Psalmen
Inleiding 1-2 Opschrift 3-4 Gebed om reiniging 5-8 Belijdenis en berouw 9-14 Gebed om herstel 15-19 Het offer dat God niet veracht 20-21 Gebed voor Sion
Inleiding

Psalm 51 gaat verder in op het onderwerp van Psalm 50. Dat onderwerp is het offer dat God aangenaam is. In Psalm 50 is dat het lofoffer (Ps 50:1414Offer dank aan God
en kom aan de Allerhoogste uw geloften na.
)
, in Psalm 51 is dat het offer van een gebroken geest en een verbrijzeld en verslagen hart (Ps 51:1919De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
)
.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider;2toen de profeet Nathan bij hem was gekomen, nadat hij bij Bathseba was gekomen.

Deze psalm is “een psalm van David” (vers 11Een psalm van David, voor de koorleider;). Het is een psalm “voor de koorleider”. Dat betekent dat hij bedoeld is voor anderen die een soortgelijke ervaring hebben als David in deze psalm laat horen. Zie verder bij Psalm 4:1. Dat David deze psalm “voor de koorleider” bestemt, laat zien dat hij werkelijk verbroken is.

Deze psalm is de vierde ‘boetpsalm’ van de zeven in Psalmen (Psalmen 6; 32; 38; 51; 102; 130; 143). De aanleiding van het dichten van deze psalm is Davids overspel met Bathseba (vers 22toen de profeet Nathan bij hem was gekomen, nadat hij bij Bathseba was gekomen.; 2Sm 11:1-51Het gebeurde bij het aanbreken van het nieuwe jaar, in de tijd dat de koningen [ten strijde] trekken, dat David Joab en zijn manschappen met hem en heel Israël eropuit stuurde. Zij richtten de Ammonieten te gronde en belegerden Rabba. David bleef echter in Jeruzalem.2Tegen de avond gebeurde het dat David opstond van zijn slaapplaats en op het dak van het huis van de koning wandelde. Vanaf het dak zag hij een vrouw die zich aan het wassen was; deze vrouw nu was heel knap om te zien.3David stuurde [een bode] en liet naar deze vrouw vragen; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, de Hethiet?4Toen stuurde David boden en liet haar halen. Toen zij bij hem gekomen was, sliep hij met haar – zij had zich zojuist van haar onreinheid gezuiverd. Daarna keerde zij terug naar haar huis.5De vrouw werd zwanger; daarom stuurde zij [een bode] en vertelde David en zei: Ik ben zwanger.; 12:1-121En de HEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm.2De rijke had heel veel schapen en runderen.3Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen. Het at [mee] van zijn stuk [brood], dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem.4Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen [een] van zijn [eigen] schapen en runderen te nemen, om [een maaltijd] te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.5Toen ontstak David in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: [Zo waar] de HEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods!6En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had.7Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered.8Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en [bovendien] de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben.9Waarom hebt u [dan] het woord van de HEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.10Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig niet van uw huis wijken, omdat u Mij veracht hebt en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te zijn.11Zo zegt de HEERE: Zie, Ik breng onheil over u uit uw [eigen] huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen.12Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht.). Nathan is bij David gekomen, nadat David bij Bathseba is gekomen. De Geest gebruikt hier een woordspeling. Nathan is bij David gekomen om David zijn zonde bekend te maken. David is bij Bathseba gekomen om met haar te zondigen.

David heeft eerst zijn zonde verzwegen, ongeveer een jaar lang. Pas door de dienst van Nathan is hij verbroken en heeft hij zijn zonde beleden, waarna hij direct te horen heeft gekregen dat de HEERE zijn zonde heeft weggenomen (2Sm 12:1313Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.). Toch zien we in deze psalm dat belijdenis en vergeving een proces kan zijn. Echt inzicht in de zonde en het besef en aanvaarden van vergeving vraagt tijd. Het is het bewijs van een diepgaand werk van Gods Geest als er enige tijd mee gemoeid gaat. Wie even snel zijn zonde belijdt en vergeving claimt, heeft geen idee van zijn zonde voor God en is onoprecht in zijn belijdenis.

De belijdenis van David is profetisch van toepassing op het gelovig overblijfsel. Zij zullen belijden dat ze schuldig van God zijn afgeweken en in geestelijke zin echtbreuk hebben gepleegd. Ze zijn ontrouw geworden aan God door zich te verbinden met afgodische volken en zich aan hun goden te hechten. God houdt deze zonde in krachtige taal in een lang hoofdstuk in het boek Ezechiël aan Zijn volk voor (Ezechiël 23).


Gebed om reiniging

3Wees mij genadig, o God, overeenkomstig Uw goedertierenheid,
delg mijn overtreding uit overeenkomstig Uw grote barmhartigheid.
4Was mij schoon van mijn ongerechtigheid,
reinig mij van mijn zonde.

Nadat David door Nathan overtuigd is van de vreselijke zonde die hij heeft gedaan, is zijn eerste vraag aan God of Hij hem genadig wil zijn (vers 33Wees mij genadig, o God, overeenkomstig Uw goedertierenheid,
delg mijn overtreding uit overeenkomstig Uw grote barmhartigheid.
)
. David weet dat hij de doodstraf verdient. Hij heeft geen enkel recht te blijven leven, tenzij God hem genadig is. Daarbij vraagt hij of God hem genadig wil naar Zijn goedertierenheid. David doet een beroep op Wie God is (Ex 34:6-76Toen de HEERE bij hem voorbijkwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw,7Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft, maar Die [de schuldige] zeker niet voor onschuldig houdt en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt aan de kinderen en kleinkinderen, tot in het derde en vierde [geslacht].).

Vervolgens vraagt hij aan God om zijn overtreding uit Zijn strafregister uit te delgen, die eruit te verwijderen, zodat hij geen strafblad meer heeft (vgl. Ko 2:1414de schuldbrief die tegen ons [getuigde] door zijn inzettingen [en] die onze tegenstander was, heeft Hij uitgewist en die uit de weg geruimd door deze aan het kruis te nagelen.; Js 43:2525Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf,
en aan uw zonden denk Ik niet.
; 44:2222Ik delg uw overtredingen uit als een nevel,
en uw zonden als een wolk.
Keer tot Mij terug, want Ik heb u verlost.
)
. Hij erkent dat Hij Gods gebod “u zult niet echtbreken”, heeft overtreden. Die overtreding praat hij niet goed, maar belijdt die zonder enige verontschuldiging. Er is ook geen enkele verontschuldiging voor overspel en echtbreuk. Het is een zonde die niet ongedaan kan worden gemaakt. David heeft een onuitwisbare schuld op zich geladen. De enige mogelijkheid tot uitdelging ligt in Gods “grote barmhartigheid”. Daar doet hij een beroep op.

David is niet alleen schuldig door zijn zonde, hij is er ook vuil door geworden (vers 44Was mij schoon van mijn ongerechtigheid,
reinig mij van mijn zonde.
)
. Hij vraagt niet alleen om uitdelging van zijn overtreding door vergeving op grond van barmhartigheid, maar ook om schoongewassen te worden van zijn “ongerechtigheid”. Ongerechtigheid is handelen in strijd met het recht van God. David heeft het recht van God op het diepst geschonden.

Als koning is hij Gods vertegenwoordiger en heeft hij een voorbeeldfunctie. Het is zijn roeping en opdracht het volk op de weg van God voor te gaan en hun te laten zien hoe God gediend moet worden. In plaats daarvan heeft hij door zijn zonde dat beeld bevuild. Gods Naam is door zijn gedrag schande aangedaan. Die schande moet worden schoongewassen en dat kan God alleen doen.

Ten slotte vraagt David aan God om hem van zijn zonde te reinigen. Door de zonde is de relatie met God verbroken en komt de mens tekort aan de heerlijkheid van God. Zonde betekent ‘het doel missen’. Door zijn zonde heeft David geen toegang meer tot God in Zijn heiligdom, waar alles rein en heilig is, in overeenstemming met Wie God is. Hij verlangt naar herstel van zijn gemeenschap met God en daarom vraagt hij om reiniging (vgl. 1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.).

Wat David in deze beide beginverzen vraagt, laat zien dat hij een diep inzicht heeft in wat de zonde teweegbrengt en wat er allemaal voor nodig is om van de last daarvan bevrijd te worden. Hij vraagt om ‘uitdelgen’, ‘schoonwassen’ en ‘reinigen’. ‘Uitdelgen’ is volkomen verwijderen. ‘Schoonwassen’ is het vuil verwijderen. ‘Reinigen’ ziet op rein worden om weer in Gods reine tegenwoordigheid te zijn. Als dat allemaal gebeurt, zijn zijn overtreding, ongerechtigheid en zonde volledig vergeven.


Belijdenis en berouw

5Want ík ken mijn overtredingen,
mijn zonde [staat] mij voortdurend voor [ogen].
6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen,
zodat U rechtvaardig bent wanneer U [recht]spreekt
[en] rein bent wanneer U oordeelt.
7Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren,
in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.
8Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.

David kent zijn overtredingen (vers 55Want ík ken mijn overtredingen,
mijn zonde [staat] mij voortdurend voor [ogen].
)
. Het besef daarvan is noodzakelijk wil God Zijn werk van herstel kunnen doen. Er moet volledige openheid over zijn. Zijn zonde staat hem, sinds Nathan die voor hem heeft ontdekt, voortdurend voor ogen. Dat is geen aangename toestand, maar wel bijzonder heilzaam. Er was een tijd dat David wel wist dat hij had gezondigd, maar zijn zonde hem niet voor ogen stond. Hij duwde die weg. Pas als God Nathan naar hem stuurt, komt hij tot volle en oprechte belijdenis. Deze psalm is daarvan het bewijs.

Hoewel David tegen zijn naaste heeft gezondigd, belijdt hij dat hij bovenal tegen God heeft gezondigd (vers 66Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen,
zodat U rechtvaardig bent wanneer U [recht]spreekt
[en] rein bent wanneer U oordeelt.
; 2Sm 12:13a13Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.)
. Zo belijdt ook de verloren zoon eerst dat hij tegen de hemel heeft gezondigd en vervolgens dat hij ook tegen zijn vader heeft gezondigd (Lk 15:1818Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u,). Het gaat er bij een zonde in de eerste plaats om dat het kwaad is in Gods ogen. God is oneer aangedaan. Elke zonde tegen een naaste is eerst en vooral een zonde tegen God. Als dit besef niet bovenaan staat, zal er van een grondige belijdenis geen sprake zijn. Dan is er alleen spijt en dat vooral over de gevolgen, maar geen berouw van de daad.

God is absoluut rechtvaardig. Als wij erkennen dat wij tegen Hem hebben gezondigd en hebben gedaan wat kwaad is in Zijn ogen, erkennen we dat Hij rechtvaardig is in Zijn rechtspraak over de zonde. Het woord ‘belijdenis’ betekent ‘hetzelfde zeggen'. Een zonde belijden is een zonde zien zoals God die ziet en daarover hetzelfde zeggen als Hij zegt. Dat heeft David gedaan toen Nathan hem namens God met zijn zonde confronteerde. Hij heeft God gelijk gegeven in Zijn oordeel over de zonde die hij heeft begaan. Paulus haalt dit vers aan in de brief aan de Romeinen, waar hij uiteenzet wat de gerechtigheid van God is (Rm 3:44Volstrekt niet! Maar God zij waarachtig en ieder mens leugenachtig, zoals geschreven staat: ‘Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U geoordeeld wordt’.).

God bepaalt wat zonde is. Zonde is alles wat wordt gedaan zonder de erkenning van Zijn recht op ons leven. In Zijn wet zegt Hij wat de mens moet doen en wat Hij zal doen als de mens de wet overtreedt. Als God oordeelt omdat Zijn wet is overtreden, bewijst Hij dat Hij rein is. Hij is te rein van ogen dan dat Hij de zonde kan zien (Hk 1:13a13U bent te rein van ogen om het kwade aan te zien,
moeite kunt U niet aanschouwen.
Waarom aanschouwt U wie trouweloos handelen,
zwijgt U, wanneer een goddeloze [hem] verslindt die rechtvaardiger is dan hijzelf?
)
. Pas als een mens erkent dat God rechtvaardig en rein is, kan God die mens rechtvaardig en rein verklaren.

David daalt nog dieper af in het probleem van de zonde. Hij erkent dat hij “in ongerechtigheid geboren” is en “in zonde” door zijn moeder is “ontvangen” (vers 77Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren,
in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.
)
. Dit is geen afschuiven van zijn schuld, maar de erkenning dat hij een zondaar is tot in het diepst van zijn wezen. Hij spreekt niet alleen over zijn zonden als daden, maar over de zonde die in hem is als de bron van de daden, over de zondige natuur die ieder mens heeft.

We noemen dit wel ‘de erfzonde’, die ieder mens sinds de in zonde gevallen Adam heeft. We zijn niet zondaar omdat we zondigen, maar we zondigen omdat we zondaar zijn. Het onderwijs hierover wordt in de brief aan de Romeinen gegeven. Het is aan te bevelen die brief regelmatig te lezen. Het verschil zien tussen de zonde als daad en de zonde als bron is van fundamenteel belang wil er sprake zijn van een diepgaande belijdenis. Deze uitspraak van David is een zeldzame en tegelijk duidelijke uitspraak over de erfzonde in het Oude Testament (vgl. Jb 14:44Wie zal een reine geven uit een onreine?
Niet één.
; 15:1414Wat is de sterveling dat hij zuiver zou zijn,
en dat hij, geboren uit een vrouw, rechtvaardig zou zijn?
; 25:44Hoe zou een sterveling dan rechtvaardig zijn voor God,
En hoe zou hij, geboren uit een vrouw, zuiver zijn?
; Ps 58:44De goddelozen zijn [van God] vervreemd vanaf de baarmoeder;
de leugenaars dwalen vanaf de [moeder]schoot.
)
.

David heeft een diep inzicht in wat God zoekt en waardeert (vers 88Zie, U vindt vreugde in waarheid in het binnenste,
in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.
)
. Hij weet dat God “vreugde in waarheid in het binnenste” vindt. Het binnenste is het innerlijk, de ziel of het hart (vgl. Jb 38:3636Wie heeft de wijsheid in het binnenste gelegd?
Of wie heeft aan het hart het inzicht gegeven?
)
. Hij heeft in zijn gevoelens ervaren dat God in zijn innerlijk geen vreugde had, en die ervoer hij zelf ook niet, toen hij zijn zonde in zijn binnenste verborg. De vreugde is het resultaat van Gods werk. Hij schept vreugde (Js 65:17-1817Want zie, Ik schep een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde.
Aan de vorige dingen zal niet [meer] gedacht worden,
ze zullen niet [meer] opkomen in het hart.
18Maar wees vrolijk en verheug u tot in eeuwigheid
[in] wat Ik schep,
want zie, Ik schep Jeruzalem een vreugde
en zijn volk blijdschap.
)
. De waarheid waarin Hij vreugde vindt, is de erkenning van de zonde voor Hem en de aanvaarding van Zijn oordeel daarover zonder enig voorbehoud.

Is in de zondaar die waarheid aanwezig als een diepe overtuiging, dan maakt God “in het verborgene … wijsheid bekend”. Er is ruimte in het innerlijk gekomen door belijdenis en nu kan God daar Zijn wijsheid in bekendmaken. Daardoor kan de herstelde gelovige juiste beslissingen nemen in de keus waarvoor hij telkens wordt gesteld: de keus tussen goed en kwaad.


Gebed om herstel

9Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn,
was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.
10Doe mij vreugde en blijdschap horen;
laat de beenderen zich verheugen [die] U verbrijzeld hebt.
11Verberg Uw aangezicht voor mijn zonden;
delg al mijn ongerechtigheden uit.
12Schep mij een rein hart, o God,
en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest.
13Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht
en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
14Geef mij de vreugde over Uw heil terug,
ondersteun mij met een geest van vrijmoedigheid.

Na zijn diepgaande belijdenis stelt David de vraag aan God om hem te ontzondigen met hysop (vers 99Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn,
was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.
)
. Hysop wordt onder andere gebruikt bij het aanbrengen van het bloed van het paaslam aan de deurposten (Ex 12:2222Neem dan een bosje hysop en doop [het] in het bloed dat in een schaal is, en strijk van het bloed dat in de schaal is, op de bovendorpel en op de beide deurposten. Maar wat u betreft, niemand mag de deur van zijn huis uitgaan, tot de [volgende] morgen.). De toepassing van het bloed bewerkt reiniging en vergeving (1Jh 1:7b7Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.; Op 1:55en van Jezus Christus, de trouwe Getuige, de Eerstgeborene van de doden en de Overste van de koningen van de aarde. Hem Die ons liefheeft en ons van onze zonden heeft verlost door Zijn bloed,; Hb 9:2222En met bloed wordt bijna alles naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving.). Het bloed maakt ons rein in de ogen van God.

Hij vraagt ook of God hem wast. Dit ziet op het Woord van God dat met water wordt vergeleken (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,; Jh 15:33U bent al rein om het woord dat Ik tot u heb gesproken. Blijft in Mij, en Ik in u.). We zien hier de toepassing van het ontzondigingswater waarover we in Numeri 19 lezen (Nm 19:1919Degene die rein is, moet degene die onrein is, op de derde dag en op de zevende dag besprenkelen, en op de zevende dag moet hij hem ontzondigen. Dan moet hij zijn kleren wassen en zich met water wassen en is hij 's avonds rein.). Het volk als geheel, dat wil zeggen het gelovig overblijfsel in de eindtijd, zal ook met dit water worden gereinigd (Ez 36:2525Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.), waardoor ze worden hersteld in hun gemeenschap met God.

De toepassing voor ons is dat wij door het lezen van Gods Woord zien we wat er in ons leven en denken is binnengeslopen wat ons onrein maakt in de ogen van God. Dan belijden we dat en worden we gewassen van die onreinheid. Het lezen van Gods Woord brengt ons tot belijdenis, waarna we in ons geweten witter zijn dan sneeuw.

David ziet uit naar Gods antwoord op zijn belijdenis (vers 1010Doe mij vreugde en blijdschap horen;
laat de beenderen zich verheugen [die] U verbrijzeld hebt.
)
. Hij vraagt om het bewijs dat God zijn belijdenis heeft aanvaard. Dat bewijs is de vreugde en blijdschap die God heeft over zijn belijdenis. Als God hem dat laat weten, zal die vreugde in zijn beenderen stromen en zal hij opspringen van vreugde. Nu voelt hij zich nog verbrijzeld en krachteloos omdat de wet hem veroordeelt en zijn geweten hem aanklaagt.

Hij vraagt aan God om Zijn aangezicht voor zijn zonden te verbergen (vers 1111Verberg Uw aangezicht voor mijn zonden;
delg al mijn ongerechtigheden uit.
)
. Daarmee vraagt hij of God zijn zonden wil vergeven en ze niet meer wil gedenken. Hij vraagt nu niet meer om vergeving voor een speciale zonde maar om uitdelging van “al” zijn ongerechtigheden. Bij een grondige belijdenis van een zonde worden we ons bewust dat we niet slechts een bepaalde verkeerde daad hebben gedaan, maar dat we vaak in de fout zijn gegaan. In Gods tegenwoordigheid zien we onze hele verloren toestand.

Die belijdenis wekt het verlangen naar iets totaal nieuws, een nieuwe schepping van God, de schepping van een rein hart (vers 1212Schep mij een rein hart, o God,
en vernieuw in mijn binnenste een standvastige geest.
)
. Dit kan geen mens bij zichzelf bewerken, dat moet God doen. Het moet een scheppingsdaad van God zijn, in dezelfde zin als wij een nieuwe schepping in Christus zijn (2Ko 5:1717Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het is <alles> nieuw geworden.; Gl 6:1515Want noch besnijdenis is iets, noch onbesneden zijn, maar een nieuwe schepping.; Ef 2:1010Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen.).

Een rein hart is een hart dat niet verontreinigd is door zonden. Dat hart heeft een afschuw van de zonde, en wat er uitkomt, is rein. Een rein hart leeft in gemeenschap met God want het ziet God (Mt 5:88Gelukkig de reinen van hart, want zij zullen God zien.). De nieuwtestamentische gelovige weet dat hij door het geloof een rein hart heeft (Hd 15:99en Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, daar Hij door het geloof hun harten heeft gereinigd.). Maar het is wel zaak daarmee ook in overeenstemming te leven.

Behalve een rein hart vraagt David ook om de vernieuwing in zijn binnenste van “een standvastige geest”. Vroeger had hij die standvastige geest en bleef hij in de weg van God. Nu hij in de zonde is gevallen omdat hij niet standvastig op God gericht is gebleven, vraagt hij om vernieuwing ervan. Hij wil niet weer zo’n diepe val maken. Door zijn diepe val is hij er des te dieper van overtuigd dat God hem van die geest moet voorzien, zodat hij in gemeenschap met God blijft.

Wij hebben ook ‘een standvastige geest’ nodig, zodat wij ons alleen op Christus richten en alles van Hem verwachten. Dan blijven we bewaard voor de verleiding tot zonde die tot nieuwe verontreiniging voert en, wat het ergst is, tot het verbreken van de gemeenschap met God. We hebben de zondige natuur nog in ons. Daarom is die vraag ook op ons van toepassing. Het gaat er voor ons om dat wij met een voornemen van het hart bij de Heer blijven (Hd 11:2323Toen hij daar aankwam en de genade van God zag, verblijdde hij zich en vermaande allen met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven.). Dan zullen we de zonde ontvluchten als die ons wil verleiden (vgl. Gn 39:10-1210En het gebeurde, toen zij Jozef dag in dag uit aansprak en hij niet naar haar luisterde om met haar te slapen [en] bij haar te zijn,11toen gebeurde het op zekere dag, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen en niemand van de mensen van het huis daar in huis was,12dat zij hem bij zijn kleed pakte en zei: Slaap met me. Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en ging naar buiten.).

De zonde veroorzaakt een diepe breuk met God. De gemeenschap met Hem wordt daardoor verbroken. Als het besef van de zonde doordringt, beseft de zondaar ook dat God hem terecht moet verwerpen (vers 1313Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht
en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
)
. God kan immers niets anders met de zonde doen dan die verwerpen. Tegelijk houdt het uitspreken van die vraag in dat David erop vertrouwt dat God het niet doet, omdat God een oprechte belijdenis altijd met genade beantwoordt.

De vraag aan God om Zijn Heilige Geest niet van hem weg te nemen past in de mond van David als oudtestamentische gelovige (vgl. 1Sm 16:1414De Geest van de HEERE was van Saul geweken, en een boze geest bij de HEERE vandaan joeg hem angst aan.). In het Oude Testament woont de Heilige Geest niet in de gelovige, maar Hij werkt wel in hem. De Geest zien we bij de schepping al aan het werk (Gn 1:22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.). Een oudtestamentische gelovige kan alleen door de Heilige Geest iets doen wat tot een welgevallen van God is. Alles wat goed is bij hen, komt van Hem. David is zich dat bewust (2Sm 23:22De Geest van de HEERE heeft door mij gesproken,
en Zijn woord is op mijn tong.
)
.

De Heilige Geest komt pas op aarde wonen na de verheerlijking van de Heer Jezus. De Heer Zelf laat daarover geen misverstand bestaan (Jh 7:3939Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.). Sinds de Pinksterdag woont de Geest in de gemeente (Hd 2:1-41En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.2En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.3En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.4En zij werden allen vervuld met [de] Heilige Geest en ze begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.; Ef 2:21-2221in Wie [het] hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer;22in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.) en in de gelovige (1Ko 6:1919Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?). Wie dit weet, zal nooit aan God vragen Zijn Geest niet van hem weg te nemen (Jh 14:16-1716En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Voorspraak geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid:17de Geest van de waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, omdat zij Hem niet aanschouwt en Hem niet kent; u kent Hem, omdat Hij bij u blijft en in u zal zijn.; Gl 4:1-71Maar ik zeg: zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, hoewel hij heer is van alles;2maar hij staat onder voogden en rentmeesters tot op de tijd door de vader vooraf bepaald.3Zo waren ook wij, toen wij onmondig waren, in slavernij onder de elementen van de wereld;4maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder [de] wet,5opdat Hij hen die onder [de] wet waren, vrijkocht, opdat wij het zoonschap zouden ontvangen.6En omdat u zonen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon in onze harten uitgezonden, Die roept: Abba, Vader!7U bent dus niet meer slaaf, maar zoon; en bent u zoon, dan ook erfgenaam door God.; 1Ko 12:1313Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en ons allen is van één Geest te drinken gegeven.).

Het is natuurlijk wel van belang dat we de Geest niet bedroeven (Ef 4:3030En bedroeft de Heilige Geest van God niet, met Wie u verzegeld bent tot [de] dag van [de] verlossing.), maar ons door de Geest laten leiden en door de Geest wandelen (Gl 5:16,18,2516Maar ik zeg: wandelt door [de] Geest, en u zult [de] begeerte van [het] vlees geenszins volbrengen.18Maar als u door [de] Geest geleid wordt, dan bent u niet onder [de] wet.25Als wij door [de] Geest leven, laten wij ook door [de] Geest wandelen.). Daarom is wat David hier vraagt wel van grote praktische betekenis voor ons. Het gaat om de noodzaak van geestelijke vernieuwing die ook wij regelmatig nodig hebben. Hopelijk zien we dat in.

David heeft de vreugde over het heil of de behoudenis van God vaak gekend en genoten. Telkens als God Hem uitredding gaf, was daar die vreugde. Al de tijd dat hij zijn zonden verzweeg, was die vreugde afwezig. Hij had geen gemeenschap met God. Maar nu hij zijn zonde heeft beleden, spreekt hij het diepe verlangen uit naar de terugkeer van die vreugde over Gods behoudenis (vers 1414Geef mij de vreugde over Uw heil terug,
ondersteun mij met een geest van vrijmoedigheid.
)
.

De Geest Die nu op hem is – want zijn belijdenis is het werk van de Geest – kon niet op hem zijn toen hij over zijn zonde zweeg. Wat hij nu nog wenst, is de vreugde over Gods heil. Die vreugde wil hij voortdurend beleven in Gods tegenwoordigheid. Daarvoor vraagt hij aan God om hem te ondersteunen “met een geest van vrijmoedigheid”. Hij vraagt om innerlijke vrijmoedigheid om weer in gemeenschap met God te leven door zich aan Zijn geboden te houden en ze niet weer te overtreden.


Het offer dat God niet veracht

15Dan zal ik overtreders Uw wegen leren
en zondaars zullen zich tot U bekeren.
16Red mij van bloedschulden, o God, God van mijn heil,
dan zal mijn tong vrolijk zingen van Uw gerechtigheid.
17Heere, open mijn lippen;
dan zal mijn mond Uw lof verkondigen.
18Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen;
in brandoffers schept U geen behagen.
19De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.

David wil zijn ervaringen als overtreder gaan delen met andere overtreders (vers 1515Dan zal ik overtreders Uw wegen leren
en zondaars zullen zich tot U bekeren.
; vgl. Lk 22:3232Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden; en jij, als je eens bekeerd bent, versterk je broeders.; Ps 34:1212Kom, kinderen, luister naar mij,/lamed/
ik zal jullie de vreze des HEEREN leren.
)
. Wie een diep besef van zijn eigen zondigheid heeft evenals van de vergeving van God en van de herstelde vreugde, zal zorg tonen voor anderen. David wil anderen die Gods geboden hebben overtreden, Gods wegen leren door met hen te spreken over schuldbelijdenis aan God en bekering tot Hem. Hij wil graag zondaars van een dwaalweg terugbrengen en daardoor een menigte van zonden bedekken (Jk 5:19-2019Mijn broeders, als iemand onder u van de waarheid afdwaalt en iemand brengt hem terug,20laat hij dan weten dat wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, <zijn> ziel van [de] dood redden en een menigte van zonden bedekken zal.).

Als hij eraan denkt om anderen Gods wegen te leren, overvalt hem opnieuw de zwaarte van zijn zonde (vers 1616Red mij van bloedschulden, o God, God van mijn heil,
dan zal mijn tong vrolijk zingen van Uw gerechtigheid.
)
. Nu denkt hij aan zijn bloedschuld. Hij heeft immers Uria omgebracht om zijn zonde te verdoezelen en daardoor bloedschuld op zich geladen (2Sm 11:14-1714Het gebeurde de [volgende] morgen dat David een brief aan Joab schreef. Hij stuurde [die] door de hand van Uria.15Hij schreef in die brief: Plaats Uria vooraan in de strijd, waar deze het hevigst is, trek dan van achter hem terug, zodat hij getroffen wordt en sterft.16Het gebeurde, toen Joab de stad verkend had, dat hij Uria opstelde op de plaats waarvan hij wist dat daar strijdbare mannen waren.17Toen de mannen van de stad naar buiten kwamen en met Joab streden, vielen er van het volk, van de manschappen van David. Ook Uria, de Hethiet, stierf.). Als God hem daarvan redt, hem daarvan bevrijdt, zal zijn tong vrolijk zingen – niet van Gods genade, wat we misschien zouden verwachten, maar – van Gods “gerechtigheid”. God heeft een rechtvaardige basis voor deze redding: het werk van Zijn Zoon op het kruis.

Deze belijdenis heeft een profetische toepassing. Het gelovig overblijfsel zal in de toekomst erkennen dat zij schuldig staan aan de dood van de Messias, waardoor zij bloedschuld op zich hebben geladen. Ook voor hen is de redding van hun bloedschuld gelegen in het werk van Christus op het kruis. De eerste zonde van het overblijfsel die zij belijden is hun overspelige verbinding met de afgoden. De tweede zonde is de verwerping van de Messias. Beide zonden zullen ze belijden en van het oordeel over beide zonden zullen ze gered worden door het werk van hun Messias aan het kruis.

David vraagt aan de “Heere”, de soevereine God en Heerser van het heelal, om zijn lippen te openen (vers 1717Heere, open mijn lippen;
dan zal mijn mond Uw lof verkondigen.
)
. Dan zal hij met zijn mond Gods lof verkondigen. Er is over zijn lippen en uit zijn mond geen lof gekomen in de tijd dat hij zijn zonde verzweeg. Nu hij zijn zonde heeft ingezien en beleden, barst David niet ineens uit in gejubel. Er is bij hem geen enkele aanmatiging. Zijn gesloten mond en lippen zijn het gevolg van zijn zonde. Het openen ervan moet God doen. Hij vraagt nederig of God het bij hem wil bewerken. Hij verlangt ernaar en daarom zal God het ook doen.

David weet dat God “geen vreugde in offers” als zodanig vindt (vers 1818Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen;
in brandoffers schept U geen behagen.
)
, want het bloed van stieren en bokken kan geen zonde wegnemen (Hb 10:44Want het is onmogelijk dat bloed van stieren en bokken zonden wegneemt.). Daar is David zich diep van bewust. Hij heeft dat eerder ook door de Geest uitgesproken (Ps 40:77U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer,
U hebt Mijn oren doorboord;
brandoffer en zondoffer
hebt U niet geëist.
)
. Als God daar wel vreugde in zou vinden, zou hij die graag hebben gebracht. Ook in brandoffers schept God geen behagen, zo weet David.

De enige offers waarin God vreugde vindt, zijn “een gebroken geest” en “een verbrijzeld en verslagen hart” (vers 1919De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
; vgl. Js 57:1515Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
; 66:2b2Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt,
en [daardoor] bestaan al die dingen, spreekt de HEERE.
Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige
en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
)
. In die offers is niets van hoogmoed en zelfrechtvaardiging aanwezig, maar er is een gezindheid aanwezig die kostbaar is voor God. Dit geldt ook voor ons. Wie dergelijke offers brengt, is waarlijk ‘een arme van geest’ (Mt 5:33Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.). Zo iemand beroemt zich niet, maar is nederig voor God.

David spreekt niet over de vreugde die God in een dergelijke gezindheid vindt, maar zegt dat God die “niet verachten” zal. Daarbij spreekt Hij God nadrukkelijk aan, “U, o God”. Mensen verachten een dergelijke gezindheid vaak wel, maar ‘U, o God’ zult dat niet doen. Door te zeggen ‘niet verachten’ onderstreept David dat er geen enkele roem aan deze offers is verbonden.


Gebed voor Sion

20Doe goed aan Sion, naar Uw welbehagen;
bouw de muren van Jeruzalem op.
21Dan zult U vreugde vinden in offers van gerechtigheid,
[in] een brandoffer en een offer dat geheel verteerd wordt;
dan zal men jonge stieren offeren op Uw altaar.

Na zijn diepgaande belijdenis en zijn vraag om reiniging denkt David nu aan Sion (vers 2020Doe goed aan Sion, naar Uw welbehagen;
bouw de muren van Jeruzalem op.
)
. Als vertegenwoordiger van het volk heeft hij door zijn zonde een smaad op het hele volk gelegd. God heeft als het ware Zijn handen van Sion af moeten trekken. Nu David belijdenis heeft gedaan, vraagt hij of God goed wil doen aan Sion, naar Zijn welbehagen.

Door zijn zonde is de stad kwetsbaar geworden, de geestelijke kracht is verdwenen. De letterlijke muren kunnen er nog staan. Maar als de geestelijke kracht door de zonde weg is, biedt de muur geen bescherming meer. Daarom vraagt David nu of God de muren van Jeruzalem weer wil opbouwen, dat wil zeggen dat de stad weer beschermd wordt.

Het gevolg zal zijn dat God weer vreugde zal vinden in “offers van gerechtigheid” (vers 2121Dan zult U vreugde vinden in offers van gerechtigheid,
[in] een brandoffer en een offer dat geheel verteerd wordt;
dan zal men jonge stieren offeren op Uw altaar.
)
die door de inwoners van Jeruzalem zullen worden gebracht. We kunnen dit toepassen op een plaatselijke gemeente, die ook gezien wordt als een plaats waar God woont. Als in een plaatselijke gemeente de zonde is geoordeeld en de gemeenschap met God is hersteld, zijn de geestelijke offers weer aangenaam voor God.

We zouden misschien verwachten dat de ‘offers van gerechtigheid’ zondoffers zijn. Dat zou goed passen bij de belijdenis van zonden. Maar David spreekt over “een brandoffer” en over “een offer dat geheel verteerd wordt”. Als God over de offers begint te spreken, begint Hij met het brandoffer (Lv 1:1-31De HEERE riep Mozes en sprak tot hem vanuit de tent van ontmoeting:2Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer iemand van u de HEERE een offergave wil aanbieden, moet u uw offergave aanbieden van het vee, van de runderen en van het kleinvee.3Als zijn offergave een brandoffer van runderen is, moet hij een mannetje zonder enig gebrek aanbieden. Hij moet dat bij de ingang van de tent van ontmoeting aanbieden om een welgevallen voor zich [te vinden] voor het aangezicht van de HEERE.). Een brandoffer is het hoogste offer dat als een vrijwillig offer kan worden gebracht. Van de verschillende brandoffers die kunnen worden gebracht, zijn de “jonge stieren” de hoogste vorm (vgl. Lv 1:3,10,143Als zijn offergave een brandoffer van runderen is, moet hij een mannetje zonder enig gebrek aanbieden. Hij moet dat bij de ingang van de tent van ontmoeting aanbieden om een welgevallen voor zich [te vinden] voor het aangezicht van de HEERE.10Als nu zijn offergave een brandoffer uit het kleinvee is, van de schapen of de geiten, moet hij een mannetje zonder enig gebrek aanbieden.14Als nu zijn offergave voor de HEERE een brandoffer van vogels is, moet hij zijn offergave aanbieden van tortelduiven of van jonge duiven.).

Het brandoffer is een offer dat in zijn geheel wordt verteerd. Alles van dit offer komt op het altaar en gaat in rook op als een aangename geur voor God (Lv 1:99Maar zijn ingewanden en zijn poten moet men met water wassen, en de priester moet dat alles op het altaar in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.; vgl. Dt 33:1010Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
)
. Als David behalve over een brandoffer ook spreekt over een offer dat geheel wordt verteerd, toont hij inzicht in dit offer. Hij verklaart het wezen van het brandoffer. Het brandoffer stelt het werk van de Heer Jezus voor als een werk dat helemaal en uitsluitend voor God is verricht.


Lees verder