Psalmen
Inleiding 1-2 Opschrift 3-7 Gebed om Gods terugkeer 8-10 God heeft gesproken 11-14 Gebed om hulp uit de benauwdheid
Inleiding

In deze psalm horen we via de mond van David de erkenning van het overblijfsel dat God hen heeft verworpen. Ze spreken het uit dat hun enige hoop is dat Hij Zich weer tot hen zal keren. Dat bewijst tegelijk dat zij tot Hem zijn teruggekeerd. Ze tonen geen opstandige geest en zoeken geen hulp bij iemand anders.

Ze aanvaarden de nood waarin ze zijn terechtgekomen als de rechtvaardige straf voor hun ontrouw als volk van God. Het antwoord van God is dat Hij Zijn banier geeft aan hen die Hem vrezen, dat is het gelovig overblijfsel. Dit is het bewijs dat “heel Israël” (Rm 11:2626en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.) zal overwinnen door Hem.


Opschrift

1Een gouden kleinood van David, ter onderwijzing, voor de koorleider, op ‘De lelie van de getuigenis’;2toen hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië en met de Syriërs van Zoba, en Joab terugkwam en de Edomieten versloeg in het Zoutdal: twaalfduizend [man].

Voor “een gouden kleinood” (vers 11Een gouden kleinood van David, ter onderwijzing, voor de koorleider, op ‘De lelie van de getuigenis’;) zie bij Psalm 16:1. Deze psalm is “ter onderwijzing”. De onderwijzingen zijn bedoeld voor het nageslacht om te leren van de manier waarop het voorgeslacht in de nood tot God heeft geroepen en vooral van de manier waarop God heeft geantwoord (vgl. Dt 31:19,2119En nu, schrijf voor u dit lied op en leer het de Israëlieten; leg het hun in de mond, opdat dit lied voor Mij een getuige is tegen de Israëlieten.21En het zal gebeuren, wanneer veel verschrikkelijke dingen en noden het [volk] getroffen hebben, dat dit lied dan voor zijn aangezicht als getuige zal antwoorden; want het zal niet vergeten worden [of] uit de mond van zijn nageslacht [verdwijnen]. Want Ik ken zijn overleggingen die het heden maakt, voordat Ik het breng in het land dat Ik [hun] onder ede beloofd heb.; 2Sm 1:1818Hij zei dat men de nakomelingen van Juda [het Lied van] de boog zou leren. Zie, het is geschreven in het Boek van de Oprechte.). Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.

De uitdrukking “op ‘De lelie van de getuigenis’” is weer een muziekterm die de toon aanduidt waarop de psalm moet worden gezongen. ‘De lelie’ wijst op lieflijkheid en aangename geur. ‘De getuigenis’ is de wet waardoor het volk aan God is verbonden. Deze psalm bezingt het feit dat er niets lieflijker en aangenamer is dan met God in een verbondsrelatie te staan.

De historische achtergrond is het gevecht dat David met de Syriërs van Mesopotamië en Zoba heeft gehad (vers 22toen hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië en met de Syriërs van Zoba, en Joab terugkwam en de Edomieten versloeg in het Zoutdal: twaalfduizend [man].). Joab is op de terugtocht en verslaat de Edomieten in het Zoutdal (2Sm 8:3-143Verder versloeg David Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen die heentrok om zijn gezag aan de rivier de Eufraat te herstellen.4David nam van hem duizend [wagens af] en [nam] zevenhonderd ruiters en twintigduizend man voetvolk [gevangen]. Ook sneed David de hielpezen van alle wagen[paarden] door, maar hield er honderd wagen[paarden] van over.5De Syriërs van Damascus kwamen om Hadadezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man.6David legde garnizoenen in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David [en] moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.7David nam de gouden schilden die van Hadadezers dienaren geweest waren, en bracht ze naar Jeruzalem.8En uit Betach en uit Berothai, steden van Hadadezer, nam koning David zeer veel koper mee.9Toen [nu] Toï, de koning van Hamath, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer verslagen had,10stuurde Toï zijn zoon Joram naar koning David om hem naar [zijn] welstand te vragen en hem geluk te wensen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had – Hadadezer voerde namelijk steeds strijd tegen Toï – en hij had zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen en koperen voorwerpen bij zich.11Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij geheiligd had van alle heidenvolken die hij [aan zich] had onderworpen:12van Syrië, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen, van Amalek, en van de buit van Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba.13Ook maakte David naam, toen hij terugkwam nadat hij de Syriërs verslagen had in het Zoutdal, achttienduizend [man].14Hij legde garnizoenen in Edom; in heel Edom legde hij garnizoenen, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.; 1Kn 11:15-1615Het gebeurde namelijk [eens], toen David in Edom was, toen Joab, de legeroverste, eropuit trok om de gesneuvelden te begraven, dat hij al wie mannelijk was in Edom doodde,16want Joab bleef daar zes maanden, met heel Israël, totdat hij al wie mannelijk was in Edom had uitgeroeid.; 1Kr 18:1212Ook versloeg Abisaï, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttienduizend [man].). Het lijkt erop dat tijdens de gevechten van David de Edomieten het land zijn binnengevallen, wat grote nood bij David heeft veroorzaakt. Hij heeft zich door God verstoten gevoeld. Dat heeft hem tot een ernstig gebed tot God heeft gebracht. Joab is daarna door God gebruikt om aan deze situatie een einde te maken door de Edomieten te verslaan.


Gebed om Gods terugkeer

3O God, U had ons verstoten, U had ons verbroken,
U bent toornig geweest; keer terug tot ons.
4U hebt het land doen beven, U hebt het gespleten;
genees zijn breuken, want het wankelt.
5U hebt Uw volk een harde zaak doen zien,
U hebt ons bedwelmende wijn laten drinken.
6[Maar] nu hebt U een banier gegeven aan wie U vrezen,
om [die] op te heffen [als teken] van de waarheid, /Sela/
7opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en antwoord ons.

David begint de psalm met tegen God te zeggen dat de verwoestingen die door de Edomieten zijn aangericht, uit de hand van God komen (vers 33O God, U had ons verstoten, U had ons verbroken,
U bent toornig geweest; keer terug tot ons.
)
. Omdat God hen heeft verstoten, hebben de Edomieten hun slag kunnen slaan. Hij ziet dat God Zijn volk verbroken heeft. Direct daarna erkent hij de oorzaak daarvan: God is toornig geweest. Dat wil zeggen dat er iets bij Zijn volk is gebeurd dat die toorn noodzakelijk heeft gemaakt. Tegelijk vraagt David aan God om weer tot hen terug te keren en Zijn legers weer aan te voeren in de strijd.

David vergelijkt de nederlaag met een aardbeving die door God is veroorzaakt (vers 44U hebt het land doen beven, U hebt het gespleten;
genees zijn breuken, want het wankelt.
)
. Het is natuurlijk ook dramatisch dat Israël, het door God uitverkoren volk, ten onder dreigt te gaan. Daardoor wankelt het op zijn grondvesten. Door de aardbeving is het land “gespleten”. De samenhang is verdwenen, er is geen eenheid meer. Daarom bidt David dat God toch zijn breuken zal genezen, want de hele samenleving wankelt. Hiermee vraagt hij of God de gevolgen van de nederlaag wil wegnemen, want chaos dreigt.

God heeft Zijn volk, Zijn eigendomsvolk, “een harde zaak doen zien” (vers 55U hebt Uw volk een harde zaak doen zien,
U hebt ons bedwelmende wijn laten drinken.
)
, dat zijn dingen die moeilijk te dragen en pijnlijk zijn. Ze hebben wijn te drinken gekregen, niet om er vrolijk van te worden, maar om hen te laten waggelen en hun zicht te vertroebelen (vgl. Js 51:1717Ontwaak, ontwaak,
sta op, Jeruzalem!
U die uit de hand van de HEERE gedronken hebt
de beker van Zijn grimmigheid;
de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.
)
. God heeft dat over hen gebracht (vgl. Am 3:66Of wordt in een stad de bazuin geblazen
zonder dat het volk beeft?
Of komt er kwaad in de stad voor
zonder dat de HEERE dat doet?
)
.

Dan komt het keerpunt. David ziet dat God “een banier” geeft aan wie Hem vrezen (vers 66[Maar] nu hebt U een banier gegeven aan wie U vrezen,
om [die] op te heffen [als teken] van de waarheid, /Sela/
)
. Een ‘banier’ spreekt van overwinning, door God gegeven. Mozes bouwt een altaar voor de HEERE na een overwinning op de Amalekieten en noemt het: “De HEERE is mijn Banier!” (Ex 17:1515En Mozes bouwde een altaar en gaf het de naam: De HEERE is mijn Banier!; vgl. Js 11:1010Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.
)
.

God geeft de overwinning aan het Godvrezende deel van Israël, dat is voor Hem het ware Israël. Die banier die Hij heeft gegeven, moeten ze opheffen “[als teken] van de waarheid” dat God vóór hen is en dat zij in Zijn kracht overwinnen. Het is geen banier om mee in een parade te lopen, maar om achterna te lopen in de strijd. De waarheid is dat elke overwinning door God wordt gegeven en dat Hem daarvoor alle roem en eer toekomt.

Voor ons geldt dat wij zullen strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd (Jd 1:33Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.). ‘Het geloof’ betekent ‘de geloofswaarheid’, wat wordt geloofd. We strijden voor de waarheid als wij de waarheid hooghouden als een banier, terwijl de waarheid op alle terreinen van het leven van alle kanten wordt aangevallen. Bij deze strijd moeten we blijven bedenken dat het Gods waarheid is en dat Hij de overwinning geeft.

Zij die het Godvrezende deel van Israël vormen, worden door David “Uw beminden” genoemd (vers 77opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en antwoord ons.
; vgl. Ps 108:77opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en verhoor ons.
)
. Zij zijn het voorwerp van Gods liefde. David pleit hier bij God op grond van Zijn liefde voor hen die een overblijfsel zijn te midden van het afvallige volk. Hij vraagt God hen te verlossen door Zijn rechterhand, dat is door Zijn kracht en hen zo te antwoorden.


God heeft gesproken

8God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen;
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
9Gilead is van mij, Manasse is van mij,
Efraïm de bescherming voor mijn hoofd,
Juda is mijn wetgever.
10Moab is mijn waskom,
op Edom zal ik mijn schoen werpen.
Juich over mij, Filistea!

Het antwoord waar David om vraagt (vers 77opdat Uw beminden gered worden.
Verlos [door] Uw rechterhand en antwoord ons.
)
, geeft God “in Zijn heiligdom” (vers 88God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen;
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
)
. Het kan tot David komen door een priester die de urim en de tummim gebruikt om Gods wil te leren kennen. Het kan ook zijn dat God een profeet stuurt. Waar het om gaat, is dat we Gods zicht op een situatie alleen leren kennen als we in het heiligdom zijn, waar God woont. Daar maakt Hij Zijn gedachten als antwoord op onze vragen bekend. Als we weten hoe God over een zaak denkt, geeft dat aanleiding tot het opspringen van vreugde. Dan verdwijnen wanhoop en twijfels en komt er zekerheid over de uitkomst van de strijd.

Eerst spreekt God Zijn rechten uit op Sichem, Sukkoth, Gilead, Manasse, Efraïm en Juda (verzen 8b-98God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen;
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
9Gilead is van mij, Manasse is van mij,
Efraïm de bescherming voor mijn hoofd,
Juda is mijn wetgever.
)
. Deze gebieden liggen allemaal in Israël. Sichem en Sukkoth wijzen op het begin van de terugkeer van Jakob naar het beloofde land (Gn 33:17-1817Maar Jakob trok naar Sukkoth. En hij bouwde een huis voor zichzelf en maakte hutten voor zijn vee. Daarom gaf hij die plaats de naam Sukkoth.18Jakob kwam veilig aan [bij] de stad Sichem, die in het land Kanaän [ligt], nadat hij uit Paddan-Aram gekomen was; en in het zicht van die stad zette hij zijn tenten op.). Dat God Sichem zal “verdelen”, bewijst Zijn recht erop (vers 8b8God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen;
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
)
. Hij zal het geven aan wie het toebehoort. Het “opmeten” van het dal van Sukkoth heeft dezelfde betekenis. God zal het hele gebied opmeten en zo het precies opgemeten gebied geven aan wie het toebehoort, niet meer en niet minder.

“Gilead” ligt in het Overjordaanse en “Manasse” ligt gedeeltelijk in het land en gedeeltelijk in het Overjordaanse (vers 99Gilead is van mij, Manasse is van mij,
Efraïm de bescherming voor mijn hoofd,
Juda is mijn wetgever.
)
. Van Gilead en van heel Manasse zegt God dat die “van Mij” zijn. “Efraïm” staat voor de tien stammen en “Juda” voor de twee stammen. Samen vormen ze het hele land Israël. Van Efraïm zegt God dat hij de bescherming van Zijn hoofd is ofwel het hoofddeel of grootste deel van het land, dat is het noordelijke deel. Van Juda zegt God dat hij Zijn wetgever is (vgl. Gn 49:1010De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
; Nm 21:1818Put, die de vorsten gegraven hebben,
die de edelen van het volk gedolven hebben,
met een scepter, met hun staven.
Van de woestijn [reisden zij] naar Mattana,
)
. Van Juda uit zal Zijn wet overal geleerd en gehandhaafd worden. Dit zal de situatie zijn als de Messias regeert.

Vervolgens laat God weten dat Hij ook het eigendomsrecht heeft op alle gebieden buiten Israël. Daarvan noemt Hij Moab, Edom en Filistea bij name (vers 1010Moab is mijn waskom,
op Edom zal ik mijn schoen werpen.
Juich over mij, Filistea!
)
. Ook aan deze namen voegt God iets toe. Van Moab zegt Hij: “Moab is Mijn waskom.” Een waskom of wasvat dient om voeten te reinigen. God heeft Moab gebruikt om daar Zijn volk te reinigen (Js 16:44Laat onder u
Mijn verdrevenen verblijven, Moab;
wees voor hen een schuilplaats
tegen de verwoester.
Als de onderdrukker omgekomen is,
[als] het gedaan is met de verwoesting,
[als] de vertrappers weggevaagd zijn van de aarde,
)
.

Van Edom zegt Hij dat Hij daarop Zijn schoen zal werpen. Dit betekent dat Hij dit volk aan Zich zal onderwerpen (vgl. Ru 4:77Nu was het vroeger in Israël bij lossing en bij ruil [de gewoonte] om de hele zaak te bevestigen: iemand trok zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit diende als bewijs in Israël.). Filistea wordt opgeroepen over God te juichen. Dit is een gedwongen juichen. Ze moeten dat doen vanwege Gods ontzagwekkende daden ten gunste van Zijn volk en ten koste van de vijanden van Zijn volk, waaronder ook zij zijn.


Gebed om hulp uit de benauwdheid

11Wie zal mij brengen in een versterkte stad?
Wie zal mij leiden tot in Edom?
12Zult U het niet zijn, o God, [Die] ons verstoten had
en niet met onze legers uittrok, o God?
13Geef ons hulp uit de benauwdheid,
want heil van een mens [te verwachten] is nutteloos.
14Met God zullen wij krachtige daden doen;
Híj zal onze tegenstanders vertrappen.

Nadat God Zijn eigendomsrecht op diverse plaatsen en gebieden binnen en buiten Israël heeft bekendgemaakt, vraagt David wie hem zal “brengen in een versterkte stad” (vers 1111Wie zal mij brengen in een versterkte stad?
Wie zal mij leiden tot in Edom?
)
. De burcht Petra, gebouwd in rotsen, de hoofdstad van Edom is die versterkte stad. Door de natuurlijke ligging is het menselijk onmogelijk die stad te veroveren. Is er wel iemand, zo vraagt David zich af, die hem “tot in Edom”, tot het centrum ervan, kan leiden?

Hij geeft zelf het antwoord op zijn vraag. Het kan niemand anders zijn dan God (vers 1212Zult U het niet zijn, o God, [Die] ons verstoten had
en niet met onze legers uittrok, o God?
)
. Maar God heeft hen verstoten. Hier spreekt het geloof. De God Die hen heeft verstoten, is de Enige Die hem en zijn leger kan helpen. Zeker, God is niet met de legers van Zijn volk uitgetrokken en daarom zijn ze verslagen. Maar dat maakt tegelijk duidelijk dat de enige mogelijkheid om te overwinnen is dat God weer met hen meegaat.

Zij die God vrezen, kunnen dan ook op niemand anders een beroep doen in hun benauwdheid dan op Hem alleen (vers 1313Geef ons hulp uit de benauwdheid,
want heil van een mens [te verwachten] is nutteloos.
)
. God heeft hen in die benauwdheid gebracht en daarom is Hij de Enige Die hen er ook uit kan leiden. Daarom roepen ze om Zijn hulp. Ze weten het: “Heil van een mens [te verwachten] is nutteloos” (vgl. Js 2:2222Zie voor uzelf [dan] af van de mens
– in zijn neus heeft hij [slechts] adem –
want als wat is hij [eigenlijk] te beschouwen?
)
.

Dit kunnen we kunnen we ook geestelijk toepassen. Als een mens in geestelijke nood is over zijn zonden, is er geen mens die hem kan helpen. De Enige Die kan helpen, is God. Hij alleen kan hem bevrijden van de last van zijn zonden, niemand anders. Daarvoor heeft Hij Zijn Zoon gegeven. Hetzelfde geldt voor de leiding in het leven van de gelovige. Alleen God weet welke weg hij moet gaan. Daarom moet hij bij Hem zijn en zich niet door mensen laten leiden. Hij heeft Zijn Woord en Zijn Geest gegeven om hem te leiden.

Alleen met God, met Zijn hulp, kan Gods volk krachtige daden doen (vers 1414Met God zullen wij krachtige daden doen;
Híj zal onze tegenstanders vertrappen.
)
. Hij voorziet Zijn volk van kracht en moed om de vijanden te bestrijden. Deze uitspraak getuigt van vertrouwen op God in het besef van eigen krachteloosheid. Als Hij met hen is, zullen ze hun tegenstanders vertrappen, wat erop neerkomt dat God hen vertrapt (vgl. Rm 16:20a20De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus <Christus> zij met u!).


Lees verder