Psalmen
1 Opschrift 2-3 Klacht 4-5 Vertrouwen op God 6-8 Klacht 9-12 Vertrouwen op God 13-14 Dankzegging
Opschrift

1Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Duif op verre eiken’; toen de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.

Deze psalm “van David” wordt “een gouden kleinood” genoemd. Deze aanduiding wordt ook in het opschrift van de vier volgende psalmen genoemd (Ps 57:11Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’; toen hij voor Saul vluchtte in de grot.; 58:11Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’.; 59:11Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’; toen Saul [dienaren] gezonden had om het huis [van David] te bewaken en hem te doden.; 60:11Een gouden kleinood van David, ter onderwijzing, voor de koorleider, op ‘De lelie van de getuigenis’;). Het is de vertaling van het woord miktam. Het komt behalve in deze vijf psalmen (Psalmen 56-60) alleen nog voor in het opschrift van Psalm 16 (Ps 16:11Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God,
want ik heb tot U de toevlucht genomen.
)
. Zie verder bij Psalm 16:1.

Voor “voor de koorleider” zie verder bij Psalm 4:1.

De uitdrukking “op ‘Duif van de verre eiken’” lijkt een muzikale term te zijn. De toon die met deze term wordt aangegeven, is die van een klagend heimwee. David zegt in Psalm 55 dat hij wel vleugels van een duif zou willen hebben, om ver weg te vliegen, ver weg van het gevaar naar een plaats van veiligheid (Ps 55:7-97Daarom zeg ik: Och, gaf iemand mij vleugels als van een duif!
Ik zou wegvliegen naar waar ik blijven kon.
8Zie, ik zou ver wegzwerven,
ik zou overnachten in de woestijn. /Sela/
9Ik zou mij haasten zodat ik zou ontkomen
aan de rukwind, aan de storm.
)
. Hier geeft hij aan dat verlangen een muzikale toonzetting.

De duif is ook een beeld van de Heilige Geest (Mt 3:1616Nadat nu Jezus was gedoopt, steeg Hij terstond op uit het water; en zie, de hemelen werden <Hem> geopend, en Hij zag <de> Geest van God neerdalen als een duif <en> op Zich komen;). De Heilige Geest woont nu op aarde in de gelovige en in de gemeente. Hij verbindt de gelovige met de hemel, waar de Heer Jezus is. In de wereld is de gelovige niet thuis en voelt hij zich niet thuis. De Geest zal in iedere gelovige het verlangen stimuleren naar de Heer Jezus in de hoge, om bij Hem te zijn. Dat doet Hij door Gods Woord, waarin alles over de Heer Jezus gaat. Wie het Woord van God niet leest, kent dat verlangen niet en zal zich met de wereld verbinden.

David dicht de psalm naar aanleiding van de vijandige benadering van velen die hem bestrijden en dat de hele dag doen. Daarom hunkert hij als een duif naar een plaats van veiligheid en geborgenheid. Het is een plaats ver weg en een plaats van stabiliteit en duurzaamheid. Daarvan spreken de “verre eiken”.

De aanleiding van de psalm, van dit “gouden kleinood”, is dat “de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath” (vgl. Ps 34:11[Een psalm] van David; toen hij zijn gezicht had vertrokken bij Abimelech, die hem verdreef, zodat hij [ervandoor] ging.). David is in hun macht gekomen. Hij is in die omstandigheden van ellende door eigen schuld terechtgekomen. De angst voor Saul die hem rusteloos vervolgt, is zo groot geworden, dat hij zijn vertrouwen op God verliest en zijn toevlucht zoekt bij de Filistijnen in Gath (1Sm 21:10-1510David stond op en vluchtte op die dag voor Saul; en hij kwam bij Achis, de koning van Gath.11Maar de dienaren van Achis zeiden tegen hem: Is dit niet David, de koning van het land? Zong men van hem niet in beurtzang bij de reidansen: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?12David nam deze woorden ter harte en werd zeer bevreesd voor Achis, de koning van Gath.13Daarom vertrok hij zijn gezicht voor hun ogen, en hij gedroeg zich in hun handen als een waanzinnige. Hij krabbelde aan de deuren van de poort en liet zijn speeksel in zijn baard lopen.14Toen zei Achis tegen zijn dienaren: Zie, u ziet dat de man krankzinnig is. Waarom hebt u hem bij mij gebracht?15Heb ik gebrek aan krankzinnigen, dat u deze [man] gebracht hebt om zich bij mij zo krankzinnig te gedragen? Moet deze in mijn huis komen?).

Daar komt hij in grote zielennood. Hij is een gevangene in Gath en kan de poort niet uit. Daarom stelt hij zich bij de poort als een waanzinnige aan. Dan wordt hij vrijgelaten. In deze diepte van ellende, waarin hij zich zo laat gaan en zich zo onwaardig gedraagt, wordt dit “gouden kleinood” geboren. God kan onze meest vernederende ervaringen maken tot een aanleiding om meer van Christus in ons zichtbaar te maken.


Klacht

2Wees mij genadig, o God, want de sterveling wil mij opslokken;
de hele dag onderdrukt mij de bestrijder.
3Mijn belagers willen [mij] de hele dag opslokken,
want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!

De klacht begint met een gebed om genade (vers 22Wees mij genadig, o God, want de sterveling wil mij opslokken;
de hele dag onderdrukt mij de bestrijder.
; vgl. Ps 51:33Wees mij genadig, o God, overeenkomstig Uw goedertierenheid,
delg mijn overtreding uit overeenkomstig Uw grote barmhartigheid.
)
. Genade is het enige waarop David een beroep kan doen, want hij heeft elk recht op hulp en zegen verspeeld. David stort direct zijn hart voor God uit. Hij schildert Hem in felle kleuren de voortdurende, gevarieerde en vijandige tegenstand.

Hij zegt tegen God dat “de sterveling” hem wil “opslokken”. Hij maakt er een zaak tussen de almachtige God en de nietige sterveling van. Zelf heeft hij tegen die sterveling geen enkele kracht, zo zwak is hij zelf. Die sterveling komt met een wijdgeopende mond op hem af om hem met huid en haar te verzwelgen. De sterveling met wie hij te maken heeft, is “de bestrijder” die hem “de hele dag onderdrukt”. Hij heeft geen moment rust en hij is helemaal alleen.

Zijn bestrijders zijn zijn “belagers”, mensen die op de loer liggen om hem op te slokken (vers 33Mijn belagers willen [mij] de hele dag opslokken,
want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!
)
. En weer zegt hij dat zij dit “de hele dag” willen doen. Hij wordt voortdurende, zonder een adempauze, onder druk gezet. De volgende dag brengt geen verandering. Het is elke dag de hele dag hetzelfde. Hij voelt constant de hete adem van de geopende mond van zijn belagers in zijn nek om hem te verzwelgen. Het drievoudig gebruik van de woorden “de hele dag” (verzen 2,3,62Wees mij genadig, o God, want de sterveling wil mij opslokken;
de hele dag onderdrukt mij de bestrijder.
3Mijn belagers willen [mij] de hele dag opslokken,
want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!6De hele dag verdraaien zij mijn woorden;
al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.
)
geeft wel aan hoe onophoudelijk hij belaagd wordt, zonder dat hij een plaats van veiligheid heeft.

Daarbij komt nog dat hij “veel bestrijders” heeft. Hij ziet zich omringd door mensen die hem willen doden. In het land waarover hij tot koning is gezalfd, heerst een koning die op hem jaagt. In het land waar hij naar toe is gevlucht om uit de handen van Saul te blijven, is hij ook omgeven door bestrijders. Hij kan niet anders dan zijn toevlucht nemen naar boven, naar de “Allerhoogste”. Dat doet hij dan ook. Als wij geen uitweg zien, zijn we toch niet geheel zonder uitweg: de uitweg naar boven is er altijd (2Ko 4:8b8in alles verdrukt, maar niet benauwd; geen uitweg ziende, maar niet geheel zonder uitweg;).


Vertrouwen op God

4Op de dag dat ik vrees,
vertrouw ík op U.
5In God prijs ik Zijn woord,
op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou een schepsel mij kunnen doen?

Als David de blik naar boven heeft gericht, naar de Allerhoogste (vers 33Mijn belagers willen [mij] de hele dag opslokken,
want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!
)
, kan hij zeggen dat hij op de dag dat hij vreest op Hem, de Allerhoogste, vertrouwt (vers 44Op de dag dat ik vrees,
vertrouw ík op U.
)
. Hij erkent dat er dagen zijn dat hij vreest. Die dagen kennen wij ook. Vrees is een van die dingen die bedoeld zijn om ons te laten voelen dat we God nodig hebben. Als we dan aan de Allerhoogste denken, verdwijnt de vrees.

Zou de Allerhoogste ook maar ergens vrees voor hebben? Dat is onmogelijk. Als de vreesachtige gelovige op Hem ziet, verdwijnt ook bij hem de vrees en komt daarvoor vertrouwen op God in de plaats. Wij, nieuwtestamentische gelovigen, zien in de Allerhoogste de Vader Die ons liefheeft (Jh 16:2727want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij hebt liefgehad en geloofd hebt dat Ik van God ben uitgegaan.). Als we aan Zijn liefde voor ons denken, wordt de vrees uitgedreven (1Jh 4:1818In de liefde is geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit, want de vrees houdt straf in, en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde.).

Is het vertrouwen op God er weer, dan is dat omdat we Zijn woord, dat zijn hier Zijn toezeggingen dat Hij ons helpt en redt, vertrouwen (vers 55In God prijs ik Zijn woord,
op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou een schepsel mij kunnen doen?
)
. Het is niet mogelijk op een andere manier op God te vertrouwen dan door op Zijn woorden, Zijn beloften, te vertrouwen. En als we op Zijn woorden vertrouwen, vertrouwen we op Hem Zelf. Alles wat Hij heeft beloofd, is reden om Hem te prijzen. Dan prijzen we in God Zijn woord.

Om op God te vertrouwen moeten we Zijn beloften kennen. Die kennen we alleen als we ze in Zijn Woord hebben gelezen. Nood die ons door mensen wordt aangedaan en zelfs nood die we door eigen schuld over onszelf hebben gebracht, moet ons bij de uitspraken van God brengen.

Het prijzen van God vanwege Zijn uitspraken geeft vertrouwen op God waardoor we niet meer bang zijn voor mensen. We kunnen zelfs met vrijmoedigheid zeggen: “Wat zou een schepsel mij kunnen doen?” Mensen, en ook de satan en zijn demonen, zijn schepsels van Hem en daarom in Zijn hand. Een schepsel kan niets doen buiten Hem om. Daarom kan de gelovige zo spreken.

Dit te zeggen is geen aanmatiging, maar een uiting van vertrouwen op God. God heeft gesproken. Hij heeft beloofd dat Hij de Zijnen zal beschermen, bewaren en veilig bij Hem zal laten aankomen om hen alles te geven wat Hij heeft beloofd. Wat kan een schepsel daartegen doen? We kunnen volkomen rusten in Zijn woorden, dat wil zeggen in Hem Die heeft gesproken.


Klacht

6De hele dag verdraaien zij mijn woorden;
al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.
7Zij scholen samen, zij verbergen zich;
zij letten op mijn voetstappen,
omdat zij loeren op mijn leven.
8Zouden zij bij [zoveel] onrecht vrijuit gaan?
Stort de volken neer in toorn, o God!

Vertrouwen op God maakt niet blind voor de mensen die ons bestrijden en belagen en de methoden die zij gebruiken. Hun vijandschap uit zich vooral in woorden. De vijanden van David zijn “de hele dag” bezig met het “verdraaien” van zijn woorden (vers 66De hele dag verdraaien zij mijn woorden;
al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.
)
. Een van de gemeenste wapens van de vijand is het verdraaien van iemands woorden. Daarmee wordt de hele persoon ongeloofwaardig gemaakt. Het is de aantasting van iemands integriteit.

Dit heeft de Heer Jezus ervaren tijdens Zijn leven op aarde (Jh 2:19-2119Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten.20De Joden zeiden dan: In zesenveertig jaar is dit tempelhuis gebouwd, en U zult het in drie dagen oprichten?21Maar Hij sprak over het tempelhuis van Zijn lichaam.; Mt 27:4040en zeiden: U Die het tempelhuis afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf, als U Gods Zoon bent, <en> kom van het kruis af!). God ervaart het dagelijks, bijvoorbeeld door de evolutietheorie als Zijn manier van scheppen voor te stellen. God heeft gezegd dat Hij de aarde in zes dagen heeft geschapen (Gn 1:3131En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.; 2:1-21Zo zijn de hemel en de aarde voltooid, en heel hun legermacht.2Toen God op de zevende dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had, voltooid had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.; Ex 20:1111Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.). De mens verdraait Zijn woorden zo, dat Hij daar vele miljoenen jaren voor heeft gebruikt. Wat een schande wordt Hem hierdoor aangedaan!

De gedachten van de vijand, “al zijn gedachten”, zijn altijd ten kwade voor de gelovigen. Nooit zoekt hij het goede voor hen. Hij kan zijn gedachten aangenaam en goed onderbouwd verwoorden, maar hij is erop uit de gelovige te beschadigen en uit te schakelen in zijn getuigenis voor God en Zijn Christus.

De vijanden van David, van het gelovig overblijfsel, en ook van ons, hebben samenscholingen om te beraadslagen hoe ze het beste te werk kunnen gaan om de gelovige uit te schakelen (vers 77Zij scholen samen, zij verbergen zich;
zij letten op mijn voetstappen,
omdat zij loeren op mijn leven.
)
. Ze komen niet een voor een op hem af, maar bundelen de krachten. Een volgende actie is dat ze zich verbergen in een hinderlaag. Daar letten ze op zijn voetstappen. Hij wordt constant in de gaten gehouden. Als hij ook maar iets verkeerds doet, is het met hem gedaan, want ze loeren op zijn leven.

David roept het, na het ondergaan van zoveel onrecht, uit tot God, dat zij toch zeker niet vrijuit zullen gaan (vers 88Zouden zij bij [zoveel] onrecht vrijuit gaan?
Stort de volken neer in toorn, o God!
)
? In overeenstemming met Gods beoordeling van al dit onrecht vraagt hij aan God “de volken” in toorn neer te storten. De vele bestrijders vormen een zo grote hoeveelheid, dat David over ‘volken’ spreekt. Hij kan daarmee het volk bedoelen dat bij Saul hoort en het volk van de Filistijnen. Ook hier zien we dat hij niet om toestemming en hulp vraagt om zelf met zijn vijanden af te rekenen, maar of God het wil doen.


Vertrouwen op God

9Ú hebt mijn omzwervingen geteld;
doe mijn tranen in Uw kruik.
Staan zij niet in Uw register?
10Dan zullen mijn vijanden terugdeinzen,
op de dag dat ik roep.
Dit weet ik: dat God met mij is.
11In God prijs ik het woord,
in de HEERE prijs ik het woord.
12Ik vertrouw op God, ik vrees niet;
wat zou de mens mij kunnen doen?

David is er volledig van overtuigd dat God niet één van zijn vele omzwervingen vanwege zijn vlucht voor Saul vergeet (vers 99Ú hebt mijn omzwervingen geteld;
doe mijn tranen in Uw kruik.
Staan zij niet in Uw register?
)
. God heeft ze geteld. Hij houdt bij hoeveel het er zijn en hoelang de duur van elke omzwerving is (1Sm 21:1010David stond op en vluchtte op die dag voor Saul; en hij kwam bij Achis, de koning van Gath.; 22:1,3,51Toen ging David daarvandaan en hij ontkwam naar de grot van Adullam. Zijn broers en het hele huis van zijn vader hoorden dit en zij kwamen daar bij hem.3David ging vandaar naar Mizpe in Moab. En hij zei tegen de koning van Moab: Laat mijn vader en mijn moeder toch naar u uitwijken, totdat ik weet wat God met mij doen zal.5De profeet Gad zei echter tegen David: Blijf niet in de vesting, [maar] ga [daarvandaan] en ga naar het land Juda. Toen ging David weg, en hij kwam in het woud Chereth.; 23:5,14,255Zo gingen David en zijn mannen naar Kehila. Hij streed tegen de Filistijnen, dreef hun vee weg en bracht hun een grote slag toe. Zo verloste David de inwoners van Kehila.14David verbleef in de woestijn in de bergvestingen; hij verbleef in het bergland in de woestijn Zif. Saul zocht hem alle dagen, maar God gaf hem niet over in zijn hand.25Toen Saul en zijn mannen [hem] gingen zoeken, vertelde men dat aan David; en hij trok weg van de rots en bleef in de woestijn van Maon. Toen Saul dat hoorde, joeg hij David na in de woestijn van Maon.; 24:1-21David trok daarvandaan en bleef in de bergvestingen van Engedi.2En het gebeurde, nadat Saul was teruggekeerd van het achter[volgen] van de Filistijnen, dat men hem vertelde: Zie, David is in de woestijn van Engedi.). Daarbij heeft Hij ook de tranen van David gezien. David vraagt of God ze in Zijn kruik doet om ze te bewaren.

Het gaat hier om de tranen van gelovigen die zij in hun lijden en verdriet voor de Heer hebben vergoten (Jb 16:2020Mijn vrienden bespotten mij,
[maar] mijn oog weent tranen tot God.
)
. Die zijn door God in Zijn register opgeschreven (vgl. Ml 3:1616Dan spreken zij die de HEERE vrezen,
ieder tot zijn naaste:
De HEERE slaat er acht op en luistert.
Er is een gedenkboek geschreven voor Zijn aangezicht,
voor wie de HEERE vrezen
en wie Zijn Naam hoogachten.
; Ps 139:1616Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw boek beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond.
)
. Het zal een bewijs zijn tegen zijn vijanden, waarmee zij zullen worden geconfronteerd op de dag van de afrekening.

David maakt de dag dat hij vreest (vers 44Op de dag dat ik vrees,
vertrouw ík op U.
)
tot een dag waarop hij roept (vers 1010Dan zullen mijn vijanden terugdeinzen,
op de dag dat ik roep.
Dit weet ik: dat God met mij is.
)
. Hij ziet dat zijn “vijanden terugdeinzen op de dag dat ik roep”. Als wij roepen, zal de vijand wijken, niet eerder. Omdat hij roept, kan hij in vol vertrouwen zeggen: “Dit weet ik: dat God met mij is.” Het is een overwinningsroep. Zo kunnen wij uitroepen: “Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?” (Rm 8:3131Wat zullen wij dan hierop zeggen? Als God voor ons is, wie zou tegen ons zijn?).

Na deze zekerheid te hebben uitgesproken, komt hij terug op wat hij al een keer eerder (vers 55In God prijs ik Zijn woord,
op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou een schepsel mij kunnen doen?
)
heeft gezegd (vers 1111In God prijs ik het woord,
in de HEERE prijs ik het woord.
)
. Hij prijst “in God … het woord”. Dit is algemener dan in vers 55In God prijs ik Zijn woord,
op God vertrouw ik, ik vrees niet;
wat zou een schepsel mij kunnen doen?
. Het gaat zeker ook over de toezeggingen die Hij aan David heeft gedaan, maar omvat ook alle andere beloften en voornemens van God. Het gaat om alles wat God heeft gezegd. De openbaring daarvan hebben we in het geschreven Woord van God. God maakt bekend wat Hij Zich heeft voorgenomen door dat in woorden uit te drukken. Daardoor kennen we Zijn plannen. Meer hebben we niet nodig en ook niets anders. God en Zijn Woord zijn één.

Daarna zegt David dat hij “in de HEERE … het woord” prijst. ‘God’ is de Naam van God als Schepper, ‘HEERE’ is Zijn Naam als de God van het verbond met Zijn volk. Dit brengt het nog dichterbij. David spreekt niet alleen over de soevereine God Die betrouwbaar is in alles wat Hij zegt. Hij spreekt hier over de God met Wie hij een nauwe relatie heeft, de God Die beloften aan Zijn volk heeft gedaan en die zal vervullen.

Wie God en de HEERE prijst in het woord dat Hij heeft gesproken, weet dat die God en HEERE betrouwbaar is (vers 1212Ik vertrouw op God, ik vrees niet;
wat zou de mens mij kunnen doen?
)
. “Het woord” dat God heeft gesproken, “is betrouwbaar en alle aanneming waard” (1Tm 1:1515Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben.; 4:99Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard;). Dan is er ook geen vrees voor de mens, want wat zou de mens ons kunnen doen (vgl. Mt 10:2828En weest niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden, maar weest veeleer bang voor Hem Die zowel ziel als lichaam kan verderven in [de] hel.; Hb 13:6b6zodat wij vrijmoedig mogen zeggen: ‘[De] Heer is mij een Helper <en> ik zal niet vrezen; wat zal een mens mij doen?’)? God heeft gesproken en Hij zal doen wat Hij heeft beloofd. Daar kan geen mens iets aan veranderen. Welk mens zou er iets kunnen ondernemen tegen God? Daarom kan geen mens ook maar iets ondernemen tegen de gelovige.


Dankzegging

13O God, op mij rusten geloften, aan U [gedaan];
ik zal ze aan U [met] dank[zegging] nakomen.
14Want U hebt mijn ziel gered van de dood
– [hebt U] niet mijn voeten voor struikelen [behoed]? –
zodat ik voor Gods aangezicht zal wandelen
in het licht van de levenden.

David is vol bewondering voor God. Hij heeft zojuist zijn vertrouwen in Hem uitgesproken met daaraan verbonden dat hij voor geen mens angst meer heeft (vers 1212Ik vertrouw op God, ik vrees niet;
wat zou de mens mij kunnen doen?
)
. Hij richt zich tot God en zegt tegen Hem: “O God”. Hierin horen we zijn verbazing voor wat God heeft gedaan (vers 1313O God, op mij rusten geloften, aan U [gedaan];
ik zal ze aan U [met] dank[zegging] nakomen.
)
. Hij verbindt hieraan direct de geloften die hij heeft gedaan. Hij zal die hebben gedaan in de tijd dat hij in nood was. Die geloften is hij, nu hij rust heeft gevonden in God en Zijn woord en de wetenschap dat God met hem is, niet vergeten. Het is juist een stimulans voor hem om die geloften na te komen en dat doen met dankzegging en een lofoffer.

God heeft zijn ziel gered van de dood (vers 1414Want U hebt mijn ziel gered van de dood
– [hebt U] niet mijn voeten voor struikelen [behoed]? –
zodat ik voor Gods aangezicht zal wandelen
in het licht van de levenden.
)
. Daarom kan en wil hij zijn geloften nakomen. Zijn vijanden zijn er steeds op uit geweest om hem om te brengen, maar het is hun niet gelukt door Gods bescherming. Zij hebben op zijn voetenstappen gelet omdat zij op zijn leven loerden (vers 77Zij scholen samen, zij verbergen zich;
zij letten op mijn voetstappen,
omdat zij loeren op mijn leven.
)
. Maar God heeft zijn “voeten voor struikelen [behoed]”. Hij geeft God de eer voor zijn redding.

Het resultaat is dat hij “voor Gods aangezicht zal wandelen in het licht van de levenden”. Het betekent dat hij zich in Gods tegenwoordigheid weet en daar veilig is. Daar wandelt hij ook in het licht en niet in de duisternis. Hij wandelt daar samen met alle levenden, dat zijn zij die ook in het licht van God zijn.

Het Nieuwe Testament maakt duidelijk dat het licht van het leven de Heer Jezus is (Jh 1:44In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen.). Wandelen in het licht van de levenden komt neer op wat de Heer Jezus zegt: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben” (Jh 8:1212Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.).


Lees verder