Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-3 God staat op 4-7 De rechtvaardigen verblijden zich 8-15 God trekt voor het volk uit 16-19 Gaven genomen en gegeven 20-24 Uitkomsten tegen de dood 25-28 De intocht van God 29-32 Koningen brengen geschenken 33-35 De majesteit en macht van God 36 God geeft Zijn volk kracht en sterkte
Inleiding

De gedachte is geopperd dat deze psalm, dit lied (vers 11Een psalm, een lied van David, voor de koorleider.), is gemaakt naar aanleiding van het opvoeren van de ark naar de berg Sion na het vernederende buit maken ervan door de Filistijnen (1Sm 4:17,2217Toen antwoordde de boodschapper en zei: Israël is voor de Filistijnen uit gevlucht, en ook is er een grote slachting onder het volk geweest. Bovendien zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven en is de ark van God [als buit] meegenomen.22En zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël, want de ark van God is [als buit] meegenomen.; 5:11De Filistijnen hadden de ark van God [als buit] meegenomen en hem van Eben-Haëzer naar Asdod gebracht.) en zijn verblijf in het huis van Obed-Edom (2Sm 6:1-2,12-181Daarna verzamelde David opnieuw de beste van alle [mannen] in Israël, dertigduizend.2David stond op en ging [op weg] met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, [de ark] waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.12Koning David werd de boodschap gebracht: De HEERE heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David [op weg] en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.13En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest [kalf] offerde.14David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.15Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal.16En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, uit het venster neerkeek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart.17Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers.18Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van de HEERE van de legermachten.). Dit opvoeren van de ark gebeurt onder begeleiding van muziek en zang (1Kr 15:27-2827David ging gekleed in een bovenkleed van fijn linnen, en [ook] alle Levieten die de ark droegen, de zangers en Chenanja, de leider van de muziek [en] van de zangers. Ook had David een linnen priesterhemd aan.28Zo bracht heel Israël de ark van het verbond van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal, met trompetten en met cimbalen; en zij lieten [muziek] horen met luiten en harpen.). Profetisch zien we daarin een type van de verlossing die de HEERE geeft door naar Sion, Jeruzalem te gaan: “Een stem, uw wachters verheffen [hun] stem, tezamen juichen zij, want zij zullen [het] zien, oog in oog, als de HEERE terugkeert [naar] Sion” (Js 52:88Een stem, uw wachters verheffen [hun] stem,
tezamen juichen zij,
want zij zullen [het] zien, oog in oog,
als de HEERE terugkeert [naar] Sion.
; vgl. Js 30:30-3130De HEERE zal Zijn majestueuze stem doen horen,
Hij zal het neerkomen van zijn arm doen zien
in grimmige toorn: een vlam van verterend vuur,
slagregens, een vloed, hagelstenen.
31Want door de stem van de HEERE zal Assyrië verpletterd worden,
hij [die] met de roede sloeg.
; 31:44Want zo heeft de HEERE tegen mij gezegd:
Zoals een leeuw
of een jonge leeuw gromt boven zijn prooi
– al wordt tegen hem
een menigte herders samengeroepen,
hij ontstelt niet door hun stemgeluid
en hij krimpt niet ineen voor hun menigte –
zo zal de HEERE van de legermachten neerdalen
om te strijden om de berg Sion en zijn heuvel.
)
.

In feite is Psalm 68 een samenvatting en hoogtepunt van de voorgaande psalmen (Psalmen 61-67). Het is duidelijk een Messiaanse psalm. Vers 1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
wordt door Paulus aangehaald in zijn brief aan de Efeziërs en toegepast op de hemelvaart van de Heer Jezus (Ef 4:88Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar [de] hoge heeft Hij de gevangenschap gevangengenomen <en> heeft de mensen gaven gegeven’.).

Dit laatste geeft de sleutel voor het verstaan van deze psalm: het gaat in deze psalm om de zegetocht van Christus (vgl. Lk 24:4444Hij nu zei tot hen: Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog bij u was, dat alles moest worden vervuld wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en in de profeten en psalmen.; Jh 5:3939U onderzoekt de Schriften, omdat u meent daarin eeuwig leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen;). De psalmist maakt gebruik van diverse verheven gedeelten van het Oude Testament, zoals uitspraken van Mozes, liederen van Debora en van Hanna, het boek Deuteronomium en zelfs van de profetieën van Bileam. Daarbij komt ook dat God hier wordt genoemd met een veelvoud van namen.


Opschrift

1Een psalm, een lied van David, voor de koorleider.

Het is “een psalm, een lied van David”. Het is de laatste “psalm” in de rij van vier psalmen die “een lied” worden genoemd. Zie verder bij Psalm 65:1.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.


God staat op

2God staat op, Zijn vijanden worden [overal] verspreid;
wie Hem haten, vluchten voor Zijn aangezicht.
3U verdrijft [hen], zoals rook verdreven wordt;
zoals was smelt voor vuur
komen de goddelozen om voor Gods aangezicht.

De psalm begint op majestueuze wijze: “God staat op” (vers 22God staat op, Zijn vijanden worden [overal] verspreid;
wie Hem haten, vluchten voor Zijn aangezicht.
; vgl. Ps 44:2727Sta op, ons te hulp,
verlos ons omwille van Uw goedertierenheid.
; 2Kr 6:4141Welnu, HEERE God, sta op, [trek] naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht. Laten Uw priesters, HEERE God, met heil bekleed worden, en laten Uw gunstelingen verblijd zijn over het goede.)
. Dit wil zeggen dat God Zich verheft om te gaan handelen en Psalm 110 te vervullen (Ps 110:1-21Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
2De HEERE strekt Uw machtige scepter uit vanuit Sion
[en zegt:] Heers te midden van Uw vijanden.
)
. Deze woorden herinneren aan wat Mozes heeft gezegd bij het optrekken van de ark met het volk in de woestijn (Nm 10:3535En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei: Sta op, HEERE, laat Uw vijanden [overal] verspreid worden en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten!). De ark is het symbool van Gods tegenwoordigheid en bescherming. Het is Zijn troon. God neemt Zijn plaats in vóór het volk, aan het hoofd van Zijn volk. Als gevolg daarvan worden de vijanden overal verspreid. Wie Hem haat, omdat hij geen verbinding met Hem heeft, vlucht “voor Zijn aangezicht”.

Als Hij Zich in Zijn majesteit verheft, verdrijft Hij Zijn haters met hetzelfde gemak als waarmee “rook verdreven wordt” (vers 33U verdrijft [hen], zoals rook verdreven wordt;
zoals was smelt voor vuur
komen de goddelozen om voor Gods aangezicht.
)
. Het is geen ongelijke strijd, nee, er is helemaal geen strijd, het is over voordat het begint (Ps 2:5b-65Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn,
in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.
6Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
)
. Alleen al Zijn opstaan, zonder dat Hij een woord spreekt of een bijzondere handeling verricht, veroorzaakt de verdwijning van Zijn haters. Ze verdwijnen zonder dat er, net zomin als van verdreven rook, een spoor van hen achterblijft (vgl. Hs 13:33Daarom zullen zij worden als een morgenwolk,
ja, als een vroeg opkomende dauw die verdwijnt,
als kaf dat van een dorsvloer wegstuift,
en als rook uit een venster.
)
. David gebruikt nog een andere vergelijking. De vijanden van God zijn ook als was dat door vuur smelt (vgl. Mi 1:44De bergen smelten onder Hem weg,
de dalen splijten
als was voor het vuur,
als water dat langs een helling vloeit.
)
. Er blijft geen vorm en geen verzet over. Zo gemakkelijk “komen de goddelozen om voor Gods aangezicht” (vgl. Js 11:4b4Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
)
.


De rechtvaardigen verblijden zich

4Maar de rechtvaardigen verblijden zich,
zij springen op van vreugde voor Gods aangezicht
en zijn van blijdschap vrolijk.
5Zing voor God, zing psalmen voor Zijn Naam;
baan de wegen voor Hem Die door de vlakten rijdt,
want HEERE is Zijn Naam;
spring op van vreugde voor Zijn aangezicht.
6Vader van de wezen en Rechter van de weduwen:
[dát is] God in Zijn heilige woning;
7een God Die eenzamen in een huis[gezin] plaatst,
Die gevangenen uitleidt in voorspoed;
maar de opstandigen wonen in een dor [land].

Het opstaan van God heeft voor de rechtvaardigen een totaal ander resultaat dan bij Gods vijanden. Zij “verblijden zich” (vers 44Maar de rechtvaardigen verblijden zich,
zij springen op van vreugde voor Gods aangezicht
en zijn van blijdschap vrolijk.
)
. Bij hen ontstaat een geweldige blijdschap. Terwijl de goddelozen omkomen “voor Gods aangezicht” (vers 33U verdrijft [hen], zoals rook verdreven wordt;
zoals was smelt voor vuur
komen de goddelozen om voor Gods aangezicht.
)
, springen de rechtvaardigen op “van vreugde voor Gods aangezicht en zijn van blijdschap vrolijk”. De goddelozen worden door de tegenwoordigheid van God omgebracht, maar de rechtvaardigen zijn met grote en voortdurend toenemende blijdschap in Gods tegenwoordigheid. Het hart is vol vreugde en blijdschap, wat uitbundig en voortdurend tot uiting komt.

De blijdschap van de rechtvaardige gaat over in een oproep om voor God te zingen, om psalmen voor Zijn Naam te zingen (vers 55Zing voor God, zing psalmen voor Zijn Naam;
baan de wegen voor Hem Die door de vlakten rijdt,
want HEERE is Zijn Naam;
spring op van vreugde voor Zijn aangezicht.
; vgl. 2Kr 20:1-301Hierna gebeurde het dat de Moabieten en de Ammonieten, en met hen [een deel] van de Meünieten, ten strijde trokken tegen Josafat.2Toen kwam men Josafat de boodschap brengen: Er komt een grote troepenmacht op u af van de overkant van de zee, uit Syrië, en zie, zij zijn bij Hazezon-Thamar. (Dat is Engedi.)3Josafat werd bevreesd en zette er zijn zinnen op om de HEERE te zoeken. Hij riep een vasten uit in heel Juda.4En Juda werd bijeengeroepen om bij de HEERE [hulp] te zoeken. Zij kwamen zelfs uit alle steden van Juda om de HEERE te raadplegen.5Toen ging Josafat tussen de gemeente van Juda en Jeruzalem staan, in het huis van de HEERE, vóór de nieuwe voorhof,6en zei: HEERE, God van onze vaderen, bent U niet die God Die in de hemel is? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenvolken. In Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand tegen U kan standhouden.7Hebt U, onze God, niet de inwoners van dit land van voor [de ogen van] Uw volk Israël verdreven, en dat voor eeuwig aan het nageslacht van Abraham, die U liefhad, gegeven?8Zij zijn daarin gaan wonen en hebben daar voor U een heiligdom gebouwd, voor Uw Naam, [en gezegd]:9Als ons [enig] onheil overkomt, het zwaard van het gericht, de pest of een hongersnood, zullen wij voor dit huis en voor Uw aangezicht staan, omdat Uw Naam in dit huis is. Wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en U zult verhoren en verlossen.10Welnu, zie de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte, tegen wie U Israël niet toestond op te trekken toen zij uit het land Egypte kwamen. Daarom trokken zij bij hen vandaan en vaagden hen niet weg,11en zie, zij vergelden het ons, door ons te komen verdrijven uit Uw bezit dat U ons in bezit hebt gegeven.12Onze God, zult U geen gericht over hen oefenen? In ons is immers geen kracht tegen deze grote troepenmacht die op ons af komt, en wij weten niet, wat wij moeten doen, maar op U zijn onze ogen [gericht].13Heel Juda stond voor het aangezicht van de HEERE, ook hun kleine kinderen, hun vrouwen en hun zonen.14Toen kwam de Geest van de HEERE in het midden van de gemeente op Jahaziël, de zoon van Zecharja, de zoon van Benaja, de zoon van Jeïel, de zoon van Mattanja, de Leviet, uit de zonen van Asaf,15en hij zei: Sla er acht op, heel Juda, inwoners van Jeruzalem, en [u], koning Josafat! Zo zegt de HEERE tegen u: Weest u niet bevreesd en wees niet ontsteld vanwege deze grote troepenmacht, want niet aan u is de strijd, maar aan God.16Ga morgen op hen af. Zie, zij trekken [nu] over de pas van Ziz. U zult hen aantreffen aan het einde van het dal, vóór de woestijn van Jeruel.17Het is niet aan u in deze [oorlog] te strijden. Stel uzelf op, blijf staan en zie het heil van de HEERE [dat] met u [is], Juda en Jeruzalem. Wees niet bevreesd en wees niet ontsteld. Trek morgen tegen hen op, want de HEERE zal met u zijn.18Toen boog Josafat zich met het gezicht ter aarde, en heel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen voor het aangezicht van de HEERE neer en bogen zich neer voor de HEERE.19En de Levieten van de nakomelingen van de Kahathieten, en van de nakomelingen van de Korachieten, stonden op om de HEERE, de God van Israël, met luide stem ten hoogste te prijzen.20De [volgende] morgen stonden zij vroeg op, en vertrokken naar de woestijn van Tekoa. Toen zij vertrokken, bleef Josafat staan en zei: Luister naar mij, Juda, en [u], inwoners van Jeruzalem. Vertrouw op de HEERE, uw God, dan zult u standhouden. Vertrouw op Zijn profeten, dan zult u voorspoedig zijn.21Hij pleegde overleg met het volk en stelde voor de HEERE zangers aan en [mensen] die de heilige Majesteit prijzen zouden, terwijl zij voor de gewapende [mannen] uit trokken en zeiden:
Loof de HEERE,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!
22Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen, legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.23De Ammonieten en Moab vielen namelijk de bewoners van het Seïrgebergte aan door [hen] met de ban te slaan en [hen] weg te vagen. Zodra zij de bewoners van Seïr hadden vernietigd, hielpen zij elkaar in het verderf.24Toen Juda bij het uitkijkpunt in de woestijn gekomen was, keerden zij zich naar de troepenmacht. En zie, het waren dode lichamen, ter aarde neergevallen, en niemand was ontkomen.25Toen Josafat en zijn volk aankwamen om hun buit te roven, troffen zij een grote hoeveelheid [last]dieren, bezittingen, kleding en kostbare voorwerpen bij hen aan, en zij plunderden voor zichzelf [zo veel], dat zij [het] niet [meer] dragen konden. Drie dagen [lang] roofden zij de buit, zo groot was die.26Op de vierde dag kwamen zij bijeen in Emek-Beracha. Omdat zij daar de HEERE loofden, gaven zij deze plaats de naam Emek-Beracha. Tot op deze dag [heet die zo].27Toen keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem om, met Josafat aan het hoofd van hen, om met blijdschap naar Jeruzalem terug te keren, want de HEERE had hen verblijd over hun vijanden.28Zij kwamen in Jeruzalem aan met luiten, met harpen en met trompetten, [en gingen] naar het huis van de HEERE.29Grote vrees voor God kwam over alle koninkrijken van de landen, toen zij hoorden dat de HEERE tegen de vijanden van Israël gestreden had,30en het koninkrijk van Josafat had rust, want zijn God gaf hem rust van rondom.
)
. De herhaling geeft het intense verlangen aan om voor Hem te zingen. Hij komt eraan en “de wegen” moeten worden gebaand “voor Hem Die door de vlakten rijdt” (vgl. Js 40:33Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
; 62:1010Ga door, ga door, de poorten door,
bereid de weg voor het volk,
verhoog, verhoog de gebaande weg,
zuiver [hem] van stenen,
steek een banier omhoog boven de volken.
)
. De wegen banen voor Hem betekent dat het volk alle verhinderingen wegdoet om God ruim baan in hun leven te geven.

Het houdt in dat het zich bekeert en de Hem toekomende plaats in het hart geeft. Het gaat om gebaande wegen in het hart (Ps 84:66Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
; Mt 3:1-31In die dagen nu trad Johannes de doper op en predikte in de woestijn van Judéa2en zei: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.3Want deze is het van wie gesproken is door de profeet Jesaja, die zei: ‘Stem van een roepende in de woestijn: Bereidt de weg van [de] Heer, maakt Zijn paden recht’.)
. Hoogten moeten geslecht en dalen moeten gevuld worden. De hoogmoed moet verdwijnen. De dalen, ofwel het gebrek aan kennis, moeten worden opgevuld. Met de vlakten, Hebreeuws aravot, wordt de droge woestijn van Judea bedoeld. Dit is een goede omschrijving van de weg van de Heer Jezus naar Jeruzalem in verband met de laatste strijd. Dit woord komt ook in Jesaja 40 voor: “Maak recht in de wildernis” (arava – enkelvoud) “een gebaande weg voor onze God” (Js 40:3b3Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
)
. In de vlakten heeft Hij ruimte om Zijn werk te doen.

De weg banen moet gebeuren omdat Zijn Naam “HEERE” is. Zoals al is opgemerkt, wordt in dit tweede psalmboek de naam HEERE, Jahweh, weinig gebruikt en vervangen door God, Elohim. Dat is omdat het gelovig overblijfsel ver van Jeruzalem is. Nu God is opgestaan, en onderweg is naar Zijn rustplaats in Sion, wordt opnieuw de naam HEERE gebruikt. Met deze Naam heeft Hij Zich alleen aan Zijn volk Israël bekendgemaakt (Ex 3:1515Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn [Naam ter] gedachtenis, van generatie op generatie.). Hij is de God van het verbond met Zijn volk en Hij gaat alles vervullen waartoe Hij Zich door dat verbond heeft verplicht (Ex 6:6-86Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn. Dan zult u weten dat Ik de HEERE, uw God, ben, Die u uitleidt vanonder de dwangarbeid van de Egyptenaren.7Ik zal u brengen in het land waarvoor Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou. Ik zal het u in erfelijk bezit geven, Ik, de HEERE.8Zo sprak Mozes tot de Israëlieten, maar zij luisterden niet naar Mozes, door hun moedeloosheid en de harde slavenarbeid.). Het besef daarvan is aanleiding om “van vreugde voor Zijn aangezicht” op te springen.

De naam ‘HEERE’ komt in deze psalm vier keer voor (verzen 5,17,19,215Zing voor God, zing psalmen voor Zijn Naam;
baan de wegen voor Hem Die door de vlakten rijdt,
want HEERE is Zijn Naam;
spring op van vreugde voor Zijn aangezicht.
17Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst
naar deze berg, [die] God als Zijn woning heeft begeerd?
Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.
19U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!21Die God is ons een God van volkomen zaligheid;
bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
)
. Verder is er steeds sprake van God, Elohim, Heere, Adonai, en Almachtige, Shaddai, want het gaat vooral over Zijn opperheerschappij, over Zijn Goddelijke heersersmacht. Deze God is alles wat Israël en alle volken nodig hebben.

God is zowel een almachtige Helper tegen de vijanden als een barmhartige “Vader van de wezen en Rechter van de weduwen” (vers 66Vader van de wezen en Rechter van de weduwen:
[dát is] God in Zijn heilige woning;
; vgl. Jr 49:1111Laat uw wezen achter, Ík zal hen in het leven behouden,
en laten uw weduwen op Mij vertrouwen.
)
. Zijn volk is als wezen geweest en ook als een weduwe. De oorzaak daarvan is hun verwerping van Hem, waardoor Hij hen aan henzelf heeft moeten overlaten. Maar nu ontfermt Hij Zich over hen (vgl. Ex 22:22-2322U mag geen enkele weduwe of wees onderdrukken.23Als u hen maar enigszins onderdrukt en zij maar enigszins tot Mij [om hulp] roepen, zal Ik hun roep zeker verhoren.; Dt 27:1919Vervloekt is wie het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe buigt! En heel het volk moet zeggen: Amen.).

Zo is “God in Zijn heilige woning”, dat is de hemel (Jr 25:3030En ú moet tegen hen al deze woorden profeteren, en tegen hen zeggen:
De HEERE zal brullen [als een leeuw] vanuit de hoogte,
vanuit Zijn heilige woning Zijn stem laten klinken.
Hij zal geweldig brullen tegen Zijn woonplaats,
Hij zal een vreugderoep als van [druiven]treders aanheffen
tegen alle bewoners van de aarde.
)
. Dat wil zeggen dat wij nu op aarde geopenbaard zien dat God de Beschermer is van de zwakken. In dit geval zijn de zwakken het gelovig overblijfsel dat omschreven wordt als wezen en weduwe.

God is in Zijn heilige woning niet anders dan in Zijn handelen op aarde. De mens is in zijn openlijke optreden vaak anders dan in zijn huis, in de privésfeer. Bij God is dat niet zo. De heiligheid die Zijn woning kenmerkt, kenmerkt ook Zijn handelen op aarde. Hij kan barmhartig zijn voor hen die dat nodig hebben omdat aan al Zijn heilige eisen is voldaan door Zijn geliefde Zoon, de Messias en HEERE van Zijn volk. Hij kan Zijn volk door hun belijdenis barmhartig zijn en in Zijn heilige tegenwoordigheid aannemen.

Hij is “een God Die eenzamen in een huis[gezin] plaatst” (vers 77een God Die eenzamen in een huis[gezin] plaatst,
Die gevangenen uitleidt in voorspoed;
maar de opstandigen wonen in een dor [land].
)
. Zijn volk is verstrooid en eenzaam geweest. Nu Hij Zich over Zijn volk ontfermt, zijn de leden ervan als een huisgezin weer bij elkaar. De mens is niet geschapen om alleen te zijn. God heeft het gezin ingesteld om daardoor gemeenschapszin te ontwikkelen. Hij wil daardoor op aarde laten zien welke waarde Hij als Vader aan gemeenschap met Zijn kinderen hecht. Het is goed ook in dit opzicht Gods origineel in het oog te houden, omdat het gezin als instelling van God heeft afgedaan. De oorzaak daarvan is dat alles draait om individuele behoeftebevrediging.

God is ook een God “Die gevangenen uitleidt in voorspoed”. De leden van Zijn volk zijn gevangenen geweest onder de volken. Nu heeft God hen uit de gevangenschap bevrijd en in de voorspoed van het vrederijk gebracht. “De opstandigen” daarentegen komen niet in een land van voorspoed, maar “wonen in een dor [land]”, een land waar aan alles gebrek is (vgl. Dt 21:18-2118Wanneer iemand een opstandige, ongehoorzame zoon heeft die niet naar de stem van zijn vader en naar de stem van zijn moeder luistert, en hij, [ook] als zij hem gestraft hebben, niet naar hen luistert,19moeten zijn vader en zijn moeder hem grijpen en naar buiten brengen, naar de oudsten van zijn stad, naar de poort van zijn [woon]plaats.20Zij moeten tegen de oudsten van zijn stad zeggen: Deze zoon van ons is opstandig en ongehoorzaam, hij luistert niet naar onze stem, hij gaat zich te buiten en is een dronkaard.21Dan moeten alle mannen van zijn stad hem met stenen stenigen, zodat hij sterft. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen. Laat heel Israël het horen en bevreesd zijn.).

Als toepassing voor ons weten wij dat wij na onze bevrijding uit de slavernij van de zonde tot de familie van Gods kinderen zijn gaan behoren. We zijn geen vreemdelingen en bijwoners meer”, maar we zijn “medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God” geworden (Ef 2:1919Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,). We zijn overladen met geestelijke, hemelse en eeuwige zegeningen waarvan we in gemeenschap met de Vader mogen genieten.


God trekt voor het volk uit

8O God, toen U voor Uw volk uittrok,
toen U voortschreed door de wildernis, /Sela/
9beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
10U hebt zeer milde regen doen druipen, o God;
Ú hebt Uw eigendom versterkt,
toen het uitgeput raakte.
11Uw kudde woonde daar;
U maakte [Uw eigendom] door Uw goedheid gereed
voor de ellendige, o God.
12De Heere gaf [stof tot] spreken;
de boodschapsters van goede tijding vormden een groot leger.
13De koningen van de legermachten vluchtten weg, zij vluchtten weg;
maar zij die thuis bleef, deelde de buit uit.
14Al lag u tussen twee rijen [oven]stenen,
[toch zult u schitteren] als vleugels van een duif, overtrokken met zilver
en zijn veren met bewerkt groenglanzend goud.
15Toen de Almachtige de koningen in [het land overal] verspreidde,
sneeuwde het op [de berg] Zalmon.

In dit gedeelte geeft David een opsomming van belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van het volk van God. Hij begint met het uittrekken van God voor Zijn volk uit (vers 88O God, toen U voor Uw volk uittrok,
toen U voortschreed door de wildernis, /Sela/
; Ex 13:2121De HEERE ging vóór hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij dag en nacht verder konden trekken.)
. God is voor hen uitgegaan “door de wildernis” (vgl. Js 43:1919Zie, Ik maak iets nieuws.
Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?
Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.
)
. Dit ziet op de woestijnreis van Gods volk nadat het uit Egypte is verlost, waarbij de ark als symbool van Zijn aanwezigheid voor het volk uittrekt (Nm 10:3333Zo trokken zij drie dagreizen van de berg van de HEERE vandaan. En de ark van het verbond van de HEERE trok drie dagreizen voor hen uit, om een rustplaats voor hen te zoeken.).

We zien hier een beeld van de Heer Jezus Die voor de Zijnen uitgaat. Hij loopt niet achter de kudde om ze op te jagen, maar Hij gaat voor Zijn schapen uit (Jh 10:44Wanneer hij al zijn eigen [schapen] heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.). Hij gaat voor de vele zonen van God uit om hen als de overste Leidsman naar de volle behoudenis te leiden (Hb 2:1010Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, de overste Leidsman van hun behoudenis door lijden volmaakte.). Hij is al als Voorloper voor de Zijnen in het heiligdom gegaan, waar Hij hen naartoe leidt (Hb 6:19-2019Deze hebben wij als een anker van de ziel, dat zeker en vast is en ingaat tot binnen het voorhangsel,20waar Jezus als Voorloper voor ons is ingegaan, naar de orde van Melchizédek Hogepriester geworden tot in eeuwigheid.).

Het uittrekken van God voor Zijn volk is gepaard gegaan met het beven van de aarde (vers 99beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
; vgl. Ri 5:44HEERE, toen U uittrok uit Seïr,
toen U voortschreed uit het veld van Edom,
beefde de aarde, ook droop de hemel,
ook dropen de wolken van water.
)
. De taal is de taal van de aardbeving van Sinaï (Ex 19:18b18De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.), maar profetisch zal dit tijdens de strijd om Jeruzalem vervuld worden (Js 29:66Door de HEERE van de legermachten zult u gestraft worden
met donder, aardbeving en groot geluid,
wervelwind, storm en de vlam van een verterend vuur.
; Jl 3:1616De HEERE zal vanaf Sion brullen [als een leeuw],
vanuit Jeruzalem zal Hij Zijn stem laten klinken,
zodat hemel en aarde zullen beven.
Maar de HEERE is een toevlucht voor Zijn volk
en een vesting voor de Israëlieten.
)
. Als God verschijnt, laat dat de natuur niet onberoerd. Ook de hemel reageert door regenstromen van verkwikking “voor Gods aangezicht” te geven, zoals het volgende vers ook zegt. De machtige berg Sinaï beeft ook “voor het aangezicht van God, de God van Israël”. De Sinaï herinnert aan de wetgeving, het bekendmaken van de voorwaarden van God op grond waarvan het volk de zegen kan krijgen (Ne 9:1313Op de berg Sinaï bent U neergedaald en hebt U vanuit de hemel met hen gesproken, en U hebt hun rechtmatige bepalingen, betrouwbare wetten [en] goede verordeningen en geboden gegeven.).

Dan komt het volk in het land. Daar doet God “zeer milde regen … druipen” op het land (vers 1010U hebt zeer milde regen doen druipen, o God;
Ú hebt Uw eigendom versterkt,
toen het uitgeput raakte.
)
. Het is het land dat God als Zijn eigendom heeft uitgekozen. Hij versterkt het met Zijn ‘zeer milde regen’ als het land uitgeput is geraakt. Dat is gebeurd tijdens het profeteren van de twee getuigen die de macht hebben “de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt in de dagen van hun profeteren“ (Op 11:66Dezen hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt in de dagen van hun profeteren; en zij hebben macht over de wateren om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen.). Daarna komt het moment, als het overblijfsel heeft verklaard dat de HEERE God is, dat de regen overvloedig valt.

Zijn “kudde” woont daar (vers 1111Uw kudde woonde daar;
U maakte [Uw eigendom] door Uw goedheid gereed
voor de ellendige, o God.
)
, dat is Zijn volk gezien als een kudde die door Hem wordt verzorgd (vgl. Ez 36:3838Als [met] de geheiligde schapen, als [met] de schapen van Jeruzalem op hun vaste feestdagen, zo vol zullen de verwoeste steden worden met kudden mensen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). God heeft in Zijn goedheid Zijn eigendom, Zijn land, voor Zijn “ellendig” volk, het volk dat er beklagenswaardig aan toe is, gereedgemaakt.

We kunnen dit ook op ons toepassen, die ook Zijn eigendomsvolk zijn (Tt 2:1414Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een eigen volk reinigde, ijverig in goede werken.). Als wij er ellendig aan toe zijn en uitgeput raken, worden we door de Heer Jezus bemoedigd en verkwikt. Hij doet dat door Zijn Geest en Zijn Woord. Allebei worden ze vergeleken met water. Christus laat ons zien wat we in Hem geworden zijn om ons te bemoedigen en Hij laat ons zien Wie Hij voor ons is en zal zijn om ons te verkwikken.

De Heere heeft “[stof tot] spreken” gegeven (vers 1212De Heere gaf [stof tot] spreken;
de boodschapsters van goede tijding vormden een groot leger.
)
. Wat Hij heeft gezegd of gedaan dat stof tot spreken heeft gegeven, wordt niet meegedeeld. Uit het verband kunnen we denken aan de verovering van het land bij de inbezitneming ervan. Dit is een “goede tijding”, die Hij “boodschapsters”, die “een groot leger” vormen, laat verkondigen (vgl. 1Sm 18:6-76Toen David en zijn mannen terugkwamen na het verslaan van de Filistijnen, gebeurde het dat de vrouwen uit al de steden van Israël met gezang en reidans koning Saul tegemoet trokken; met tamboerijnen, met blijdschap en met muziekinstrumenten.7Terwijl de vrouwen huppelden, zongen zij in beurtzang:
Saul heeft zijn duizenden verslagen,
maar David zijn tienduizenden!
)
.

De boodschapsters vermelden het goede nieuws van wegvluchtende “koningen van legermachten” (vers 1313De koningen van de legermachten vluchtten weg, zij vluchtten weg;
maar zij die thuis bleef, deelde de buit uit.
)
. We kunnen hierbij denken aan Mirjam, die met de vrouwen zingt over de ondergang van de farao en zijn ruiters (Ex 15:19-2119Want het paard van de farao, met zijn strijdwagen en zijn ruiters, waren in de zee gekomen, en de HEERE had het water van de zee over hen terug doen vloeien. Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden in de zee.20Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.21Toen [zong] Mirjam hun ten antwoord:
Zing voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
en aan Debora, die zingt over de ondergang van Sisera (Ri 5:24-2724Laat gezegend zijn boven de vrouwen
Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet,
laat zij boven de vrouwen in de tent gezegend zijn.
25Water vroeg hij, melk gaf zij.
In een schaal voor machtigen bracht zij boter.
26Haar hand strekte zij uit naar de pin,
en haar rechterhand naar de hamer van de arbeiders.
Zij sloeg Sisera, spleet zijn hoofd,
verbrijzelde en doorboorde zijn slaap.
27Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij, lag hij.
Tussen haar voeten kromde hij zich, viel hij.
Waar hij zich kromde,
daar viel hij, geschonden.
)
. Ook de vrouwen die de boodschap van de opstanding van de Heer Jezus verkondigen, brengen daarmee het goede nieuws dat de dood is verslagen.

Om de kracht van deze boodschap te benadrukken, wordt herhaald dat zij zijn weggevlucht. Ze zijn verslagen (vgl. Zc 12:66Op die dag zal Ik de leiders van Juda maken als een vuurbekken in [een stapel] hout en als een brandende fakkel in een graanschoof. Rechts en links zullen zij al de volken rondom verteren en Jeruzalem zal nog op zijn plaats blijven, in Jeruzalem.). De op hen veroverde buit is door de overwinnaars die zijn uitgegaan om te strijden, gedeeld met het thuisfront, aan “zij die thuis bleef” (vgl. Ri 5:29-3029Haar meest wijze vorstinnen antwoordden –
en ook zíj beantwoordde haar woorden voor zichzelf:
30Zouden zij dan geen buit vinden en verdelen,
één meisje of twee meisjes voor elke man?
Een buit van gekleurde stoffen voor Sisera,
een buit van gekleurde stoffen,
geborduurde, gekleurde stoffen, aan beide zijden geborduurd,
voor [om] de halzen van de buit.
)
, door wie de buit ook weer verder is uitgedeeld. Het verdelen van de buit (Zc 14:1414Ook zal Juda in Jeruzalem strijden,
zodat het vermogen van alle heidenvolken rondom verzameld wordt:
goud, zilver en kleding in zeer grote hoeveelheden.
)
is een handeling van zegen als gevolg van een behaalde overwinning. God laat de Heer Jezus dat doen als beloning voor Zijn overwinning op het kruis (Js 53:1212Daarom zal Ik Hem veel toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
[omdat] Hij de zonden van velen gedragen heeft
en voor de overtreders gebeden heeft.
)
.

Het liggen “tussen twee rijen [oven]stenen” (vers 1414Al lag u tussen twee rijen [oven]stenen,
[toch zult u schitteren] als vleugels van een duif, overtrokken met zilver
en zijn veren met bewerkt groenglanzend goud.
)
is letterlijk ‘liggen tussen twee (schaaps)kooien’. De HSV heeft ten onrechte het woord ‘oven’ ingevoegd. De vierkante haken geven aan dat het woord niet in de grondtekst staat. Een schaapskooi bestaat uit een rij opgestapelde stenen. Zij die daartussen liggen, zijn de eenvoudigste herdersknechten. Met de “twee rijen stenen” kunnen ook gebruiksvoorwerpen in een keuken worden bedoeld. Zij die tussen die stenen liggen, zijn dan de knechten in de keuken. In het verband van de psalm geeft de uitdrukking aan dat de meest eenvoudige herders of zelfs de geringste knechten in de buit zullen delen, zo overvloedig is de buit.

De vergelijking met “vleugels van een duif, overtrokken met zilver en zijn veren bewerkt met groenglanzend goud” spreekt van de overvloed van de buit. Alles wat glinstert, is geen nep, maar echt zilver en echt goud. De vleugels stellen bescherming voor. God heeft hen beschermd.

De duif staat symbool voor trouw en voor de Heilige Geest in verbinding met het volk, dat wil zeggen het overblijfsel (Hl 2:1414Mijn duif in de kloven van de rots,
in de schuilplaats van de bergwand,
laat Mij uw gedaante zien,
laat Mij uw stem horen.
Want uw stem is zoet
en uw gedaante is bekoorlijk.
)
. Zij zijn Hem trouw gebleven door de kracht van de Heilige Geest. Het zilver spreekt van de prijs die voor de verlossing en verzoening van het overblijfsel is betaald. Christus heeft de prijs betaald (1Pt 1:18-1918daar u weet dat u niet door vergankelijke dingen zilver of goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel,19maar door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, [het bloed] van Christus.). Het groenglanzende goud spreekt van de Goddelijke heerlijkheid, die wordt gezien in de vernieuwing van de natuur. Groen is de belangrijkste kleur van de natuur. Dit is een beeld van de frisheid van het nieuwe leven dat het deel is van allen die bij Christus horen.

Het optreden van de Almachtige heeft het verspreiden van de koningen overal in het land tot gevolg (vers 1515Toen de Almachtige de koningen in [het land overal] verspreidde,
sneeuwde het op [de berg] Zalmon.
)
. Zijn machtige overwinning wordt verbonden aan het sneeuwen “op [de berg] Zalmon”, een berg in de buurt van Sichem (Ri 9:47-4847En Abimelech werd verteld dat alle burgers van Migdal-Sichem zich [daar] verzameld hadden.48Vervolgens ging Abimelech de berg Zalmon op, hij en al het volk dat bij hem was. Abimelech nam een bijl ter hand, hakte een tak van de bomen, pakte hem op en legde hem op zijn schouder. En tegen het volk dat bij hem was, zei hij: Wat u mij hebt zien doen, haast u [dat ook] te doen, [net] als ik.). Zalmon betekent ‘de donkere’, vanwege de veelheid van hoge bomen. Als het sneeuwt op deze donkere berg – wat uitzonderlijk is, want het sneeuwt daar bijna nooit –, wordt alles ineens wit. Zo zal Israël op die dag ineens overgaan van duisternis van de verdrukking naar het licht van de verlossing. Ze worden overgebracht van de duisternis naar het koninkrijk van het licht (vgl. Ko 1:1313Die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde,).

Er is verondersteld dat dit een poëtische beschrijving is van de kou van de dood die door de witheid van het grote aantal lijken aan sneeuw doet denken. Het kan ook betekenen dat Zijn grote overwinning een verkwikking is voor het overblijfsel, zoals een sneeuwbui dat is op de dag van de oogst (Sp 25:1313Zoals de koelte van sneeuw op de dag van de oogst,
[zo] is een betrouwbare gezant voor zijn zenders,
hij verkwikt de ziel van zijn meester.
)
.


Gaven genomen en gegeven

16De berg Basan is een machtige berg,
de berg Basan is een berg met vele toppen.
17Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst
naar deze berg, [die] God als Zijn woning heeft begeerd?
Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.
18De strijdwagens van God zijn tweemaal tienduizend, ontelbare duizenden.
De Heere is bij hen, een Sinaï in heiligheid.
19U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!

David wijst op “de berg Basan” als “een machtige berg” die “vele toppen” heeft (vers 1616De berg Basan is een machtige berg,
de berg Basan is een berg met vele toppen.
)
. Een berg is een symbool van een koninkrijk (vgl. Dn 2:34-35,44-4534[Dit] zag u totdat er, niet door [mensen]handen, een steen werd afgehouwen. Die trof dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde die.35Toen werden het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud tegelijk verbrijzeld. Ze werden als kaf op een zomerdorsvloer. De wind voerde ze weg, zodat er geen spoor van [terug]gevonden werd. Maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg en vulde de hele aarde.44In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.45Daarom hebt u gezien dat niet door [mensen]handen uit de berg een steen werd afgehouwen, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning laten weten wat hierna geschieden zal. De droom is waar en de uitleg ervan betrouwbaar.). Bij monde van David stelt God de vraag aan dit koninkrijk waarom hij met afgunst “naar deze berg” kijkt. Met “deze berg” bedoelt hij de berg Sion, “[die] God als Zijn woning heeft begeerd” (vers 1717Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst
naar deze berg, [die] God als Zijn woning heeft begeerd?
Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.
)
. De berg Sion gaat alle indrukwekkende bergen te boven omdat die is verbonden met de Man naar Gods hart. Zo is het ook met de stad Jeruzalem, die alle indrukwekkende steden van de wereld te boven gaat omdat het de stad van de grote Koning is (Ps 87:1-71Een psalm, een lied van de zonen van Korach.
Zijn fundament rust op de heilige bergen.
2De HEERE heeft de poorten van Sion lief
boven alle woningen van Jakob.
3[Zeer] heerlijke dingen worden over u gesproken,
stad van God! /Sela/4Ik noem Rahab en Babel onder wie Mij kennen;
zie, de Filistijn en de Tyriër, met de Cusjiet:
die zijn daar geboren.
5Van Sion wordt gezegd:
Man voor man is erin geboren.
De Allerhoogste Zelf doet haar standhouden.
6De HEERE telt hen [erbij],
wanneer Hij de volken opschrijft,
[en zegt]: Deze is daar geboren. /Sela/7De zangers evenals zij die [in reien] dansen, [zingen]:
Al mijn bronnen zijn in u!
)
.

Zijn voornemen staat vast en Hij zal het uitvoeren zonder dat iemand daar iets tegenin zal brengen: “Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.” God zal te midden van Zijn volk wonen, wat de omliggende ‘bergen’ ook mogen denken of ondernemen. God heeft Zijn keus gemaakt en dat bepaalt alles. Het is wijsheid om daarmee in te stemmen.

Om Zijn voornemen te realiseren staat Hem een ontelbaar aantal “strijdwagens” van “tweemaal tienduizend, ontelbare duizenden” ter beschikking (vers 1818De strijdwagens van God zijn tweemaal tienduizend, ontelbare duizenden.
De Heere is bij hen, een Sinaï in heiligheid.
)
. Het zijn “de strijdwagens van God”, waarmee Zijn engelen worden bedoeld (vgl. 2Kn 2:1111Het gebeurde, terwijl zij al sprekend verdergingen, zie, dat er een vurige wagen met vurige paarden kwam, die tussen hen beiden scheiding maakte. Zo voer Elia in een storm naar de hemel.; 6:1717En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.; Hb 12:2222maar u bent genaderd tot [de] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen,; Op 5:1111En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten, en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,). Hij, “de Heere”, Adonai, de soevereine God, is bij Zijn volk. Hij staat aan het hoofd van die talloze strijdwagens. Hij is de Beschermer van Sion. Het is dwaasheid om zich tegen Hem en Zijn voornemen te verzetten.

Hij is “een Sinaï in heiligheid”. Opnieuw, dat wil zeggen na vers 99beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
, wordt het overblijfsel aan de Sinaï herinnerd. De HEERE is Zelf in majesteit en luister met tienduizenden engelen op de Sinaï neergedaald (Ex 19:16-2016En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde.17Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet. Zij stonden onder aan de berg.18De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.19Het bazuingeschal werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak en God antwoordde hem met een stem.20Toen daalde de HEERE neer op de berg Sinaï, op de top van de berg. De HEERE riep Mozes naar de top van de berg en Mozes klom naar boven.; 24:1616De heerlijkheid van de HEERE bleef op de berg Sinaï rusten, en de wolk bedekte hem zes dagen [lang]. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit het midden van de wolk.; Dt 33:22Hij zei:
De HEERE is van Sinaï gekomen,
[als de zon] kwam Hij uit Seïr op.
Hij verscheen blinkend vanaf het gebergte Paran,
Hij kwam met tienduizenden heiligen,
aan Zijn rechterhand was een vurige wet voor hen.
)
. In vers 99beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
staat het in verband met het uittrekken voor Zijn volk uit; hier staat het in verband met Zijn woonplaats te midden van Zijn volk.

Hier ligt de nadruk erop dat door Zijn neerdalen op de berg Sinaï de berg in een heiligdom is veranderd. Op dezelfde indrukwekkende wijze verschijnt Hij op Sion dat Hij als Zijn woonplaats heeft uitgekozen om bij Zijn volk te wonen. Op de berg Sinaï heeft de HEERE het verbond met Israël gesloten. Nu gaat Hij naar Sion – van vers 99beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
naar vers 1717Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst
naar deze berg, [die] God als Zijn woning heeft begeerd?
Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.
– om opnieuw een verbond te sluiten. De taal is de taal van Sinaï, maar profetisch gaat het nu over de toekomst, over het nieuwe verbond (vgl. Jr 31:31-3431Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.).

Na deze beschrijving van de verhevenheid en majesteit van God spreekt David niet over Hem, maar tot Hem (vers 1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
)
. Hij spreekt Hem direct aan en zegt tegen Hem, Die voor altijd op Sion zal wonen: “U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd.” Daar, “omhoog”, in de hemel, heeft Hij “gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen”.

Paulus verklaart de betekenis van dit vers in de brief aan de Efeziërs. Hij past dit vers toe op Christus, Die een volkomen overwinning heeft behaald op de vijand, de duivel en zijn hele machtssysteem. Als resultaat daarvan is Hij door God boven alles en allen verheven. Vanuit die verheven positie deelt Hij gaven uit aan de leden van Zijn lichaam, de gemeente (Ef 4:7-87Maar aan ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus.8Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar [de] hoge heeft Hij de gevangenschap gevangengenomen <en> heeft de mensen gaven gegeven’.).

Het gaat om Christus als de Gever. Paulus legt de nadruk op zowel de plaats van waaruit Hij geeft, “de hoge”, als wat Hij heeft gedaan om te kúnnen geven, “de gevangenschap gevangengenomen”. David spreekt in deze overwinningspsalm over “omhoog” en “gevangenen weggevoerd”. Hij heeft er al op gewezen hoe God Zijn vijanden verstrooit en op de vlucht jaagt en dat koningen die opstandig tegen Hem zijn, vergaan voor Zijn aangezicht. Voor Zijn verdrukte volk betekent Gods optreden bevrijding. Daarom vieren ze feest. Dit tafereel ziet vooruit naar het begin van het duizendjarig vrederijk.

Paulus haalt deze psalm aan omdat hij weet dat de overwinning, die in het vrederijk openlijk zal worden gezien, voor het geloof nú al werkelijkheid is. De Heer Jezus is door de dood heen gegaan, opgestaan uit de dood en “opgevaren naar de hoge”. In het woord ‘opgevaren’ zit Goddelijke kracht, de majesteit van de Overwinnaar.

Dat Hij ‘de gevangenschap gevangengenomen’ heeft (Ef 4:88Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar [de] hoge heeft Hij de gevangenschap gevangengenomen <en> heeft de mensen gaven gegeven’.), wil zeggen dat Hij door Zijn dood de duivel de macht heeft afgenomen om mensen gevangen te houden. In Hebreeën 2 staat het zo: “Opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor de dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren” (Hb 2:14-1514Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,15en allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren.). Hij heeft voor allen die Hem toebehoren de macht van de zonde, de dood, de wereld en het vlees overwonnen. David zegt het zo, dat Christus de gevangenen heeft weggevoerd uit de slavernij en bij Zich heeft genomen.

Daar blijft het echter niet bij. Christus heeft de vroegere gevangenen, maar die nu bevrijd zijn, ook gaven gegeven. Eerst heeft God Christus gaven gegeven als beloning voor Zijn overwinning. Die gaven zijn de mensen die door Hem zijn vrijgekocht uit hun gevangenschap (Jh 10:29a29Mijn Vader Die [ze] Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan [ze] rukken uit de hand van Mijn Vader.; 17:22zoals U Hem macht hebt gegeven over alle vlees, opdat alles wat U Hem hebt gegeven, Hij hun eeuwig leven geeft.). Op Zijn beurt geeft Christus gaven aan hen die nu delen in Zijn overwinning.

De gaven komen van Iemand Die heeft overwonnen en nu in de hemel is. Ook wij die in gevangenschap waren, zijn bevrijd. Zo kan de Heer ook aan ons gaven geven. Profetisch betekent het dat Hij in het vrederijk aan Zijn aardse volk, dat zijn allen die Hij uit de gevangenschap van hun zonden en hun overheersers heeft bevrijd, gaven geeft om Hem daarmee te dienen.

Psalm 68 vertelt ons dat Christus gaven heeft ontvangen, maar vertelt niets over het feit dat Hij gaven geeft aan mensen. Dat laatste is een verborgenheid die pas geopenbaard kon worden in het Nieuwe Testament. Dat gebeurt in de brief aan de Efeziërs. Daarin zegt Paulus nog meer over Christus en Zijn overwinning en de bijzondere resultaten daarvan voor hen die tot de gemeente behoren. Dat hoort bij de openbaring van de verborgenheden die in verband staan met de gemeente. Die verborgenheden zijn ons nu bekendgemaakt door de Geest Die van de hemel is gekomen (1Pt 1:1212Aan hen werd geopenbaard dat zij niet voor zichzelf, maar voor u de dingen bedienden die u nu zijn aangekondigd door hen die u het evangelie hebben verkondigd door [de] Heilige Geest Die van [de] hemel is gezonden; dingen waarin engelen begerig zijn een blik te werpen.).

Voor David is het genoeg om te zien dat Gods beloften voor Zijn aardse volk op aarde in en door Christus worden vervuld. Dat heeft de Geest hem duidelijk gemaakt. Hij kan deze overwinningspsalm dichten en dit overwinningslied zingen omdat hij God als Zijn Koning kent. Die Koning is niemand anders dan Christus.

Het grote doel van wat Christus heeft gedaan en wat Hij aan gaven geeft, is dat Hij bij mensen kan wonen en dat mensen bij Hem kunnen wonen om Hem te dienen (Op 21:33En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.). Christus, de Rechtvaardige, is voor ons, onrechtvaardigen, gestorven “opdat Hij ons tot God zou brengen” (1Pt 3:1818Want ook Christus heeft eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij Die wel gedood is in [het] vlees, maar levend gemaakt in [de] Geest,).

Wij, en ieder die bij God mag wonen, vallen oorspronkelijk onder de categorie “opstandigen” die in de laatste regel worden genoemd (vers 1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
)
. Het woord ‘opstandigen’ worden in de brief aan de Efeziërs niet genoemd, omdat dit woord van toepassing is op het volk Israël (Js 65:22De hele dag heb Ik Mijn handen uitgespreid
naar een opstandig volk,
dat de weg gaat die niet goed is,
naar hun [eigen] gedachten;
)
.

God heeft door Zijn liefde en genade onze opstandigheid gebroken en ons vernederd en tot bekering gebracht. Nu onderwerpen we ons met grote dankbaarheid aan Hem Die zo’n grote genade aan ons heeft bewezen. Dat zullen ook zij zeggen die als het nieuwe Israël in het vrederijk zullen wonen in de tegenwoordigheid van Hem Die woont op de berg die Hij Zich heeft begeerd (vers 1717Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst
naar deze berg, [die] God als Zijn woning heeft begeerd?
Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.
)
.


Uitkomsten tegen de dood

20Geloofd zij de Heere;
dag aan dag overlaadt Hij ons.
Die God is onze zaligheid. /Sela/
21Die God is ons een God van volkomen zaligheid;
bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
22Ja, God zal de kop van Zijn vijanden verpletteren,
de harige schedel van wie met zijn schuldige wandel doorgaat.
23De Heere heeft gezegd: Ik breng u terug uit Basan;
Ik breng u terug uit de diepten van de zee,
24opdat u uw voet kunt baden in bloed,
en de tong van uw honden zijn deel [krijgt] van de vijanden.

Wat David in vers 1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
tegen God heeft gezegd, veroorzaakt een lofprijzing voor “de Heere” (vers 2020Geloofd zij de Heere;
dag aan dag overlaadt Hij ons.
Die God is onze zaligheid. /Sela/
)
. In Zijn soevereine verhevenheid overlaadt Hij “ons”, dat is het gelovig overblijfsel, “dag aan dag”. ‘Dag aan dag’ betekent elke dag zonder uitzondering. “Overlaadt Hij ons” is letterlijk “draagt Hij ons” (vgl. Js 46:3-43Luister naar Mij, huis van Jakob,
en heel het overblijfsel van het huis van Israël,
u, die [door Mij] gedragen bent vanaf de [moeder]schoot,
gedragen vanaf de baarmoeder.
4Tot [uw] ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn,
ja, tot [uw] grijsheid toe zal Ík [u] dragen;
Ík heb het gedaan en Ík zal [u] opnemen,
Ík zal dragen en redden.
)
. Hij draagt hen met Zijn kracht, zodat zij kunnen dragen wat Hij te dragen geeft. Hij helpt niet alleen hun lasten dragen, maar Hij draagt henzelf (vgl. Dt 1:3131en in de woestijn, waar u gezien hebt dat de HEERE, uw God, u gedragen heeft, zoals een man zijn zoon draagt, op heel de weg die u gegaan bent, totdat u op deze plaats gekomen bent.). Die God is “onze zaligheid”. Ze vinden in Zijn hulp en in Hemzelf al hun geluk en voorspoed.

God geeft niet slechts een tijdelijk gevoel van zaligheid of geluk. Wat God, “Die God”, hun God, geeft, is “volkomen zaligheid” of geluk (vers 2121Die God is ons een God van volkomen zaligheid;
bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
)
. Dit kan ook worden vertaald als de God van de uitreddingen of verlossingen. Van het woord ‘zaligheid’ of ‘redding’, is ook de naam ‘Jezus’ afgeleid. Jezus betekent ‘de HEERE redt’ of ‘de HEERE verlost’. Hier wordt gezegd dat God volkomen redt of verlost. Uit het Nieuwe Testament weten we dat God dat doet in de Persoon van de Heer Jezus (Mt 1:2121Zij nu zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk behouden van hun zonden.).

Er zijn veel gevaren, tegenslagen en beproevingen in het leven van de gelovige, maar God redt hem uit al die verschillende moeiten (2Tm 3:1111mijn vervolgingen, mijn lijden, zoals mij is overkomen in Antiochië, in Iconium, in Lystra, zulke vervolgingen als ik heb verdragen, en uit alle heeft de Heer mij gered.; 4:1818De Heer zal mij redden van elk boos werk en behouden voor Zijn hemels koninkrijk. Hem zij [de] heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen.). Hij is de garantie dat ieder van de Zijnen de volkomen zaligheid of het volkomen geluk van het vrederijk bereikt.

Hij is “de HEERE, de Heere”, Jahweh, Adonai, de God Die Zijn verbond met hen heeft gesloten (Jahweh) en de algemene heerschappij heeft, Hij heerst over alles (Adonai). Bij Hem zijn dan ook “uitkomsten tegen de dood”. Dit betekent zowel uitkomst in en ontsnapping aan doodsgevaar als verlossing uit de macht van de dood zelf, waarbij de dood als een persoon wordt voorgesteld. Dit is mogelijk omdat Christus de dood heeft “verslonden tot overwinning” (1Ko 15:54b54En wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen, dan zal het woord uitkomen dat geschreven staat: ‘De dood is verslonden tot overwinning’.). De dood is voor Hem geen verhindering Zijn volk te geven wat Hij heeft beloofd. Hij is de Leidsman die hen dwars door de dood heen in de volle gelukzaligheid van het vrederijk brengt (Ps 48:1515Want deze God is onze God,
eeuwig en altijd;
Híj zal ons leiden tot de dood toe.
; 16:1010Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten,
U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.
)
.

De vijanden zijn ook geen verhindering voor de zegen: “Ja, God zal de kop van Zijn vijanden verpletteren, de harige schedel van wie met zijn schuldige wandel doorgaat” (vers 2222Ja, God zal de kop van Zijn vijanden verpletteren,
de harige schedel van wie met zijn schuldige wandel doorgaat.
)
. De vijanden van Zijn volk zijn “Zijn vijanden”. We kunnen hierbij denken aan de toekomstige koning van het noorden en zijn bondgenoten die verwoesting over Jeruzalem brengen. Na die verwoesting laat hij een bezettingsmacht in Jeruzalem achter en stoot door naar Egypte. Als hij in Egypte is, hoort hij geruchten van een aanval op zijn bezettingsmacht in Jeruzalem. Dan keert hij terug uit Egypte om Jeruzalem opnieuw te veroveren. De Heer Jezus zal dan hem, de kop van Zijn vijanden, verpletteren (Dn 11:40-4540Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].44Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.45En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.; vgl. Na 3:1818Uw herders sluimeren, koning van Assyrië,
uw machtigen liggen terneer.
Uw volk is verstrooid over de bergen
en niemand zal het bijeenbrengen.
)
.

Zijn vijanden hebben geprobeerd Hem dwars te zitten in het vervullen van Zijn beloften. Dat is altijd tevergeefs gebleken, want het is onmogelijk Gods plannen te dwarsbomen. Ze hebben hun dwaze pogingen om dat te doen massaal met de dood moeten bekopen (Ps 110:66Hij spreekt recht onder de heidenvolken,
vult [het slagveld] met dode lichamen
[en] verplettert [hem die] het hoofd is over een groot land.
; vgl. Hk 3:1414U doorboorde met zijn [eigen] pijlen het hoofd van zijn strijders.
Zij stormden aan om mij te verspreiden,
zij die zich verheugden
alsof zij de ellendige in een verborgen plaats wilden verslinden.
)
.

De “harige schedel” benadrukt dat ze haar op hun schedel hebben. Het lange haar is een symbool van onderdanigheid en toewijding (1Ko 11:1515Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.). Een van de kenmerken van machten die onder het gezag van de satan staan, die hem onderdanig en toegewijd zijn, is dat zij “haar als vrouwenhaar” hebben, dat wil zeggen dat ze lang haar hebben (Op 9:88en zij hadden haar als vrouwenhaar, en hun tanden waren als die van leeuwen,). Wie zich onderdanig aan de duivel blijft gedragen, “wie met zijn schuldige wandel doorgaat”, kiest voor de dood.

Als “de Heere heeft gezegd: Ik breng u terug uit Basan; Ik breng u terug uit de diepten van de zee” (vers 2323De Heere heeft gezegd: Ik breng u terug uit Basan;
Ik breng u terug uit de diepten van de zee,
)
, gebeurt dat ook. God bevrijdt Zijn volk uit de sterkste macht, waarvan Basan spreekt (vers 1616De berg Basan is een machtige berg,
de berg Basan is een berg met vele toppen.
)
. Basan is de Golan-hoogte, het gebergte ten oosten van het meer van Galilea, waar het overblijfsel naartoe is gevlucht (Mt 24:1616laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;). De HEERE zal dus het overblijfsel van Juda daarvandaan terugbrengen. Niemand kan Hem daarin tegenhouden.

Ook al is Zijn volk verborgen in “de diepten van de zee” en onvindbaar voor mensen, God weet waar ze zijn en zal hen vandaar terugbrengen naar hun land. De zee is een symbool van de volken (Op 17:1515En hij zei tegen mij: de wateren die u hebt gezien, waarop de hoer zit, zijn volken en menigten en naties en talen.; Js 57:2020Maar de goddelozen zijn als een opgezweepte zee,
want die kan niet tot rust komen,
en zijn water woelt modder en slijk op.
)
. Hier vinden we een aanwijzing dat de tien stammen, die verstrooid en verborgen zijn onder de volken, rond deze tijd door God naar het beloofde land zullen worden teruggebracht.

Als Zijn volk terug is in hun land, zijn de rollen omgekeerd. Gods volk zal zijn voet kunnen “baden in bloed” (vers 2424opdat u uw voet kunt baden in bloed,
en de tong van uw honden zijn deel [krijgt] van de vijanden.
; vgl. Ps 58:11b11De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak ziet;
hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.
; Js 63:33Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
; Op 14:2020En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.)
. Dit is weer zo’n uiting van overwinning over de vijanden die wel gepast voor Israël, Gods aardse volk, maar die niet past bij de gemeente, Gods hemelse volk. De strijd van de gemeente is geen letterlijke strijd tegen bloed en vlees, maar een geestelijke strijd tegen boze machten in de hemelse gewesten (Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].).

Het wijst op de instemming met het oordeel van God dat Hij rechtvaardig over Zijn vijanden heeft uitgeoefend. Die vijanden hebben God op vreselijke wijze getart en Zijn volk meedogenloos vertrapt. De toezegging dat “de tong van uw honden zijn deel [krijgt] van de vijanden”, geeft Gods afschuw voor deze vijanden aan (vgl. 1Kn 21:1919En u moet tegen hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Hebt u een moord gepleegd en ook [iemands land] in bezit genomen? Verder moet u tot hem spreken: Zo zegt de HEERE, op de plaats waar de honden het bloed van Naboth opgelikt hebben, zullen de honden uw bloed oplikken, ja, het uwe!; 22:3838Men spoelde de wagen af bij de vijver van Samaria, waar de hoeren zich wasten. De honden likten zijn bloed op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had.).


De intocht van God

25O God, zij hebben Uw intocht gezien,
de intocht van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom.
26De zangers gingen voorop, de snarenspelers daarachter,
in het midden de trommelende meisjes.
27Loof God in de samenkomsten,
[loof] de Heere, u die voortkomt uit de bron van Israël.
28Daar is Benjamin, de kleine, die over hen heerste,
[daar zijn] de vorsten van Juda, hun gezelschap,
de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali.

Dit gedeelte is duidelijk profetisch. Het lijkt op het lied van Mozes na de bevrijding van Gods volk van de Egyptenaren (Ex 15:1-211Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
Ik zal zingen voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.2De HEERE is mijn kracht en lied,
Hij is mij tot heil geweest.
Dit is mijn God, Hem verheerlijk ik;
de God van mijn vader, Hem roem ik.
3De HEERE is een Strijder,
HEERE is Zijn Naam.4De wagens van de farao en zijn leger
heeft Hij in de zee geworpen.
De besten van zijn officieren
zijn verdronken in de Schelfzee.
5De watervloeden hebben hen bedolven,
zij zijn als een steen in de diepten gezonken.
6Uw rechterhand, HEERE,
was heerlijk in macht;
Uw rechterhand, HEERE,
verpletterde de vijand.
7In Uw grote majesteit wierp U terneer wie tegen U opstonden.
U zond Uw brandende [toorn],
die hen als stoppels verteerde.
8Door de adem van Uw neus
is het water opgehoopt,
de stromen stonden als een dam,
de watervloeden zijn gestold in het hart van de zee.
9De vijand zei:
Ik achtervolg [hen], haal [hen] in,
deel de buit.
Mijn verlangen wordt aan hen vervuld,
ik trek mijn zwaard,
mijn hand roeit hen uit.
10Maar U hebt met Uw adem geblazen,
de zee heeft hen bedolven.
Zij zonken als lood
in machtige watermassa's.
11Wie is als U
onder de goden, HEERE?
Wie is als U,
verheerlijkt in heiligheid,
ontzagwekkend in lofzangen,
[U] Die wonderen doet?
12U strekte Uw rechterhand uit,
en de aarde verzwolg hen.13U leidde in Uw goedertierenheid
dit volk, dat U verlost hebt.
U leidde [hen] zachtjes door Uw kracht
naar Uw heilige woning.14De volken hebben het gehoord, zij sidderden,
angst heeft de inwoners van Filistea aangegrepen.
15Toen werden door schrik overmand
de stamhoofden van Edom.
De machthebbers van Moab
greep huivering aan.
Al de inwoners van Kanaän smolten weg [van angst].
16Op hen viel
verschrikking en angst.
Door de grootheid van Uw arm
verstomden zij als een steen,
terwijl Uw volk, HEERE, erdoorheen trok,
terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.17U zult hen brengen en hen planten
op de berg [die] Uw eigendom is,
Uw vaste woonplaats,
die U gemaakt hebt, HEERE,
het heiligdom, Heere,
dat Uw handen gesticht hebben.18De HEERE zal regeren
voor eeuwig en altijd!19Want het paard van de farao, met zijn strijdwagen en zijn ruiters, waren in de zee gekomen, en de HEERE had het water van de zee over hen terug doen vloeien. Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden in de zee.20Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.21Toen [zong] Mirjam hun ten antwoord:
Zing voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
. Hier is het God Die als Koning in de Persoon van de Heer Jezus Zijn eigen troon gaat bestijgen. Christus is de Koning-Priester, de ware Melchizedek. Daarom is Zijn troon ook Zijn heiligdom. Het gaat nu niet om het herstel van de tempeldienst, maar om een intocht die ook een triomftocht is. De koning van het noorden en zijn leger zijn verslagen. Deze triomftocht geschiedt ten aanschouwen van “zij”, dat is de wereld (vers 2525O God, zij hebben Uw intocht gezien,
de intocht van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom.
)
.

Als God Zijn vijanden definitief heeft verslagen en vernederd, neemt Hij Zijn intrek in het heiligdom (vers 2525O God, zij hebben Uw intocht gezien,
de intocht van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom.
)
. Vol verrukking, wat we horen in de uitroep “o God”, zegt de psalmdichter dat de toeschouwers bij het omhoogvoeren van de ark naar Jeruzalem de intocht ervan in het heiligdom hebben gezien. De intocht van de ark is de intocht van God, want de ark is Zijn troon. Die God noemt David “mijn God, “mijn Koning”, wat aangeeft dat Hij een persoonlijke betrekking met Hem heeft (vgl. Jh 20:2828Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God!).

Het is een intocht die niet alleen toeschouwers heeft, maar waarbij een menigte in de optocht meeloopt (vers 2626De zangers gingen voorop, de snarenspelers daarachter,
in het midden de trommelende meisjes.
; 1Kr 15:14,2514Toen heiligden de priesters en Levieten zich om de ark van de HEERE, de God van Israël, op te halen.25Het waren David, de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend die de ark van het verbond van de HEERE met blijdschap uit het huis van Obed-Edom gingen halen.)
. “De zangers” gaan voorop, daarachter komen “de snarenspelers” en “in het midden de trommelende meisjes”. Het herinnert aan wat Mirjam en al de vrouwen met tamboerijnen doen na de bevrijding uit Egypte en de doortocht door de Rode Zee (Ex 15:20-2120Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.21Toen [zong] Mirjam hun ten antwoord:
Zing voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
.

God wil samenkomen met een volk dat Hem als de almachtige “God” looft (vers 2727Loof God in de samenkomsten,
[loof] de Heere, u die voortkomt uit de bron van Israël.
)
. Hij is ook “de Heere”, de soevereine Heerser van het heelal. Hij wil dat ze Hem ook als de Heere loven. Zij die daartoe worden opgeroepen, worden genoemd “u die voortkomt uit de bron van Israël”. De bron of de oorsprong van Israël is God Zelf (Js 51:11Luister naar Mij, u die de gerechtigheid najaagt,
u die de HEERE zoekt.
Aanschouw de rots [waarin] u uitgehakt bent,
de holte van de put [waaruit] u gegraven bent.
; vgl. Ps 87:77De zangers evenals zij die [in reien] dansen, [zingen]:
Al mijn bronnen zijn in u!
)
. Allen die met Hem als de levende Bron in verbinding staan – wat alleen mogelijk is als zij Zijn natuur hebben ontvangen (2Pt 1:44waardoor Hij ons de kostbare en zeer grote beloften geschonken heeft, opdat u daardoor deelgenoten van [de] Goddelijke natuur zou worden, ontkomen aan het verderf dat door [de] begeerte in de wereld is.) –, kunnen Hem loven.

Alle twaalf stammen – want inmiddels zijn ook de verloren tien stammen terug in het land (vers 23b23De Heere heeft gezegd: Ik breng u terug uit Basan;
Ik breng u terug uit de diepten van de zee,
)
– zullen komen en God loven in de samenkomsten (vers 2828Daar is Benjamin, de kleine, die over hen heerste,
[daar zijn] de vorsten van Juda, hun gezelschap,
de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali.
)
. Ze worden vertegenwoordigd door Benjamin en Juda uit het zuiden en Zebulon en Naftali uit het noorden. Benjamin wordt “de kleine” genoemd omdat hij de jongste zoon van Jakob en de kleinste stam van Israël is (1Sm 9:2121Toen antwoordde Saul en zei: Ben ik niet een Benjaminiet, uit de kleinste van de stammen van Israël? En is mijn geslacht [niet] het geringste van al de geslachten uit de stam van Benjamin? Waarom spreekt u mij dan aan met zulke woorden?). Het is wel de stam die heerst, die rooft en buit verdeelt (vgl. Gn 49:2727Benjamin is een verscheurende wolf;
's morgens verslindt hij [zijn] prooi,
en 's avonds deelt hij buit uit.
)
.

“De vorsten van Juda”, de koningsstam, zijn erbij om de ark op te voeren. Zij lopen voorop in “hun gezelschap”, dat is het gezelschap van Juda dat ook meeloopt. Juda is veel groter dan Benjamin, heeft veel aanzienlijke mensen en een groot gezelschap. Toch lijkt Benjamin in deze optocht de leiding te hebben. Zo wordt Benjamin vóór Juda genoemd. Ook staat er van hem dat hij heerst, wat erop kan wijzen dat hij de optocht regelt.

Zebulon en Naftali liggen ver van de tempel verwijderd. Toch zijn het stammen die bekendstaan om hun toewijding aan God in een tijd van verval (Ri 5:1818Zebulon is een volk dat zijn leven heeft versmaad tot de dood toe,
Naftali evenzo, op de hooggelegen velden.
)
. Over het gebied van deze twee stammen is minachting gebracht. Het staat symbool voor geestelijke duisternis. De eerste komst van de Heer Jezus heeft daar verandering in gebracht (Js 8:2323Voorzeker, er zal geen donkerheid blijven voor [het land] waarin benauwdheid is.
Zoals Hij in vroeger tijd
minachting heeft gebracht
over het land van Zebulon
en over het land van Naftali,
zo zal Hij in later [tijd] eer bewijzen
aan de Weg van de zee,
de overkant van de Jordaan,
het Galilea [waar] de heidenvolken [wonen].
; 9:11Het volk dat in duisternis wandelt,
zal een groot licht zien.
Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood,
over hen zal een licht schijnen.
; Mt 4:12-1612Toen Hij nu had gehoord dat Johannes was overgeleverd, vertrok Hij naar Galiléa;13en Hij verliet Nazareth en kwam in Kapernaüm wonen dat aan de zee ligt, in het gebied van Zebulon en Nafthali,14opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei:15‘Land Zebulon en land Nafthali, aan [de] weg van [de] zee, over de Jordaan, Galiléa van de volken:16het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en voor hen die zaten in [het] land en [de] schaduw van [de] dood, hun is een licht opgegaan’.)
. Dit zal bij de tweede komst van de Heer Jezus, Zijn terugkeer naar de aarde, opnieuw gebeuren. Dan wordt Hij niet verworpen, maar aanvaard en zal Hij Zijn rijk van vrede en gerechtigheid oprichten.


Koningen brengen geschenken

29Uw God heeft uw kracht [aan u] geboden;
versterk, o God, wat U aan ons gedaan hebt!
30Omwille van Uw tempel in Jeruzalem
zullen koningen U geschenken brengen.
31Bestraf de [wilde] dieren in het riet,
de horde stieren onder de kalveren van de volken,
[hem] die zich onderwerpt met stukken zilver.
Hij heeft de volken uitgestrooid [die] vreugde vinden in oorlog.
32Vorstelijke gezanten zullen uit Egypte komen,
Cusj zal zich haasten zijn handen naar God [uit te strekken].

God heeft Zijn volk krachtig gemaakt in hun strijd tegen de koning van het noorden (vers 2929Uw God heeft uw kracht [aan u] geboden;
versterk, o God, wat U aan ons gedaan hebt!
; Zc 12:5-65Dan zullen de leiders van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen voor mij een [bron van] kracht zijn door de HEERE van de legermachten, hun God.6Op die dag zal Ik de leiders van Juda maken als een vuurbekken in [een stapel] hout en als een brandende fakkel in een graanschoof. Rechts en links zullen zij al de volken rondom verteren en Jeruzalem zal nog op zijn plaats blijven, in Jeruzalem.; vgl. Jz 1:99Heb Ik het u niet geboden? Wees sterk en moedig, schrik niet en wees niet ontsteld, want de HEERE, uw God, is met u, overal waar u heen gaat.)
. Nu vragen ze aan Hem om nog meer kracht te geven en te versterken wat Hij aan hen heeft gedaan. Er is een verlangen naar meer kracht, zodat nog duidelijker wordt wat God heeft gedaan. Wij kunnen wat God aan ons heeft gedaan tenietdoen door er zelf mee aan de slag te gaan. Hier zien we dat de kracht die we van God hebben mogen ervaren, ons moet brengen tot het vragen om nog meer kracht, zodat steeds duidelijker wordt dat God in ons leven bezig is.

Hun vraag om versterking van wat God aan hen heeft gedaan, geldt in de eerste plaats Zijn tempel in Jeruzalem (vers 3030Omwille van Uw tempel in Jeruzalem
zullen koningen U geschenken brengen.
)
. Ze willen graag Gods kracht in werking zien treden in koningen van vreemde mogendheden die Hem geschenken brengen omwille van Zijn tempel in Jeruzalem. Dat zullen die koningen doen als ze zien dat zij met al hun macht machteloos zijn tegenover de machtige God (vgl. Js 49:77Zo zegt de HEERE,
de Verlosser van Israël, zijn Heilige,
tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft,
tegen de Knecht van heersers:
Koningen zullen het zien en opstaan,
vorsten – zij zullen zich [voor U] neerbuigen,
omwille van de HEERE, Die getrouw is,
de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.
; 60:55Dan zult u het zien en stralen,
uw hart zal diep ontzag hebben en zich verruimen,
want de menigte van de zee zal zich naar u toekeren,
het vermogen van de heidenvolken zal naar u toe komen.
)
. Bij de geboorte van de Heer Jezus brachten zij goud, wierook en mirre (Mt 2:11b11En toen zij het huis waren binnengegaan, zagen zij het Kind met Maria, Zijn moeder, en zij vielen neer en huldigden Het; en zij openden hun schatten en boden Het geschenken aan: goud, wierook en mirre.). Bij Zijn wederkomst zullen zij goud en wierook brengen (Js 60:66Een menigte kamelen zal u bedekken,
de jonge kamelen van Midian en Efa.
Zij allen uit Sjeba zullen komen,
goud en wierook zullen zij aandragen,
zij zullen de loffelijke daden van de HEERE boodschappen.
)
. Er is dan geen mirre bij, want mirre spreekt van het lijden en sterven van de Heer Jezus en dat is volbracht.

De tweede vraag betreft het openbaren van Zijn kracht tegenover hun vijanden. Ze vragen Hem de “de [wilde] dieren in het riet” te bestraffen (vers 3131Bestraf de [wilde] dieren in het riet,
de horde stieren onder de kalveren van de volken,
[hem] die zich onderwerpt met stukken zilver.
Hij heeft de volken uitgestrooid [die] vreugde vinden in oorlog.
)
. Met de wilde dieren bedoelen ze de heidenvolken en mogelijk vooral de Egyptenaren (vgl. Ez 32:2a2Mensenkind, hef een klaaglied aan over de farao, de koning van Egypte, en zeg tegen hem:
U leek onder de heidenvolken op een jonge leeuw;
en u was als een zeemonster in de zeeën,
u barstte los in uw rivieren,
bracht het water met uw voeten in beroering
en maakte hun rivieren troebel.
)
. “De horde stieren onder de kalveren van de volken” stellen de onderdrukkers en misleiders van de volken of stammen van het afvallige Israël voor (vgl. Ps 22:1313Vele stieren hebben mij omringd,
sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld.
)
.

De leider van het afvallige Israël, de antichrist, “onderwerpt” zich “met stukken zilver” aan de heidenvolken. Hij koopt de gunst van Godvijandige volken (Europa) om zich tegen de tuchtroede van God (Assyrië) te verzetten. Maar in het geloof ziet de psalmist de overwinning van God: Hij heeft de volken uitgestrooid [die] vreugde vinden in oorlog.” Alle legers die zich hebben verzameld en vreugde vinden in oorlog tegen God en Zijn volk, worden door Hem uitgestrooid als kaf in de wind. Hij verdrijft en verdelgt hen.

God zal de opstandige heidenvolken oordelen. Een overblijfsel uit die volken zal naar Zijn woonplaats in Jeruzalem komen. Er zullen “vorstelijke gezanten uit Egypte komen” om zich te buigen voor de ware God, de God van Israël (vers 3232Vorstelijke gezanten zullen uit Egypte komen,
Cusj zal zich haasten zijn handen naar God [uit te strekken].
; Js 19:20-2220Dit zal zijn tot een teken en getuigenis voor de HEERE van de legermachten, in het land Egypte. Wanneer zij tot de HEERE zullen roepen vanwege [hun] onderdrukkers, zal Hij tot hen een Heiland en Meester zenden; Die zal hen redden.21Dan zal de HEERE aan de Egyptenaren bekend worden en de Egyptenaren zullen de HEERE kennen op die dag. Zij zullen [Hem] dienen [met] slachtoffer en graanoffer, en de HEERE gelofte doen en [die] nakomen.22Zo zal de HEERE de Egyptenaren geducht treffen en genezen. Zij zullen zich tot de HEERE bekeren en Hij zal Zich door hen laten verbidden; en Hij zal hen genezen.)
. Cusj zal zich haasten zijn handen naar God [uit te strekken] (vgl. Js 45:1414Zo zegt de HEERE:
De arbeids[opbrengst] van de Egyptenaren en de koophandel van de Cusjieten,
en de Sabeeërs, mannen van grote lengte,
zullen naar u overgaan en zullen van u zijn.
Zíj zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen
en voor u zullen zij zich buigen,
zij zullen u smeken en zeggen:
Voorzeker, God is bij u, en niemand anders;
er is geen [andere] God.
)
. Dit betekent dat ze snel zullen doen wat ze moeten doen: Hem smeken hen te sparen. Daarvan spreekt het uitstrekken van de handen naar Hem.


De majesteit en macht van God

33Koninkrijken van de aarde, zing voor God;
zing psalmen voor de Heere, /Sela/
34Die rijdt door de aloude hemel der hemelen;
zie, Hij laat Zijn stem klinken, een stem met macht.
35Geef macht aan God;
Zijn majesteit is over Israël
en Zijn macht [tot] in de wolken.

De “koninkrijken van de aarde” die gespaard zijn gebleven voor de oordelen, worden opgeroepen “voor God” te zingen (vers 3333Koninkrijken van de aarde, zing voor God;
zing psalmen voor de Heere, /Sela/
)
. Hier zien we de “grote schare die niemand kon tellen” (Op 7:9-179Daarna zag ik en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en [alle] geslachten en volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met lange witte kleren en [met] palmtakken in hun handen.10En zij riepen met luider stem de woorden: Het heil aan onze God Die op de troon zit en aan het Lam.11En alle engelen stonden rond de troon en de oudsten en de vier levende wezens, en zij vielen op hun gezicht neer voor de troon en aanbaden God12en zeiden: Amen! De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheid! Amen.13En een van de oudsten antwoordde en zei tegen mij: Dezen die bekleed zijn met lange witte kleren, wie zijn zij en vanwaar zijn zij gekomen?14En ik zei tegen hem: Mijn heer, u weet het. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen en ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.15Daarom zijn zij vóór de troon van God en zij dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij Die op de troon zit zal Zijn tent over hen uitbreiden.16Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal op hen geenszins vallen, noch enige hitte;17want het Lam Dat in [het] midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.). Ze moeten “psalmen voor de Heere [Adonai] zingen. Hij is het “Die rijdt door de aloude hemel der hemelen” (vers 3434Die rijdt door de aloude hemel der hemelen;
zie, Hij laat Zijn stem klinken, een stem met macht.
; vgl. Dt 33:2626Niemand is er als God, Jesjurun!
Hij rijdt op de hemel om u te helpen,
en in Zijn majesteit op de wolken.
)
. Het stelt op weergaloze wijze Zijn majesteit van eeuwigheid af en overal in de hemelen voor. Hij is de onbegrensde Heer van het heelal dat Hem niet kan bevatten, maar dat Hij omspant (1Kn 8:2727Maar zou God werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb!).

Daaraan geeft Hij met Zijn stem uiting, “Hij laat Zijn stem klinken, een stem met macht”. Hij openbaart Zich in Zijn spreken. We horen dat in de natuur door de donder. We horen dat in Zijn Woord door Zijn profeten gedaan en “in [het] laatst van de dagen” horen we Hem spreken “in [de] Zoon” (Hb 1:11Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,).

Het onderwerp van de lof van de onderworpen naties moet Gods soevereine macht zijn (vers 3535Geef macht aan God;
Zijn majesteit is over Israël
en Zijn macht [tot] in de wolken.
)
. Hij heeft Zijn majesteit over Israël laten zien. Hij heeft dit volk tot Zijn volk uitgekozen. Daarom zijn de talloze vijanden die door alle eeuwen heen dit volk van de aardbodem hebben willen wegvagen niet in hun opzet geslaagd. God heeft Zijn volk voor Zich bewaard. Nu maakt Hij het tot het centrum van zegen voor de aarde omdat Hij in het midden van hen woont.

Zijn macht die Hij in hun bescherming heeft getoond, is dezelfde macht waarmee Hij de wolken bestuurt. Hij rijdt erop als op een wagen. Hij zendt van daaruit regen op de aarde, waarbij Hij de regen gepaard kan laten gaan met oogverblindende bliksemen en oorverdovende donderslagen. Hij openbaart Zich in zegen voor Zijn volk en in oordeel voor Zijn vijanden.


God geeft Zijn volk kracht en sterkte

36O God, U bent ontzagwekkend vanuit Uw heiligdommen;
de God van Israël, Hij geeft het volk kracht en sterkte.
Geloofd zij God!

David is zeer onder de indruk van Gods macht. Hij richt zich in de eerste regel van dit laatste vers weer met de woorden “o God” rechtstreeks tot God. Hij, Die Zijn macht in de wolken openbaart, is “ontzagwekkend” (vgl. Dt 10:1717Want de HEERE, uw God, is de God der goden en de Heere der heren; die grote, machtige en ontzagwekkende God, Die niet partijdig is en geen geschenk in ontvangst neemt,) vanuit Zijn heiligdommen, de hemelen waar Hij verblijft, plaatsen boven de wolken.

Hij is weer “de God van Israël”, want de periode van Lo-Ammi, dat is niet-Mijn-volk, is voorbij. Israël heeft geen andere God dan Hij en Hij heeft geen ander volk waarvan Hij op die manier de God is. Er is vaak gevraagd waar de God van Israël is als het gaat om het lijden dat over Zijn volk is gekomen. Aan alle vragen daarover komt een einde als Hij Zich op Zijn tijd als de God van Israël openbaart.

“Hij geeft het volk kracht en sterkte” (vgl. Zc 12:55Dan zullen de leiders van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen voor mij een [bron van] kracht zijn door de HEERE van de legermachten, hun God.) om niet ten onder te gaan aan alle aanvallen die er in de eindtijd op hen worden gedaan. Ze zullen het niet aan hun militaire overmacht of slimme verdedigingsstrategie te danken hebben. Dat het volk de zegen van het vrederijk zal binnengaan, is uitsluitend aan Hem te danken.

Daarom blijft er niets anders over dan vol bewondering te zeggen: “Geloofd zij God!” Dan troont Hij op de lofzangen van Israël (Ps 22:44Maar U bent heilig,
U troont [op] de lofzangen van Israël.
)
.


Lees verder