Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-8 Gebed om redding 9-16 Vertrouwen 17-18 Lofprijzing
Inleiding

David is in grote nood. Zijn leven wordt bedreigd met de dood. Daarom neemt hij in de eerste verzen van deze psalm zijn toevlucht tot God. Terwijl hij zijn nood bij God bekendmaakt, groeit zijn vertrouwen dat God hem zal bevrijden. Hij begint in de diepte, vanwaar hij tot God roept om hem te verlossen. Dan gaat zijn gebed over in het rustige vertrouwen dat God de zaak in handen heeft. Hoewel er aan zijn situatie niets is veranderd, komt hij al biddend aan het einde van de psalm tot een lofprijzing voor de bevrijding die God gaat geven.

We horen in deze psalm ook weer de stem van het gelovig overblijfsel in de eindtijd. Aan het einde van de psalm breekt de morgen aan en is er lofgezang voor God, Die het overblijfsel van zijn vijanden heeft bevrijd door Zijn macht en kracht. Dit ziet op het aanbreken van de vreugde van het duizendjarig vrederijk.


Opschrift

1Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’; toen Saul [dienaren] gezonden had om het huis [van David] te bewaken en hem te doden.

Het eerste deel van het opschrift staat ook in het opschrift van Psalm 57. Zie bij Psalm 57:1.

Vervolgens staat in het opschrift de achtergrond van de psalm: Saul heeft dienaren naar het huis van David gestuurd om hem ’s nachts te bewaken en ’s morgens te doden. Deze gebeurtenis wordt vermeld in 1 Samuel (1Sm 19:10-11a10Toen probeerde Saul David met de speer aan de wand te spietsen, maar hij ontweek Saul, zodat de speer de wand trof. In die nacht vluchtte David en ontkwam.11Maar Saul stuurde boden naar het huis van David om hem te bewaken en om hem ‘s morgens te doden. Michal, zijn vrouw, vertelde David echter: Als u uzelf vannacht niet in veiligheid brengt, zult u morgen gedood worden.).


Gebed om redding

2Red mij van mijn vijanden, mijn God,
zet mij in een veilige vesting voor wie tegen mij opstaan.
3Red mij van wie onrecht bedrijven,
verlos mij van de mannen van bloed.
4Want zie, zij leggen een hinderlaag voor mijn ziel,
sterke [mannen] scholen tegen mij samen, HEERE,
zonder overtreding of zonde van mijn [kant];
5zij komen aansnellen en maken zich gereed,
zonder misdaad [van mijn kant].
Word wakker, [kom] mij tegemoet, en zie.
6Ja U, HEERE, God van de legermachten, God van Israël,
ontwaak om al deze heidenvolken te straffen;
wees niemand genadig van wie trouweloos onrecht bedrijven. /Sela/
7Tegen de avond keren zij terug,
zij grommen als honden
en trekken de stad rond.
8Zie, hun mond vloeit over;
zwaarden komen van hun lippen.
Want, [denken zij,] wie hoort het?

David is in grote nood. Hij stoot het uit tot God in korte, krachtige uitroepen: “Red mij …, zet mij …, red mij …, verlos mij …“ (verzen 2-32Red mij van mijn vijanden, mijn God,
zet mij in een veilige vesting voor wie tegen mij opstaan.
3Red mij van wie onrecht bedrijven,
verlos mij van de mannen van bloed.
)
. Er komen dienaren van Saul naar hem toe, die hij “mijn vijanden”, “wie tegen mij opstaan”, “wie onrecht bedrijven” en “mannen van bloed” noemt. We kunnen in deze aanduidingen een climax zien.

Hij richt zich met deze noodkreten vanwege deze mensen die op hem afkomen en die hij “mijn vijanden” noemt, tot God, Die hij “mijn God” noemt. Zijn vijanden zullen hem zonder pardon doden. Daarom vraagt hij aan zijn God om hem “in een veilige vesting” te zetten.

Hij vestigt Gods aandacht erop, “want zie”, dat zij een hinderlaag voor zijn ziel leggen (vers 44Want zie, zij leggen een hinderlaag voor mijn ziel,
sterke [mannen] scholen tegen mij samen, HEERE,
zonder overtreding of zonde van mijn [kant];
)
. Voor het leggen van die hinderlaag scholen zij tegen hem samen. Ze beraadslagen hoe ze hem het beste kunnen grijpen. David spreekt God nu als “HEERE” aan, als om Hem door die naam eraan te herinneren dat Hij een verbondsrelatie met Zijn volk heeft, waarover Hij hem als koning heeft aangesteld.

Ook zegt hij tegen Hem dat hij van zijn kant geen aanleiding voor hun moorddadige plannen heeft gegeven, want hij is in zijn houding tegenover Saul “zonder overtreding of zonde”. Hij is ‘zonder overtreding’, want hij heeft steeds gehoorzaam gedaan wat Saul van hem heeft gevraagd. Er is in zijn dienst aan Saul geen ‘zonde’ geweest (vgl. 1Sm 20:11Toen vluchtte David uit Najoth bij Rama. Hij kwam bij Jonathan en zei: Wat heb ik gedaan, wat is mijn misdaad, en wat is mijn zonde tegenover je vader, dat hij mij naar het leven staat?). De betuiging van zijn onschuld is een extra argument voor de oproep aan God om in te grijpen.

Daarbij komt nog dat de mannen die Saul op hem heeft afgestuurd, “sterke [mannen]” zijn. Hij voelt zich tegenover hen onmachtig. Met grote snelheid komen ze op hem af en maken zich gereed om hem om te brengen “zonder misdaad” van zijn kant (vers 55zij komen aansnellen en maken zich gereed,
zonder misdaad [van mijn kant].
Word wakker, [kom] mij tegemoet, en zie.
)
. Er is voor de jacht die zij op zijn leven maken geen enkele rechtvaardiging, want hij heeft niets gedaan wat dit noodzakelijk zou maken. Daarom kan hij een indringend beroep op God doen om “wakker” te worden, hem tegemoet te komen, naar hem toe te komen om hem te helpen en te zien dat de nood groot is en de hulp dringend gewenst.

David doet een beroep op de “HEERE, God van de legermachten” (vers 66Ja U, HEERE, God van de legermachten, God van Israël,
ontwaak om al deze heidenvolken te straffen;
wees niemand genadig van wie trouweloos onrecht bedrijven. /Sela/
)
. Hij vraagt hiermee of God met al Zijn legers hem te hulp wil komen tegen deze ‘sterke mannen’ die hem willen ombrengen. Hij noemt God ook de “God van Israël”. Daarmee zegt hij dat het niet alleen om zijn eigen redding, maar ook om die van Zijn volk gaat. Zijn volk loopt gevaar in de macht van kwaadwillende, bloeddorstige mensen te komen.

Nog eens dringt hij er bij God op aan om te ontwaken en noemt als reden “om al deze heidenvolken te straffen”. God moet ingrijpen en de dienaren van Saul straffen. Dat David hen “al deze heidenvolken” noemt, is omdat zij zich evenals de heidenvolken boosaardig en wreed gedragen. Het zijn mensen die “trouweloos onrecht bedrijven”. Ze zijn ontrouw aan God, ze zijn afvalligen, volgelingen van een afvallige koning. Daarom moet God niemand van hen genadig zijn.

Hij vergelijkt zijn vijanden met grommende honden die in de avond de stad rondtrekken op zoek naar hem (vers 77Tegen de avond keren zij terug,
zij grommen als honden
en trekken de stad rond.
)
. Terwijl ze rondtrekken, komt er uit hun mond een tirade van vervloekingen die ze over David uitspreken. De woorden spuiten eruit, het is een overvloed aan woorden die duidelijk maken dat zij op zijn bloed uit zijn (vers 88Zie, hun mond vloeit over;
zwaarden komen van hun lippen.
Want, [denken zij,] wie hoort het?
)
. Hun woorden zijn gelijk aan dood en verderf zaaiende “zwaarden” (vgl. Ps 57:55Mijn ziel verkeert te midden van leeuwen,
ik lig [tussen] mensen die verzengen [als vuur],
mensenkinderen van wie de tanden speren en pijlen zijn,
en hun tong een scherp zwaard.
)
.

Ze spreken zo, omdat ze menen dat niemand hoort wat ze zeggen, “want, [denken zij], wie hoort het?” Ze zijn voor geen mens bang, er is niemand die hen wat kan doen. In hun vermetelheid en hoogmoed denken ze helemaal niet aan God (vgl. Ps 10:1111Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten,
Hij heeft Zijn aangezicht verborgen,
Hij ziet het in eeuwigheid niet.
)
. Met Hem houden ze geen rekening. Mocht Hij er zijn, dan is Hij in elk geval duidelijk afwezig, zo redeneren zij.


Vertrouwen

9Maar U, HEERE, U lacht om hen,
U bespot alle heidenvolken.
10[Tegenover] zijn macht wacht ik op U,
want God is mijn veilige vesting.
11Mijn goedertieren God zal mij te hulp komen,
God zal mij op mijn belagers doen neerzien.
12Dood hen niet, anders vergeet mijn volk [het];
doe hen rondzwerven door Uw kracht,
werp hen neer, Heere, ons schild,
13[om] de zonde van hun mond, [om] het woord van hun lippen.
Laat hen gevangen worden in hun trots,
om de vervloeking en om de leugen [die] zij vertellen.
14Vernietig hen in [Uw] grimmigheid,
vernietig hen, zodat zij er niet [meer] zijn;
laat hun weten dat God Heerser is in Jakob,
[ja,] tot aan de einden der aarde. /Sela/
15Laat hen dan tegen de avond terugkeren,
laat hen grommen als honden
en de stad rondtrekken.
16Laat hen zelf rondzwerven [op zoek] naar voedsel,
laat hen overnachten, al zijn zij niet verzadigd.

Nadat David zijn klacht bij God heeft gebracht, krijgt zijn gemoed rust. Hij richt zich nu in vertrouwen tot de HEERE, de God met Wie hij een persoonlijke relatie heeft (vers 99Maar U, HEERE, U lacht om hen,
U bespot alle heidenvolken.
)
. De arrogante tegenstanders mogen wel denken dat er niemand is die hen hoort (vers 88Zie, hun mond vloeit over;
zwaarden komen van hun lippen.
Want, [denken zij,] wie hoort het?
)
, David weet wel beter. Hij weet dat God om hen lacht. God neemt hen niet serieus in hun pogingen om Zijn gezalfde koning om te brengen. Wie kan zich verzetten tegen Hem zonder zelf door Hem te worden verdelgd? God bespot alle heidenvolken, waarmee Zijn eigen volk wordt bedoeld omdat het zich als de heidenvolken gedraagt (vgl. vers 66Ja U, HEERE, God van de legermachten, God van Israël,
ontwaak om al deze heidenvolken te straffen;
wees niemand genadig van wie trouweloos onrecht bedrijven. /Sela/
)
.

De macht die David van de vijand ondervindt, brengt hem niet tot het bedenken van een tegenoffensief of het nadenken over welke menselijke middelen hij kan inzetten om de vijand te bestrijden. Nee, hij wacht op God, want Die is zijn “veilige vesting” (vers 1010[Tegenover] zijn macht wacht ik op U,
want God is mijn veilige vesting.
)
. Bij Hem is hij onaantastbaar voor de macht van de vijand. Dat hij wacht op God, wil zeggen dat hij zich op God richt, op Hem zijn ogen en vertrouwen vestigt. Bij Hem weet hij zich veilig.

Hij vertrouwt op God als zijn “goedertieren God”, Die hem te hulp zal komen (vers 1111Mijn goedertieren God zal mij te hulp komen,
God zal mij op mijn belagers doen neerzien.
)
. Zodra hij zijn oog op God heeft gericht, ziet hij niet alleen Gods macht, maar vooral ook Zijn goedertierenheid. Hij rekent op de goedertierenheid van God voor hem omdat hij niets heeft gedaan waardoor God hem in de hand van zijn vijanden zou overleveren. Daarom weet hij dat God hem op zijn belagers zal doen neerzien. God zal met hen afrekenen, zodat hij niets meer van hen te duchten zal hebben (vgl. Ex 14:30b30Zo verloste de HEERE Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee [liggen].).

God moet zijn belagers niet doden, want dan zal zijn volk, het volk waarover hij tot koning is gezalfd, weer snel vergeten hoe God met zijn vijanden handelt (vers 1212Dood hen niet, anders vergeet mijn volk [het];
doe hen rondzwerven door Uw kracht,
werp hen neer, Heere, ons schild,
; vgl. Ps 78:1111Zij vergaten Zijn daden
en Zijn wonderen, die Hij hun had laten zien.
)
. Nee, God moet hen doen rondzwerven door Zijn kracht. Zo zullen zij levende getuigen van Zijn onderwerpende kracht blijven, waardoor zijn volk er voortdurend aan herinnerd zal worden dat Hij, de Heere, Adonai, hun schild is.

Zo is de zwervende Kaïn een waarschuwend voorbeeld van het oordeel van God over zijn moord op Abel (Gn 4:12-1412Als u de aardbodem bewerkt, zal die u zijn volle opbrengst niet meer geven; u zult dolend en dwalend over de aarde [gaan].13En Kaïn zei tegen de HEERE: Mijn misdaad is te groot om vergeven te worden.14Zie, U verdrijft mij heden van het aangezicht van de aardbodem en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn en dolend en dwalend over de aarde [gaan]; en het zal zo zijn dat al wie mij tegenkomt, mij zal doden.). Zo is ook het over de aarde zwervende aardse volk van God een getuigenis van Gods oordeel over hun moord op hun Messias. Deze waarschuwende voorbeelden moeten mensen terughouden van het begaan van zonden tegen God en de naaste. Als zij niet luisteren, zullen ze hetzelfde oordeel ondergaan.

Wat een bemoedigend getuigenis voor Gods volk is, is voor de vijanden een vergelding door God die zij dubbel en dwars voor hun misdaden verdienen (vers 1313[om] de zonde van hun mond, [om] het woord van hun lippen.
Laat hen gevangen worden in hun trots,
om de vervloeking en om de leugen [die] zij vertellen.
)
. Ze hebben immers vreselijk met hun mond gezondigd. Het woord dat over hun lippen is gekomen, getuigt van grote trots. Ze hebben vervloekingen geuit en leugens verteld en daarbij gezegd dat er toch niemand is die het hoort (vers 88Zie, hun mond vloeit over;
zwaarden komen van hun lippen.
Want, [denken zij,] wie hoort het?
)
. Ze moeten erachter komen dat er wel Iemand is die hun woorden heeft gehoord en die hen daarvoor zal oordelen (Mt 12:3737Want op grond van uw woorden zult u gerechtvaardigd en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden.). David vraagt aan God om hen te vernietigen in Zijn grimmigheid (vers 1414Vernietig hen in [Uw] grimmigheid,
vernietig hen, zodat zij er niet [meer] zijn;
laat hun weten dat God Heerser is in Jakob,
[ja,] tot aan de einden der aarde. /Sela/
)
.

Eerder heeft hij gevraagd hen niet te doden, maar hen te laten omzwerven (vers 1212Dood hen niet, anders vergeet mijn volk [het];
doe hen rondzwerven door Uw kracht,
werp hen neer, Heere, ons schild,
)
. Dat is om hen tot een getuigenis van Gods macht voor zijn volgelingen te doen zijn. Nu vraagt hij om het definitieve, uiteindelijke oordeel. Dit is nadat zij als getuigenis van Gods macht gediend hebben. Als hun tijd er opzit, moeten ze vernietigd worden, “zodat zij er niet [meer] zijn”. Dat oordeel is tot een getuigenis tegen hen. Het betekent niet dat zij ophouden te bestaan, maar dat ze niet meer op aarde leven en hun kwade werk niet meer kunnen doen.

Daardoor zullen zij weten “dat God Heerser is in Jakob”. God is Heerser in Jakob, niet zij met hun grote mond vol aanmatigende woorden. Hier wordt ‘Jakob’ genoemd, waardoor de nadruk wordt gelegd op de zwakheid van het volk. Dat zwakke volk heeft in God een in macht onbegrensde Heerser. En God is niet alleen Heerser in Jakob, maar Hij heerst “tot aan de einden der aarde”. Er is geen gebied op aarde, hoe ver het ook van het middelpunt van de aarde, Israël, verwijderd is, waar Hij niet heerst. En Hij heerst overal op dezelfde wijze als in Israël.

In het besef van Gods alomtegenwoordige heerschappij kan David nu vrijmoedig zeggen dat de vijanden tegen de avond kunnen terugkeren als grommende honden (vers 1515Laat hen dan tegen de avond terugkeren,
laat hen grommen als honden
en de stad rondtrekken.
)
. Dit heeft hij eerder in de psalm gezegd als aanleiding voor de roep om Gods hulp (vers 77Tegen de avond keren zij terug,
zij grommen als honden
en trekken de stad rond.
)
. Nu heeft hij rust gevonden in de Gods heerschappij. Laat ze maar terugkomen en de stad rondtrekken, hij weet dat God regeert.

Omdat hij weet dat God regeert, is hij er ook zeker van dat hun pogingen om hem te grijpen, tevergeefs zullen zijn. Ze zullen rondzwerven als honden die “[op zoek] naar voedsel” zijn, dat wil zeggen dat ze op zoek zijn naar hem (vers 1616Laat hen zelf rondzwerven [op zoek] naar voedsel,
laat hen overnachten, al zijn zij niet verzadigd.
)
. Ze zullen overnachten, maar “niet verzadigd” worden, want ze zullen hem niet in hun macht krijgen. Ze zullen wel overnachten, maar teleurgesteld worden in de verwachting dat zij verzadigd zullen worden door de vangst van hun prooi.


Lofprijzing

17Ik echter zal van Uw macht zingen
en 's morgens vrolijk zingen van Uw goedertierenheid.
Want U bent voor mij een veilige vesting geweest,
een toevlucht in de dagen dat [angst] mij benauwde.
18Voor U, mijn kracht, zal ik psalmen zingen,
want God is mijn veilige vesting,
mijn goedertieren God.

De woorden “ik echter” staan tegenover de valse hoop van de ‘honden’ van het vorige vers. Het wachten op God van David is niet tevergeefs. Hij zal van Gods macht zingen omdat God Zijn macht heeft getoond en hem heeft bevrijd (vers 1717Ik echter zal van Uw macht zingen
en 's morgens vrolijk zingen van Uw goedertierenheid.
Want U bent voor mij een veilige vesting geweest,
een toevlucht in de dagen dat [angst] mij benauwde.
)
. De nacht, die vol is van grommende honden die uit zijn op zijn bloed en menen hem ‘s morgens te zullen grijpen, heeft zijn verschrikking voor David verloren.

Hij is ’s morgen niet bang. Integendeel, hij zal over Gods macht zingen. “Ik echter”, zo zegt hij, “zal ’s morgen vrolijk zingen van Uw goedertierenheid”. Zijn vijanden hebben hem ’s morgen willen doden, maar druipen met de staart tussen de poten af. Terwijl zij afdruipen, zingt David diezelfde morgen vrolijk over Gods goedertierenheid. Hij ziet dat God voor hem “een veilige vesting geweest” is en prijst daarvoor Gods goedertierenheid. Hij is onder de indruk van de volheid van Gods goedheid voor hem.

David spreekt hier voor de derde keer over ‘een veilige vesting’. Hij heeft eerst aan God gevraagd om hem met het oog op zijn nood in een veilige vesting te zetten (vers 22Red mij van mijn vijanden, mijn God,
zet mij in een veilige vesting voor wie tegen mij opstaan.
)
. Nadat hij zijn nood bij God heeft gebracht, zegt hij dat God zijn veilige vesting is (vers 1010[Tegenover] zijn macht wacht ik op U,
want God is mijn veilige vesting.
)
. Nu hij in het geloof achteromkijkt, getuigt hij er in zijn lied van dat God een veilige vesting is geweest (vers 1717Ik echter zal van Uw macht zingen
en 's morgens vrolijk zingen van Uw goedertierenheid.
Want U bent voor mij een veilige vesting geweest,
een toevlucht in de dagen dat [angst] mij benauwde.
)
.

David heeft ervaren dat God die veilige vesting voor hem is geweest omdat hij tot Hem de toevlucht heeft genomen. God is “een toevlucht” geweest in de dagen dat angst hem benauwde. We kunnen wel weten dat God een veilige vesting is, maar we zullen dat pas ervaren als wij in onze benauwdheden en moeiten de toevlucht tot Hem nemen.

David weet dat hij niet door eigen inspanning of slimheid uit de benauwdheid is gekomen. Hij is wel geholpen door zijn vrouw Michal (1Sm 19:11b-1211Maar Saul stuurde boden naar het huis van David om hem te bewaken en om hem ‘s morgens te doden. Michal, zijn vrouw, vertelde David echter: Als u uzelf vannacht niet in veiligheid brengt, zult u morgen gedood worden.12Michal liet David door een venster neer. Hij ging op de vlucht en ontkwam.), maar zij heeft ook alleen maar zo kunnen handelen omdat God David wilde redden. Het is allemaal te danken aan God Die hij “mijn kracht” noemt (vers 1818Voor U, mijn kracht, zal ik psalmen zingen,
want God is mijn veilige vesting,
mijn goedertieren God.
)
.

Zijn vijanden zijn veel te machtig voor hem, maar niet voor God. God is zijn kracht en Hem zal hij psalmen zingen. Omdat God zijn kracht is, is God zijn veilige vesting. Hij heeft alles alleen aan Gods bescherming te danken. En God heeft hem beschermd omdat Hij hem liefheeft. Dat is David zich vol dankbaarheid ook bewust. Daarom spreekt hij opnieuw over God als “mijn goedertieren God” (verzen 11,1811Mijn goedertieren God zal mij te hulp komen,
God zal mij op mijn belagers doen neerzien.
18Voor U, mijn kracht, zal ik psalmen zingen,
want God is mijn veilige vesting,
mijn goedertieren God.
)
.

Het is voor ons een voorbeeld als wij in grote nood en benauwdheid zijn. We mogen dan de toevlucht nemen tot God en bij Hem bescherming en veiligheid zoeken. Hij ontvangt ons graag, want Hij heeft ons lief. Hij beschermt ons met Zijn kracht, maar doet dat met in Zijn hart gevoelens van goedertierenheid voor ons. Hij is vol goedheid voor ons. Dat ervaren we in het bijzonder als wij in onze nood de toevlucht nemen tot Hem. Welke middelen Hij ook gebruikt om ons uit de nood te redden, de redding is uiteindelijk van Hem afkomstig. Daarom willen wij Hem eren.

Zo eindigt David de psalm met een lofprijzing op Gods “macht” (vers 1717Ik echter zal van Uw macht zingen
en 's morgens vrolijk zingen van Uw goedertierenheid.
Want U bent voor mij een veilige vesting geweest,
een toevlucht in de dagen dat [angst] mij benauwde.
)
en Gods “kracht” (vers 1818Voor U, mijn kracht, zal ik psalmen zingen,
want God is mijn veilige vesting,
mijn goedertieren God.
)
. Bij de macht van God denken we aan Gods controle over alle dingen. Hij heeft alles in de hand. Bij Gods kracht denken we aan het vermogen van God om te handelen ten gunste van de Zijnen.

David zingt niet alleen van en over God (vers 1717Ik echter zal van Uw macht zingen
en 's morgens vrolijk zingen van Uw goedertierenheid.
Want U bent voor mij een veilige vesting geweest,
een toevlucht in de dagen dat [angst] mij benauwde.
)
, maar ook tot God (vers 1818Voor U, mijn kracht, zal ik psalmen zingen,
want God is mijn veilige vesting,
mijn goedertieren God.
)
. We mogen Gods macht over alle dingen verkondigen aan de hele schepping, aan de zichtbare en de onzichtbare wereld. We mogen ook Gods Zelf prijzen voor de kracht die Hij ten gunste van de Zijnen heeft getoond.


Lees verder