Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-3 God staat op 4-7 De rechtvaardigen verblijden zich 8-15 God trekt voor het volk uit 16-19 Gaven genomen en gegeven 20-24 Uitkomsten tegen de dood 25-28 De intocht van God 29-32 Koningen brengen geschenken 33-35 De majesteit en macht van God 36 God geeft Zijn volk kracht en sterkte
Inleiding

De gedachte is geopperd dat deze psalm, dit lied (vers 11Een psalm, een lied van David, voor de koorleider.), is gemaakt naar aanleiding van het opvoeren van de ark naar de berg Sion na de vernederende verovering door de Filistijnen (1Sm 4:17,2217Toen antwoordde de boodschapper en zei: Israël is voor de Filistijnen uit gevlucht, en ook is er een grote slachting onder het volk geweest. Bovendien zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven en is de ark van God [als buit] meegenomen.22En zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël, want de ark van God is [als buit] meegenomen.; 5:11De Filistijnen hadden de ark van God [als buit] meegenomen en hem van Eben-Haëzer naar Asdod gebracht.) en zijn verblijf in het huis van Obed-Edom (2Sm 6:1-2,12-181Daarna verzamelde David opnieuw de beste van alle [mannen] in Israël, dertigduizend.2David stond op en ging [op weg] met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, [de ark] waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.12Koning David werd de boodschap gebracht: De HEERE heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David [op weg] en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.13En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest [kalf] offerde.14David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.15Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal.16En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, uit het venster neerkeek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart.17Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers.18Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van de HEERE van de legermachten.). Dit opvoeren van de ark gebeurt onder begeleiding van muziek en zang (1Kr 15:27-2827David ging gekleed in een bovenkleed van fijn linnen, en [ook] alle Levieten die de ark droegen, de zangers en Chenanja, de leider van de muziek [en] van de zangers. Ook had David een linnen priesterhemd aan.28Zo bracht heel Israël de ark van het verbond van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal, met trompetten en met cimbalen; en zij lieten [muziek] horen met luiten en harpen.).


Opschrift

1Een psalm, een lied van David, voor de koorleider.

Het is “een psalm, een lied van David”. Het is de laatste “psalm” in de rij van vier psalmen die “een lied” wordt genoemd. Zie verder bij Psalm 65:1. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.


God staat op

2God staat op, Zijn vijanden worden [overal] verspreid;
wie Hem haten, vluchten voor Zijn aangezicht.
3U verdrijft [hen], zoals rook verdreven wordt;
zoals was smelt voor vuur
komen de goddelozen om voor Gods aangezicht.

De psalm begint op majestueuze wijze: “God staat op” (vers 22God staat op, Zijn vijanden worden [overal] verspreid;
wie Hem haten, vluchten voor Zijn aangezicht.
; vgl. 2Kr 6:4141Welnu, HEERE God, sta op, [trek] naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht. Laten Uw priesters, HEERE God, met heil bekleed worden, en laten Uw gunstelingen verblijd zijn over het goede.)
, dat wil zeggen dat God Zich verheft om te gaan handelen. Deze woorden herinneren aan wat Mozes heeft gezegd bij het optrekken van de ark met het volk in de woestijn (Nm 10:3535En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei:
Sta op, HEERE,
laat Uw vijanden [overal] verspreid worden
en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten!
)
. De ark is het symbool van Gods tegenwoordigheid en bescherming. Het is Zijn troon. God neemt Zijn plaats in vóór het volk, aan het hoofd van Zijn volk. Als gevolg daarvan worden de vijanden overal verspreid. Wie Hem haat, omdat hij geen verbinding met Hem heeft, vlucht “voor Zijn aangezicht”.

Als Hij Zich in Zijn majesteit verheft, verdrijft Hij Zijn haters met hetzelfde gemak als waarmee “rook verdreven wordt” (vers 33U verdrijft [hen], zoals rook verdreven wordt;
zoals was smelt voor vuur
komen de goddelozen om voor Gods aangezicht.
)
. Alleen al Zijn opstaan, zonder dat Hij een woord spreekt of een bijzondere handeling verricht, veroorzaakt de verdwijning van Zijn haters. Ze verdwijnen zonder dat er, net als van verdreven rook, een spoor van hen achterblijft (vgl. Hs 13:33Daarom zullen zij worden als een morgenwolk,
ja, als een vroeg opkomende dauw die verdwijnt,
als kaf dat van een dorsvloer wegstuift,
en als rook uit een venster.
)
. David gebruikt nog een andere vergelijking. De vijanden van God zijn ook als was dat door vuur smelt (vgl. Mi 4:11Het zal echter in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE
vast zal staan als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat de volken ernaartoe zullen stromen.
)
. Er blijft geen vorm en geen verzet over. Zo gemakkelijk “komen de goddelozen om voor Gods aangezicht”.


De rechtvaardigen verblijden zich

4Maar de rechtvaardigen verblijden zich,
zij springen op van vreugde voor Gods aangezicht
en zijn van blijdschap vrolijk.
5Zing voor God, zing psalmen voor Zijn Naam;
baan de wegen voor Hem Die door de vlakten rijdt,
want HEERE is Zijn Naam;
spring op van vreugde voor Zijn aangezicht.
6Vader van de wezen en Rechter van de weduwen:
[dát is] God in Zijn heilige woning;
7een God Die eenzamen in een huis[gezin] plaatst,
Die gevangenen uitleidt in voorspoed;
maar de opstandigen wonen in een dor [land].

Het opstaan van God heeft bij de rechtvaardigen een totaal ander resultaat dan bij Gods vijanden. Zij “verblijden zich” (vers 44Maar de rechtvaardigen verblijden zich,
zij springen op van vreugde voor Gods aangezicht
en zijn van blijdschap vrolijk.
)
. Bij hen ontstaat een geweldige blijdschap. Terwijl de goddelozen omkomen “voor Gods aangezicht” (vers 33U verdrijft [hen], zoals rook verdreven wordt;
zoals was smelt voor vuur
komen de goddelozen om voor Gods aangezicht.
)
, springen de rechtvaardigen op “van vreugde voor Gods aangezicht en zijn van blijdschap vrolijk”. De goddelozen worden door de tegenwoordigheid van God omgebracht, maar de rechtvaardigen zijn met grote en voortdurend toenemende blijdschap in Gods tegenwoordigheid. Hun hart is vol vreugde en blijdschap, wat uitbundig en voortdurend tot uiting komt.

De blijdschap van de rechtvaardige gaat over in een oproep om voor God te zingen, om psalmen voor Zijn Naam te zingen (vers 55Zing voor God, zing psalmen voor Zijn Naam;
baan de wegen voor Hem Die door de vlakten rijdt,
want HEERE is Zijn Naam;
spring op van vreugde voor Zijn aangezicht.
)
. De herhaling geeft het intense verlangen aan om voor Hem te zingen. Hij komt eraan en “de wegen” moeten worden gebaand “voor Hem Die door de vlakten rijdt” (vgl. Js 40:33Een stem van iemand die roept
in de woestijn:
Bereid de weg van de HEERE,
maak recht in de wildernis
een gebaande weg voor onze God.
; 62:1010Ga door, ga door, de poorten door,
bereid de weg voor het volk,
verhoog, verhoog de gebaande weg,
zuiver [hem] van stenen,
steek een banier omhoog boven de volken.
)
. De wegen banen voor Hem betekent dat het volk alle verhinderingen wegdoet om God ruim baan in hun leven te geven.

Het houdt in dat het zich bekeert en de Hem toekomende plaats in het hart geeft. Het gaat om gebaande wegen in het hart (Ps 84:66Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
; Mt 3:1-31In die dagen nu trad Johannes de doper op en predikte in de woestijn van Judéa2en zei: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.3Want deze is het van wie gesproken is door de profeet Jesaja, die zei: ‘Stem van een roepende in de woestijn: Bereidt de weg van [de] Heer, maakt Zijn paden recht’.)
. Hoogten moeten geslecht en dalen moeten gevuld worden. De hoogmoed moet verdwijnen evenals de valse nederigheid. Dan ontstaan er vlakten waar Hij kan rijden, waar Hij ruimte heeft om Zijn werk te doen.

Dat moet gebeuren omdat Zijn Naam “HEERE” is. Zo heeft Hij Zich alleen aan Zijn volk bekendgemaakt (Ex 3:1515Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn [Naam ter] gedachtenis, van generatie op generatie.). Hij is de God van het verbond met Zijn volk en Hij gaat alles vervullen waartoe Hij Zich door dat verbond heeft verplicht (Ex 6:6-86Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn. Dan zult u weten dat Ik de HEERE, uw God, ben, Die u uitleidt vanonder de dwangarbeid van de Egyptenaren.7Ik zal u brengen in het land waarvoor Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou. Ik zal het u in erfelijk bezit geven, Ik, de HEERE.8Zo sprak Mozes tot de Israëlieten, maar zij luisterden niet naar Mozes, door hun moedeloosheid en de harde slavenarbeid.). Het besef daarvan is aanleiding om “van vreugde voor Zijn aangezicht” op te springen.

De naam ‘HEERE’ komt in deze psalm vier keer voor (verzen 5,17,19,215Zing voor God, zing psalmen voor Zijn Naam;
baan de wegen voor Hem Die door de vlakten rijdt,
want HEERE is Zijn Naam;
spring op van vreugde voor Zijn aangezicht.
17Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst
naar deze berg, [die] God als Zijn woning heeft begeerd?
Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.
19U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!21Die God is ons een God van volkomen zaligheid;
bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
)
. Verder is er steeds sprake van God en Heere (Adonai), want het gaat vooral over Zijn opperheerschappij, over Zijn Goddelijke heersersmacht. Deze God is alles wat Israël en alle volken nodig hebben.

God is zowel een almachtige Helper tegen de vijanden als een barmhartige “Vader van de wezen en Rechter van de weduwen” (vers 66Vader van de wezen en Rechter van de weduwen:
[dát is] God in Zijn heilige woning;
; vgl. Jr 49:1111Laat uw wezen achter, Ík zal hen in het leven behouden,
en laten uw weduwen op Mij vertrouwen.
)
. Zijn volk is als wezen geweest en ook als een weduwe. De oorzaak daarvan is hun verwerping van Hem, waardoor Hij hen aan henzelf heeft moeten overlaten. Maar nu ontfermt Hij Zich over hen.

Zo is “God in Zijn heilige woning”. God is in Zijn heilige woning niet anders dan in Zijn handelen op aarde. De mens is in zijn openlijke optreden vaak anders dan in zijn huis, in de privésfeer. Bij God is dat niet zo. De heiligheid die Zijn woning kenmerkt, kenmerkt ook Zijn handelen op aarde. Hij kan barmhartig zijn voor hen die dat nodig hebben omdat aan al Zijn heilige eisen is voldaan door Zijn geliefde Zoon, de Messias en HEERE van Zijn volk. Hij kan Zijn volk door hun belijdenis barmhartig zijn en in Zijn heilige tegenwoordigheid aannemen.

Hij is “een God Die eenzamen in een huis[gezin] plaatst” (vers 77een God Die eenzamen in een huis[gezin] plaatst,
Die gevangenen uitleidt in voorspoed;
maar de opstandigen wonen in een dor [land].
)
. Zijn volk is verstrooid en eenzaam geweest. Nu Hij Zich over Zijn volk ontfermt, zijn ze als een huisgezin weer bij elkaar. De mens is niet geschapen om alleen te zijn. God heeft het gezin ingesteld om daardoor gemeenschapszin te ontwikkelen. Hij wil daardoor op aarde laten zien welke waarde Hij als Vader aan gemeenschap met Zijn kinderen hecht. Het is goed ook in dit opzicht Gods origineel in het oog te houden. Dat is nodig omdat het gezin als instelling van God heeft afgedaan. Alles draait om individuele behoeftebevrediging.

God is ook een God “Die gevangenen uitleidt in voorspoed”. De leden van Zijn volk zijn gevangenen geweest onder de volken. Maar God heeft hen uit de gevangenschap bevrijd en in de voorspoed van het vrederijk gebracht. “De opstandigen” daarentegen komen niet in een land van voorspoed, maar “wonen in een dor [land]”, een land waar aan alles gebrek is.

Als toepassing voor ons weten wij dat wij na onze bevrijding uit de slavernij van de zonde tot de familie van Gods kinderen zijn gaan behoren. We zijn geen vreemdelingen en bijwoners meer”, maar we zijn “medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God” geworden (Ef 2:1919Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,). We zijn overladen met geestelijke en eeuwige zegeningen waarvan we in gemeenschap met de Vader mogen genieten.


God trekt voor het volk uit

8O God, toen U voor Uw volk uittrok,
toen U voortschreed door de wildernis, /Sela/
9beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
10U hebt zeer milde regen doen druipen, o God;
Ú hebt Uw eigendom versterkt,
toen het uitgeput raakte.
11Uw kudde woonde daar;
U maakte [Uw eigendom] door Uw goedheid gereed
voor de ellendige, o God.
12De Heere gaf [stof tot] spreken;
de boodschapsters van goede tijding vormden een groot leger.
13De koningen van de legermachten vluchtten weg, zij vluchtten weg;
maar zij die thuis bleef, deelde de buit uit.
14Al lag u tussen twee rijen ovenstenen,
[toch zult u schitteren] als vleugels van een duif, overtrokken met zilver
en zijn veren met bewerkt groenglanzend goud.
15Toen de Almachtige de koningen in [het land overal] verspreidde,
sneeuwde het op [de berg] Zalmon.

In dit gedeelte geeft David een opsomming van belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van het volk van God. Hij begint met het uittrekken van God voor Zijn volk uit (vers 88O God, toen U voor Uw volk uittrok,
toen U voortschreed door de wildernis, /Sela/
; Ex 13:2121De HEERE ging vóór hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij dag en nacht verder konden trekken.)
. Hij is voor hen uit gegaan “door de wildernis”. Dit ziet op de woestijnreis van Gods volk nadat ze uit Egypte zijn verlost, waarbij de ark als symbool van Zijn aanwezigheid voor hen uittrekt (Nm 10:3333Zo trokken zij drie dagreizen van de berg van de HEERE vandaan. En de ark van het verbond van de HEERE trok drie dagreizen voor hen uit, om een rustplaats voor hen te zoeken.).

We zien hier een beeld van de Heer Jezus Die voor de Zijnen uitgaat. Hij loopt niet achter de kudde om ze op te jagen, maar Hij gaat voor Zijn schapen uit (Jh 10:44Wanneer hij al zijn eigen [schapen] heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.). Hij gaat voor de vele zonen van God uit om hen als de overste Leidsman naar de volle behoudenis te leiden (Hb 2:1010Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, de overste Leidsman van hun behoudenis door lijden volmaakte.). Hij is al Voorloper voor de Zijnen in het heiligdom gegaan, waar Hij hen heen leidt (Hb 6:19-2019Deze hebben wij als een anker van de ziel, dat zeker en vast is en ingaat tot binnen het voorhangsel,20waar Jezus als Voorloper voor ons is ingegaan, naar de orde van Melchizédek Hogepriester geworden tot in eeuwigheid.).

Het uittrekken van God voor Zijn volk is gepaard gegaan met het beven van de aarde (vers 99beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
; vgl. Ri 5:44HEERE, toen U uittrok uit Seïr,
toen U voortschreed uit het veld van Edom,
beefde de aarde, ook droop de hemel,
ook dropen de wolken van water.
)
. Als God verschijnt, laat dat de natuur niet onberoerd. Ook de hemel reageert door regenstromen van verkwikking “voor Gods aangezicht” te geven. Dit kan ook slaan op het dagelijks neerdalen van het manna uit de hemel, met uitzondering van de sabbat. De machtige berg Sinaï beeft ook “voor het aangezicht van God, de God van Israël”. De Sinaï herinnert aan de wetgeving, het bekendmaken van de voorwaarden van God op grond waarvan het volk de zegen kan krijgen (Ne 9:1313Op de berg Sinaï bent U neergedaald en hebt U vanuit de hemel met hen gesproken, en U hebt hun rechtmatige bepalingen, betrouwbare wetten [en] goede verordeningen en geboden gegeven.).

Dan komt het volk in het land. Daar doet God “zeer milde regen … druipen” op het land (vers 1010U hebt zeer milde regen doen druipen, o God;
Ú hebt Uw eigendom versterkt,
toen het uitgeput raakte.
)
. Het is het land dat God als Zijn eigendom heeft uitgekozen. Hij versterkt het met Zijn ‘zeer milde regen’ als het uitgeput raakt. Zijn “kudde” woont daar (vers 1111Uw kudde woonde daar;
U maakte [Uw eigendom] door Uw goedheid gereed
voor de ellendige, o God.
)
, dat is Zijn volk gezien als een kudde die door Hem wordt verzorgd (vgl. Ez 36:3838Als [met] de geheiligde schapen, als [met] de schapen van Jeruzalem op hun vaste feestdagen, zo vol zullen de verwoeste steden worden met kudden mensen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). God heeft in Zijn goedheid Zijn eigendom, Zijn land, voor Zijn “ellendig” volk, het volk dat er beklagenswaardig aan toe is, gereedgemaakt.

We kunnen dit ook op ons toepassen, die ook Zijn eigendomsvolk zijn (Tt 2:1414Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een eigen volk reinigde, ijverig in goede werken.). Als wij er ellendig aan toe zijn en uitgeput raken, worden we door de Heer Jezus bemoedigd en verkwikt. Hij doet dat door Zijn Geest en Zijn Woord. Zowel de Geest als het Woord wordt vergeleken met water. Christus laat ons zien wat we in Hem geworden zijn om ons te bemoedigen en Hij laat ons zien Wie Hij voor ons is en zal zijn om ons te verkwikken.

De Heere heeft “[stof tot] spreken” gegeven (vers 1212De Heere gaf [stof tot] spreken;
de boodschapsters van goede tijding vormden een groot leger.
)
. Wat Hij heeft gezegd of gedaan waardoor er stof tot spreken is, wordt niet meegedeeld. Uit het verband kunnen we denken aan de verovering van het land bij de inbezitneming ervan. Dit is een “goede tijding”, die Hij “boodschapsters”, die “een groot leger” vormen, laat verkondigen (vgl. 1Sm 18:6-76Toen David en zijn mannen terugkwamen na het verslaan van de Filistijnen, gebeurde het dat de vrouwen uit al de steden van Israël met gezang en reidans koning Saul tegemoet trokken; met tamboerijnen, met blijdschap en met muziekinstrumenten.7Terwijl de vrouwen huppelden, zongen zij in beurtzang:
Saul heeft zijn duizenden verslagen,
maar David zijn tienduizenden!
)
.

De boodschapsters vermelden het goede nieuws van wegvluchtende “koningen van legermachten” (vers 1313De koningen van de legermachten vluchtten weg, zij vluchtten weg;
maar zij die thuis bleef, deelde de buit uit.
)
. Om de kracht van deze boodschap te onderstrepen wordt herhaald dat zij zijn weggevlucht. De op hen veroverde buit is uitgedeeld door “zij die thuis bleef” (vgl. Ri 5:29-3029Haar meest wijze vorstinnen antwoordden –
en ook zíj beantwoordde haar woorden voor zichzelf:
30Zouden zij dan geen buit vinden en verdelen,
één meisje of twee meisjes voor elke man?
Een buit van gekleurde stoffen voor Sisera,
een buit van gekleurde stoffen,
geborduurde, gekleurde stoffen, aan beide zijden geborduurd,
voor [om] de halzen van de buit.
)
. Het verdelen van de buit is een handeling van zegen als gevolg van een behaalde overwinning. God laat de Heer Jezus dat doen als beloning voor Zijn overwinning op het kruis (Js 53:1212Daarom zal Ik Hem veel toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
[omdat] Hij de zonden van velen gedragen heeft
en voor de overtreders gebeden heeft.
)
.

Het overblijfsel is door zware verdrukkingen gegaan. Dit wordt voorgesteld in het liggen “tussen twee rijen [oven]stenen” (vers 1414Al lag u tussen twee rijen ovenstenen,
[toch zult u schitteren] als vleugels van een duif, overtrokken met zilver
en zijn veren met bewerkt groenglanzend goud.
)
. Het geeft de gedachte dat ze aan het vuur van de oven zijn blootgesteld. Ze zijn echter niet in het vuur van de beproeving omgekomen. Integendeel, het vuur heeft hen gelouterd, wat wordt weergeven door de vergelijking met “vleugels van een duif, overtrokken met zilver en zijn veren bewerkt met groenglanzend goud”. Zo zien ze er nu uit.

De vleugels stellen bescherming voor. God heeft hen beschermd. De duif staat symbool voor trouw en voor de Heilige Geest. Zij zijn Hem trouw gebleven door de kracht van de Heilige Geest. Het zilver spreekt van de prijs die voor de verlossing en verzoening is betaald. Christus heeft de prijs betaald (1Pt 1:18-1918daar u weet dat u niet door vergankelijke dingen zilver of goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel,19maar door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, [het bloed] van Christus.). Het groenglanzende goud spreekt van de Goddelijke heerlijkheid, die wordt gezien in de vernieuwing van de natuur. Groen is de belangrijkste kleur van de natuur. Dit is een beeld van de frisheid van het nieuwe leven dat het deel is van allen die bij Christus horen.

Het optreden van de Almachtige heeft het verspreiden van de koningen overal in het land tot gevolg (vers 1515Toen de Almachtige de koningen in [het land overal] verspreidde,
sneeuwde het op [de berg] Zalmon.
)
. Zijn machtige overwinning wordt verbonden aan het sneeuwen “op [de berg] Zalmon”, een berg in de buurt van Sichem (Ri 9:47-4847En Abimelech werd verteld dat alle burgers van Migdal-Sichem zich [daar] verzameld hadden.48Vervolgens ging Abimelech de berg Zalmon op, hij en al het volk dat bij hem was. Abimelech nam een bijl ter hand, hakte een tak van de bomen, pakte hem op en legde hem op zijn schouder. En tegen het volk dat bij hem was, zei hij: Wat u mij hebt zien doen, haast u [dat ook] te doen, [net] als ik.). Er is verondersteld dat dit een poëtische beschrijving is voor de kou van de dood die door de witheid van het grote aantal lijken aan sneeuw doet denken. Het kan ook betekenen dat Zijn grote overwinning een verkwikking is voor het overblijfsel, zoals een sneeuwbui dat is op de dag van de oogst (Sp 25:1313Zoals de koelte van sneeuw op de dag van de oogst,
[zo] is een betrouwbare gezant voor zijn zenders,
hij verkwikt de ziel van zijn meester.
)
.


Gaven genomen en gegeven

16De berg Basan is een machtige berg,
de berg Basan is een berg met vele toppen.
17Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst
naar deze berg, [die] God als Zijn woning heeft begeerd?
Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.
18De strijdwagens van God zijn tweemaal tienduizend, ontelbare duizenden.
De Heere is bij hen, een Sinaï in heiligheid.
19U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!

David wijst op “de berg Basan” als “een machtige berg” met “vele toppen” (vers 1616De berg Basan is een machtige berg,
de berg Basan is een berg met vele toppen.
)
. Een berg is een symbool van macht. Bij monde van David stelt God de vraag aan deze macht waarom hij met afgunst “naar deze berg” kijkt. Met “deze berg” bedoelt hij de berg Sion, “[die] God als Zijn woning heeft begeerd” (vers 1717Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst
naar deze berg, [die] God als Zijn woning heeft begeerd?
Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.
)
. De berg Sion gaat alle indrukwekkende bergen te boven omdat die is verbonden met de Man naar Gods hart. Zo is het ook met de stad Jeruzalem, die alle indrukwekkende steden van de wereld te boven gaat omdat het de stad van de grote Koning is (Ps 87:1-71Een psalm, een lied van de zonen van Korach.
Zijn fundament rust op de heilige bergen.
2De HEERE heeft de poorten van Sion lief
boven alle woningen van Jakob.
3[Zeer] heerlijke dingen worden over u gesproken,
stad van God! /Sela/4Ik noem Rahab en Babel onder wie Mij kennen;
zie, de Filistijn en de Tyriër, met de Cusjiet:
die zijn daar geboren.
5Van Sion wordt gezegd:
Man voor man is erin geboren.
De Allerhoogste Zelf doet haar standhouden.
6De HEERE telt hen [erbij],
wanneer Hij de volken opschrijft,
[en zegt]: Deze is daar geboren. /Sela/7De zangers evenals zij die [in reien] dansen, [zingen]:
Al mijn bronnen zijn in u!
)
.

Zijn voornemen staat vast en Hij zal het uitvoeren zonder dat iemand daar iets tegenin zal brengen: “Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.” God zal te midden van Zijn volk wonen, wat de omliggende ‘bergen’ ook mogen denken of ondernemen. God heeft Zijn keus gemaakt en dat bepaalt alles. Het getuigt van wijsheid om daarmee in te stemmen.

Om Zijn voornemen te realiseren staat Hem een ontelbaar aantal “strijdwagens” van “tweemaal tienduizend, ontelbare duizenden” ter beschikking (vers 1818De strijdwagens van God zijn tweemaal tienduizend, ontelbare duizenden.
De Heere is bij hen, een Sinaï in heiligheid.
)
. Het zijn “de strijdwagens van God”, waarmee Zijn engelen worden bedoeld (vgl. 2Kn 6:1717En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.; Hb 12:2222maar u bent genaderd tot [de] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen,; Op 5:1111En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten, en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,). Hij, “de Heere”, Adonai, de soevereine God, is bij Zijn volk. Hij staat aan het hoofd van die talloze strijdwagens. Hij is de Beschermer van Sion. Het is dwaasheid om zich tegen Hem en Zijn voornemen te verzetten.

Hij is “een Sinaï in heiligheid”. Opnieuw (vers 99beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
)
wordt het overblijfsel aan de Sinaï herinnerd. De HEERE is Zelf in majesteit en luister met tienduizenden engelen op de Sinaï neergedaald (Ex 19:16-2016En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde.17Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet. Zij stonden onder aan de berg.18De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.19Het bazuingeschal werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak en God antwoordde hem met een stem.20Toen daalde de HEERE neer op de berg Sinaï, op de top van de berg. De HEERE riep Mozes naar de top van de berg en Mozes klom naar boven.; 24:1616De heerlijkheid van de HEERE bleef op de berg Sinaï rusten, en de wolk bedekte hem zes dagen [lang]. Op de zevende dag riep Hij Mozes, vanuit het midden van de wolk.; Dt 33:22Hij zei:
            De HEERE is van Sinaï gekomen,
                        [als de zon] kwam Hij uit Seïr op.
            Hij verscheen blinkend vanaf het gebergte Paran,
                        Hij kwam met tienduizenden heiligen,
                                    aan Zijn rechterhand was een vurige wet voor hen.
)
. In vers 99beefde de aarde,
ook droop de hemel voor Gods aangezicht;
[zelfs] deze Sinaï [beefde],
voor het aangezicht van God, de God van Israël.
staat het in verband met het uittrekken voor Zijn volk uit, hier staat het in verband met Zijn woonplaats te midden van Zijn volk. Hier ligt de nadruk erop dat door Zijn neerdalen op de berg Sinaï de berg in een heiligdom is veranderd. Op dezelfde indrukwekkende wijze verschijnt Hij op Sion dat Hij als Zijn woonplaats heeft uitgekozen om bij Zijn volk te wonen.

Na deze beschrijving van de verhevenheid en majesteit van God spreekt David niet over Hem, maar tot Hem (vers 1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
)
. Hij spreekt Hem direct aan en zegt tegen Hem, Die voor altijd op Sion zal wonen: “U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd”. Daar, “omhoog”, in de hemel, heeft Hij “gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen”.

Paulus verklaart de betekenis van dit vers in de brief aan de Efeziërs. Hij past dit vers toe op Christus, Die een volkomen overwinning heeft behaald op de vijand, de duivel en zijn hele machtssysteem (Ef 4:88Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar [de] hoge heeft Hij de gevangenschap gevangengenomen <en> heeft de mensen gaven gegeven’.). Als resultaat daarvan is Hij door God boven alles en allen verheven. Vanuit die verheven positie deelt Hij gaven uit aan de leden van Zijn lichaam, de gemeente.

Het gaat om Christus als de Gever. Paulus legt de nadruk op zowel de plaats van waaruit Hij geeft, “de hoge”, als wat Hij heeft gedaan om te kúnnen geven, “de gevangenschap gevangengenomen”. David spreekt in deze overwinningspsalm over “omhoog” en “gevangenen weggevoerd”. Hij heeft er al op gewezen hoe God Zijn vijanden verstrooit en op de vlucht jaagt en dat koningen die opstandig tegen Hem zijn, vergaan voor Zijn aangezicht. Voor Zijn verdrukte volk betekent Gods optreden bevrijding. Daarom vieren ze feest. Dit tafereel ziet vooruit naar het begin van het duizendjarig vrederijk.

Paulus haalt deze psalm aan omdat hij weet dat de overwinning, die in het vrederijk openlijk zal worden gezien, voor het geloof nú al werkelijkheid is. De Heer Jezus is door de dood heengegaan, opgestaan uit de dood en “opgevaren naar de hoge”. In het woord ‘opgevaren’ zit Goddelijke kracht, de majesteit van de Overwinnaar.

Dat Hij ‘de gevangenschap gevangengenomen’ heeft (Ef 4:88Daarom zegt Hij: ‘Opgevaren naar [de] hoge heeft Hij de gevangenschap gevangengenomen <en> heeft de mensen gaven gegeven’.), wil zeggen dat Hij door Zijn dood de duivel de macht heeft afgenomen om mensen gevangen te houden. In Hebreeën 2staat het zo: “Opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen zou verlossen die uit vrees voor de dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren” (Hb 2:14-1514Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,15en allen zou verlossen die uit vrees voor [de] dood hun hele leven door aan slavernij onderworpen waren.). Hij heeft voor allen die Hem toebehoren de macht van de zonde, de dood, de wereld en het vlees overwonnen. David zegt het zo, dat Christus de gevangenen heeft weggevoerd uit de slavernij en bij Zich genomen.

Daar blijft het echter niet bij. Christus heeft de vroegere gevangenen, maar die nu bevrijd zijn, ook gaven gegeven. Eerst heeft God Christus gaven gegeven als beloning voor Zijn overwinning. Die gaven zijn de mensen die door Hem zijn vrijgekocht uit hun gevangenschap (Jh 10:2929Mijn Vader Die [ze] Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan [ze] rukken uit de hand van Mijn Vader.; 17:22zoals U Hem macht hebt gegeven over alle vlees, opdat alles wat U Hem hebt gegeven, Hij hun eeuwig leven geeft.). Op Zijn beurt geeft Christus gaven aan hen die nu delen in Zijn overwinning.

De gaven komen van Iemand Die heeft overwonnen en nu in de hemel is. Ook wij die in gevangenschap waren, zijn bevrijd. Zo kan de Heer ook ons gaven geven. Profetisch betekent het dat Hij in het vrederijk aan Zijn aardse volk, dat zijn allen die Hij uit de gevangenschap van hun zonden en hun overheersers heeft bevrijd, gaven geeft om Hem daarmee te dienen.

In de brief aan de Efeziërs zegt Paulus nog meer over Christus en Zijn overwinning en de bijzondere resultaten daarvan voor hen die tot de gemeente behoren. Dat hoort bij de openbaring van de verborgenheden die in verband staan met de gemeente. Die verborgenheden zijn ons nu zijn bekendgemaakt door de Geest Die van de hemel is gekomen (1Pt 1:1212Aan hen werd geopenbaard dat zij niet voor zichzelf, maar voor u de dingen bedienden die u nu zijn aangekondigd door hen die u het evangelie hebben verkondigd door [de] Heilige Geest Die van [de] hemel is gezonden; dingen waarin engelen begerig zijn een blik te werpen.).

Voor David is het genoeg om te zien dat Gods beloften voor Zijn aardse volk op aarde in en door Christus worden vervuld. Dat heeft de Geest hem duidelijk gemaakt. Hij kan deze overwinningspsalm dichten en dit overwinningslied zingen omdat hij God als Zijn Koning kent. Die Koning is niemand anders dan Christus.

Het grote doel van wat Christus heeft gedaan en wat Hij aan gaven geeft, is dat Hij bij mensen kan wonen en dat mensen bij Hem kunnen wonen om Hem te dienen (Op 21:33En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.). Christus, de Rechtvaardige, is voor ons, onrechtvaardigen, gestorven opdat Hij ons tot God zou brengen (1Pt 3:1818Want ook Christus heeft eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij Die wel gedood is in [het] vlees, maar levend gemaakt in [de] Geest,).

Wij, en ieder die bij God mag wonen, vallen oorspronkelijk onder de categorie “opstandigen” die in de laatste regel worden genoemd (vers 1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
)
. God heeft door Zijn liefde en genade onze opstandigheid gebroken en ons vernederd en tot bekering gebracht. Nu onderwerpen we ons met grote dankbaarheid aan Hem Die zo’n grote genade aan ons heeft bewezen. Dat zullen ook zij zeggen die het overblijfsel in het vrederijk vormen.


Uitkomsten tegen de dood

20Geloofd zij de Heere;
dag aan dag overlaadt Hij ons.
Die God is onze zaligheid. /Sela/
21Die God is ons een God van volkomen zaligheid;
bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
22Ja, God zal de kop van Zijn vijanden verpletteren,
de harige schedel van wie met zijn schuldige wandel doorgaat.
23De Heere heeft gezegd: Ik breng u terug uit Basan;
Ik breng u terug uit de diepten van de zee,
24opdat u uw voet kunt baden in bloed,
en de tong van uw honden zijn deel [krijgt] van de vijanden.

Wat David in vers 1919U bent opgevaren naar omhoog, U hebt gevangenen weggevoerd,
U hebt gaven genomen [om uit te delen] onder de mensen,
ja, ook aan opstandigen: om [bij U] te wonen, HEERE God!
tegen God heeft gezegd, veroorzaakt een lofprijzing voor “de Heere” (vers 2020Geloofd zij de Heere;
dag aan dag overlaadt Hij ons.
Die God is onze zaligheid. /Sela/
)
. In Zijn soevereine verhevenheid overlaadt Hij “ons”, dat is het gelovig overblijfsel, “dag aan dag”. ‘Dag aan dag’ betekent elke dag zonder uitzondering. Overladen is overladen met Zijn kracht om te dragen wat Hij te dragen geeft. Hij helpt niet alleen hun lasten dragen, maar Hij draagt henzelf (vgl. Dt 1:3131en in de woestijn, waar u gezien hebt dat de HEERE, uw God, u gedragen heeft, zoals een man zijn zoon draagt, op heel de weg die u gegaan bent, totdat u op deze plaats gekomen bent.). Die God is “onze zaligheid”. Ze vinden in Zijn hulp en in Hemzelf al hun geluk en voorspoed.

God geeft niet slechts een tijdelijk gevoel van zaligheid of geluk. Wat God, “Die God”, hun God, geeft, is “volkomen zaligheid” of geluk (vers 2121Die God is ons een God van volkomen zaligheid;
bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
)
. Dit kan ook worden vertaald als de God van de uitreddingen of verlossingen. Er zijn veel gevaren, tegenslagen en beproevingen in het leven van de gelovige, maar God redt hem uit al die verschillende moeiten (2Tm 3:1111mijn vervolgingen, mijn lijden, zoals mij is overkomen in Antiochië, in Iconium, in Lystra, zulke vervolgingen als ik heb verdragen, en uit alle heeft de Heer mij gered.; 4:1818De Heer zal mij redden van elk boos werk en behouden voor Zijn hemels koninkrijk. Hem zij [de] heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen.). Hij is de garantie dat zal ieder van de Zijnen de volkomen zaligheid of het volkomen geluk van het vrederijk bereikt.

Hij is “de HEERE, de Heere”, Jahweh, Adonai, de God Die Zijn verbond met hen heeft gesloten en de algemene heerschappij heeft, Hij heerst over alles. Bij Hem zijn dan ook “uitkomsten tegen de dood”. De dood is voor Hem geen verhindering Zijn volk te geven wat Hij heeft beloofd. Hij is de Leidsman die hen dwars door de dood heen in de volle gelukzaligheid van het vrederijk brengt (Ps 48:1515Want deze God is onze God,
eeuwig en altijd;
Híj zal ons leiden tot de dood toe.
; 16:1010Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten,
U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.
)
.

De vijanden zijn ook geen verhindering voor de zegen: “Ja, God zal de kop van Zijn vijanden verpletteren, de harige schedel van wie met zijn schuldige wandel doorgaat” (vers 2222Ja, God zal de kop van Zijn vijanden verpletteren,
de harige schedel van wie met zijn schuldige wandel doorgaat.
)
. De vijanden van Zijn volk zijn “Zijn vijanden”. Zij hebben geprobeerd Hem dwars te zitten in het vervullen van Zijn beloften. Dat is altijd tevergeefs gebleken, want het is onmogelijk Gods plannen te dwarsbomen.

De “harige schedel” wil niet slechts zeggen dat ze haar op hun schedel hebben, maar dat zij lang haar hebben. Het lange haar is een symbool van onderdanigheid en toewijding (1Ko 11:1515Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.). Een van de kenmerken van machten die onder het gezag van de satan staan, die hem onderdanig en toegewijd zijn, is dat zij “haar als vrouwenhaar” hebben, dat wil zeggen dat ze lang haar hebben (Op 9:88en zij hadden haar als vrouwenhaar, en hun tanden waren als die van leeuwen,). Wie zich onderdanig aan de duivel blijft gedragen, “wie met zijn schuldige wandel doorgaat”, kiest voor de dood.

Als “de Heere heeft gezegd: Ik breng u terug uit Basan; Ik breng u terug uit de diepten van de zee” (vers 2323De Heere heeft gezegd: Ik breng u terug uit Basan;
Ik breng u terug uit de diepten van de zee,
)
, gebeurt dat ook. God bevrijdt Zijn volk uit de sterkste macht, waarvan Basan spreekt (vers 1616De berg Basan is een machtige berg,
de berg Basan is een berg met vele toppen.
)
. Niemand kan Hem daarin tegenhouden. Ook al is Zijn volk verborgen in “de diepten van de zee” en onvindbaar voor mensen, God weet waar ze zijn en zal hen vandaar terugbrengen naar hun land.

Als Zijn volk terug is in hun land, zijn de rollen omgekeerd. Gods volk zal zijn voet kunnen “baden in bloed” (vers 2424opdat u uw voet kunt baden in bloed,
en de tong van uw honden zijn deel [krijgt] van de vijanden.
)
. Dit is weer zo’n uiting van overwinning over de vijanden die niet past bij de gemeente, Gods hemelse volk. Hij is echter uiterst gepast voor Israël, Gods aardse volk.

Het wijst op de instemming met het oordeel van God dat Hij rechtvaardig over Zijn vijanden heeft uitgeoefend. Die vijanden hebben God op vreselijke wijze getart en Zijn volk meedogenloos vertrapt. De toezegging dat “de tong van uw honden zijn deel [krijgt] van de vijanden”, geeft Gods afschuw voor deze vijanden aan (vgl. 1Kn 21:1919En u moet tegen hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Hebt u een moord gepleegd en ook [iemands land] in bezit genomen? Verder moet u tot hem spreken: Zo zegt de HEERE, op de plaats waar de honden het bloed van Naboth opgelikt hebben, zullen de honden uw bloed oplikken, ja, het uwe!; 22:3838Men spoelde de wagen af bij de vijver van Samaria, waar de hoeren zich wasten. De honden likten zijn bloed op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had.).


De intocht van God

25O God, zij hebben Uw intocht gezien,
de intocht van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom.
26De zangers gingen voorop, de snarenspelers daarachter,
in het midden de trommelende meisjes.
27Loof God in de samenkomsten,
[loof] de Heere, u die voortkomt uit de bron van Israël.
28Daar is Benjamin, de kleine, die over hen heerste,
[daar zijn] de vorsten van Juda, hun gezelschap,
de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali.

Als God Zijn vijanden definitief heeft verslagen en vernederd, wordt de tempeldienst hersteld. God neemt Zijn intrek in het heiligdom (vers 2525O God, zij hebben Uw intocht gezien,
de intocht van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom.
)
. Vol verrukking (“O God”) zegt de psalmdichter dat de toeschouwers bij het opbrengen van de ark naar Jeruzalem de intocht ervan in het heiligdom hebben gezien. De intocht van de ark is de intocht van God, want de ark is Zijn troon. Die God noemt David “mijn God, mijn Koning”, wat aangeeft dat Hij een persoonlijke betrekking met Hem heeft (vgl. Jh 20:2828Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God!).

Het is een intocht die niet alleen toeschouwers heeft, maar waarbij een menigte in de optocht meeloopt (vers 2626De zangers gingen voorop, de snarenspelers daarachter,
in het midden de trommelende meisjes.
; 1Kr 15:14,2514Toen heiligden de priesters en Levieten zich om de ark van de HEERE, de God van Israël, op te halen.25Het waren David, de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend die de ark van het verbond van de HEERE met blijdschap uit het huis van Obed-Edom gingen halen.)
. Voorop gaan “de zangers”, daarachter komen “de snarenspelers” en “in het midden de trommelende meisjes”. Het herinnert aan wat Mirjam en al de vrouwen met tamboerijnen doen na de bevrijding uit Egypte en de doortocht door de Rode Zee (Ex 15:20-2120Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.21Toen [zong] Mirjam hun ten antwoord:
            Zing voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.
)
.

God wil samenkomen met een volk dat Hem als de almachtige “God” looft (vers 2727Loof God in de samenkomsten,
[loof] de Heere, u die voortkomt uit de bron van Israël.
)
. Hij is ook “de Heere”, de soevereine Heerser van het heelal. Hij wil dat ze Hem ook als de Heere loven. Zij die daartoe worden opgeroepen, worden genoemd “u die voortkomt uit de bron van Israël”. De bron of de oorsprong van Israël is God Zelf (Js 51:11Luister naar Mij, u die de gerechtigheid najaagt,
u die de HEERE zoekt.
Aanschouw de rots [waarin] u uitgehakt bent,
de holte van de put [waaruit] u gegraven bent.
; vgl. Ps 87:77De zangers evenals zij die [in reien] dansen, [zingen]:
Al mijn bronnen zijn in u!
)
. Allen die met Hem als de levende bron in verbinding staan – wat alleen mogelijk is als zij Zijn natuur hebben ontvangen (2Pt 1:44waardoor Hij ons de kostbare en zeer grote beloften geschonken heeft, opdat u daardoor deelgenoten van [de] Goddelijke natuur zou worden, ontkomen aan het verderf dat door [de] begeerte in de wereld is.) –, kunnen Hem loven.

Alle twaalf stammen zullen komen en God loven in de samenkomsten (vers 2828Daar is Benjamin, de kleine, die over hen heerste,
[daar zijn] de vorsten van Juda, hun gezelschap,
de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali.
)
. Ze worden vertegenwoordigd door Benjamin en Juda uit het zuiden en Zebulon en Naftali uit het noorden. Benjamin wordt “de kleine” genoemd, omdat hij de jongste zoon van Jakob is en de kleinste stam van Israël (1Sm 9:2121Toen antwoordde Saul en zei: Ben ik niet een Benjaminiet, uit de kleinste van de stammen van Israël? En is mijn geslacht [niet] het geringste van al de geslachten uit de stam van Benjamin? Waarom spreekt u mij dan aan met zulke woorden?). Maar het is wel de stam die heerst, die rooft en buit verdeelt (vgl. Gn 49:2727Benjamin is een verscheurende wolf;
's morgens verslindt hij [zijn] prooi,
en 's avonds deelt hij buit uit.
)
.

“De vorsten van Juda”, de koningsstam, zijn erbij om de ark op te voeren. Zij lopen voorop in “hun gezelschap”, dat is het gezelschap van Juda dat ook meeloopt. Juda is veel groter dan Benjamin, heeft veel aanzienlijke mensen en een groot gezelschap. Toch lijkt Benjamin in deze optocht de leiding te hebben. Zo wordt Benjamin vóór Juda genoemd. Ook staat er van hem dat hij heerst, wat erop kan wijzen dat hij de optocht regelt.

Zebulon en Naftali liggen ver van de tempel verwijderd. Maar het zijn wel stammen die bekendstaan om hun toewijding aan God in een tijd van verval (Ri 5:1818Zebulon is een volk dat zijn leven heeft versmaad tot de dood toe,
Naftali evenzo, op de hooggelegen velden.
)
. Over het gebied van deze twee stammen is minachting gebracht. Het staat symbool voor geestelijke duisternis. De eerste komst van de Heer Jezus heeft daar verandering in gebracht (Js 8:2323Voorzeker, er zal geen donkerheid blijven voor [het land] waarin benauwdheid is.
Zoals Hij in vroeger tijd
minachting heeft gebracht
over het land van Zebulon
en over het land van Naftali,
zo zal Hij in later [tijd] eer bewijzen
aan de Weg van de zee,
de overkant van de Jordaan,
het Galilea [waar] de heidenvolken [wonen].
; 9:11Het volk dat in duisternis wandelt,
zal een groot licht zien.
Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood,
over hen zal een licht schijnen.
; Mt 4:12-1612Toen Hij nu had gehoord dat Johannes was overgeleverd, vertrok Hij naar Galiléa;13en Hij verliet Nazareth en kwam in Kapernaüm wonen dat aan de zee ligt, in het gebied van Zebulon en Nafthali,14opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei:15‘Land Zebulon en land Nafthali, aan [de] weg van [de] zee, over de Jordaan, Galiléa van de volken:16het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en voor hen die zaten in [het] land en [de] schaduw van [de] dood, hun is een licht opgegaan’.)
. Dit zal bij de tweede komst van de Heer Jezus, Zijn terugkeer naar de aarde, opnieuw gebeuren. Dan wordt Hij niet verworpen, maar aanvaard en zal Hij Zijn rijk van vrede en gerechtigheid oprichten.


Koningen brengen geschenken

29Uw God heeft uw kracht [aan u] geboden;
versterk, o God, wat U aan ons gedaan hebt!
30Omwille van Uw tempel in Jeruzalem
zullen koningen U geschenken brengen.
31Bestraf de [wilde] dieren in het riet,
de horde stieren onder de kalveren van de volken,
[hem] die zich onderwerpt met stukken zilver.
Hij heeft de volken uitgestrooid [die] vreugde vinden in oorlog.
32Vorstelijke gezanten zullen uit Egypte komen,
Cusj zal zich haasten zijn handen naar God [uit te strekken].

God heeft Zijn volk krachtig gemaakt in hun strijd en nood (vers 2929Uw God heeft uw kracht [aan u] geboden;
versterk, o God, wat U aan ons gedaan hebt!
; Jz 1:99Heb Ik het u niet geboden? Wees sterk en moedig, schrik niet en wees niet ontsteld, want de HEERE, uw God, is met u, overal waar u heen gaat.)
. Nu vragen ze aan Hem om nog meer kracht te geven en te versterken wat Hij aan hen heeft gedaan. Er is een verlangen naar meer kracht, zodat nog duidelijker wordt wat God heeft gedaan. Wij kunnen wat God aan ons heeft gedaan tenietdoen door er zelf mee aan de slag te gaan. Hier zien we dat de kracht die we van God hebben mogen ervaren, moet brengen tot het vragen om nog meer kracht, zodat steeds duidelijker wordt dat God in ons leven bezig is.

Hun vraag om versterking van wat God aan hen heeft gedaan, geldt in de eerste plaats Zijn tempel in Jeruzalem (vers 3030Omwille van Uw tempel in Jeruzalem
zullen koningen U geschenken brengen.
)
. Ze willen graag Gods kracht in werking zien treden in koningen van vreemde mogendheden die Hem geschenken brengen omwille van Zijn tempel in Jeruzalem. Dat zullen die koningen doen als ze zien dat zij met al hun macht machteloos zijn tegenover de machtige God (vgl. Js 49:77Zo zegt de HEERE,
de Verlosser van Israël, zijn Heilige,
tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft,
tegen de Knecht van heersers:
Koningen zullen het zien en opstaan,
vorsten – zij zullen zich [voor U] neerbuigen,
omwille van de HEERE, Die getrouw is,
de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.
; 60:55Dan zult u het zien en stralen,
uw hart zal diep ontzag hebben en zich verruimen,
want de menigte van de zee zal zich naar u toekeren,
het vermogen van de heidenvolken zal naar u toe komen.
)
.

De tweede vraag betreft het openbaren van Zijn kracht tegenover hun vijanden. Ze vragen Hem de “de [wilde] dieren in het riet” te bestraffen (vers 3131Bestraf de [wilde] dieren in het riet,
de horde stieren onder de kalveren van de volken,
[hem] die zich onderwerpt met stukken zilver.
Hij heeft de volken uitgestrooid [die] vreugde vinden in oorlog.
)
. Met de wilde dieren bedoelen ze de heidenvolken en mogelijk vooral de Egyptenaren (vgl. Ez 32:22Mensenkind, hef een klaaglied aan over de farao, de koning van Egypte, en zeg tegen hem:
U leek onder de heidenvolken op een jonge leeuw;
en u was als een zeemonster in de zeeën,
u barstte los in uw rivieren,
bracht het water met uw voeten in beroering
en maakte hun rivieren troebel.
)
. “De horde stieren onder de kalveren van de volken” stellen de onderdrukkers en misleiders van de volken of stammen van het afvallige Israël voor (vgl. Ps 22:1313Vele stieren hebben mij omringd,
sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld.
)
.

De leider van het afvallige Israël, de antichrist, “onderwerpt” zich “met stukken zilver” aan de heidenvolken. Hij koopt de gunst van Godvijandige volken, waarbij we kunnen denken aan Europa, om zich tegen de tuchtroede van God, dat is Assyrië, te verzetten. Maar in het geloof ziet de psalmist de overwinning van God: Hij heeft de volken uitgestrooid [die] vreugde vinden in oorlog.” Alle legers die zich hebben verzameld en vreugde vinden in oorlog tegen God en Zijn volk, worden door Hem uitgestrooid als kaf in de wind. Hij verdrijft en verdelgt hen.

God zal de opstandige heidenvolken oordelen. Een overblijfsel uit die volken zal naar Zijn woonplaats in Jeruzalem komen. Er zullen “vorstelijke gezanten uit Egypte komen” om zich te buigen voor de ware God, de God van Israël (vers 3232Vorstelijke gezanten zullen uit Egypte komen,
Cusj zal zich haasten zijn handen naar God [uit te strekken].
; Js 19:20-2220Dit zal zijn tot een teken en getuigenis voor de HEERE van de legermachten, in het land Egypte. Wanneer zij tot de HEERE zullen roepen vanwege [hun] onderdrukkers, zal Hij tot hen een Heiland en Meester zenden; Die zal hen redden.21Dan zal de HEERE aan de Egyptenaren bekend worden en de Egyptenaren zullen de HEERE kennen op die dag. Zij zullen [Hem] dienen [met] slachtoffer en graanoffer, en de HEERE gelofte doen en [die] nakomen.22Zo zal de HEERE de Egyptenaren geducht treffen en genezen. Zij zullen zich tot de HEERE bekeren en Hij zal Zich door hen laten verbidden; en Hij zal hen genezen.)
. Cusj zal zich haasten zijn handen naar God [uit te strekken] (vgl. Js 45:1414Zo zegt de HEERE:
De arbeids[opbrengst] van de Egyptenaren en de koophandel van de Cusjieten,
en de Sabeeërs, mannen van grote lengte,
zullen naar u overgaan en zullen van u zijn.
Zíj zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen
en voor u zullen zij zich buigen,
zij zullen u smeken en zeggen:
Voorzeker, God is bij u, en niemand anders;
er is geen [andere] God.
)
. Dit betekent dat ze snel zullen doen wat ze moeten doen: Hem smeken hen te sparen. Daarvan spreekt het uitstrekken van de handen naar Hem.


De majesteit en macht van God

33Koninkrijken van de aarde, zing voor God;
zing psalmen voor de Heere, /Sela/
34Die rijdt door de aloude hemel der hemelen;
zie, Hij laat Zijn stem klinken, een stem met macht.
35Geef macht aan God;
Zijn majesteit is over Israël
en Zijn macht [tot] in de wolken.

De “koninkrijken van de aarde” die gespaard zijn gebleven voor de oordelen, worden opgeroepen “voor God” te zingen (vers 3333Koninkrijken van de aarde, zing voor God;
zing psalmen voor de Heere, /Sela/
)
. Ze moeten “psalmen voor de Heere [Adonai] zingen. Hij is het “Die rijdt door de aloude hemel der hemelen” (vers 3434Die rijdt door de aloude hemel der hemelen;
zie, Hij laat Zijn stem klinken, een stem met macht.
; vgl. Dt 33:2626       Niemand is er als God, Jesjurun!
                        Hij rijdt op de hemel om u te helpen,
                                    en in Zijn majesteit op de wolken.
)
. Het stelt op weergaloze wijze Zijn majesteit van eeuwigheid af en overal in de hemelen voor. Hij is de onbegrensde Heer van het heelal dat Hem niet kan bevatten, maar dat Hij omspant (1Kn 8:2727Maar zou God werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb!).

Daaraan geeft Hij met Zijn stem uiting, “Hij laat Zijn stem klinken, een stem met macht”. Hij openbaart Zich in Zijn spreken. We horen dat in de natuur door de donder. We horen dat in Zijn Woord door Zijn profeten en in het laatst van de dagen horen we Hem spreken als Zoon (Hb 1:11Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,).

Het onderwerp van de lof van de onderworpen naties moet Gods soevereine macht zijn (vers 3535Geef macht aan God;
Zijn majesteit is over Israël
en Zijn macht [tot] in de wolken.
)
. Hij heeft Zijn majesteit over Israël laten zien. Hij heeft dit volk tot Zijn volk uitgekozen. Daarom zijn de talloze vijanden die door alle eeuwen heen dit volk van de aardbodem hebben willen wegvagen niet in hun opzet geslaagd. God heeft Zijn volk voor Zich bewaard. Nu maakt Hij dit volk tot het centrum van zegen voor de aarde omdat Hij in het midden van hen woont.

Zijn macht die Hij in hun bescherming heeft getoond, is dezelfde macht waarmee Hij de wolken bestuurt. Hij rijdt erop als op een wagen. Hij zendt van daaruit regen op de aarde, waarbij Hij de regen gepaard kan laten gaan met oogverblindende bliksemen en oorverdovende donderslagen. Hij openbaart Zich in zegen voor Zijn volk en in oordeel voor Zijn vijanden.


God geeft Zijn volk kracht en sterkte

36O God, U bent ontzagwekkend vanuit Uw heiligdommen;
de God van Israël, Hij geeft het volk kracht en sterkte.
Geloofd zij God!

“Hij geeft het volk kracht en sterkte” om niet ten onder te gaan aan alle aanvallen die er in de eindtijd op hen worden gedaan. Ze zullen het niet aan hun militaire overmacht of slimme verdedigingsplannen te danken hebben. Dat het volk de zegen van het vrederijk zal binnengaan, is uitsluitend aan Hem te danken.

Daarom blijft er niets anders over dan vol bewondering te zeggen: “Geloofd zij God!”

David is zeer onder de indruk van Gods macht. Hij richt zich in de eerste regel van dit laatste vers weer met de woorden “o God” rechtstreeks tot God. Hij, Die Zijn macht in de wolken openbaart, is “ontzagwekkend” (vgl. Dt 10:1717Want de HEERE, uw God, is de God der goden en de Heere der heren; die grote, machtige en ontzagwekkende God, Die niet partijdig is en geen geschenk in ontvangst neemt,) vanuit Zijn heiligdommen, dat is de plaats waar Hij woont, een plaats boven de wolken.

Hij is “de God van Israël”. Israël heeft geen andere God dan Hij en Hij heeft geen ander volk waarvan Hij op die manier de God is. Er is vaak gevraagd waar de God van Israël is als het gaat om het lijden dat over Zijn volk is gekomen. Aan alle vragen daarover komt een einde als Hij Zich op Zijn tijd als de God van Israël openbaart.


Lees verder