Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-3 Rust in God 4-5 Bedenkers van kwaad 6-9 Vertrouw op God 10-11 Ongefundeerd vertrouwen 12-13 God vergeldt ieder naar zijn werk
Inleiding

Het onderwerp van deze psalm is wachten op God. Dit houdt afhankelijkheid in vanuit het besef dat we niets kunnen doen zonder Hem. Het houdt ook vertrouwen in dat Gods tijd de beste tijd is en dat we daarom wachten op Hem. Het is erop vertrouwen dat Hij zeker zal komen en wel op de juiste tijd, manier en plaats. Daardoor krijgt ook de volharding een volmaakt werk in ons (Jk 1:44Laat de volharding echter een volmaakt werk hebben, opdat u volmaakt en volkomen bent, terwijl het u aan niets ontbreekt.).


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider, over Jeduthun.

Dit is “een psalm van David”. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. Het is een psalm “over Jeduthun”. Jeduthun is de man die door David is aangewezen om met de luit te profeteren om de HEERE te prijzen (1Kr 16:41-4241En met hen [waren] Heman en Jeduthun, en de overigen die gekozen waren, die met name aangewezen waren om de HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.42En bij hen waren Heman en Jeduthun, [met] trompetten en cimbalen voor hen die zich lieten horen, en [met] instrumenten voor muziek [tot eer] van God. De zonen van Jeduthun waren echter bij de poort.; 25:1,3,61Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.3Wat betreft Jeduthun: de zonen van Jeduthun waren Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes. [Zij stonden] onder leiding van hun vader Jeduthun die bij [het spel van] de harp profeteerde onder het loven en prijzen van de HEERE.6Deze allen [stonden] onder leiding van hun vader [opgesteld] voor het lied in het huis van de HEERE met cimbalen, luiten, en harpen, voor de dienst in het huis van God, onder leiding van de koning – Asaf, Jeduthun en Heman.). Jeduthun betekent ‘koor van lofprijzing’. Zie verder bij Psalm 39:1.


Rust in God

2Zeker, mijn ziel is stil voor God;
van Hem is mijn heil.
3Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn veilige vesting; ik zal niet al te zeer wankelen.

Het woord “zeker” waarmee David, ofwel de Godvrezende, begint, kan ook met “alleen” worden vertaald (vers 22Zeker, mijn ziel is stil voor God;
van Hem is mijn heil.
)
. Hij gebruikt dit woord zes keer in deze psalm, elke keer aan het begin van het vers (verzen 2,3,5,6,7,102Zeker, mijn ziel is stil voor God;
van Hem is mijn heil.
3Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn veilige vesting; ik zal niet al te zeer wankelen.5Zeker, zij beraadslagen om hem van zijn hoogte af te stoten.
Zij scheppen behagen in leugen;
met hun mond zegenen zij,
maar in hun binnenste vervloeken zij. /Sela/6Zeker, mijn ziel, zwijg voor God,
want van Hem is mijn verwachting.
7Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn veilige vesting; ik zal niet wankelen.
10Zeker, eenvoudigen zijn een zucht,
aanzienlijken een leugen;
in de weegschaal gewogen,
zijn zij tezamen [lichter] dan een zucht.
)
. Vier keer kenmerkt het de heiligen en twee keren de goddelozen.

Het eerste ‘zeker’ of ‘alleen’ spreekt hij uit over zijn vertrouwen in God. Hij getuigt hier van de zekerheid van de rust die zijn ziel voor God, in Diens tegenwoordigheid, heeft. Die rust heeft hij alleen in God en in niemand anders. Die rust kenmerkt Christus tijdens Zijn leven op aarde. Hij heeft rust in Zijn God en de weg die God voor Hem heeft bepaald. Veel in deze psalm herkennen we in het leven van de Heer Jezus.

De zekerheid die de psalm ademt, komt niet, zoals zo vaak in andere psalmen, voort uit een hart dat overstelpt is door ellendige omstandigheden, maar uit een vrije omgang met God. Deze stilte en rust, dit wachten op God, komen voort uit de wetenschap dat God zijn heil, zijn behoudenis is (vgl. Js 26:33Het is [Uw] vaste voornemen:
U zult volkomen vrede bewaren,
want men heeft op U vertrouwd.
; 30:1515Want zo zegt de Heere HEERE, de Heilige van Israël:
Door terugkeer en rust zou u verlost worden,
in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn,
maar u hebt niet gewild.
)
. Dit is niet passief, maar actief. Het is geen ‘navelstaren’, maar een bewust in Gods tegenwoordigheid zijn in vertrouwen wachtend op wat Hij gaat doen en dat wat Hij doet altijd goed is.

Stil zijn voor God houdt in op God gericht zijn in het rustige besef dat het heil of de behoudenis “van Hem” is. Heil of behoudenis wil zeggen verlossing uit ellende en brengen in de zegen. Dit heeft betrekking op actuele situaties en op de uiteindelijke zegen in het vrederijk. Die situatie wordt door Christus bewerkt. Het geloof ziet daarom naar boven voor de verlossing uit een situatie van benauwdheid nu. Het geloof ziet ook naar voren, naar de toekomst, voor de uiteindelijke verlossing uit alle nood en het brengen in de zegen van het vrederijk.

In de vorige psalm heeft David aan God gevraagd om hem op een rots te leiden (Ps 61:33Van het einde van het land roep ik tot U,
nu mijn hart bezwijkt;
leid mij op een rots
[die] voor mij te hoog zou zijn.
)
. Hier staat hij op de rots (vers 33Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn veilige vesting; ik zal niet al te zeer wankelen.
)
. God is zijn rots. Daardoor is hij met het oog op de toekomst zeker van zijn behoudenis. Hij zal die bereiken. God is met het oog op het heden zijn “veilige vesting” vanwege de tegenstanders die er nog steeds zijn.

Door dit alles kan hij zeggen: “Ik zal niet al te zeer wankelen.” Door de aanwezigheid van vijanden is hij nog niet vrij van alle gevaar. Hij is ook nog niet helemaal vrij van de invloed ervan. Verderop in de psalm, in vers 77Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn veilige vesting; ik zal niet wankelen.
, spreekt hij de zekerheid uit dat hij niet zal wankelen. Hier is hij er nog op bedacht dat er door omstandigheden nog een wankeling kan ontstaan. Hij zegt er echter direct bij dat die wankeling “niet al te zeer” zal zijn, waarmee aangeeft dat hij zeker niet zal vallen.


Bedenkers van kwaad

4Hoelang bedenkt u [nog] kwaad tegen een man?
U zult allen gedood worden;
u zult zijn als een hellende wand,
een instortende muur.
5Zeker, zij beraadslagen om hem van zijn hoogte af te stoten.
Zij scheppen behagen in leugen;
met hun mond zegenen zij,
maar in hun binnenste vervloeken zij. /Sela/

Wat in deze twee verzen van de bedenkers van kwaad wordt beschreven, heeft de Heer Jezus op de volste wijze ervaren. Hij de “Man” tegen Wie voortdurend kwaad is bedacht en tegen Wie voortdurend beraadslagingen zijn gehouden om Hem van Zijn hoogte af te stoten.

De vraag “hoelang” (vers 44Hoelang bedenkt u [nog] kwaad tegen een man?
U zult allen gedood worden;
u zult zijn als een hellende wand,
een instortende muur.
)
is hier niet de verzuchting van iemand die gebukt gaat onder vijandschap. Het is de uiting van iemand die stil is voor God. Vanuit Gods tegenwoordigheid stelt hij aan de bedenkers van kwaad de vraag hoelang ze denken nog hun gang te kunnen gaan. Het is geen angstige, maar een bijna uitdagende vraag: ‘Hoelang denken jullie nog met jullie zinloze bedenksel door te kunnen gaan?’

De vijanden denken dat ze sterk staan en hun doel zullen bereiken. Maar David kent de werkelijkheid en houdt hun die voor: “U zult allen gedood worden.” Ze lijken wel sterk als een wand en een muur. Maar David ziet dat ze zijn “als een hellende wand, een instortende muur”. De indruk van hun kracht is schijn. Binnenkort zullen ze omvallen en instorten (vgl. Js 30:12-1412Daarom, zo zegt de Heilige van Israël:
Omdat u dit woord verwerpt,
op onderdrukking en bedrog vertrouwt
en daarop steunt,
13daarom zal deze misdaad
voor u zijn
als een zakkende, wijder wordende scheur
in een hoge muur;
plotseling, in een ogenblik,
komt de breuk ervan.
14Ja, Hij zal hem stukbreken als het breken van een pottenbakkerskruik;
Hij zal hem verbrijzelen en niet sparen,
zodat in zijn gruis
geen scherf gevonden wordt
om vuur uit de haard te halen
of water uit de poel te scheppen.
)
.

De bedenkers van kwaad tegen de Godvrezende beraadslagen “zeker”, daaraan bestaat geen twijfel, hoe zij hem van zijn hoogte zullen afstoten (vers 55Zeker, zij beraadslagen om hem van zijn hoogte af te stoten.
Zij scheppen behagen in leugen;
met hun mond zegenen zij,
maar in hun binnenste vervloeken zij. /Sela/
)
. Het betreft hier David in zijn hoge positie als koning. Het zijn niets anders dan dwaze beraadslagingen die gedoemd zijn te mislukken.

Zij kijken alleen naar zijn positie. Ze zijn er blind voor dat zijn ‘hoogte’, en die van iedere Godvrezende de hoogte van de rots is. Die rots is God. Het idee alleen al om hem daarvan af te willen stoten is bespottelijk. De toepassing voor ons is dat de duivel wil proberen ons onze hemelse positie in Christus te ontnemen. Dat is ook een dwaze poging. Wat hem soms wel lukt, is ons de rust en het genot van onze hemelse positie te ontnemen.

Ze liegen graag, “zij scheppen behagen in leugen”. Liegen is hun natuur. Het zijn echte kinderen van hun vader, de duivel, die een leugenaar is van het begin af (Jh 8:4444U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.). Als ze dan ook “met hun mond zegenen”, liegen ze in werkelijkheid, want “in hun binnenste vervloeken zij”. Behalve leugenaars zijn ze ook huichelaars die in hun hart de gelovigen haten. Ze wensen de gelovigen niet het goede, maar het kwade.


Vertrouw op God

6Zeker, mijn ziel, zwijg voor God,
want van Hem is mijn verwachting.
7Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn veilige vesting; ik zal niet wankelen.
8In God is mijn heil en mijn eer;
mijn sterke rots, mijn toevlucht is in God.
9Vertrouw op Hem te allen tijde, volk;
stort uw hart uit voor Zijn aangezicht.
God is voor ons een toevlucht. /Sela/

De confrontatie met de bedenkers van kwaad (verzen 4-54Hoelang bedenkt u [nog] kwaad tegen een man?
U zult allen gedood worden;
u zult zijn als een hellende wand,
een instortende muur.
5Zeker, zij beraadslagen om hem van zijn hoogte af te stoten.
Zij scheppen behagen in leugen;
met hun mond zegenen zij,
maar in hun binnenste vervloeken zij. /Sela/
)
maakt het nodig dat David met een krachtig “zeker” tegen zichzelf zegt te zwijgen voor God (vers 66Zeker, mijn ziel, zwijg voor God,
want van Hem is mijn verwachting.
)
. Hij brengt niet de bedenkers van het kwaad voor God, maar zichzelf. Hij zegt tegen zichzelf dat zijn verwachting van God is. Alles in hem is op God gericht in het vertrouwen dat hij en zijn toekomst in de hand van God zijn. Hij snoert daarmee de tegenstanders de mond evenals de mogelijk opkomende twijfel in zijn ziel.

Met nog een keer een krachtig “zeker” (vers 77Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn veilige vesting; ik zal niet wankelen.
)
voegt hij eraan toe wat God voor hem is. God is zijn onwankelbare “rots”, zijn tegenwoordige en toekomstige “heil” (of: “behoudenis”) en zijn onneembare “veilige vesting”. Als hij zo zegt Wie God voor hem is, komt hij tot de uitspraak: “Ik zal niet wankelen.”

We kunnen hier een groeiend vertrouwen op God opmerken. Een paar verzen terug heeft hij gesproken over “niet al te zeer wankelen” (vers 33Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn veilige vesting; ik zal niet al te zeer wankelen.
)
. Nu zegt hij met zekerheid “ik zal niet wankelen”. Deze groei in zekerheid zal ook bij het gelovig overblijfsel in de eindtijd worden gevonden.

Deze groeiende zekerheid komt verder tot uiting in wat David “in God” heeft (vers 88In God is mijn heil en mijn eer;
mijn sterke rots, mijn toevlucht is in God.
)
. Hier gaat het niet meer zozeer om Wie God voor hem is, maar Wie God Zelf is. Als hij zegt dat zijn “heil” en zijn “eer” in God zijn, ligt de nadruk niet op zijn eigen heil en zijn eigen eer, maar op God. Zijn heil of behoudenis en zijn eer of positie hebben hun oorsprong en betekenis in God. Ze zijn in Hem en hebben alleen daarom waarde.

Hetzelfde geldt voor zijn “sterke rots” en zijn “toevlucht”. De nadruk ligt niet op het nut ervan voor hem – en dat nut is groot! – maar op God, in Wie deze dingen aanwezig zijn. Zijn bescherming en veiligheid staan niet meer op de voorgrond, maar God in Wie deze dingen worden gevonden.

God is altijd wat David hier van Hem zegt. God gebruikt de diverse omstandigheden waarin de Zijnen kunnen zijn om steeds meer van Hemzelf bekend te maken. Hij wil ons oog boven de verlossing uit of door de verlossing heen richten op Hemzelf. Al Zijn handelingen ten gunste van ons moeten ons brengen tot bewondering van Zijn Persoon en niet van de handelingen zelf.

Als het oog zo op God is gericht, getuigt de gelovige daarvan aan anderen om ook zo op God te vertrouwen. In wat David hier zegt, horen we de Messias spreken, Die het volk, het overblijfsel, uitnodigt om ook op God te vertrouwen en dat “te allen tijde” te doen (vers 99Vertrouw op Hem te allen tijde, volk;
stort uw hart uit voor Zijn aangezicht.
God is voor ons een toevlucht. /Sela/
)
. Het gaat om voortdurend vertrouwen en dat in alle omstandigheden, van voorspoed en van tegenspoed (vgl. Fp 4:66Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God.). Als wij geloven dat Hij volmaakt is in Zijn wegen, zullen we niets zonder Hem willen doen.

Dit betekent niet dat er geen oefeningen en beproevingen meer zijn. Wachten op God betekent ook niet dat wij niet tot Hem hoeven te roepen. Juist omdat er vertrouwen op God is, volgt de aansporing hun hart voor Zijn aangezicht uit te storten. Alles wat er in het hart is, mag tegen Hem worden gezegd. Gods antwoord daarop is dat Hij Zijn vrede in het hart geeft (Fp 4:77En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.). Als we eraan denken dat Hij vol goedheid en liefde is voor hen die op Hem wachten, zullen we aan Hem overlaten of Hij geeft waar we om vragen, en wanneer Hij het geeft.

Christus heeft in Zijn hele leven Zijn hart uitgestort voor God. Dat zien we telkens als we in de evangeliën lezen dat Hij in gebed is. Zijn indrukwekkendste gebed is Zijn gebed in Gethsémané. Daar stort Hij Zijn hart uit voor Gods aangezicht. Zijn hart is vol van het werk dat Hij zal gaan volbrengen op het kruis van Golgotha waar Hij tot zonde zal worden gemaakt.

Dan zegt Hij niet alleen ‘God is Mijn toevlucht’ (vers 88In God is mijn heil en mijn eer;
mijn sterke rots, mijn toevlucht is in God.
)
, maar “God is voor ons een toevlucht”. Door het woord “ons” verbindt Hij Zich met het overblijfsel. Dat doet Hij ook als Hij Zich laat dopen en zegt: “Zo past het ons [dat zijn Hij en Johannes de doper] alle gerechtigheid te vervullen” (Mt 3:1515Jezus antwoordde echter en zei tot hem: Laat [Mij] nu [begaan]; want zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem [begaan].).


Ongefundeerd vertrouwen

10Zeker, eenvoudigen zijn een zucht,
aanzienlijken een leugen;
in de weegschaal gewogen,
zijn zij tezamen [lichter] dan een zucht.
11Vertrouw niet op onderdrukking,
stel geen ijdele hoop op roof.
Als het vermogen toeneemt,
zet er het hart niet op.

Nadat David erop heeft gewezen dat we God te allen tijde zullen vertrouwen, waarschuwt hij ervoor dat we niet op mensen en menselijke middelen zullen vertrouwen. Met de “eenvoudigen” (vers 1010Zeker, eenvoudigen zijn een zucht,
aanzienlijken een leugen;
in de weegschaal gewogen,
zijn zij tezamen [lichter] dan een zucht.
)
worden de mensen als zwakke schepselen bedoeld. Zij zijn niet meer dan “een zucht”. Een zucht is iets ongrijpbaars en uiterst vluchtigs. Zo is een mens: vandaag is hij er, morgen is hij er niet meer. Het is de grootste dwaasheid enig ondersteuning van zoiets onzekers te verwachten. Maar God blijft altijd Dezelfde, Hij heeft alle macht en bij Hem is alles zeker.

De “aanzienlijken” zijn “een leugen”. Hier gaat het om mensen die een hoge positie in de wereld hebben, tegen wie andere mensen vol verwachting opkijken. David, dat wil zeggen Gods Geest, veegt die verwachting met één woord van tafel: zij zijn een “leugen”. Het gaat niet om hun persoonlijke karakter, alsof ze altijd vals en verraderlijk zijn, maar omdat elke verwachting van hun hulp in plaats van God ‘een leugen’ is.

Als alle mensen samen in een weegschaal worden gewogen zijn ze nog lichter dan een zucht. Ze hebben geen enkel gewicht. Hoe dwaas is het dan om van hen, of ze nu eenvoudig zijn of aanzienlijk, enige hulp te verwachten. Het is zinloos, zonder enig gewicht. Je moet de goede weegschaal hebben, die van God, om tot die conclusie te komen (vgl. Dn 5:2727TEKEL: u bent gewogen in de weegschaal en u bent te licht bevonden.).

Na het zinloze van vertrouwen op mensen wijst David op het zinloze van het vertrouwen op verkeerde middelen (vers 1111Vertrouw niet op onderdrukking,
stel geen ijdele hoop op roof.
Als het vermogen toeneemt,
zet er het hart niet op.
)
. Vertrouwen op “onderdrukking” betekent dat we mensen onder druk zetten om ons te helpen, bijvoorbeeld door hen te manipuleren. Wij zetten dan op een ongeoorloofde en doortrapte manier de hulpmiddelen naar onze hand. In het verlengde hiervan ligt het roven van het bezit van een ander. Dan eigenen we ons op ongeoorloofde en brute manier hulpmiddelen toe. Elk vertrouwen op wat is geroofd, is “ijdele hoop”. Het is hoop die als een zucht vergaat. Daarbij komt dat God dit zal oordelen.

Ook vertrouwen op vermogen is verkeerd. Als dat toeneemt – ook zonder onderdrukking en zonder roof –, moet daar niet het hart op worden gezet. Tussen vermogen en onzekerheid moet een ‘is gelijk aan’ teken, een ‘=’ teken, worden geplaatst: vermogen = onzekerheid (1Tm 6:1717Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten,). Het kan zomaar verdwijnen, in het niets oplossen (Sp 11:2828Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal ten val komen,
maar de rechtvaardigen zullen groeien als loof.
; 23:55Laat u uw ogen erover vliegen, dan is het er niet [meer],
want het vliegt direct weg, als een arend die naar de hemel vliegt.
; 27:2424Want rijkdom is er niet voor eeuwig,
of zal een diadeem van generatie op generatie blijven?
)
.

Mensen en middelen kunnen nooit het leven van een mens voor de eeuwigheid redden en ook nooit de ware voldoening aan zijn bestaan geven. Alleen God kan voldoen aan de diepste behoeften van een mens.


God vergeldt ieder naar zijn werk

12God heeft één ding gesproken,
ik heb dit tweemaal gehoord:
dat de kracht van God is.
13Ook de goedertierenheid is van U, Heere,
want U zult eenieder vergelden naar zijn werk.

God roept de Zijnen op om op Hem te vertrouwen, want de kracht is van Hem, en niet van een mens, wie die mens ook mag zijn (vers 1212God heeft één ding gesproken,
ik heb dit tweemaal gehoord:
dat de kracht van God is.
)
. De kracht die een mens nodig heeft – om hem te beschermen en te redden – wordt alleen in God gevonden. Iedereen en alles faalt, maar God niet. Dat moet ertoe leiden dat we ons vertrouwen alleen op God stellen.

Dit is het ene ding dat God gesproken heeft. David heeft het tweemaal gehoord, wat wil zeggen dat hij er volkomen zeker van is. Christus heeft altijd een open oor gehad voor alles wat God heeft gesproken (Ps 50:44Hij roept tot de hemel daarboven
en tot de aarde, om over Zijn volk recht te spreken:
)
. Het ene ding dat God heeft gesproken, heeft Hij tweemaal gehoord. Dat heeft Zijn hele leven bepaald. God spreekt ook één of twee keer spreekt tot de mens, maar zijn reactie is totaal anders, want hij slaat er geen acht op (Jb 33:1414Want God spreekt één of twee keer,
[maar] men slaat er geen acht op:
)
.

Niet alleen de kracht is van God, ook de goedertierenheid is van God (vers 1313Ook de goedertierenheid is van U, Heere,
want U zult eenieder vergelden naar zijn werk.
)
. Deze zeldzame combinatie van kracht en goedertierenheid is alleen bij God aanwezig. De Godvrezende weet daardoor dat God Zijn kracht in liefde voor hem inzet. Als God Zijn kracht in het oordeel over het kwaad laat zien, betekent dat de bevrijding van de rechtvaardige. Hij is Gods weg op aarde gegaan te midden van het kwaad en heeft in vertrouwen gewacht op de tussenkomst van God. Gods vergelding van het kwaad is de beloning daarvan. Voor ons houdt dit de bemoediging in dat we op Hem kunnen rekenen en op Hem moeten wachten.


Lees verder