Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-4 Gebed om hulp 5-7 Wat God haat en verafschuwt 8 Gemeenschap met God in Zijn huis 9-11 Gebed om leiding 12-13 Zegen voor wie de Naam liefhebben
Inleiding

Psalm 5 is een nachtlied. De situatie voor het overblijfsel wordt erger doordat de antichrist, de man van bloed en bedrog (vers 77U brengt de leugenaars om.
Van de man van bloed en bedrog
heeft de HEERE een afschuw.
)
aan de macht is gekomen. Tevens is het een ochtendgebed doordat de psalmist zijn zorgen ’s morgens aan de HEERE voorlegt.

In deze psalm spreekt het overblijfsel het vertrouwen uit dat de HEERE de regering van de antichrist zal omverwerpen (verzen 2-82HEERE, neem mijn woorden ter ore,
let op mijn zuchten.
3Sla acht op mijn stem als ik roep,
mijn Koning en mijn God,
want tot U bid ik.
4's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik [mijn gebed] voor U neer
en zie ik [naar U] uit.5Want U bent geen God Die vreugde vindt in goddeloosheid,
de kwaaddoener zal bij U niet verblijven.
6De dwazen blijven niet staande
voor Uw ogen.
U haat allen die onrecht bedrijven,
7U brengt de leugenaars om.
Van de man van bloed en bedrog
heeft de HEERE een afschuw.8Ik echter zal door Uw grote goedertierenheid
Uw huis binnengaan,
mij buigen naar Uw heilig paleis
in vreze voor U.
)
. Vervolgens bidden ze om leiding in donkere dagen (verzen 9-109HEERE, leid mij in Uw gerechtigheid,
omwille van mijn belagers;
maak Uw weg vóór mij recht.
10Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is,
hun binnenste is enkel verderf,
hun keel is een open graf,
met hun tong vleien zij.
)
en de verdelging van de volgelingen van de antichrist (vers 1111Verklaar hen schuldig, o God,
laat hen ten val komen met hun opvattingen;
verdrijf hen om hun vele overtredingen,
want zij zijn U ongehoorzaam.
)
.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider, bij fluitspel.

Psalm 5 is “een psalm van David” (vers 11Een psalm van David, voor de koorleider, bij fluitspel.). Evenals Psalm 4 heeft hij deze psalm “voor de koorleider” gedicht. Zie voor een verklaring van “voor de koorleider” bij Psalm 4:1.

Anders dan bij Psalm 4, die ‘bij snarenspel’ is (Ps 4:11Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel.), is deze psalm geschikt om “bij” ofwel onder begeleiding van “fluitspel” te worden gezongen. Een fluit is, anders dan bijvoorbeeld een trompet, geschikt om bepaalde emoties op te roepen, weer te geven of te begeleiden. Dat kan vreugde zijn (Js 30:2929Er zal een lied bij u zijn,
als in de nacht waarin men zich heiligt voor een feest;
en blijdschap van hart, als [bij] iemand die met fluit[spel] voortgaat
om te komen tot de berg van de HEERE, tot de Rots van Israël.
; Ez 28:1313u was in Eden, de hof van God.
Allerlei edelgesteente was uw sieraad:
robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx
en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud.
Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u.
Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed.
; Mt 11:1717Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en jullie hebben niet geweeklaagd.)
, het kan ook verdriet zijn (Jr 48:3636Daarom klaagt mijn hart om Moab als de fluiten,
ja, klaagt mijn hart om de mannen van Kir-Heres als de fluiten,
omdat de overvloed [die] het verwierf, verloren is.
; Mt 9:2323En toen Jezus in het huis van de overste kwam en de fluitspelers zag en de menigte die misbaar maakte,)
. De fluit lijkt hier het gepaste instrument, omdat juist dit instrument het zuchten waarover David in vers 22HEERE, neem mijn woorden ter ore,
let op mijn zuchten.
spreekt, kan weergeven en begeleiden.


Gebed om hulp

2HEERE, neem mijn woorden ter ore,
let op mijn zuchten.
3Sla acht op mijn stem als ik roep,
mijn Koning en mijn God,
want tot U bid ik.
4's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik [mijn gebed] voor U neer
en zie ik [naar U] uit.

David richt zich direct tot de HEERE met ‘woorden’ en ‘zuchten’, met ‘geroep’ en ‘gebed’. Hij vraagt Hem zijn “woorden ter ore” te nemen waarmee hij tot Hem roept (vers 22HEERE, neem mijn woorden ter ore,
let op mijn zuchten.
)
. Hij is in nood, wat blijkt uit zijn dringende oproep dat God ‘ter ore neemt’, ‘let op’ en ‘acht slaat op’.

Hij wil over zijn nood met God spreken. Daarom nadert hij tot Hem in gebed. Er is immers niemand anders met wie hij daarover kan of wil spreken. Ook vraagt hij aan de HEERE om op zijn zuchten te letten. Zuchten kan onhoorbaar gebeuren. Het bezwaarde gemoed heeft dan geen woorden. Maar hij vraagt aan God of Hij er toch op wil letten.

God kan bij onze diepste gevoelens, Hij kent ze. Als we zuchten omdat we geen woorden hebben om tot uitdrukking te brengen wat ons bezwaart, weet Hij wat we willen zeggen. Het komt bij Hem aan. Wij mogen weten dat de Heilige Geest aan onze verzuchtingen woorden geeft (Rm 8:2626En evenzo komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want wat wij naar behoren zullen bidden, weten wij niet, maar de Geest Zelf bidt voor <ons> met onuitsprekelijke verzuchtingen.).

Nog een keer vraagt David nadrukkelijk aan God om acht te slaan op zijn stem als hij roept (vers 33Sla acht op mijn stem als ik roep,
mijn Koning en mijn God,
want tot U bid ik.
)
. Hij richt zich tot God in het besef van de persoonlijke betrekking die hij met Hem heeft. Hij noemt Hem “mijn Koning en mijn God”. Hij noemt de HEERE hier zowel Koning als God. In Psalm 2 noemt hij de Zoon van God Koning (Ps 2:6-76Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.7Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
)
. Dit geeft aan dat de Zoon, Die Koning is, Zelf ook God is. Hij is “de Koning der eeuwen” (1Tm 1:1717De Koning der eeuwen nu, [de] onvergankelijke, onzichtbare, enige God, zij eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! Amen.). God is altijd Koning, ook dan als Zijn gezalfde koning, David, van de troon is verjaagd en iemand die er geen recht op heeft, op die troon is gaan zitten.

Nadat hij in vers 33Sla acht op mijn stem als ik roep,
mijn Koning en mijn God,
want tot U bid ik.
zijn persoonlijke verhouding tot God heeft uitgesproken, vraagt hij in vers 44's Morgens hoort U mijn stem, HEERE;
's morgens leg ik [mijn gebed] voor U neer
en zie ik [naar U] uit.
niet meer of de HEERE wil luisteren (vers 22HEERE, neem mijn woorden ter ore,
let op mijn zuchten.
)
, maar spreekt hij de zekerheid uit dat de HEERE dat doet. ’s Morgens hoort God zijn stem. ’s Morgens is de tijd dat het dagelijkse morgenbrandoffer wordt gebracht (Ex 29:3939Het ene lam moet u in de morgen bereiden en het andere lam moet u tegen het vallen van de avond bereiden,). Dat wijst ons erop dat we God mogen naderen op grond van het offer van Zijn Zoon.

David bidt niet af en toe, maar “’s morgens”, dat wil zeggen elke morgen. Zodra hij wakker is, zoekt hij God in het gebed. Dit is een belangrijk voorbeeld voor ons. Het is goed om, zodra wij wakker zijn, ons eerst tot God te richten, dat onze eerste woorden voor en tot Hem zijn. In onze dwaasheid zoeken wij Hem vaak als laatste, pas als we geen andere uitweg meer zien.

David zegt ook dat hij zijn gebed voor God ‘neerlegt’. Het werkwoord ‘neerleggen’ wordt ook gebruikt voor het schikken of ordenen van het hout en de delen van het offer op het altaar (Gn 22:99En zij kwamen op de plaats die God hem genoemd had. Abraham bouwde daar het altaar, schikte het hout erop, bond zijn zoon Izak en legde hem op het altaar, boven op het hout.; Lv 1:77Vervolgens moeten de zonen van de priester Aäron vuur maken op het altaar en hout op het vuur schikken,). Hierdoor heeft zijn morgengebed het karakter van een morgenbrandoffer (vgl. Ps 141:22Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen [als] het avondoffer zijn.
)
.

Na zijn gebed ziet hij uit naar de verhoring door God (vgl. Mi 7:77Zelf zal ik echter uitzien naar de HEERE,
ik zal wachten op de God van mijn heil.
Mijn God zal mij horen.
; Hk 2:11Ik ging op mijn wachtpost staan,
nam mijn plaats in op de vesting[wal],
en keek uit om te zien wat Hij in mij spreken zou
en wat ik antwoorden zou op mijn aanklacht.
)
. Daaruit blijkt zijn vertrouwen op Hem. Dat vertrouwen klinkt ook door in de woorden “want tot U bid ik” aan het slot van vers 33Sla acht op mijn stem als ik roep,
mijn Koning en mijn God,
want tot U bid ik.
. Daarmee zegt hij dat hij tot de HEERE als de enig ware God bidt. Hij bidt alleen tot Hem en tot niemand anders.

Deze woorden zijn de motivatie voor hem om te bidden. Het wil zeggen dat hij zijn verzoek baseert op de trouw van God aan Zijn verbond en belofte. Ons gebed is gebaseerd op de trouw van God (1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.) aan het werk van Christus op het kruis, ofwel op de basis van het bloed van het nieuwe verbond.


Wat God haat en verafschuwt

5Want U bent geen God Die vreugde vindt in goddeloosheid,
de kwaaddoener zal bij U niet verblijven.
6De dwazen blijven niet staande
voor Uw ogen.
U haat allen die onrecht bedrijven,
7U brengt de leugenaars om.
Van de man van bloed en bedrog
heeft de HEERE een afschuw.

Door zijn gemeenschap met God in gebed en het verwachtend uitzien naar de verhoring ervan, ziet de psalmist ook hoe God over de goddelozen en hun verschillende vormen van goddeloosheid denkt. Het gebruik van de woorden ‘geen’, ‘niet’ en nog een keer ‘niet’ in de verzen 5-65Want U bent geen God Die vreugde vindt in goddeloosheid,
de kwaaddoener zal bij U niet verblijven.
6De dwazen blijven niet staande
voor Uw ogen.
U haat allen die onrecht bedrijven,
maakt duidelijk dat God geen gemeenschap kan hebben met het kwaad. Wie gemeenschap heeft met God, deelt in Zijn gevoelens over het kwaad (vgl. 1Ko 13:66verblijdt zich niet over de ongerechtigheid, maar verblijdt zich met de waarheid;).

David begint ermee te zeggen dat God geen God is Die Zich verheugt over goddeloosheid (vers 55Want U bent geen God Die vreugde vindt in goddeloosheid,
de kwaaddoener zal bij U niet verblijven.
)
. Zonde geeft geen vreugde, maar verstoort elke vreugde en maakt die onmogelijk zolang de zonde niet wordt beleden en nagelaten.

“De kwaaddoener” kan de gedachte hebben dat hij heel godsdienstig is. Bij de kwaaddoener kunnen we aan Absalom denken, en aan hem van wie hij een beeld is, de antichrist. Hij kan zich aanmatigen dat hij er recht op heeft in Gods tegenwoordigheid te zijn. Maar daar is geen sprake van. Hij zal daar “niet verblijven”. God en het kwaad gaan niet samen. In de vraag “welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid?” (2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?) ligt het antwoord opgesloten.

In vers 66De dwazen blijven niet staande
voor Uw ogen.
U haat allen die onrecht bedrijven,
noemt David een hele categorie mensen die hij betitelt als “de dwazen”. Zij kunnen zich inbeelden verstandig en slim te zijn, maar in werkelijkheid zijn ze dwazen omdat ze geen rekening houden met God. Zij “blijven niet staande” voor Gods ogen. Ze hebben nergens steun of houvast als ze worden geoordeeld, maar vallen om. Het hele gezelschap dat de Heer Jezus gevangenneemt, wordt gedwongen voor Hem neer te vallen als Hij alleen maar Zijn naam “Ik ben” uitspreekt (Jh 18:66Toen Hij dan tot hen zei: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen op de grond.).

God ‘haat’, ‘brengt om’ heeft ‘een afschuw’ (verzen 6-76De dwazen blijven niet staande
voor Uw ogen.
U haat allen die onrecht bedrijven,
7U brengt de leugenaars om.
Van de man van bloed en bedrog
heeft de HEERE een afschuw.
)
van de boosdoeners. Hij “haat allen die onrecht bedrijven” (vgl. Hb 1:9a9U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie boven Uw metgezellen’.). God is liefde, jazeker. Maar nooit gaat Zijn liefde ten koste van Zijn gerechtigheid. Zijn liefde blijkt uit Zijn geduld en de gave van Zijn Zoon voor ieder die in Hem gelooft. Maar wie dat aanbod van genade afwijst, valt in handen van de levende God. En dat is vreselijk (Hb 10:3131Vreselijk is het te vallen in [de] handen van [de] levende God!). Hij haat niet alleen de zonde, maar ook de zondaars die volharden in het kwaad. De zondaars worden geoordeeld naar hun werken en vanwege hun werken worden zij in de poel van vuur geworpen (Op 20:12-1412En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.13En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.14En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur.).

Ook “de leugenaars” worden door God omgebracht. God is de God van de waarheid. Leugenaars staan niet met Hem in verbinding. Zij volgen de vader van de leugen, de duivel (Jh 8:44a44U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.). Bij “de man van bloed en bedrog” kunnen we in de eerste plaats weer aan Absalom denken. Hij is een volgeling van de duivel, die “een mensenmoordenaar van [het] begin af” is en “de leugen spreekt” (Jh 8:44b44U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.). Het is ook van toepassing op de man in wie de duivel zich ten volle openbaart, “de mens van de zonde … de zoon van het verderf”, dat is de antichrist (2Th 2:33Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,).

‘Bloed en bedrog’ zijn de twee hoofdkenmerken van de duivel en de antichrist. ‘Bloed’ wijst op geweld, moord. ‘Bedrog’ wijst op leugen, misleiding, begeerte. We vinden ze allebei als de zonde zijn intrede in de wereld doet. De eerste zonde is dat satan Eva door leugen en begeerte misleidt (Gn 3:1-71De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof?2En de vrouw zei tegen de slang: Van de vrucht van de bomen in de hof mogen wij eten,3maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: U mag daarvan niet eten en hem niet aanraken, anders sterft u.4Toen zei de slang tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven.5Maar God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en [dat] u als God zult zijn, goed en kwaad kennend.6En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook [wat] aan haar man, die bij haar was, en hij at [ervan].7Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten.). De tweede zonde is die van geweldenarij, de moord van Kaïn op Abel (Gn 4:88En Kaïn sprak met zijn broer Abel. En het gebeurde toen zij op het veld waren, dat Kaïn zijn broer Abel aanviel en hem doodde.). Alle zonden zijn tot één van deze twee kenmerken terug te voeren (vgl. Gn 6:1111Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol met geweld.).


Gemeenschap met God in Zijn huis

8Ik echter zal door Uw grote goedertierenheid
Uw huis binnengaan,
mij buigen naar Uw heilig paleis
in vreze voor U.

Terwijl de kwaaddoener, de dwazen, allen die onrecht bedrijven, de leugenaars en de man van bloed en geweld worden omgebracht (vers 77U brengt de leugenaars om.
Van de man van bloed en bedrog
heeft de HEERE een afschuw.
)
, spreekt David de zekerheid uit dat hij Gods huis zal binnengaan (vers 88Ik echter zal door Uw grote goedertierenheid
Uw huis binnengaan,
mij buigen naar Uw heilig paleis
in vreze voor U.
)
. Dat is dan nog de tabernakel. Zijn belagers willen hem uit de weg ruimen. Ze rekenen “echter” buiten God, Die hem weer in Zijn huis zal brengen. Hij is buiten Jeruzalem, maar hij zal weer in Gods huis zijn. Dat weet hij, omdat hij, ook al is hij buiten Jeruzalem, toch in het gebed in Gods tegenwoordigheid is.

Hij is zich tevens bewust dat het binnengaan in Gods huis uitsluitend berust op Gods “grote goedertierenheid” en niet op grond van iets voortreffelijks in hemzelf (vgl. 2Sm 15:2525Toen zei de koning tegen Zadok: Breng de ark van God terug in de stad. Als ik genade vind in de ogen van de HEERE, zal Hij mij terughalen en hem mij [weer] laten zien, evenals Zijn woning.). Het Hebreeuwse woord voor goedertierenheid, chesed, betekent de trouw van God aan Zijn verbond. Gods goedertierenheid voor ons is op grond van Zijn trouw aan het bloed van het nieuwe verbond, dat is het bloed van Christus.

Als David in Gods huis is, realiseert hij zich dat Gods huis een heilige plaats is. Ook beseft hij dat buigen in vrees voor God, dat wil zeggen met eerbied en ontzag, de enig gepaste houding tegenover Hem is.


Gebed om leiding

9HEERE, leid mij in Uw gerechtigheid,
omwille van mijn belagers;
maak Uw weg vóór mij recht.
10Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is,
hun binnenste is enkel verderf,
hun keel is een open graf,
met hun tong vleien zij.
11Verklaar hen schuldig, o God,
laat hen ten val komen met hun opvattingen;
verdrijf hen om hun vele overtredingen,
want zij zijn U ongehoorzaam.

David heeft zijn gebed om hulp gebeden en hij vertrouwt op de verhoring. Toch zijn de belagers die hem omringen nog in volle omvang en sterkte aanwezig. Om te weten hoe hij daarmee moet omgaan, vraagt hij in vers 99HEERE, leid mij in Uw gerechtigheid,
omwille van mijn belagers;
maak Uw weg vóór mij recht.
om de leiding van de HEERE. Dat doet hij op indrukwekkende wijze, op een manier die een voorbeeld voor ons is dat wij kunnen navolgen.

Eerst vraagt hij of de HEERE hem wil leiden in Zijn gerechtigheid. Daarmee vraagt hij om onderwijs in de inzettingen van God, om die te bewaren. Als hij die bewaart, zullen die inzettingen hem bewaren op de weg die God voor Hem heeft bepaald en waarop Hij hem recht zal verschaffen. Hij komt niet bij God met een zelfbedacht plan om daarover Zijn zegen te vragen. Hij wil alleen in de gerechtigheid, het recht, van God wandelen. Hij vraagt of God die weg vóór hem recht wil maken, zodat hij niet zal struikelen en geen kronkelwegen zal gaan of een zijweg zal inslaan.

Niet de opstelling en handelwijze van zijn belagers bepalen zijn tactiek, maar God en Zijn gerechtigheid. Hij vraagt dit “omwille van mijn belagers”. Als God hem in Zijn gerechtigheid leidt, zal dat een getuigenis voor zijn belagers zijn en niet toegeschreven worden aan zijn eigen slimme handelen. Ze zullen dan ook geen aanleiding krijgen om zich te verheugen over een vallen in de zonde.

Wat hij vraagt met het oog op zijn belagers, heeft vooral betrekking op wat ze zeggen (vers 1010Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is,
hun binnenste is enkel verderf,
hun keel is een open graf,
met hun tong vleien zij.
)
. David spreekt daar uitvoerig over. Hij wijst op “hun mond”, “hun keel” en “hun tong”. Zijn belagers hebben hem niet in hun macht, maar ze praten wel veel over hem. Het kwaad van de tong is vaak nog meer te vrezen dan gewelddadige handelingen. De lastercampagne draait op volle toeren.

In wat ze zeggen, “is niets wat betrouwbaar is”. In “hun binnenste”, hun hart, huist “enkel verderf”, daar zijn ze op uit, dat bedenken ze. Wat er uit “hun keel” komt, is dodelijk. “Een open graf” is een graf dat gereedgemaakt is om een dode in te leggen (vgl. Jr 5:1616Zijn pijlkoker is als een open graf,
het zijn allen helden.
)
. Deze beelden zijn alleen te herkennen door hen die met God in gemeenschap leven. Het zit allemaal verborgen in “hun tong”, hun ‘gladgemaakte tong’, waarmee ze argeloze luisteraars vleien om hen zo mee te sleuren naar het verderf van de dood.

Deze beschrijving van de goddelozen wordt door Paulus in de brief aan de Romeinen aangehaald. Wat David hier van hen zegt, is namelijk van toepassing op ieder mens. Het is een van de citaten waarmee Paulus duidelijk maakt dat geen mens rechtvaardig is (Rm 3:1313‘hun keel is een open graf; met hun tongen plegen zij bedrog’; ‘addergif is onder hun lippen’;).

David, en in hem het gelovig overblijfsel in de eindtijd, doet een beroep op God om zijn belagers schuldig te verklaren (vers 1111Verklaar hen schuldig, o God,
laat hen ten val komen met hun opvattingen;
verdrijf hen om hun vele overtredingen,
want zij zijn U ongehoorzaam.
)
. Op grond van de schuldigverklaring vraagt hij aan God of Hij hen “ten val” wil brengen “met hun opvattingen”. De bedoeling is dat ze door hun eigen opvattingen ten val komen. Hun opvattingen bewerken hun eigen val (vgl. Jb 18:77Zijn krachtige schreden worden belemmerd,
en zijn [eigen] raad werpt hem neer.
; Hs 11:66Het zwaard zal in zijn steden rondgaan,
het zal zijn grendels vernietigen en verslinden
vanwege hun opvattingen.
)
.

Hun opvattingen hebben hen tot “vele overtredingen” gebracht. Het denken van de mens voert hem tot niets anders dan het begaan van zonden. God moet hen daarvoor uit Zijn tegenwoordigheid verdrijven. Zo heeft Hij Adam en Eva uit het paradijs ‘verdreven’ vanwege hun overtreding van Zijn gebod (Gn 3:2424Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.).

David noemt de grond voor de veroordeling en de uitoefening van het oordeel: “Want zij zijn U ongehoorzaam.” Ze zijn opstandig en weerspannig. Hij vraagt niet om Gods veroordeling en oordeel omdat zij hem, David, zo smadelijk behandelen, maar omdat zij ten diepste Gods gezag niet erkennen. In Psalm 4 heeft hij geprobeerd de harten van het opstandige volk te bereiken (Ps 4:3-63Aanzienlijken, hoelang zult u mijn eer te schande maken?
[Hoelang] zult u het lege liefhebben, de leugen zoeken? /Sela/
4Weet toch: de HEERE heeft Zich een gunsteling afgezonderd;
de HEERE hoort als ik tot Hem roep.
5Wees ontzet, maar zondig niet;
spreek in uw hart wanneer u op uw slaapplaats ligt, en wees stil. /Sela/
6Breng offers van gerechtigheid
en vertrouw op de HEERE.
)
. Nu dit vergeefs blijkt te zijn blijft alleen het oordeel over. David oefent niet zelf de wraak over de opstandelingen uit, maar geeft die God in handen (vgl. Rm 12:1919Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: ‘Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt [de] Heer’.; 2Tm 4:1414Alexander de kopersmid heeft mij veel kwaad berokkend; de Heer zal hem vergelden naar zijn werken.).

De roep om wraak in vers 1111Verklaar hen schuldig, o God,
laat hen ten val komen met hun opvattingen;
verdrijf hen om hun vele overtredingen,
want zij zijn U ongehoorzaam.
is typerend voor de psalmen. Dit past bij Gods aardse volk. In de toekomst, als de gemeente is opgenomen, klinkt uit de mond van gelovigen de vraag aan God om wraak over de goddelozen te brengen (Op 6:1010En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?). Wel is het net als hier bij David dat ze aan God vragen of Hij het wil doen; ze vragen niet of ze zelf wraak mogen nemen. Ze vragen niet om wraak omdat ze wraakzuchtig zijn, maar omdat ze ernaar verlangen dat het recht zijn loop heeft.

Voor ons, leden van de nieuwtestamentische gemeente, is een vraag om wraak niet gepast. De Heer Jezus heeft tijdens Zijn leven op aarde ook geen wraak uitgeoefend. Hij heeft Zijn discipelen, als zij vuur van de hemel willen laten neerdalen, daarover bestraft en hun het werkelijke doel van Zijn komst op aarde voorgehouden (Lk 9:54-5654Toen nu Zijn discipelen Jakobus en Johannes dit zagen, zeiden zij: Heer, wilt U dat wij zeggen dat vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren <zoals ook Elia heeft gedaan>?55Hij echter keerde Zich om en bestrafte hen <en zei: U weet niet van welke geest u bent>.56<Want de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te verderven maar te behouden.> En zij gingen naar een ander dorp.). Hij laat ons zien dat wij voor onze vijanden zullen bidden (Lk 23:3434<Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.> En om Zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover.). Stéfanus heeft dat begrepen en bidt voor zijn moordenaars om vergeving (Hd 7:6060En terwijl hij neerknielde, riep hij met luider stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe. En toen hij dit gezegd had, ontsliep hij.).

Het gelovig overblijfsel van Israël, voor wie de zegeningen aards zijn, zal de aarde bezitten en alle zegeningen genieten die God Zijn aardse volk heeft beloofd. Om die zegen in vrede en rust te kunnen genieten is het noodzakelijk dat Zijn volk wordt verlost van de gewelddadige en bedrieglijke mensen. Dat zal gebeuren door het oordeel dat Christus over die vijanden brengt. De nieuwtestamentische gelovigen van de gemeente worden op een andere wijze van hun vijanden bevrijd: zij worden weggenomen van de aarde waar de gewelddadige mensen regeren en gaan naar de hemel.


Zegen voor wie de Naam liefhebben

12Maar laat verblijd zijn allen die tot U de toevlucht nemen,
laat hen voor eeuwig juichen
omdat U hen beschut;
laat in U van vreugde opspringen
wie Uw Naam liefhebben.
13U immers zegent de rechtvaardige, HEERE;
U omringt hem met goedgunstigheid als met een schild.

In vers 1212Maar laat verblijd zijn allen die tot U de toevlucht nemen,
laat hen voor eeuwig juichen
omdat U hen beschut;
laat in U van vreugde opspringen
wie Uw Naam liefhebben.
spreekt David als de koning van zijn volk tot God over “allen die tot U de toevlucht nemen”. Hij vraagt voor hen of God hen wil verblijden door de uitoefening van Zijn gerechtigheid in het verdelgen van de goddelozen. Het betreft hen die hem in zijn verwerping volgen en in zijn smaad delen. Zij die bij God bescherming zoeken, geven daarmee aan dat zij de “Naam” van de HEERE “liefhebben” (vgl. Sp 18:1010De Naam van de HEERE is een sterke toren,
een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.
)
. De “Naam” wijst op het verbond. De “Naam liefhebben” betekent dat zij bescherming zoeken op grond van het verbond.

Vertrouwen in God en Hem liefhebben horen bij elkaar. Liefde vertrouwt op bescherming. Wie de Naam liefheeft, heeft de Persoon lief vanwege Zijn eigenschappen, vanwege alles wat Hij is en doet. De Naam is alles waarin Hij Zich aan de mens openbaart, wat Hij in Zijn eigenschappen van Zichzelf aan de mens laat zien.

David vraagt aan God om hen die Hem vertrouwen en liefhebben en daarom bij Hem bescherming zoeken, te laten delen in een uitbundige vreugde. Hij spreekt over “verblijd zijn”, “voor eeuwig juichen” en “van vreugde opspringen”. Dit is een enorme tegenstelling met het oordeel dat hij in vers 1111Verklaar hen schuldig, o God,
laat hen ten val komen met hun opvattingen;
verdrijf hen om hun vele overtredingen,
want zij zijn U ongehoorzaam.
voor de ongehoorzamen heeft gevraagd.

Wat David voor zijn trouwe volgelingen vraagt, vraagt hij op grond van wat hij van God weet. Dit blijkt uit het woord “immers” (vers 1313U immers zegent de rechtvaardige, HEERE;
U omringt hem met goedgunstigheid als met een schild.
)
. Hij zegt daarmee dat God ontegenzeglijk zo is. Hij zegent “immers … de rechtvaardige”. God heeft groot welgevallen in ieder die als een rechtvaardige leeft.

Die rechtvaardige kan wel door vijanden omsingeld zijn, maar die kunnen hem niets doen, want God omringt de rechtvaardige “met goedgunstigheid als met een schild”. Wie de rechtvaardige kwaad wil doen, zal door dat schild heen moeten dringen. Elke poging daartoe is zinloos en tot mislukken gedoemd, want het is het schild van God.


Lees verder