Wie in de poort zitten, praten over mij,
ik ben een spotlied van wie sterkedrank drinken.

Terwijl de Heer Jezus in het diepste lijden is, denkt Hij toch aan anderen (vers 77Laat door mij niet beschaamd worden
wie U verwachten, Heere, HEERE van de legermachten;
laat door mij niet te schande worden
wie U zoeken, o God van Israël.
)
. Hij vraagt aan God dat anderen door Zijn lijden toch niet beschaamd zullen worden in hun vertrouwen op God. Hij heeft altijd Zijn hulp van God verwacht en ondergaat ondanks dat nu een groot en diep lijden. Wat voor invloed zal dat hebben op hen die ook hun hulp van de “Heere, HEERE van de legermachten” verwachten?

Door het lijden dat de Heer Jezus ondergaat, kan het lijken alsof het zoeken van de “God van Israël” nutteloos is. Hij vraagt daarom aan God dat door Hem, door Zijn lijden, wie God zoeken niet te schande worden. Dit vraagt Hij omdat Hij ondanks Zijn huidige lijden en de schijnbare afwezigheid van God toch volledig op God vertrouwt.

Zijn lijden is niet zinloos, maar geeft een voorbeeld van vertrouwen op God juist in het diepste lijden. Het lijden dat Hij ondergaat, heeft een aanleiding en een doel. De aanleiding ervan is de zonde die in de wereld is gekomen, waardoor God is onteerd. Het doel ervan is dat God de eer terugkrijgt die Hem door de zonde van de mens is ontroofd. Alleen als we dat zien, is er volharding in vertrouwen op God. Daarin wordt God verheerlijkt. Het bewustzijn van deze twee aspecten zal het overblijfsel in de eindtijd staande houden.

Het lijden dat de Heer Jezus ondergaat, ondergaat Hij ter wille van God (vers 88Want ter wille van U draag ik smaad,
schande heeft mijn gezicht bedekt.
)
. Hij verbindt alles wat Hem overkomt met God. De smaad die God wordt aangedaan, draagt Hij. De schande die over God wordt gesproken, bedekt Zijn gezicht.

Zijn volledige identificatie met God in wat zondige mensen Hem aandoen, heeft een diepe verwijdering tussen hem en Zijn broeders veroorzaakt (vers 99Een vreemde ben ik geworden voor mijn broeders,
een onbekende voor de kinderen van mijn moeder.
; vgl. Mk 3:2121En toen Zijn verwanten dit hoorden, gingen zij heen om Hem te grijpen, want zij zeiden: Hij is buiten Zichzelf.; Jh 7:3-93Zijn broers dan zeiden tot Hem: Vertrek van hier en ga naar Judéa, opdat ook Uw discipelen Uw werken aanschouwen die U doet;4want niemand doet iets in [het] verborgen en tracht zelf openlijk [bekend] te zijn. Als U deze dingen doet, openbaar Uzelf dan aan de wereld.5Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem.6Jezus dan zei tot hen: Mijn tijd is nog niet aangebroken; maar uw tijd is altijd bereid.7De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken boos zijn.8Gaat u op naar het feest, Ik ga <nog> niet op naar dit feest, omdat Mijn tijd nog niet is vervuld.9En nadat Hij dit tot hen had gezegd, bleef Hijzelf in Galiléa.)
. Hij is een vreemde voor hen geworden. Hij hoort niet bij Zijn familie. Ze kennen Hem niet eens meer. Hij is een “onbekende voor de kinderen van mijn moeder geworden”. Hieruit spreekt grote eenzaamheid.

Wat de Heer allemaal aan leed is aangedaan, vloeit voort uit Zijn ijver voor Gods huis (vers 1010Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd;
al de smaad van wie U smaden, is op mij gevallen.
)
. Hij heeft Zich met al Zijn energie ingezet voor Gods woonplaats op aarde. Het is de plaats waar God met Zijn volk wil samenkomen en met hen gemeenschap wil hebben. Die plaats moet volledig beantwoorden aan Zijn heiligheid. Daarvoor heeft de Heer Jezus gewerkt met een ijver die Hem heeft verteerd, een ijver die Hem alles heeft gekost (Jh 2:1717Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: ’De ijver voor Uw huis zal Mij verteren’.).

Gods volk heeft dat huis gemaakt tot een huis van koophandel. Daarmee hebben zij God gesmaad. De Heer Jezus spreekt over “al de smaad” waarmee God is gesmaad. Die smaad is Hem op vele manieren en telkens weer aangedaan. Het toont aan hoe diep God erdoor is gegriefd. Al die smaad is op de Heer Jezus gevallen. Het is opnieuw die vereenzelviging van Hem met God.

Dit heeft ook een praktische toepassing voor ons. Dat leren we van Paulus in de brief aan de Romeinen, in een gedeelte waarin hij tegen ons zegt dat wij niet onszelf moeten behagen, maar de naaste, ten goede (Rm 15:1-31Maar wij die sterk zijn, behoren de zwakheden van de niet-sterken te dragen en niet onszelf te behagen.2Laat ieder van ons de naaste behagen ten goede, tot opbouwing.3Want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar zoals geschreven staat: ‘De smaadheden van hen die U smaden, zijn op Mij gevallen’.). Hij stelt daarbij Christus als voorbeeld voor ons en citeert dan dit vers (Ps 69:10b10Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd;
al de smaad van wie U smaden, is op mij gevallen.
)
. Christus heeft in Zijn hele leven de eer van God op het oog gehad. Dáárvoor leefde Hij en niet voor Zichzelf.

Hij was zó volkomen in Zijn omgang met God, dat Hij de smaad waarmee God werd gesmaad, als Zijn eigen smaad voelde. Zijn voorbeeld geeft ons de kracht om het gevraagde te doen: het dragen van de zwakheden van de anderen en het behagen van de naaste ten goede.

Christus heeft die smaad dieper gevoeld dan wij ooit in staat zijn te voelen. Het heeft Hem tot tranen toe bewogen, Hij heeft erom gehuild (vers 1111Ik weende, terwijl mijn ziel vastte,
maar het werd mij tot allerlei smaad.
)
. Het verdriet over die situatie is samengegaan met het vasten van Zijn ziel. Zijn tranen en Zijn vasten hebben echter geen medelijden en nog minder zelfoordeel bij het volk opgeroepen, maar Hem “allerlei smaad” opgeleverd.

Het rouwgewaad dat Hij als Zijn kleed heeft aangedaan, heeft de gevoelens van Zijn hart zichtbaar gemaakt (vers 1212Ik deed een rouwgewaad aan als mijn kleed,
maar ik werd hun tot een spreekwoord.
)
. Maar ook dat heeft Hem geen bijval opgeleverd voor Zijn verdriet over de oneer die God is aangedaan. Integendeel, ze hebben in hun hoon van Zijn verschijning in het rouwgewaad een spreekwoord gemaakt.

Niet alleen het gewone volk heeft Hem veracht. Hij is het gesprek van de dag geweest van hen die “in de poort zitten” (vers 1313Wie in de poort zitten, praten over mij,
ik ben een spotlied van wie sterkedrank drinken.
)
. Dit zijn de aanzienlijken en rechters van het volk, de bovenlaag van de bevolking (Jz 20:44Als hij naar een van die steden vlucht, moet hij bij de ingang van de stadspoort gaan staan en zijn woorden spreken ten aanhoren van de oudsten van die stad. Vervolgens moeten zij hem bij zich in de stad opnemen en hem een plaats geven, zodat hij bij hen kan wonen.; Ru 4:1-21Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.2En hij haalde tien mannen uit de oudsten van de stad, en zei: Gaat u hier zitten. En zij gingen zitten.; Kl 5:1414De oudsten ontbreken bij de poort,
jongemannen [staken] hun snarenspel.
)
. Ook de onderlaag van de bevolking, de dronkaards, de mensen die zichzelf niet onder controle hebben, heeft zich met Hem vermaakt. Ze hebben lallend een spotlied over Hem gezongen. Alles wat Hij voor Zijn God heeft gedaan, alles waaronder Hij gebukt is gegaan, is door het volk van hoog tot laag met verachting en spot beantwoord (vgl. Kl 3:1414Ik ben belachelijk geworden voor heel mijn volk, /he/
[het onderwerp van] hun spotlied, de hele dag.
)
.


Gebed om redding

14Maar wat mij betreft, mijn gebed richt zich tot U, HEERE;
er is een tijd van welbehagen, o God,
vanwege Uw grote goedertierenheid;
verhoor mij in de trouw van Uw heil.
15Ontruk mij aan het slijk en laat mij niet wegzinken,
laat mij gered worden van wie mij haten,
en uit de waterdiepten.
16Laat de watervloed mij niet overspoelen,
de diepte mij niet verslinden,
de put zijn mond boven mij niet sluiten.
17Verhoor mij, HEERE, want Uw goedertierenheid is rijk;
zie mij aan naar Uw grote barmhartigheid.
18Verberg Uw aangezicht niet voor Uw dienaar,
want [de angst] benauwt mij; verhoor mij spoedig.
19Nader tot mijn ziel, bevrijd haar;
verlos mij omwille van mijn vijanden.

Wat Hem Zelf betreft, richt de Heer Jezus Zich in al Zijn nood in het gebed tot de HEERE, Zijn God (vers 1414Maar wat mij betreft, mijn gebed richt zich tot U, HEERE;
er is een tijd van welbehagen, o God,
vanwege Uw grote goedertierenheid;
verhoor mij in de trouw van Uw heil.
)
. Hij weet dat er “een tijd van welbehagen” is (vgl. Js 49:88Zo zegt de HEERE:
In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord,
en op de dag van het heil heb Ik U geholpen.
Ik zal U beschermen en U geven tot een Verbond voor het volk,
om de aarde [weer] op te richten,
om de verwoeste erfelijke bezittingen te ontvangen,
; 2Ko 6:22(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik U verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik U geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis),)
. Daar ziet Hij naar uit. Die tijd komt “vanwege” de “grote goedertierenheid” van God. Die goedertierenheid kent Hij en daar rekent Hij op. Hij vraagt om de verhoring van Zijn gebed omdat Hij “de trouw” van Gods heil of behoudenis kent. We kunnen hier denken aan Zijn gebed in Gethsémané. Wat Hij verder zegt, doet daar ook aan denken.

De Heer Jezus ziet Zich in “het slijk” van de zonde waardoor Hij Zich omgeven voelt (vers 1515Ontruk mij aan het slijk en laat mij niet wegzinken,
laat mij gered worden van wie mij haten,
en uit de waterdiepten.
)
. Hij vraagt aan God om Hem daaraan te ontrukken. De redding waar Hij om vraagt, betreft twee vormen van lijden die Hij ondergaat. Hij vraagt eerst om gered te worden van hen die Hem haten. Daarna vraagt Hij om gered te worden “uit de waterdiepten”.

Dit tweede lijden is het grootst. Hij geeft in drie vormen van beeldspraak uiting aan de enorme zwaarte en diepte van het lijden (vers 1616Laat de watervloed mij niet overspoelen,
de diepte mij niet verslinden,
de put zijn mond boven mij niet sluiten.
)
. Hij spreekt over “de watervloed” dat die Hem niet zal “overspoelen”. Vervolgens spreekt Hij over “de diepte” dat die Hem niet zal “verslinden”. Ten slotte spreekt Hij over “de put” dat die zijn mond niet boven hem zal “sluiten”.

Het zijn drie uitingen die aangeven hoe zwaar Hij het oordeel van God ziet over de zonden die God op Hem zal leggenen die Hij op Zich neemt. Hij verdrinkt erin, wordt erdoor verslonden en afgesloten van de gemeenschap met God. Hij ziet het einde van Zijn leven op aarde voor Zich, verstoten van het leven voor Gods aangezicht. Als trouwe Godvrezende Jood is die gedachte voor Hem afschuwelijk. Zijn enige verlangen is altijd geweest met en voor God te leven. Dat daaraan een einde komt en dat op zo’n dramatische wijze, vervult Hem met afschuw.

Dit brengt Hem tot een hernieuwd vragen om de verhoring van Zijn gebed (vers 1717Verhoor mij, HEERE, want Uw goedertierenheid is rijk;
zie mij aan naar Uw grote barmhartigheid.
)
. Hij vraagt erom in de overtuiging van de rijkdom van Gods “goedertierenheid”. Zo vraagt Hij er ook om dat God Hem zal aanzien omdat Hij de grootheid van Gods “barmhartigheid” kent. Gods rijke goedertierenheid en grote barmhartigheid zijn de basis van Zijn gebed.

Hij herinnert God eraan dat Hij Zijn “dienaar” is (vers 1818Verberg Uw aangezicht niet voor Uw dienaar,
want [de angst] benauwt mij; verhoor mij spoedig.
)
. Hij heeft Hem altijd onvoorwaardelijk en met niet aflatende trouw gediend. Dan kan God Zijn aangezicht toch niet voor Hem verbergen? De angst daarvoor benauwt Hem. Hij kan niet leven buiten de tegenwoordigheid van God. Daarom smeekt Hij God Hem toch spoedig te verhoren.

De verhoring van Zijn gebed ziet Hij daarin dat God tot Zijn ziel nadert (vers 1919Nader tot mijn ziel, bevrijd haar;
verlos mij omwille van mijn vijanden.
)
. Als Hij dat ervaart, als God bij Hem komt, vindt er bevrijding plaats. Geen macht kan in de tegenwoordigheid van God standhouden. Hij vraagt om verlossing omwille van Zijn vijanden. Hij wil niet dat zij zullen denken dat God niet in staat is Hem van de dreigende ondergang te verlossen. Hij denkt ook hier aan de eer van God.


Gebroken en verzwakt

20Ú kent mijn smaad en mijn schaamte en mijn schande;
allen die mij benauwen, zijn U bekend.
21Smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben zeer zwak;
ik heb gewacht op medeleven, maar het is er niet,
op troosters, maar ik heb ze niet gevonden.
22Ja, zij hebben mij gal als mijn voedsel gegeven,
in mijn dorst hebben zij mij zure wijn laten drinken.

Zijn vijanden beoordelen Zijn lijden totaal verkeerd. Maar Hij weet dat Gód Zijn smaad, Zijn schaamte en Zijn schande kent (vers 2020Ú kent mijn smaad en mijn schaamte en mijn schande;
allen die mij benauwen, zijn U bekend.
)
. God weet dat de oorzaak ervan is Zijn opkomen voor de eer van God. God weet ook precies wie het zijn die Hem benauwen door Hem vals te beschuldigen en Hem te bespotten. Dit geeft Hem rust in Zijn verhouding tot God. Hij kan het overgeven aan Hem Die rechtvaardig oordeelt (1Pt 2:23b23Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;).

Dat neemt niet weg dat alles wat mensen Hem hebben aangedaan, Zijn hart heeft gebroken en Hem zeer heeft verzwakt (vers 2121Smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben zeer zwak;
ik heb gewacht op medeleven, maar het is er niet,
op troosters, maar ik heb ze niet gevonden.
).
Hij is niet ongevoelig voor wat mensen Hem aandoen. Hij is ook niet ongevoelig voor wat mensen nalaten Hem te geven. Zo heeft Hij gewacht “op medeleven” en “op troosters”. Zijn conclusie is aangrijpend: het medeleven “is er niet” en de troosters heeft hij “niet gevonden”.

Het is er niet bij Zijn vijanden, maar ook niet bij Zijn discipelen. Als Hij bij de instelling van het avondmaal over Zijn aanstaande lijden spreekt, maken zij er ruzie over wie van hen de meeste is (Lk 22:19-2419En Hij nam brood en nadat Hij had gedankt, brak Hij het en gaf het hun en zei: Dit is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot Mijn gedachtenis.20Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.21Evenwel, zie, de hand van hem die Mij overlevert, is met Mij aan de tafel.22Want de Zoon des mensen gaat wel heen zoals bepaald is; wee evenwel die mens door wie Hij wordt overgeleverd.23En zij begonnen onder elkaar zich af te vragen wie van hen het toch kon zijn die dat zou doen.24En er ontstond ook strijd onder hen, wie van hen wel [de] grootste mocht zijn.). In Gethsémané is Hij in zware strijd over het werk dat voor Hem ligt. Hij heeft aan de drie discipelen die bij Hem zijn gevraagd met Hem te waken, maar zij vallen in slaap (Mt 26:37-4037En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mee en begon bedroefd en zeer beangst te worden.38Toen zei Hij tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd tot [de] dood toe; blijft hier en waakt met Mij.39En Hij ging iets verder, viel op Zijn aangezicht en bad aldus: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker Mij voorbijgaan; echter niet zoals Ik wil, maar zoals U [wilt].40En Hij kwam bij de discipelen en vond hen in slaap, en Hij zei tot Petrus: Je was dus niet in staat één uur met Mij te waken?). Wat een diepe teleurstelling voor Hem!

Zijn vijanden hebben Hem wat anders gegeven (vers 2222Ja, zij hebben mij gal als mijn voedsel gegeven,
in mijn dorst hebben zij mij zure wijn laten drinken.
; Mt 27:34,4834gaven zij Hem wijn met gal gemengd te drinken; en toen Hij die had geproefd, wilde Hij niet drinken.48En terstond liep een van hen snel toe en nam een spons, vulde die met zure wijn, stak ze op een rietstok en gaf Hem te drinken.)
. Bittere gal als voedsel aan iemand geven is wel een heel gemene manier om iemands honger te stillen. Hetzelfde geldt voor het geven van zure wijn aan iemand die versmacht van dorst. Zo hebben ze in plaats van het bieden van medeleven en troost, een soort eten en drinken aangeboden die Zijn lijden hebben vergroot.


Gebed om oordeel

23Laat hun tafel voor hen tot een strik worden
en voor hun gasten tot een val.
24Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien;
doe hun heupen voortdurend wankelen.
25Stort over hen Uw gramschap uit,
laat Uw brandende toorn hen treffen.
26Laat hun tentenkamp verwoest worden,
in hun tenten geen bewoner zijn.
27Want wie Ú geslagen hebt, vervolgen zij,
en zij spreken spottend over de smart van wie U verwondde.
28Voeg misdaad bij hun misdaad,
laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
29Laat hen uitgewist worden uit het boek des levens,
laat hen bij de rechtvaardigen niet opgeschreven worden.
30Ik echter ben ellendig en lijd pijn;
laat Uw heil, o God, mij in een veilige vesting zetten.

Het lijden dat mensen, en vooral Gods volk, de Heer Jezus hebben aangedaan, heeft hun zonden tot aan de hemel doen rijzen. Het toont de volkomen verharding van de mens. Daarover kan alleen de rechtvaardige vergelding van God in Zijn oordeel komen. Daar vraagt de Heer Jezus om (vers 2323Laat hun tafel voor hen tot een strik worden
en voor hun gasten tot een val.
).
Het betreft hier in het bijzonder het oordeel over het aardse volk van God. Dat leren we van Paulus die de verzen 23-2423Laat hun tafel voor hen tot een strik worden
en voor hun gasten tot een val.
24Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien;
doe hun heupen voortdurend wankelen.
toepast op Gods volk als bewijs van het oordeel van verharding dat God over ‘de overigen’ van het volk brengt (Rm 11:7-107Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar de uitverkorenen hebben het verkregen; en de overigen zijn verhard,8zoals geschreven staat: ‘God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap, ogen om niet te kijken en oren om niet te horen, tot op de dag van heden’.9En David zegt: ‘Laat hun tafel hun tot een strik, tot een vangnet, tot een aanleiding tot vallen en tot een vergelding worden;10laten hun ogen verduisterd worden om niet te kijken en laat hun rug voor altijd krom zijn’.). ‘De overigen’ zijn de afvallige massa van Gods volk.

Dat de Heer Jezus dit vraagt, is niet in strijd met Zijn gebed tot Zijn Vader om hun de zonde van Zijn verwerping niet toe te rekenen. Dat gebed betreft hen die niet weten wat zij doen (Lk 23:34a34<Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.> En om Zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover.). Zij krijgen de kans zich nog te bekeren. Hier betreft het verharde vijanden, mensen die van geen bekering willen weten. In de eindtijd zijn dat de antichrist en zijn volgelingen, ofwel het afvallige Israël.

Deze mensen hebben “hun tafel”. Het betreft hier het altaar in de tempel, dat ook de tafel van de HEERE wordt genoemd (Ml 1:7,127[Doordat] u onrein brood op Mijn altaar brengt. En u zegt: Waardoor maken wij U onrein? Doordat u zegt: De tafel van de HEERE, die is verachtelijk.12Maar u ontheiligt hem, wanneer u zegt: De tafel van de Heere, die is onrein, en wat zij oplevert, haar voedsel, is verachtelijk.). Die tafel wordt hier echter ‘hun tafel’ genoemd. Het is ermee als met de feesten van de HEERE die later ook feesten van de Joden worden genoemd (Jh 6:44En het Pascha, het feest van de Joden, was nabij.; 7:22Nu was het feest van de Joden, het Loofhuttenfeest, nabij.). De tafel is een symbool van gemeenschap (1Ko 10:18-2118Kijkt u naar Israël naar [het] vlees. Hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar?19Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is?20[Nee], maar dat wat <de volken> offeren, zij dat aan [de] demonen <offeren> en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen.21U kunt niet [de] drinkbeker van [de] Heer drinken en [de] drinkbeker van [de] demonen; u kunt niet deelnemen aan [de] tafel van [de] Heer en aan [de] tafel van [de] demonen.). De tafel van de Heer is het symbool voor gemeenschap van de gelovigen met Hem en met elkaar. ‘Hun tafel’ is het symbool voor een gemeenschap van afvalligen. Het is een tafel van demonen, waar demonen de dienst uitmaken.

Die gemeenschap zal “voor hen tot een strik worden”. “Hun gasten” zijn allen die zich bij hen aansluiten in hun opstand tegen God en Zijn Christus. Voor hen wordt die tafel “tot een val”. Dit is historisch in het jaar 70 gebeurd, bij de verwoesting van de tempel waarbij honderdduizenden Joden zijn afgeslacht door de Romeinen. Dit zal opnieuw gebeuren in de eindtijd als de Assyriërs Jeruzalem veroveren en de afvallige Joden massaal afslachten.

Wie zich volhardend tegen God en Zijn Christus verzet, zal alle licht op de dingen van God worden ontnomen (vers 2424Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien;
doe hun heupen voortdurend wankelen.
).
Ze zullen het licht nooit meer zien. Aan “hun heupen” zal de kracht worden ontnomen, wat tot gevolg heeft dat ze “voortdurend wankelen”. Ze zullen als dronken mensen hun weg gaan.

God moet Zijn gramschap over hen uitstorten en hen treffen met Zijn brandende toorn (vers 2525Stort over hen Uw gramschap uit,
laat Uw brandende toorn hen treffen.
)
. Dit is wat zij verdienen vanwege hun houding en opstelling tegen alles wat van God is.

Ze moeten niet alleen persoonlijk door het oordeel worden getroffen, maar ook hun hele leefomgeving (vers 2626Laat hun tentenkamp verwoest worden,
in hun tenten geen bewoner zijn.
)
. “Hun tentenkamp” ziet op het milieu waartoe ze behoren, wij zouden zeggen de wijk waar ze zijn opgegroeid en wonen. “Hun tenten” ziet op hun eigen woningen. Het is allemaal vergiftigd, want de duivel heeft het er voor het zeggen en zij laten zich door hem gezeggen op alle terreinen van hun leven.

We zien dit in volkomen vorm in Judas, de verrader van de Heer. Dit vers wordt door Petrus onder de leiding van de Heilige Geest op hem toegepast (Hd 1:16,2016Mannen broeders, het Schriftwoord moest vervuld worden, dat de Heilige Geest door [de] mond van David tevoren heeft gezegd over Judas, die de leidsman is geweest van hen die Jezus gevangennamen;20Want er staat geschreven in [het] boek van [de] Psalmen: ‘Laat zijn woonplaats woest worden en laat er niemand zijn die daarin woont’, en: ‘Laat een ander zijn opzienerschap nemen’.) bij het kiezen van iemand die de opengevallen plaats van Judas te midden de twaalf apostelen moet innemen. Judas is een type van de antichrist en de aanvoerder van de afvallige menigte die de Heer Jezus gevangen hebben genomen. Dit maakt eens te meer duidelijk dat de vijanden over wie de Heer in deze psalm spreekt werkelijk verharde mensen zijn.

Dat blijkt verder uit hun vervolgen van de Man Die door God geslagen is (vers 2727Want wie Ú geslagen hebt, vervolgen zij,
en zij spreken spottend over de smart van wie U verwondde.
).
In het lijden van Christus dat Hem door God is aangedaan, zien zij aanleiding om Hem te bespotten. Het overblijfsel zal dat ook als zonde belijden (Js 53:4b4Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
)
en inzien dat Hij om hun overtredingen verwond en om hun ongerechtigheden verbrijzeld is (Js 53:5a5Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
)
. De afvalligen echter weten van geen berouw. Zij spreken spottend over de smart van Hem Die door God is verwond.

Door elke misdaad die zij Christus hebben aangedaan, hebben zij de ene misdaad bij de andere gevoegd (vers 2828Voeg misdaad bij hun misdaad,
laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
)
. God moet die misdaden samenvoegen en hen daarvoor oordelen. Deze afvalligen mogen niet komen tot Gods gerechtigheid, zij mogen niet door Gods gerechtigheid worden ontslagen van strafvervolging.

Hun deel moet zijn dat zij “uitgewist worden uit het boek des levens” (vers 2929Laat hen uitgewist worden uit het boek des levens,
laat hen bij de rechtvaardigen niet opgeschreven worden.
)
. God heeft natuurlijk geen boek nodig, maar het wordt zo gezegd om ons te helpen om te begrijpen wat Zijn bedoeling met het leven is. Het boek des levens is hier het boek waarin ieder mens die ooit is geboren, opgeschreven staat.

God zoekt niet de dood van de goddeloze, maar dat hij zich bekeert en leeft (Ez 33:1111Zeg tegen hen: [Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik vind geen vreugde in de dood van de goddeloze, maar daarin dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft! Bekeer u, bekeer u van uw slechte wegen, want waarom zou u sterven, huis van Israël?). Doet de goddeloze dat niet, dan verwijdert God hem uit dit boek van het leven (vgl. Op 3:55Wie overwint, die zal bekleed worden met witte kleren en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.; 22:1919als iemand van de woorden van het boek van deze profetie afneemt, zal God zijn deel afnemen van de boom van het leven en uit de heilige stad, van de dingen die in dit boek beschreven zijn.). Voor de grote, witte troon zal dit boek worden geopend. Dan blijkt dat daarin niet hun namen staan, maar hun goddeloze werken (Op 20:1212En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.). Omdat hun namen daar niet in staan, worden ze geworpen in de poel van vuur (Op 20:1515En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek van het leven, werd hij geworpen in de poel van vuur.).

De namen die in het boek des levens blijven staan, zijn de namen van allen die met het Lam verbonden zijn. Hun namen staan ook in een ander boek: het boek van het leven van het Lam (Op 13:88En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.; 17:88Het beest dat u gezien hebt, was en is niet en zal uit de afgrond opstijgen en ten verderve gaan; en zij die op de aarde wonen, van wie de naam van [de] grondlegging van [de] wereld af niet geschreven is in het boek van het leven, zullen zich verwonderen als zij het beest zien, dat het was en niet is en zal zijn.; 21:2727En geenszins zal iets onheiligs binnengaan, noch wie gruwel en leugen doet, behalve zij die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam.). Het Lam is de naam van Christus die speciaal aan Zijn vernedering verbonden is. De namen van allen die Hem in Zijn vernedering zijn gevolgd, staan sinds de grondlegging van de wereld opgeschreven in het boek dat Zijn Naam draagt. De namen van hen die zijn uitgewist uit het algemene boek van het leven, ontbreken in dat boek. Ze worden er niet bij opgeschreven.

Na zijn verzoek om Zijn vijanden het door hen begane kwaad te vergelden spreekt de Messias nog één keer over de diepe nood waarin Hij is (vers 3030Ik echter ben ellendig en lijd pijn;
laat Uw heil, o God, mij in een veilige vesting zetten.
)
. Het is een geruststelling dat God het onrecht rechtvaardig zal straffen. Met een smekend “o God” vraagt Hij aan God om Hem door Zijn heil of behoudenis “in een veilige vesting” te zetten. Dan zal Hij van Zijn ellende en pijn verlost zijn. God heeft dit gedaan door Hem uit de dood op te wekken.


Lofgezang voor Gods Naam

31Ik zal Gods Naam loven met gezang
en Hem met dank[zegging] groot maken.
32Het zal de HEERE aangenamer zijn dan een rund
[of] een jonge stier met hoornen [en] gespleten hoeven.
33[Als] de zachtmoedigen[dit] zien, zullen zij zich verblijden;
u die God zoekt, uw hart zal leven.
34Want de HEERE hoort de armen,
Hij veracht Zijn gevangenen niet.
35Laten hemel en aarde Hem loven,
de zeeën en al wat daarin krioelt.
36Want God zal Sion verlossen
en de steden van Juda herbouwen;
daar zullen zij wonen en het bezitten.
37Het nageslacht van Zijn dienaren zal het in erfelijk bezit krijgen;
wie Zijn Naam liefhebben, zullen daarin wonen.

Na de verlossing looft de Messias de Naam van God met gezang (vers 3131Ik zal Gods Naam loven met gezang
en Hem met dank[zegging] groot maken.
)
. Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht (Hb 5:77Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),) en geeft daarvoor God de eer. Hij maakt Hem groot met dankzegging. Hij heeft God altijd met dankzegging groot gemaakt, ook in een tijd dat Zijn verwerping door het volk duidelijk is (Mt 11:2525In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard.). Nadat Hij is verlost uit de dood, maakt Hij God ook groot voor wat Hij heeft gedaan in Zijn opwekking uit de dood.

Zijn dankzegging is voor de HEERE “aangenamer … dan een rund” of “een jonge stier met hoornen [en] gespleten hoeven” (vers 3232Het zal de HEERE aangenamer zijn dan een rund
[of] een jonge stier met hoornen [en] gespleten hoeven.
)
. Dierlijke offers zijn op zijn plaatst in het Oude Testament. Het zijn schaduwbeelden van de werkelijkheid. Die werkelijkheid is met de komst en het werk van Christus gekomen. De dierlijke offers hebben afgedaan.

De verhoring van het gebed van de Messias veroorzaakt blijdschap bij de zachtmoedigen als zij zien wat God met Hem heeft gedaan (vers 3333[Als] de zachtmoedigen[dit] zien, zullen zij zich verblijden;
u die God zoekt, uw hart zal leven.
)
. De zachtmoedigen zijn het gelovig overblijfsel. Zij hebben veel geleden, ook van de vertwijfeling die zij hebben gevoeld vanwege de vernedering die de Messias is aangedaan door Zijn vijanden en de schijnbare afwezigheid van God. Toch zijn ook zij God blijven zoeken. Door wat ze zien, leeft hun hart op. Zij zullen met de Messias, de ware Zachtmoedige (Mt 11:2929Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;), de aarde beërven (Mt 5:55Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.).

Ze zien in de verlossing uit de nood die het deel is van de Messias dat “de HEERE … de armen” hoort (vers 3434Want de HEERE hoort de armen,
Hij veracht Zijn gevangenen niet.
)
. Deze armen zijn ook het gelovig overblijfsel. Zij zijn die armen van geest die verdrukt zijn. Maar zij mogen het koninkrijk binnengaan, in het gevolg van de Messias, de ware Arme van geest, want het koninkrijk is van hen (Mt 5:33Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.).

Zij zijn ook “Zijn gevangenen”. Ze zijn wel in gevangenschap weggevoerd. Dat is gebeurd omdat ze God hebben verlaten. Maar Hij heeft hen nooit uit het oog verloren en hen nooit losgelaten. Ze zijn wel gevangenen van de volken geweest, maar zijn in de eerste plaats Zijn gevangenen gebleven. Op Zijn tijd heeft Hij een keer in hun lot gebracht. Hij heeft bekering in hun hart gewerkt. Nu ervaren ze dat Hij hen niet veracht.

Dit grote werk van bevrijding heeft tot resultaat dat “hemel en aarde Hem loven” (vers 3535Laten hemel en aarde Hem loven,
de zeeën en al wat daarin krioelt.
)
. Ook “de zeeën en wat daarin krioelt” worden daartoe opgeroepen. Wat God gedaan heeft ten gunste van Zijn Messias en het gelovig overblijfsel, heeft weldadige gevolgen voor de hele schepping. De schepping is dan vrijgemaakt van de vloek die er door de zonde van de mens op is komen te liggen (Rm 8:2121in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.). Daarvoor worden God en Zijn Zoon, het Lam, tot in alle eeuwigheid de lof en eer gegeven (Op 5:1313En elk schepsel dat in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem Die op de troon zit, en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid.).

Door de verlossing van Sion is er een centrum van zegen op aarde (vers 3636Want God zal Sion verlossen
en de steden van Juda herbouwen;
daar zullen zij wonen en het bezitten.
)
. Vanuit Sion zal de zegen tot de einden van de aarde stromen. Die zegen zal in de eerste plaats gezien worden in de herbouw van de steden van Juda. Gods volk zal daar wonen en het bezitten. Er is geen vijand meer te bekennen die nog een gevaar vormt dat ze de zegen weer kwijtraken. Ze zullen het land erfelijk bezitten en rustig en onbezorgd in hun steden wonen.

Hun erfelijk bezit zal niet meer in vijandige handen vallen, maar in het bezit van de familie blijven (vers 3737Het nageslacht van Zijn dienaren zal het in erfelijk bezit krijgen;
wie Zijn Naam liefhebben, zullen daarin wonen.
)
. Het volk wordt hier “Zijn dienaren” genoemd. Dat legt er de nadruk op dat zij en ook hun nageslacht het erfelijk bezit krijgen omdat zij Hem trouw hebben gediend. Ze hebben Hem niet als onderworpen slaven gediend, hoewel ze dat zijn, maar uit liefde. Zij wonen daar omdat zij “Zijn Naam liefhebben”. Dit is tot in verre geslachten het deel van ieder die Zijn Naam liefheeft.

Zo eindigt deze psalm die een buitengewoon lijden van de Gods Gezalfde en van het gelovig overblijfsel beschrijft, met een grote lofprijzing aan God. Het lijden en de bitterheid zullen plaatsmaken voor eeuwige rust en nooit eindigende vreugde voor Christus en Zijn verlosten. Deze rust en vreugde aan het einde van de schepping, dat wil zeggen in het vrederijk, zijn beter dan het begin, bij het ontstaan ervan (Pr 7:88Het einde van een zaak is beter dan zijn begin.
Beter een geduldige geest dan een hoogmoedige geest.
; vgl. Jb 42:1212En de HEERE zegende het latere [leven] van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend juk runderen en duizend ezelinnen.)
.


Lees verder