Psalmen
1 Opschrift 2-3 Roep tot God 4-6 God is een toevlucht 7-8 De Koning troont eeuwig 9 Eeuwig psalmen zingen
Opschrift

1[Een psalm] van David, voor de koorleider, met een snaarinstrument.

Dit een psalm “van David”. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. Het is ook een psalm die “met een snaarinstrument” begeleid moet worden. Zie bij Psalm 4:1.


Roep tot God

2O God, luister naar mijn roepen,
sla acht op mijn gebed.
3Van het einde van het land roep ik tot U,
nu mijn hart bezwijkt;
leid mij op een rots
[die] voor mij te hoog zou zijn.

David is in nood (vers 22O God, luister naar mijn roepen,
sla acht op mijn gebed.
)
. De vijand is dichtbij en God is ver weg. Hij roept het uit tot God om naar hen te luisteren en acht te slaan op zijn gebed. Wie de vijand is, wordt niet gezegd. Ook wordt niet gezegd waaruit de vijandschap bestaat. Het gaat niet om de aard van de nood, maar om de uitwerking ervan in het hart van de Godvrezende.

David, die in deze psalm tegelijk de gevoelens van het gelovige overblijfsel in de eindtijd vertolkt, is ver van het heiligdom, ver van het genot van de zegen, aan “het einde van het land” (vers 33Van het einde van het land roep ik tot U,
nu mijn hart bezwijkt;
leid mij op een rots
[die] voor mij te hoog zou zijn.
; vgl. Ps 42:3,73Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
7Mijn God, mijn ziel buigt zich neer in mij,
daarom denk ik aan U
vanuit het land van de Jordaan en het Hermongebergte,
vanuit het laaggebergte.
)
. Hij ziet nergens een oplossing voor zijn nood. De druk van de vijand, van de nood, wordt hem te groot. Zijn hart bezwijkt “nu”. Hij is aan het eind van zijn krachten en hij begint aan het leven te wanhopen. Maar hoewel hij ver van de plaats is waar God woont, vertrouwt hij toch op Hem. Daarom roept hij van daar tot God.

In zijn vertrouwen op God vraagt hij of God hem op een rots wil leiden die hoger is dan hijzelf en die hij niet in eigen kracht kan beklimmen. Hij wil graag dat God hem op de top van de rots brengt, zodat hij buiten het bereik van zijn achtervolgers is. Als hij zo door God in veiligheid wordt gebracht, is er geen vijand die hem nog iets kan doen (vgl. Js 33:1616die zal wonen op de hoogten;
bergvestingen [op] de rotsen zullen zijn veilige vesting zijn,
zijn brood wordt [hem] gegeven, van water is hij verzekerd.
)
. Voor God betekenen vijanden en omstandigheden immers niets.

Het gaat om de tegenstelling tussen God en de omstandigheden, niet om de tegenstelling tussen de gelovige en de omstandigheden. Het is als met de tien verspieders die zichzelf als sprinkhanen zagen in de ogen van de tegenstanders die voor hen als reuzen waren. Ze vergaten dat ze zichzelf niet met de reuzen moesten vergelijken, maar dat ze de reuzen met God moesten vergelijken. En wat betekenen die reuzen nu helemaal in de ogen van de almachtige God? De muren leken zo hoog als de hemel. Maar wat betekenen die muren voor het geloof? Door het geloof vallen ze.

Daarom kijkt David, en kijkt in de eindtijd het overblijfsel, niet meer naar de vijanden, maar naar God en wil hij bij Hem zijn. De rots is namelijk niemand minder dan God Zelf (Ps 18:33De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
; 2Sm 22:3232Want wie is God, behalve de HEERE?
Wie is een rots dan alleen onze God?
)
. Bij Hem, die Rots, zal zijn bezwijkende hart rust en herstel van kracht vinden. Misschien heeft hij gedacht aan de woorden die God eens tot Mozes heeft gesproken: “Zie, [hier] is een plaats bij Mij, [waar] u op de rots moet gaan staan” (Ex 33:2121Ook zei de HEERE: Zie, [hier] is een plaats bij Mij, [waar] u op de rots moet gaan staan.).


God is een toevlucht

4Want U bent een toevlucht voor mij geweest,
een sterke toren tegen de vijand.
5Ik zal in alle eeuwigheid in Uw tent verblijven,
mijn toevlucht zoeken in de schuilplaats onder Uw vleugels. /Sela/
6Want U, o God, hebt mijn geloften gehoord;
U hebt mij de erfenis gegeven van wie Uw Naam vrezen.

God is al vaker een toevlucht voor hem geweest, “een sterke toren tegen de vijand” (vers 44Want U bent een toevlucht voor mij geweest,
een sterke toren tegen de vijand.
; Sp 18:1010De Naam van de HEERE is een sterke toren,
een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.
)
. Dit zal het gelovig overblijfsel in de grote verdrukking ook zeggen. Ze weten hoe God het vroeger steeds weer voor Zijn volk heeft opgenomen (vgl. Js 25:44Want U bent voor de geringe een vesting geweest,
een vesting voor de arme in zijn nood,
een toevlucht tegen de vloed, een schaduw tegen de hitte.
Want het razen van geweldplegers is als een vloed [tegen] een muur.
)
. Dit vroegere handelen van God ten gunste van Zijn volk geeft het vertrouwen dat God ook ten gunste van hen in hun nood zal handelen. Ze weten dat God hen zal redden.

Dan zegt David vol vertrouwen dat hij “in alle eeuwigheid” in Gods tent zal verblijven (vers 55Ik zal in alle eeuwigheid in Uw tent verblijven,
mijn toevlucht zoeken in de schuilplaats onder Uw vleugels. /Sela/
)
. Hier spreekt hij vanuit de tegenwoordigheid van de Rots waarop hij in het geloof staat. Hij is in de tent van God, dat wil zeggen in Zijn tegenwoordigheid. Gods tent spreekt van verborgen omgang of gemeenschap met Hem (vgl. Ps 27:5b5Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut
op de dag van het onheil.
Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots.
)
. David is wel lichamelijk ver verwijderd van Gods woonplaats in het land, maar hij weet dat hij op de rots is en dat de tent zijn voortdurende verblijf is. Daar geniet hij ook bescherming – daarvan spreken de vleugels (vgl. Ps 57:22Wees mij genadig, o God, wees mij genadig,
want mijn ziel heeft tot U de toevlucht genomen;
ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels,
totdat de rampen voorbij zijn gegaan.
)
– van de God van Israël.

David weet dat God zijn geloften heeft gehoord (vers 66Want U, o God, hebt mijn geloften gehoord;
U hebt mij de erfenis gegeven van wie Uw Naam vrezen.
)
. Hij heeft ze in zijn nood gedaan en hij laat God weten dat hij ze niet is vergeten. David is wat het doen van een gelofte een beeld van de Heer Jezus, Die de gelofte aan God heeft gedaan om Zijn wil te doen (Hb 10:77Toen zei Ik: zie, Ik kom (in [de] boekrol is over Mij geschreven) om Uw wil te doen, o God!’; Ps 40:8-98Toen zei Ik: Zie, Ik kom,
in de boekrol is over Mij geschreven.
9Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen;
 Uw wet [draag Ik] diep in Mijn binnenste.
)
. Hij heeft dat niet in Zijn nood gedaan, maar wel met het oog op de nood van de zonde die in de wereld is gekomen.

Hij heeft Zijn gelofte volmaakt vervuld en als beloning daarvoor heeft Hij de erfenis gekregen die God geeft aan allen die Zijn Naam vrezen. De Messias heeft op volmaakte Gods Naam gevreesd. Daarom heeft Hij de erfenis gekregen. Bovendien heeft Hij ook het recht op de erfenis verworven door Zijn werk op het kruis (Op 5:1-101En ik zag op de rechterhand van Hem Die op de troon zat een boek, van binnen en van achteren beschreven, met zeven zegels verzegeld.2En ik zag een sterke engel, die met luider stem uitriep: Wie is waard het boek te openen en zijn zegels te verbreken?3En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde kon het boek openen of het bezien.4En ik weende zeer, omdat niemand waard bevonden was het boek te openen of het te bezien.5En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.6En ik zag in [het] midden van de troon en van de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam staan als geslacht; Het had zeven horens en zeven ogen, welke zijn de <zeven> Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.7En Het kwam en nam [het boek] uit de rechterhand van Hem Die op de troon zat.8En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.9En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,10en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.). Allen die God vrezen, zullen de erfenis krijgen omdat Hij voor hen het werk op het kruis heeft volbracht. Daardoor zijn zij ook erfgenamen geworden (Ef 1:10-1110dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,; 3:66dat [zij uit] de volken mede-erfgenamen zijn en mede-ïngelijfden en mededeelgenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie,).


De Koning troont eeuwig

7U zult dagen toevoegen aan de dagen van de koning,
zijn jaren [duren voort] als van generatie op generatie.
8Eeuwig zal hij tronen voor Gods aangezicht.
Beschik goedertierenheid en trouw, dat die hem beschermen.

David vraagt niet voor zichzelf om toevoeging van dagen aan de dagen van de koning (vers 77U zult dagen toevoegen aan de dagen van de koning,
zijn jaren [duren voort] als van generatie op generatie.
)
. Hij denkt misschien ook wel aan zichzelf, maar hij denkt vooral aan Gods Koning, de Messias. Hier hebben we de sleutel voor het vertrouwen op God: het is vertrouwen op de Messias. De jaren van de Messias houden nooit op, maar duren voort “als van generatie op generatie”. Dit zijn de jaren die Hem worden toegevoegd op grond van Zijn werk op het kruis en die Hij krijgt in de opstanding (Js 53:1010Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
)
. Aan die jaren komen geen einde, ze zullen niet ophouden (Hb 1:10-1210En: ‘U, Heer, hebt in [het] begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van Uw handen.11Zij zullen vergaan, maar U blijft;12en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en <als een kleed> zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden’.).

Zijn heerschappij duurt ook eeuwig, “eeuwig zal Hij tronen voor Gods aangezicht” (vers 88Eeuwig zal hij tronen voor Gods aangezicht.
Beschik goedertierenheid en trouw, dat die hem beschermen.
; vgl. Lk 1:32-3332Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,33en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.; Dn 2:4444In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.)
. Nooit heeft een koning eeuwig op een troon gezeten, ook David niet. Dit kan alleen van de Heer Jezus worden gezegd. Hij regeert eeuwig ‘voor Gods aangezicht’. Op Hem kijkt God altijd in welgevallen neer.

De garantie daarvan ligt in de “goedertierenheid en trouw” van God, die Hij voor Zijn Koning beschikt (Sp 20:28a28Goedertierenheid en trouw beschermen een koning,
en door goedertierenheid versterkt hij zijn troon.
)
. Hij vertoont deze kenmerken in Zijn regering en wordt daardoor beschermd. Het volk zal geen aanleiding hebben om tegen Hem in opstand te komen, maar zal zich graag aan Zijn gezag onderwerpen.

Zijn optreden in goedertierenheid “versterkt … zijn troon” (Sp 20:28b28Goedertierenheid en trouw beschermen een koning,
en door goedertierenheid versterkt hij zijn troon.
)
. Dit is wel anders dan de tronen in de wereld die op tirannie en onderdrukking zijn gevestigd. Deze eigenschappen vormen de grondslag van de troon van de Messias. Door te handelen in goedertierenheid en trouw zal Zijn troon bevestigd blijven. Wanneer Hij als Koning verschijnt, zullen ze in Zijn regering volmaakt zichtbaar worden, waardoor Zijn troon onwankelbaar staat.


Eeuwig psalmen zingen

9Dan zal ik voor Uw Naam voor eeuwig psalmen zingen
om mijn geloften na te komen, dag aan dag.

De psalm eindigt met de toezegging van de Koning van God, de Messias, dat Hij voor Gods Naam voor eeuwig psalmen zal zingen. Elke dag van Zijn regering, “dag aan dag”, zal Hij Gods wil doen in Zijn regering. Hij zal na een volmaakte regering van duizend jaar het koninkrijk aan God teruggeven (1Ko 15:2424Daarna is het einde, wanneer Hij het koninkrijk aan God de Vader overgeeft, wanneer Hij alle overheid en alle gezag en kracht tenietgedaan heeft.). Wat een vreugde moet die regering voor het hart van God zijn!

Elke dag van die duizend jaar wordt er geregeerd zoals Hij het wil. Zijn wil wordt gedaan, zoals in de hemel zo ook op aarde (Mt 6:1010Uw koninkrijk komen, Uw wil gebeuren, zoals in [de] hemel, zo ook op aarde.). En dat gebeurt door Hem Die heeft gezegd: “Zie, Ik kom … om Uw wil te doen, o God” (Hb 10:77Toen zei Ik: zie, Ik kom (in [de] boekrol is over Mij geschreven) om Uw wil te doen, o God!’). Dat heeft Hij in Zijn hele leven laten zien. Het hoogtepunt is Zijn werk op het kruis. Daar heeft Hij de basis gelegd voor de hele wil van God. Die voert Hij uit, ook in de vestiging van en regering tijdens het vrederijk.


Lees verder