Psalmen
Inleiding 1-2 Opschrift 3-7 De ondergang van de geweldenaar 8-9 De spot van de rechtvaardigen 10-11 Wat de rechtvaardige zal zijn en doen
Inleiding

Deze psalm vormt een groot contrast met de vorige. In Psalm 51 horen we iemand die zich met berouw over zijn zonde en volledig verbroken tot God wendt. In Psalm 52 gaat het over de macht en verdorvenheid van iemand die in het kwaad roemt. Die goddeloze, hoogmoedige persoon is een beeld van de antichrist.

Met de kwaadaardigheid waarin deze goddeloze persoon zich uit, hebben trouwe gelovigen in alle tijden te maken. Altijd is de gelovige omgeven door mensen die zich zo gedragen. In deze psalm zien we de uitingen van de geweldenaar en hoe het geloof daarop reageert.


Opschrift

1Een onderwijzing van David, voor de koorleider;2toen Doëg, de Edomiet, gekomen was en aan Saul bekendgemaakt en tegen hem gezegd had: David is gekomen in het huis van Achimelech.

De psalm is “een onderwijzing van David” (vers 11Een onderwijzing van David, voor de koorleider;). Het is een van de dertien maskil psalmen. Maskil betekent ‘onderwijzing’. Zie verder bij Psalm 32:1-2.

Wat hier van Doëg wordt gezegd (vers 22toen Doëg, de Edomiet, gekomen was en aan Saul bekendgemaakt en tegen hem gezegd had: David is gekomen in het huis van Achimelech.), wordt in 1 Samuel beschreven (1Sm 21:1-81Toen kwam David in Nob, bij de priester Achimelech; en Achimelech kwam David bevend tegemoet en zei tegen hem: Waarom bent u alleen en is er niemand bij u?2En David zei tegen de priester Achimelech: De koning heeft mij iets bevolen en zei tegen mij: Laat niemand iets weten van de zaak waarvoor ik u uitzend en die ik u opgedragen heb; de jongens heb ik laten weten [dat zij naar] een bepaalde plaats [moeten gaan].3En nu, wat hebt u voorhanden? Geef mij vijf broden mee in mijn hand, of wat er [maar] te vinden is.4De priester antwoordde David en zei: Er is geen gewoon brood voorhanden, maar er is [wel] heilig brood, als de jongens zich maar van de vrouwen onthouden hebben.5David antwoordde de priester en zei tegen hem: Jazeker, de vrouwen zijn ons gisteren en eergisteren onthouden. Toen ik eropuit trok, waren de voorwerpen van de jongens heilig. En het is in zekere zin gewoon [brood], temeer omdat er vandaag [ander brood] in de vaten geheiligd zal worden.6Toen gaf de priester hem dat heilige [brood], omdat er geen [ander] brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht van de HEERE weggenomen waren, om er vers brood neer te leggen op de dag dat het [oude] weggenomen werd.7Op die dag nu had iemand van de dienaren van Saul zich daar voor het aangezicht van de HEERE afgezonderd. Zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste van de herders die Saul had.8En David zei tegen Achimelech: Hebt u hier geen speer of zwaard voorhanden? Ik heb namelijk mijn zwaard niet mee [kunnen] nemen, evenmin als mijn [andere] wapens, want de zaak van de koning had haast.; 22:6-236Saul hoorde dat [de verblijfplaats van] David en de mannen die bij hem waren, bekend was geworden. Saul zat op een heuvel onder het geboomte in Rama en had zijn speer in zijn hand, terwijl al zijn dienaren bij hem stonden.7Toen zei Saul tegen zijn dienaren die bij hem stonden: Luister toch, Benjaminieten, zal de zoon van Isaï jullie allen soms ook akkers en wijngaarden geven? Zal hij jullie allen tot bevelhebbers over duizend en bevelhebbers over honderd aanstellen?8Want jullie spannen allen tegen mij samen, en niemand onthult [voor] mijn oor dat mijn zoon een verbond gesloten heeft met de zoon van Isaï. En er is niemand onder jullie die zich om mij bekommert en het voor mijn oor onthult dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft doen opstaan als iemand die mij belaagt zoals op deze dag.9Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de dienaren van Saul stond en zei: Ik heb de zoon van Isaï in Nob bij Achimelech, de zoon van Ahitub, zien komen.10Die raadpleegde vervolgens de HEERE voor hem en gaf hem proviand. Hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, de Filistijn.11Toen stuurde de koning [boden] eropuit en liet de priester Achimelech, de zoon van Ahitub, roepen, met het hele huis van zijn vader, de priesters die in Nob waren; en zij kwamen allen bij de koning.12En Saul zei: Luister toch, zoon van Ahitub! En hij zei: Zie, [hier] ben ik, mijn heer.13Toen zei Saul tegen hem: Waarom hebt u tegen mij samengespannen, u en de zoon van Isaï, door hem brood en een zwaard te geven, en God voor hem te raadplegen, zodat hij kan opstaan als iemand die mij belaagt, zoals op deze dag?14Maar Achimelech antwoordde de koning en zei: Wie van al uw dienaren is zo trouw als David, de schoonzoon van de koning, die u voortdurend gehoorzaam is, en geëerd is in uw huis?15Ben ik vandaag begonnen met God voor hem te raadplegen? Daar is bij mij geen sprake van! Laat de koning geen [beschuldiging] leggen op zijn dienaar [of] op het hele huis van mijn vader, want uw dienaar heeft van al deze dingen, klein of groot, niets geweten.16Maar de koning zei: Achimelech, u moet beslist sterven, u en het hele huis van uw vader!17De koning zei tegen de lijfwachten, die bij hem stonden: Treed toe en dood de priesters van de HEERE, omdat ook zij op de hand van David zijn, en omdat zij wisten dat hij op de vlucht was, maar het niet voor mijn oor onthuld hebben. Maar de dienaren van de koning wilden hun hand niet uitsteken om de priesters van de HEERE dood te steken.18Toen zei de koning tegen Doëg: Treedt u dan toe en steekt u de priesters dood. Toen trad Doëg, de Edomiet, toe en híj stak de priesters dood. Hij doodde op die dag vijfentachtig mannen die het linnen priesterhemd droegen met de scherpte van het zwaard.19Hij sloeg ook [de inwoners van] Nob, de stad van deze priesters, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen toe. Zelfs de runderen, de ezels en de schapen [sloeg hij] met de scherpte van het zwaard.20Maar een van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam. Zijn naam was Abjathar en hij vluchtte David achterna.21Abjathar vertelde David dat Saul de priesters van de HEERE gedood had.22Toen zei David tegen Abjathar: Op de dag dat Doëg, de Edomiet, daar was, wist ik dat hij het zeker aan Saul zou vertellen. Ík ben er de oorzaak van dat iedereen uit het huis van uw vader [is omgebracht].23Blijf bij mij, wees niet bevreesd, want wie mij naar het leven staat, staat u naar het leven. Bij mij zult u echter veilig zijn.). De psalm stamt dus uit de tijd dat David op de vlucht is voor Saul. De ‘onderwijzing’ is door David gemaakt naar aanleiding van het verraad van Doëg, die Saul informeert over het bezoek van David aan Achimelech (1Sm 22:99Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de dienaren van Saul stond en zei: Ik heb de zoon van Isaï in Nob bij Achimelech, de zoon van Ahitub, zien komen.). Daarop geeft Saul Doëg de opdracht de priesters te vermoorden, omdat zij op de hand van David zijn. Die opdracht voert Doëg met duivels genoegen uit (1Sm 22:18-1918Toen zei de koning tegen Doëg: Treedt u dan toe en steekt u de priesters dood. Toen trad Doëg, de Edomiet, toe en híj stak de priesters dood. Hij doodde op die dag vijfentachtig mannen die het linnen priesterhemd droegen met de scherpte van het zwaard.19Hij sloeg ook [de inwoners van] Nob, de stad van deze priesters, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen toe. Zelfs de runderen, de ezels en de schapen [sloeg hij] met de scherpte van het zwaard.). Als David erover hoort, neemt hij de schuld van de slachtpartij op zich (1Sm 22:21-2221Abjathar vertelde David dat Saul de priesters van de HEERE gedood had.22Toen zei David tegen Abjathar: Op de dag dat Doëg, de Edomiet, daar was, wist ik dat hij het zeker aan Saul zou vertellen. Ík ben er de oorzaak van dat iedereen uit het huis van uw vader [is omgebracht].).

Doëg wordt “de Edomiet” genoemd. Dat betekent dat hij een afstammeling van Ezau is, die “een ongoddelijke” wordt genoemd (Hb 12:1616dat niet iemand een hoereerder is of een ongoddelijke zoals Ezau, die voor één gerecht zijn eerstgeboorterecht verkocht,). De Edomieten zijn wel de bitterste vijanden van Gods volk en van God Zelf. Doëg is daar wel een duidelijk voorbeeld van. Hij is dan ook bij uitstek een type van de antichrist.

Nadat diep tot David is doorgedrongen wat er is gebeurd, geeft hij zijn gevoelens erover als onderwijs voor het hele volk in deze psalm weer. Doëg is een geweldenaar die in het gevlei van koning Saul staat. Maar David beziet deze moordenaar in het licht van God. Zo moeten wij ook het geweld leren zien van mensen die het kwaad liefhebben en nog in het leven lijken te slagen ook. Daarom is deze onderwijzing ook “voor de koorleider”. Zie verder bij Psalm 4:1.


De ondergang van de geweldenaar

3Waarom beroemt u zich op het kwaad, geweldenaar?
Gods goedertierenheid [duurt] toch de hele dag!
4Uw tong bedenkt enkel schadelijke [dingen],
als een geslepen scheermes dat bedrieglijk werkt.
5U hebt het kwaad lief boven het goede,
de leugen boven het spreken van recht. /Sela/
6U hebt lief alle verslindende woorden
[en] een tong [vol] bedrog.
7Maar God zal u voor altijd afbreken;
Hij zal u grijpen en wegrukken uit de tent,
ja, u ontwortelen uit het land van de levenden. /Sela/

David begint zijn psalm niet met het aanspreken van God, wat gebruikelijk is, maar met het aanspreken van de “geweldenaar”, waarin een ondertoon van sarcasme te bespeuren valt (vers 33Waarom beroemt u zich op het kwaad, geweldenaar?
Gods goedertierenheid [duurt] toch de hele dag!
)
. Hij opent zijn woorden tegen deze geweldenaar met een vraag. In die vraag klinkt verontwaardiging over de verdorvenheid van die man en ook verbazing over diens dwaasheid. Het is al erg genoeg dat hij het kwaad doet, maar het is nog veel erger dat hij zich ook op het kwaad beroemt. Hij gaat er prat op dat hij door zijn slechte daden zoveel invloed uitoefent.

De geweldenaar beroemt zich op het kwaad dat hij de gunstelingen van God aandoet. Het geloof reageert daarop met te verwijzen naar “Gods goedertierenheid”. Het kwaad kan zich enige tijd laten gelden, maar dan is het klaar. Gods goedertierenheid echter duurt de hele dag. Er is geen moment dat God niet goedertieren is. Er is geen dag dat Hem iets ontgaat en waardoor Hij vergeet goedertieren te zijn. God is niet alleen machtig, maar ook goedertieren. Daaraan houdt de gelovige zich vast en daardoor houdt hij stand tegen de kwaaddenkende en kwaaddoende goddeloze. Het besef van de goedertierenheid van God is de beste bescherming tegen het kwaad.

Het kwaad van de geweldenaar zit hem vooral in zijn tong (vers 44Uw tong bedenkt enkel schadelijke [dingen],
als een geslepen scheermes dat bedrieglijk werkt.
)
. Zijn tong wordt hier gezien als een instrument waarmee hij niet in de eerste plaats schadelijke dingen spreekt, maar schadelijke dingen bedenkt. Dat wijst erop dat hij zijn woorden weloverwogen uitkiest om zoveel mogelijk schade te veroorzaken. Zijn tong is “als een geslepen scheermes dat bedrieglijk werkt” (vgl. Ps 55:2222Zijn mond is gladder dan boter,
maar zijn hart wil strijd;
zijn woorden zijn zachter dan olie,
maar het zijn getrokken zwaarden.
; Jk 3:66Ook de tong is een vuur, de wereld van de ongerechtigheid. De tong is onder onze leden gesteld als dat wat het hele lichaam bevlekt en de loop van de natuur in vlam zet en door de hel in vlam gezet wordt.)
. Hij sabelt mensen neer met wat hij zegt. Zijn woorden werken als dolksteken (Sp 12:1818Er zijn er die als met dolksteken praten, ondoordacht,
maar de tong van de wijzen betekent genezing.
)
.

Er is geen greintje waarheid aanwezig in wat hij zegt, zelfs al zegt hij dingen die waar zijn. Als Doëg tegen Saul zegt dat hij David bij Achimelech heeft gezien, is dat waar (1Sm 21:6-96Toen gaf de priester hem dat heilige [brood], omdat er geen [ander] brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht van de HEERE weggenomen waren, om er vers brood neer te leggen op de dag dat het [oude] weggenomen werd.7Op die dag nu had iemand van de dienaren van Saul zich daar voor het aangezicht van de HEERE afgezonderd. Zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste van de herders die Saul had.8En David zei tegen Achimelech: Hebt u hier geen speer of zwaard voorhanden? Ik heb namelijk mijn zwaard niet mee [kunnen] nemen, evenmin als mijn [andere] wapens, want de zaak van de koning had haast.9Toen zei de priester: Het zwaard van Goliath, de Filistijn, die door u verslagen is in het Eikendal, zie, dat ligt [hier], in een kleed gewikkeld, achter de efod. Als u dat mee wilt nemen, neem het mee, want er is hier geen ander dan dat. David zei: Zoals dat is er geen [tweede], geef het mij.; 22:9-109Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de dienaren van Saul stond en zei: Ik heb de zoon van Isaï in Nob bij Achimelech, de zoon van Ahitub, zien komen.10Die raadpleegde vervolgens de HEERE voor hem en gaf hem proviand. Hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, de Filistijn.). Maar de motieven achter zijn woorden maken van al zijn woorden “verslindende woorden”. Zijn tong spreekt woorden die waar zijn, want hij zegt wat hij heeft gezien, maar hij doet dat met ‘een tong als een geslepen scheermes dat bedrieglijk werkt’.

Hij heeft een obsessieve liefde voor het kwaad boven het goede (vers 55U hebt het kwaad lief boven het goede,
de leugen boven het spreken van recht. /Sela/
; vgl. Mi 3:22Zij haten het goede
en hebben het kwade lief,
zij stropen hun huid van hen af
en hun vlees van hun beenderen.
)
. Hij geeft de voorkeur aan leugens “boven het spreken van recht”. Het is niet eens een leugentje om bestwil, maar het pertinent en niet anders dan leugen spreken. De man heeft ‘een aartje naar zijn vaartje’, want zijn vader is de duivel in wie geen waarheid is, maar die een leugenaar is en de vader van de leugen (Jh 8:4444U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.).

Hij geniet van “alle verslindende woorden[en] een tong [vol] bedrog” (vers 66U hebt lief alle verslindende woorden
[en] een tong [vol] bedrog.
)
. Hij houdt ervan dingen te zeggen die andere mensen verslinden en in het ongeluk storten. Woorden kunnen iemands reputatie ‘verslinden’. Verslindende woorden bewerken verwoesting en vertering. Direct daarmee in verband staat “een tong [vol] bedrog”. Alles wat er over zijn tong komt, is een en al bedrog.

Als David klaar is met zijn beschrijving van de geweldenaar, houdt hij hem het oordeel voor dat God over hem zal brengen (vers 77Maar God zal u voor altijd afbreken;
Hij zal u grijpen en wegrukken uit de tent,
ja, u ontwortelen uit het land van de levenden. /Sela/
)
. David beschrijft dit oordeel in verschillende beelden die allemaal betekenen dat hij volkomen weggevaagd zal worden. God zal hem “voor altijd afbreken”, wat slaat op zijn levenshuis. Dat zal een eeuwige puinhoop worden, zonder enige mogelijkheid tot wederopbouw.

God zal hem “grijpen en wegrukken uit de tent” waarin hij heeft gewoond. Grijpen is hier grijpen van een vurige kool die zo snel mogelijk wordt weggeslingerd om zich er niet aan te branden. Met deze snelheid rukt God hem weg uit de tent, dat wil zeggen uit alles wat hem dierbaar is (vgl. Ml 2:1212Moge de HEERE eenieder die dat doet, uitroeien uit de tenten van Jakob, wie waakt en wie antwoordt, [zelfs] wie een graanoffer brengt aan de HEERE van de legermachten.).

Net zoals Doëg Achimelech en de priesters van Nob heeft ontworteld, zal God hem “ontwortelen uit het land van de levenden”. Ontwortelen is ook een plotselinge gewelddadige daad. Als een boom zal hij ontworteld worden, zodat hij nooit meer tot uitbotting en bloei zal komen. Elke verbinding met het leven wordt afgesneden. Hij zal eeuwig in het dodenrijk zijn, waar niets meer van zijn bedrieglijke woorden, gedachten en handelingen over is.


De spot van de rechtvaardigen

8De rechtvaardigen zullen het zien en ontzag hebben;
zij zullen om hem lachen [en zeggen]:
9Zie, de man [die] God niet tot zijn kracht maakte,
maar op zijn grote rijkdom vertrouwde;
hij was sterk geworden door zijn schadelijk [handelen].

Zij die God vrezen, “de rechtvaardigen”, zullen de dag van het oordeel over de geweldige meemaken (vers 88De rechtvaardigen zullen het zien en ontzag hebben;
zij zullen om hem lachen [en zeggen]:
)
. Ze zullen Gods oordeel over deze mens zien, wat hen met ontzag zal vervullen, het zal grote indruk op hen maken. Tevens zullen ze met een heilige spot worden vervuld (vgl. Ps 2:44Die in de hemel woont, zal lachen,
de Heere zal hen bespotten.
)
. Ze zullen om hem lachen, niet uit leedvermaak, maar uit blijdschap dat God Zijn rechtvaardig oordeel heeft uitgeoefend en daarmee Zijn belofte van oordeel over het kwaad heeft ingelost. Dat is tegelijk ook hun bevrijding. Het is geen vermakelijk lachen, maar een vreugdevol lachten dat het met de macht van de geweldenaar over en uit is.

Ze wijzen met de vinger naar “de man [die] God niet tot zijn kracht maakte, maar op zijn grote rijkdom vertrouwde” (vers 99Zie, de man [die] God niet tot zijn kracht maakte,
maar op zijn grote rijkdom vertrouwde;
hij was sterk geworden door zijn schadelijk [handelen].
)
. God niet tot zijn kracht maken, wil zeggen dat God niet zijn vesting is, dat hij niet bij Hem zijn veiligheid en bescherming heeft gezocht. Wie God opgeeft, wordt door God opgegeven. Alles waarop hij heeft vertrouwd, baat hem niets als God hem oordeelt (vgl. Ps 49:7-97Zij vertrouwen op hun vermogen
en beroemen zich op hun grote rijkdom.
8Niemand [van hen] kan [zijn] broeder metterdaad verlossen,
hij kan God zijn losgeld niet geven.
9De losprijs voor hun leven is immers te kostbaar
en zal voor eeuwig ontoereikend zijn.
)
.

Zijn arrogantie en zelfvertrouwen hebben hem tot schadelijk handelen gebracht. Door wat hij daarmee heeft ‘verdiend’, is hij sterk geworden. Alles heeft tot vermeerdering van zijn eigen zelfstandigheid en belangrijkheid gediend. Hij heeft God niet nodig gehad. Met een diep ingewortelde boosaardigheid heeft hij anderen benadeeld en schade toegebracht om zichzelf te bevoordelen. Met dit ‘getuigenis’ eindigt de beschrijving van deze aartsbooswicht.


Wat de rechtvaardige zal zijn en doen

10Maar ik zal zijn als een bladerrijke olijfboom
in het huis van God;
ik vertrouw op Gods goedertierenheid,
eeuwig en altijd.
11Ik zal U voor eeuwig loven,
om wat U gedaan hebt;
ik zal Uw Naam verwachten,
want die is voor Uw gunstelingen goed.

In scherp contrast met de geweldenaar staat de psalmist, “maar ik”. Hij vergelijkt zich met “een bladerrijke olijfboom in het huis van God” (vers 1010Maar ik zal zijn als een bladerrijke olijfboom
in het huis van God;
ik vertrouw op Gods goedertierenheid,
eeuwig en altijd.
)
. Dit kan David zeggen zonder enige eigen roem en ondanks alle snoeven van de geweldenaar. Wat hij hier van zichzelf zegt, staat in groot contrast met de geweldenaar die uit zijn tent wordt weggerukt (vers 77Maar God zal u voor altijd afbreken;
Hij zal u grijpen en wegrukken uit de tent,
ja, u ontwortelen uit het land van de levenden. /Sela/
)
.

David is voortdurend in het huis van God, dat wil zeggen in Gods tegenwoordigheid, terwijl de geweldenaar eeuwig buiten Gods tegenwoordigheid zal zijn. In tegenstelling tot de geweldenaar die op zijn grote rijkdom heeft vertrouwd, vertrouwt David op “Gods goedertierenheid”. Dat doet hij niet een keer als het eens nodig en nuttig lijkt te zijn, maar “eeuwig en altijd”.

We kunnen de vergelijking van de bladerrijke olijfboom in het huis van God toepassen op de nieuwtestamentische gelovige die zich in de gemeente door de Heilige Geest laat leiden. Bladerrijk wil zeggen dat er een uiterlijk getuigenis van de kracht van de Geest is. We zien dat bij gelovigen die in hun leven de vrucht van de Geest laten zien (Gl 5:2222Maar de vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.).

Er is nog iets wat David eeuwig zal doen en dat is God loven (vers 1111Ik zal U voor eeuwig loven,
om wat U gedaan hebt;
ik zal Uw Naam verwachten,
want die is voor Uw gunstelingen goed.
)
. Hier richt David zich rechtstreeks tot God. Voor het loven van God vindt hij aanleiding in wat God gedaan heeft. God heeft het gedaan, Hij heeft alles gedaan. Hij heeft de geweldenaar en al zijn volgelingen gestraft en de Zijnen van alle blaam gezuiverd en gezegend.

David zal Gods “Naam verwachten”, waarmee hij zegt dat hij uitkijkt naar de openbaring van Gods eigenschappen en handelen. Daarop is zijn hoop gevestigd, want hij weet dat die naam voor Gods gunstelingen, voor allen die in de gunst van God staan, goed is. Allen die in Gods gunst staan, zowel de gelovigen van het Oude als die van het Nieuwe Testament, kunnen daarvan getuigen.

Als wij getuigen van de goedheid van Gods Naam, weten we dat velen dat ook kunnen getuigen. Hij heeft veel namen. Elke Naam toont een eigenschap. We hebben in ons leven veel namen of eigenschappen van Hem leren kennen. Voor elke Naam of eigenschap kunnen we Hem loven en prijzen met allen die Hem ook zo hebben leren kennen.


Lees verder