Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-4 God is een toevlucht, kracht en hulp 5-8 God is een veilige vesting 9-12 God doet oorlogen ophouden
Inleiding

Nadat in de vorige psalm de Messias is verschenen, horen we dat de klacht van het overblijfsel in deze psalm is veranderd in een loflied. God is hun toevlucht. De stem van de vijand, die eerst nog smalend heeft gezegd ‘waar is uw God?, is tot zwijgen gebracht. De vrede stroomt als een rivier, zonder kans op verstoring ervan, want de wapens zijn onbruikbaar gemaakt.

Er wordt aangenomen dat de historische achtergrond voor het dichten van deze psalm de wonderlijke bevrijding van Jeruzalem is na de belegering door de Assyriërs (2Koningen 18-19; Jesaja 36-37).


Opschrift

1Een lied op Alamoth, voor de koorleider, van de zonen van Korach.

De psalm is “een lied op Alamoth”. In 1 Kronieken 15 komt in het gedeelte over de zangers het woord “alamoth” ook voor. Er is daar sprake van twee soorten toonhoogten (1Kr 15:20-2120en Zacharja, Aziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja met hooggestemde luiten;21en Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom, Jeïel en Azazja met laaggestemde harpen, om te begeleiden.). Het woord dat daar is vertaald met ‘hooggestemde’ (1Kr 15:2020en Zacharja, Aziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja met hooggestemde luiten;) is letterlijk “op Alamoth”, de uitdrukking die ook in het opschrift van deze psalm staat. Het woord is verwant aan het woord ‘maagden’. Vandaar de gedachte dat de toonhoogte die van de sopraan is of, zoals het in 1 Kronieken is vertaald, dat die toon “hooggestemd” is.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. Voor “van de zonen van Korach” zie bij Psalm 42:1.


God is een toevlucht, kracht en hulp

2God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
3Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van [plaats]
en werden de bergen verzet naar het hart van de zeeën.
4Laat haar water bruisen, laat het schuimen,
laat de bergen beven door haar onstuimigheid. /Sela/

Dat God een toevlucht is, wil zeggen dat Hij Zelf een plaats van bescherming voor de Zijnen tegen gevaar is (vers 22God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
)
. Ze mogen naar Hem toe vluchten en zich bij Hem verbergen. Hij neemt hun verdediging op Zich, want behalve bescherming is Hij ook hun kracht tegen de vijand. Op deze wijze heeft God al vaak Zijn hulp getoond in de benauwdheden waarin de Zijnen terecht zijn gekomen.

Hulp wil zeggen steun, bijstand. Benauwdheden is alles wat ons kan overkomen en wat ons bezorgd of verdrietig maakt. Hij is “in hoge mate” die hulp gebleken te zijn of heeft telkens weer nadrukkelijk bewezen die hulp in elke nood te zijn. Het betekent ook dat Hij een gemakkelijk te vinden Hulp is, een Hulp Die Zich gemakkelijk laat vinden (vgl. 2Kr 15:44Maar wanneer zij zich in hun benauwdheid tot de HEERE, de God van Israël, bekeerden en Hem zochten, werd Hij door hen gevonden.). Daardoor kunnen we met vertrouwen naar Hem toe gaan voor elke nieuwe situatie waarin we Zijn hulp nodig hebben. Hij is altijd en gemakkelijk bereikbaar en helpt altijd op de juiste tijd en op de juiste wijze (vgl. Hb 4:1616Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.).

Als het geloof eraan vasthoudt dat God een toevlucht, kracht en hulp is, zal dat alle vrees uit het hart verbannen (vers 33Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van [plaats]
en werden de bergen verzet naar het hart van de zeeën.
)
. De psalmist spreekt over een verandering die alles op zijn kop zet, over chaos in de kosmos. Wat kan een mens daar bang van worden (Lk 21:25-2625En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder [de] volken, in radeloosheid door [het] bruisen van zee en watergolven,26terwijl mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen; want de krachten van de hemelen zullen wankelen.). Als de aarde van plaats verandert, zijn we alle oriëntatie kwijt. En stel dat de bergen verzet worden naar het hart van de zeeën. Het betekent dat er een einde komt aan alle stabiliteit op aarde. Maar wie God als toevlucht heeft, blijft zijn oriëntatie en stabiliteit houden.

Het water van de zeeën kan bruisen en schuimen en daardoor angst inboezemen (vers 44Laat haar water bruisen, laat het schuimen,
laat de bergen beven door haar onstuimigheid. /Sela/
)
. De bergen kunnen beven door de onstuimigheid van het water. Maar de gelovige is niet bang, want Hij is bij God in een veilige vesting. We kunnen bij het water van de zeeën denken aan vijandige volken en bij de bergen aan politieke machtssystemen. Ze kunnen zo tekeergaan, dat alle oriëntering en stabiliteit uit de samenleving verdwijnt.

Hizkia heeft dat in zijn dagen gezien toen het land overspoeld werd door de legers van Assyrië. Wij zien het vandaag gebeuren in de opmars van het individualisme dat alle door God gegeven instellingen, zoals huwelijk en gezin, van hun unieke bedoeling ontdoet. Toch zal de gelovige zich door al die ontwikkelingen en dreigingen niet uit het lood laten slaan, want hij heeft in God zijn bescherming.


God is een veilige vesting

5De beekjes van de rivier verblijden de stad van God,
het heiligdom, de woningen van de Allerhoogste.
6God is in haar midden, zij zal niet wankelen;
God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.
7De heidenvolken tierden, de koninkrijken wankelden;
Hij liet Zijn stem klinken: de aarde smolt weg.
8De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/

Tegenover het woeste tekeergaan van de zeeën staan de rustig stromende “beekjes van de rivier” in “de stad van God” (vers 55De beekjes van de rivier verblijden de stad van God,
het heiligdom, de woningen van de Allerhoogste.
)
. De woeste wateren zijn daar als het ware bedaard door Hem Die daar woont (vgl. Lk 8:22-2522Het gebeurde nu op een van die dagen, dat Hij aan boord van een schip ging, Hij en Zijn discipelen, en Hij zei tot hen: Laten wij oversteken naar de overkant van het meer. En zij staken van wal.23Terwijl zij nu voeren, viel Hij in slaap. En er sloeg een stormwind neer op het meer, en zij liepen vol en verkeerden in nood.24Zij nu gingen naar Hem toe, wekten Hem en zeiden: Meester, Meester, wij vergaan! Hij echter stond op en bestrafte de wind en de golfslag van het water, en zij hielden op en er ontstond een stilte.25Hij nu zei tot hen: Waar is uw geloof? Zij echter vreesden en verwonderden zich en zeiden tot elkaar: Wie is toch Deze, dat Hij zelfs de winden en het water gebiedt en zij Hem gehoorzamen?). De stad van God, Jeruzalem, lijkt daardoor op een tweede paradijs (vgl. Gn 2:10-1410Een rivier kwam voort uit Eden om de hof te bevochtigen. En vandaar splitste hij zich en vormde vier hoofd[stromen].11De naam van de eerste [rivier] is Pison; die is het die rond heel het land van Havila stroomt, waar het goud is.12En het goud van dit land is goed; [ook] is er balsemhars en de [edel]steen onyx.13En de naam van de tweede rivier is Gihon; die is het die rond heel het land Cusj stroomt.14En de naam van de derde rivier is Tigris; die loopt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat.; Js 51:33Want de HEERE zal Sion troosten,
Hij zal al haar puinhopen troosten.
Hij zal haar woestijn maken als Eden,
haar wildernis als de hof van de HEERE.
Vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden,
dank[zegging] en luid psalmgezang.
; Ez 36:3535Zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is als de hof van Eden geworden. De steden die verwoest lagen, verwoest en afgebroken, zijn versterkt [en] bewoond.)
. De rivier herinnert aan de rivier die uitgaat van de troon van God in het hemelse Jeruzalem (Op 22:11En hij toonde mij een rivier van levenswater, blinkend als kristal, die uitging vanuit de troon van God en van het Lam.; vgl. Ez 47:1-121Daarna bracht Hij mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er stroomde water uit, van onder de drempel van het huis naar het oosten, want de voorkant van het huis lag naar het oosten. Het water stroomde naar beneden van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar.2Vervolgens bracht Hij mij naar buiten via de noorderpoort en leidde mij buitenom rond naar de buitenpoort, in de richting die naar het oosten gekeerd is. En zie, uit de rechterzijde borrelde water.3Toen de Man [naar] het oosten naar buiten ging, was er een meetlint in Zijn hand. Hij mat duizend el en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de enkels.4Hij mat [weer] duizend [el] en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de knieën. Toen mat Hij er [weer] duizend en liet mij erdoor gaan: het water kwam tot de heupen.5[Nog eens] mat Hij duizend [el]: het was een beek waar ik niet door kon gaan, want het water was [heel] hoog – water waar men [alleen] zwemmend [door kon], een beek waar men [anders] niet door kon gaan.6Hij zei tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen leidde Hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek.7Toen ik teruggekeerd was, zie, bij de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan deze kant en aan de andere kant.8Hij zei tegen mij: Dit water stroomt weg naar het oostelijke gebied en stroomt in de Vlakte naar beneden en komt in de zee. In de zee uitgestort, wordt het water gezond.9Het zal gebeuren [dat] alle levende wezens die er wemelen, overal waar een van beide beken naartoe komt, zullen leven. Daar zal zeer veel vis zijn, omdat dit water daarheen komt, en alles waarheen deze beek komt, zal gezond worden en leven.10Verder zal het gebeuren dat er vissers langs zullen staan vanaf Engedi tot En-Eglaïm. Er zullen droogplaatsen voor sleepnetten zijn. Hun vis zal van elke soort zijn, zeer talrijk, zoals de vis in de Grote Zee.11Maar de moerassen ervan en de poelen ervan zullen niet gezond worden: ze zijn aan het zout prijsgegeven.12En langs de beek, langs de oever ervan, zullen aan deze kant en aan de andere kant allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan het blad niet zal verwelken en waarvan de vrucht niet zal opraken. Elke maand zullen ze nieuwe vruchten voortbrengen, want het water ervoor stroomt uit het heiligdom. De vrucht ervan zal tot voedsel dienen en het blad ervan tot genezing.; Jl 3:1818Op die dag zal het gebeuren
dat de bergen van jonge wijn zullen druipen,
de heuvels van melk zullen stromen,
en alle waterstromen van Juda
zullen overlopen van water.
Een bron zal uit het huis van de HEERE ontspringen,
die het dal van Sittim zal bevochtigen.
; Zc 14:88Op die dag zal het geschieden
dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen,
de [ene] helft ervan naar de zee in het oosten
en de [andere] helft ervan naar de zee in het westen:
's zomers en 's winters zal het plaatsvinden.
)
.

Het is geen letterlijke rivier, maar het is de vrede (vgl. Js 48:1818Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden!
Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier
en uw gerechtigheid als de golven van de zee.
)
, waardoor een verkwikkende blijdschap in de stad van God heerst. Het is de stad van God omdat Zijn “heiligdom” daar is, dat zijn “de woningen van de Allerhoogste”. Bij ‘woningen’ (meervoud) kunnen we denken aan het heilige en het heilige der heiligen. De naam ‘Allerhoogste’ is de Naam van God in verbinding met het vrederijk (vgl. Gn 14:18-2418En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
20En geloofd zij God, de Allerhoogste,
Die overgeleverd heeft
uw tegenstanders in uw hand!
En [Abram] gaf hem van alles een tiende deel.
21De koning van Sodom zei tegen Abram: Geef mij de mensen, maar houd de bezittingen voor uzelf.22Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: Ik zweer bij de HEERE, God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit,23dat ik niets, van draad tot schoenriem toe, ja, niets van alles wat van u is, zal nemen, zodat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.24Verre daarvan! Alleen wat de knechten gegeten hebben, en het deel van de mannen die met mij meegegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre; laten die hun deel nemen!
)
.

Het is voor de zonen van Korach een bijzondere bemoediging te weten dat God “in haar midden is” (vers 66God is in haar midden, zij zal niet wankelen;
God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.
; vgl. Js 12:66Juich en zing vrolijk, inwoonster van Sion,
want groot in uw midden is de Heilige van Israël.
; Zf 3:1717De HEERE, uw God, is in uw midden,
een Held, [Die] verlossen zal.
Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.
Hij zal zwijgen in Zijn liefde.
Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.
)
. Dat maakt de stad ook tot de stad van God. Hier wordt de dorst van de ziel van de Godvrezende naar God, naar de levende God, gelest (Ps 42:2-32Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
)
.

De plaatselijke gemeente die rondom de Heer Jezus samenkomt, kan ook zeggen dat Hij in haar midden is. Alleen door Zijn aanwezigheid is een plaatselijke gemeente een woonplaats van God (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). De Korachieten zijn door hun vlucht uit Israël wel verstoken van het heiligdom, maar niet van de God van het heiligdom. Door hun zicht op de Messias in de vorige psalm is het alsof ze het gemis van de tempel vergoed zien in het zien van Hem Die daar woont.

Omdat God in haar midden is, zal zij “niet wankelen”. “God haar zal helpen” in de strijd tegen overmachtige vijanden. Dit gebeurt “bij het aanbreken van de morgen” (vgl. Ex 14:2424Maar het gebeurde bij het aanbreken van de dag, dat de HEERE in de vuur- en wolkkolom neerzag op het leger van de Egyptenaren, en Hij bracht het leger van de Egyptenaren in verwarring.; Js 37:3636Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.). Zijn hulp bestaat uit het oordelen van de vijanden van Zijn volk, waarna “de morgen zonder wolken” (2Sm 23:44Hij is als het licht van de morgen,
[wanneer] de zon opgaat,
een morgen zonder wolken;
[als] de glans na de regen,
[die] groen [laat opkomen] uit de aarde.
)
, dat wil zeggen het vrederijk aanbreekt. Dan gaat “de Zon der gerechtigheid”, dat is de Heer Jezus, op (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
.

Commentaar over verzen 7-87De heidenvolken tierden, de koninkrijken wankelden;
Hij liet Zijn stem klinken: de aarde smolt weg.
8De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
ontbreekt.


God doet oorlogen ophouden

9Kom, zie de daden van de HEERE,
Die verwoestingen op de aarde aanricht;
10Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde,
de boog breekt en de speer in stukken slaat,
de wagens met vuur verbrandt.
11Geef het op en weet dat Ik God ben;
Ik zal geroemd worden onder de heidenvolken,
Ik zal geroemd worden op de aarde.
12De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/

De psalmist roept op om te komen en “de daden van de HEERE” te zien (vers 99Kom, zie de daden van de HEERE,
Die verwoestingen op de aarde aanricht;
)
. Het gaat om het overzien van het slagveld. Daar liggen de verslagen vijanden als het resultaat van Zijn daden (vgl. Js 37:3636Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.). Hij heeft tijdens de grote verdrukking “verwoestingen op de aarde“ aangericht, waarvan de resultaten zichtbaar zullen zijn (Js 66:23-2423En het zal geschieden dat van nieuwe maan tot nieuwe maan
en van sabbat tot sabbat
alle vlees zal komen
om zich neer te buigen voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.
24En zij zullen [de stad] uit gaan en zien
de dode lichamen van de mannen die tegen Mij in opstand zijn gekomen;
want hun worm zal niet sterven
en hun vuur zal niet uitgeblust worden,
en zij zullen voor alle vlees een afgrijzen zijn.
)
. Als het zover is, is de tijd van de oordelen voorbij.

Met het aanrichten van Zijn verwoestingen heeft de HEERE de oorlogen doen ophouden “tot aan het einde der aarde” (vers 1010Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde,
de boog breekt en de speer in stukken slaat,
de wagens met vuur verbrandt.
; Js 2:44Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
; Mi 4:33Hij zal oordelen tussen vele volken
en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
; Zc 9:1010Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen,
en de paarden uit Jeruzalem.
De strijdboog zal weggenomen worden.
Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.
Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot aan de einden der aarde.
)
. De Vredevorst zit op de troon in Jeruzalem. De tijd van de vrede is gekomen. Wat vergaderingen en conferenties van welke machtige regeerders ook nooit hebben kunnen bewerken, heeft Hij tot stand gebracht: wereldvrede.

Hij heeft ook voor een totale ontwapening gezorgd, iets wat regeringen steeds hebben getracht te bewerken. Het is nooit gelukt omdat het steeds is gebeurd op basis van het misplaatste vertrouwen in de mens. Door de Heer Jezus zijn alle militaire middelen gebroken of stukgeslagen. Strijdwagens zijn “met vuur verbrand” en daardoor voorgoed onbruikbaar geworden. Ze zijn ook niet meer nodig.

Aan dit perspectief verbindt God de boodschap voor de mens om op te houden met zijn inspanningen om zelf dingen te regelen (vers 1111Geef het op en weet dat Ik God ben;
Ik zal geroemd worden onder de heidenvolken,
Ik zal geroemd worden op de aarde.
)
. De mens moet het opgeven in het besef dat hij slechts een mens is en dat God God is. De mens moet ophouden in zijn hoogmoed te denken dat hij ook maar iets kan bijdragen aan wereldvrede, laat staan dat hij die kan bewerken. Elke poging van de mens daartoe is een loochening van het bestaan en het bestuur van God. God is de Enige Die geroemd zal worden onder de heidenvolken en op de aarde.

Wat de gelovigen ook mag overkomen, welke tegenstand zij ook mogen ervaren, zij kunnen vol vertrouwen zeggen dat “de HEERE van de legermachten” met hen is (vers 1212De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
)
. De Aanvoerder van alle aardse en hemelse legermachten, de goede en de kwade, is met hen. Waarom en waarvoor zullen ze dan nog vrezen?

Daarbij mogen ze weten dat “de God van Jakob” voor hen “een veilige vesting” is. De naam ‘Jakob’ ziet op het volk in zijn zwakheid. Maar als God hun veilige vesting is, betekent dit dat ze onaantastbaar zijn, want wie kan Hem iets doen?


Lees verder