Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-4 God is een toevlucht, kracht en hulp 5-8 God is een veilige vesting 9-12 God doet oorlogen ophouden
Inleiding

Nadat in de vorige psalm de Messias is verschenen, verandert in deze psalm en de volgende twee psalmen de klacht van het overblijfsel in een loflied. God is hun toevlucht. De stem van de vijand, die eerst nog smalend heeft gezegd ‘waar is uw God?, is tot zwijgen gebracht. De vrede stroomt als een rivier, zonder kans op verstoring ervan, want de wapens zijn onbruikbaar gemaakt.

We zien de vijand in deze psalm in drie gedaanten:
1. Het natuurgeweld (verzen 1-41Een lied op Alamoth, voor de koorleider, van de zonen van Korach.2God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
3Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van [plaats]
en werden de bergen verzet naar het hart van de zeeën.
4Laat haar water bruisen, laat het schuimen,
laat de bergen beven door haar onstuimigheid. /Sela/
)
.
2. Het politieke geweld (verzen 5-85De beekjes van de rivier verblijden de stad van God
het heiligdom, de woningen van de Allerhoogste.
6God is in haar midden, zij zal niet wankelen;
God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.
7De heidenvolken tierden, de koninkrijken wankelden;
Hij liet Zijn stem klinken: de aarde smolt weg.
8De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
)
.
3. Het oorlogsgeweld (verzen 9-129Kom, zie de daden van de HEERE,
Die verwoestingen op de aarde aanricht;
10Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde,
de boog breekt en de speer in stukken slaat,
de wagens met vuur verbrandt.
11Geef het op en weet dat Ik God ben;
Ik zal geroemd worden onder de heidenvolken,
Ik zal geroemd worden op de aarde.
12De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
)
.
Hierin hebben we tegelijk een indeling van de psalm. De driedeling wordt gesteund door een drievoudig ‘sela’ (verzen 4,8,124Laat haar water bruisen, laat het schuimen,
laat de bergen beven door haar onstuimigheid. /Sela/8De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/12De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
)
en een (niet volledige) refrein (vers 88De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
en vers 1212De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
)
.

De reformator Luther heeft op basis van deze psalm het lied Een vaste burcht is onze God gedicht. Daardoor is de psalm bekend en populair geworden. Deze psalm is voor Israël zelf, wat blijkt uit de uitdrukking “voor ons” in vers 22God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
, vers 88De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
en vers 1212De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
. “God … met (of voor) ons” (vers 1212De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
)
is de Naam van Christus voor de Zijnen: Immanuel, dat betekent “God met ons”.


Opschrift

1Een lied op Alamoth, voor de koorleider, van de zonen van Korach.

De psalm is “een lied op Alamoth”. Het woord almah, het enkelvoud van “alamoth”, wordt in Jesaja 7 voor ‘maagd’ gebruikt: “Zie, de maagd zal zwanger worden” (Js 7:1414Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.). De gedachte is gelijk aan het lied naar aanleiding van de verlossing uit Egypte. Mirjam looft met alle vrouwen – een vrouwelijk zangkoor dus (Ex 15:2020Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.) – de HEERE vanwege de verlossing. Dat doen de zonen van Korach hier ook. Zij bezingen de verlossing.

In 1 Kronieken 15 komt in het gedeelte over de zangers het woord “Alamoth” ook voor. Er is daar sprake van twee soorten toonhoogten (1Kr 15:20-2120en Zacharja, Aziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja met hooggestemde luiten;21en Mattithja, Elifele, Mikneja, Obed-Edom, Jeïel en Azazja met laaggestemde harpen, om te begeleiden.). Het woord dat daar is vertaald met ‘hooggestemde’ (1Kr 15:2020en Zacharja, Aziël, Semiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja met hooggestemde luiten;), is letterlijk “op Alamoth”, de uitdrukking die ook in het opschrift van deze psalm staat.

Zoals hierboven is aangegeven, is dit woord verwant aan het woord ‘maagden’. Vandaar de gedachte dat de toonhoogte die van de sopraan is, of, zoals het in 1 Kronieken 15 is vertaald, dat die toon “hooggestemd” is. We kunnen ook zeggen dat dit lied is geschreven om door meisjes (sopraan) gezongen te worden.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.

Voor “van de zonen van Korach” zie bij Psalm 42:1.


God is een toevlucht, kracht en hulp

2God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
3Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van [plaats]
en werden de bergen verzet naar het hart van de zeeën.
4Laat haar water bruisen, laat het schuimen,
laat de bergen beven door haar onstuimigheid. /Sela/

Dat God een toevlucht is, wil zeggen dat Hij Zelf een plaats van bescherming voor de Zijnen tegen gevaar is (vers 22God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
)
. Dit wijst op Zijn aanwezigheid bij hen. Hij is Immanuel, God met ons. Ze mogen naar Hem vluchten en zich bij Hem verbergen. Hij neemt hun verdediging op Zich, want behalve bescherming is Hij ook hun kracht tegen de vijand. Op deze wijze heeft God al vaak Zijn hulp getoond in de benauwdheden waarin de Zijnen terecht zijn gekomen.

God is een “toevlucht en kracht” en “een hulp” (of steun, bijstand) voor de Zijnen. Deze gedachte wordt versterkt in vers 88De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
en vers 1212De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
door de uitdrukking “vesting”. Deze geduchte God is “de HEERE van de legermachten”, de krijgsnaam van God, waarmee Hij in dezelfde verzen wordt genoemd.

Benauwdheden is alles wat ons kan overkomen en wat ons bezorgd of verdrietig maakt. Hij is “in hoge mate” die hulp in elke nood gebleken te zijn, waardoor we op Hem kunnen vertrouwen voor elke nieuwe situatie waarin we Zijn hulp nodig hebben. Hij is altijd bereikbaar en helpt altijd op de juiste tijd en de juiste wijze (vgl. Hb 4:1616Laten wij dus met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden tot hulp op de juiste tijd.).

Als het geloof eraan vasthoudt dat God een toevlucht, kracht en hulp is, zal dat alle vrees uit het hart verbannen (vers 33Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van [plaats]
en werden de bergen verzet naar het hart van de zeeën.
)
. De psalmist spreekt in de verzen 1-41Een lied op Alamoth, voor de koorleider, van de zonen van Korach.2God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
3Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van [plaats]
en werden de bergen verzet naar het hart van de zeeën.
4Laat haar water bruisen, laat het schuimen,
laat de bergen beven door haar onstuimigheid. /Sela/
over de komst van God om te oordelen. Wanneer God verschijnt, gaat dat met indrukwekkende natuurverschijnselen gepaard, zoals met aardbeving en storm (vgl. Ps 18:8-208Toen daverde en beefde de aarde,
de fundamenten van de bergen sidderden en daverden,
omdat Hij [in toorn] ontstoken was.
9Rook steeg op uit Zijn neus
en vuur uit Zijn mond verteerde.
Kolen werden daardoor aangestoken.
10Hij boog de hemel en daalde neer,
een donkere [wolk] was onder Zijn voeten.
11Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij zweefde snel op de vleugels van de wind.
12Hij maakte duisternis tot Zijn schuilplaats,
om Hem heen was Zijn tent: duistere wateren, donkere wolken.
13Door de lichtglans, die vóór Hem was, dreven Zijn wolken weg.
Hagel en vurige kolen!
14De HEERE deed het in de hemel donderen,
de Allerhoogste liet Zijn stem klinken: hagel en vurige kolen.
15Hij schoot Zijn pijlen af en verspreidde hen,
Hij slingerde de bliksemflitsen en bracht hen in verwarring.
16De waterstromen werden zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door Uw bestraffing, HEERE,
door het blazen van de adem uit Uw neus.17Hij stak [Zijn hand] uit van omhoog, Hij greep mij,
Hij trok mij op uit grote wateren.
18Hij redde mij van mijn sterke vijand
en van wie mij haatten, omdat zij machtiger waren dan ik.
19Zij hadden mij bedreigd op de dag van mijn ondergang,
maar de HEERE was mij tot steun.
20Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.
; Ex 19:16-1816En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde.17Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet. Zij stonden onder aan de berg.18De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.; Js 64:1-31Och, dat U de hemel zou openscheuren, dat U zou neerdalen,
dat de bergen voor Uw aangezicht zouden wegsmelten,
2zoals vuur kreupelhout aansteekt,
[en] vuur het water laat opborrelen,
om Uw Naam aan Uw tegenstanders bekend te maken!
Laat [zo] de heidenvolken voor Uw aangezicht sidderen.
3Toen U ontzagwekkende dingen deed, [die] wij niet verwachtten,
daalde U neer; voor Uw aangezicht smolten de bergen weg.
)
.

Wat kan een mens bang worden van natuurgeweld (Lk 21:25-2625En er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder [de] volken, in radeloosheid door [het] bruisen van zee en watergolven,26terwijl mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen; want de krachten van de hemelen zullen wankelen.). Als de aarde van plaats zou veranderen, zijn we alle oriëntatie kwijt. En stel dat de bergen verzet werden naar het hart van de zeeën. Het betekent dat er een einde komt aan alle stabiliteit op aarde. Maar wie God als toevlucht heeft, blijft zijn oriëntatie en stabiliteit houden.

Het water van de zeeën kan bruisen en schuimen en daardoor angst inboezemen (vers 44Laat haar water bruisen, laat het schuimen,
laat de bergen beven door haar onstuimigheid. /Sela/
)
. De bergen kunnen beven door de onstuimigheid van het water. Maar de gelovige is niet bang, want Hij is bij God in een veilige vesting. We kunnen bij het water van de zeeën denken aan vijandige volken en bij de bergen aan politieke machtssystemen. Ze kunnen zo tekeergaan, dat alle oriëntering en stabiliteit uit de samenleving verdwijnt.

Hizkia heeft dat in zijn dagen gezien toen het land werd overspoeld door de legers van Assyrië. Assyrië is de tuchtroede van God voor Zijn volk (Js 10:5a5Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
)
. Ook wij hebben als Zijn volk met de tuchtroede van God te maken. We zijn als geheel afgeweken en Hij wil door Zijn tucht ons terugbrengen op Zijn weg. De vraag is of wij Zijn tucht herkennen en wat onze reactie daarop is (vgl. Am 4:6-126Daarom heb Ík u ook
schone tanden gegeven in al uw steden,
gebrek aan brood in al uw woonplaatsen.
Toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd,
spreekt de HEERE.7En Ík heb zelfs de regen u onthouden,
nog wel drie maanden voor de oogsttijd.
Ik heb het laten regenen op de ene stad,
maar op de andere stad liet Ik het niet regenen.
Het ene stuk [land] werd beregend,
maar het stuk waarop geen regen viel, verdorde.8Twee, drie steden wankelden
naar een andere stad om water te drinken,
maar zij werden niet verzadigd.
Toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd,
spreekt de HEERE.9Ik heb u geslagen met korenbrand en met meeldauw.
De sprinkhanen vraten uw talrijke tuinen, wijngaarden,
vijgenbomen en olijfbomen op.
Toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd,
spreekt de HEERE.10Ik heb de pest naar u toegestuurd, zoals Ik eens bij Egypte deed.
Ik heb uw jongemannen met het zwaard gedood, terwijl uw paarden werden buitgemaakt.
Ik heb de stank van uw legerkampen in uw neus doen opstijgen.
Toch hebt u zich niet tot Mij bekeerd,
spreekt de HEERE.11Ik heb u ondersteboven gekeerd,
zoals God Sodom en Gomorra ondersteboven keerde;
u werd als een stuk brandhout dat aan de vlammen ontrukt is,
maar u hebt zich niet tot Mij bekeerd,
spreekt de HEERE.12Daarom zal Ik zó met u handelen, Israël,
dat Ik u dit zal aandoen.
Maak u gereed om uw God te ontmoeten, Israël!
)
.


God is een veilige vesting

5De beekjes van de rivier verblijden de stad van God
het heiligdom, de woningen van de Allerhoogste.
6God is in haar midden, zij zal niet wankelen;
God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.
7De heidenvolken tierden, de koninkrijken wankelden;
Hij liet Zijn stem klinken: de aarde smolt weg.
8De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/

De oordelen van God zijn als een machtige overstroming geweest (vgl. Js 8:7-87daarom, zie, doet de Heere over hen opkomen
de machtige, geweldige wateren van de rivier [de Eufraat],
[namelijk] de koning van Assyrië met al zijn luister.
Deze zal buiten al zijn stroom[beddingen] treden,
en over al zijn oevers heenstromen.
8Hij dringt door tot in Juda, overspoelt het, trekt [er] doorheen,
hij reikt tot aan de hals,
en zijn uitgebreide vleugels
zullen de volle breedte van Uw land innemen, Immanuel!
)
. Nu is er rust gekomen. Dat wordt in vers 55De beekjes van de rivier verblijden de stad van God
het heiligdom, de woningen van de Allerhoogste.
uitgebeeld. Tegenover het woeste tekeergaan van de zeeën staan de rustig stromende “beekjes van de rivier” in “de stad van God”. “Beekjes” is letterlijk ‘vertakkingen’, dat wil zeggen kanaaltjes en beekjes die zijtakken vormen van de grote rivier.

“De stad van God” een van de titels van Jeruzalem (Ps 48:22De HEERE is groot en zeer te prijzen,
in de stad van onze God, [op] Zijn heilige berg.
; 87:33[Zeer] heerlijke dingen worden over u gesproken,
stad van God! /Sela/
)
. ‘Stad Gods’ is in het Hebreeuws een overtreffende trap. Ninevé wordt in Jona 3 letterlijk een grote stad Gods genoemd, wat door HSV vertaald is met “een geweldig grote stad” (Jn 3:33Toen stond Jona op en ging naar Ninevé, overeenkomstig het woord van de HEERE. Ninevé was een geweldig grote stad, van drie dagreizen [doorsnee].).

De woeste wateren zijn “in de stad van God” als het ware tot bedaren gebracht door Hem Die daar woont (vgl. Lk 8:22-2522Het gebeurde nu op een van die dagen, dat Hij aan boord van een schip ging, Hij en Zijn discipelen, en Hij zei tot hen: Laten wij oversteken naar de overkant van het meer. En zij staken van wal.23Terwijl zij nu voeren, viel Hij in slaap. En er sloeg een stormwind neer op het meer, en zij liepen vol en verkeerden in nood.24Zij nu gingen naar Hem toe, wekten Hem en zeiden: Meester, Meester, wij vergaan! Hij echter stond op en bestrafte de wind en de golfslag van het water, en zij hielden op en er ontstond een stilte.25Hij nu zei tot hen: Waar is uw geloof? Zij echter vreesden en verwonderden zich en zeiden tot elkaar: Wie is toch Deze, dat Hij zelfs de winden en het water gebiedt en zij Hem gehoorzamen?). Jeruzalem lijkt daardoor op een tweede paradijs (vgl. Gn 2:10-1410Een rivier kwam voort uit Eden om de hof te bevochtigen. En vandaar splitste hij zich en vormde vier hoofd[stromen].11De naam van de eerste [rivier] is Pison; die is het die rond heel het land van Havila stroomt, waar het goud is.12En het goud van dit land is goed; [ook] is er balsemhars en de [edel]steen onyx.13En de naam van de tweede rivier is Gihon; die is het die rond heel het land Cusj stroomt.14En de naam van de derde rivier is Tigris; die loopt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat.; Js 51:33Want de HEERE zal Sion troosten,
Hij zal al haar puinhopen troosten.
Hij zal haar woestijn maken als Eden,
haar wildernis als de hof van de HEERE.
Vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden,
dank[zegging] en luid psalmgezang.
; Ez 36:3535Zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is als de hof van Eden geworden. De steden die verwoest lagen, verwoest en afgebroken, zijn versterkt [en] bewoond.)
. De rivier herinnert aan de rivier die uitgaat van de troon van God in het hemelse Jeruzalem (Op 22:11En hij toonde mij een rivier van levenswater, blinkend als kristal, die uitging vanuit de troon van God en van het Lam.; vgl. Ez 47:1-121Daarna bracht Hij mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er stroomde water uit, van onder de drempel van het huis naar het oosten, want de voorkant van het huis lag naar het oosten. Het water stroomde naar beneden van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar.2Vervolgens bracht Hij mij naar buiten via de noorderpoort en leidde mij buitenom rond naar de buitenpoort, in de richting die naar het oosten gekeerd is. En zie, uit de rechterzijde borrelde water.3Toen de Man [naar] het oosten naar buiten ging, was er een meetlint in Zijn hand. Hij mat duizend el en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de enkels.4Hij mat [weer] duizend [el] en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de knieën. Toen mat Hij er [weer] duizend en liet mij erdoor gaan: het water kwam tot de heupen.5[Nog eens] mat Hij duizend [el]: het was een beek waar ik niet door kon gaan, want het water was [heel] hoog – water waar men [alleen] zwemmend [door kon], een beek waar men [anders] niet door kon gaan.6Hij zei tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen leidde Hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek.7Toen ik teruggekeerd was, zie, bij de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan deze kant en aan de andere kant.8Hij zei tegen mij: Dit water stroomt weg naar het oostelijke gebied en stroomt in de Vlakte naar beneden en komt in de zee. In de zee uitgestort, wordt het water gezond.9Het zal gebeuren [dat] alle levende wezens die er wemelen, overal waar een van beide beken naartoe komt, zullen leven. Daar zal zeer veel vis zijn, omdat dit water daarheen komt, en alles waarheen deze beek komt, zal gezond worden en leven.10Verder zal het gebeuren dat er vissers langs zullen staan vanaf Engedi tot En-Eglaïm. Er zullen droogplaatsen voor sleepnetten zijn. Hun vis zal van elke soort zijn, zeer talrijk, zoals de vis in de Grote Zee.11Maar de moerassen ervan en de poelen ervan zullen niet gezond worden: ze zijn aan het zout prijsgegeven.12En langs de beek, langs de oever ervan, zullen aan deze kant en aan de andere kant allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan het blad niet zal verwelken en waarvan de vrucht niet zal opraken. Elke maand zullen ze nieuwe vruchten voortbrengen, want het water ervoor stroomt uit het heiligdom. De vrucht ervan zal tot voedsel dienen en het blad ervan tot genezing.; Jl 3:1818Op die dag zal het gebeuren
dat de bergen van jonge wijn zullen druipen,
de heuvels van melk zullen stromen,
en alle waterstromen van Juda
zullen overlopen van water.
Een bron zal uit het huis van de HEERE ontspringen,
die het dal van Sittim zal bevochtigen.
; Zc 14:88Op die dag zal het geschieden
dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen,
de [ene] helft ervan naar de zee in het oosten
en de [andere] helft ervan naar de zee in het westen:
's zomers en 's winters zal het plaatsvinden.
)
.

Het is geen letterlijke rivier, maar het is de vrede, die als het ware als een rivier door de stad stroomt (vgl. Js 48:1818Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden!
Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier
en uw gerechtigheid als de golven van de zee.
)
. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de Nijl, kent Jeruzalem geen letterlijk vertakte rivier. Een vertakte rivier spreekt van overvloed en vruchtbaarheid (irrigatie), in dit geval niet van water maar van vrede. Dan zal Jeruzalem eindelijk naar waarheid naar de betekenis van haar naam een stad van vrede zijn. Door de rivier van vrede heerst er een verkwikkende blijdschap in de stad van God.

Het is de stad van God omdat Zijn “heiligdom” daar is, dat zijn “de woningen van de Allerhoogste” (vgl. Ps 48: 76:2-3). Bij ‘woningen’ kunnen we denken aan het heilige en het heilige der heiligen. De naam ‘Allerhoogste’ is de Naam van God in verbinding met het vrederijk (vgl. Gn 14:18-2418En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
20En geloofd zij God, de Allerhoogste,
Die overgeleverd heeft
uw tegenstanders in uw hand!
En [Abram] gaf hem van alles een tiende deel.
21De koning van Sodom zei tegen Abram: Geef mij de mensen, maar houd de bezittingen voor uzelf.22Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: Ik zweer bij de HEERE, God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit,23dat ik niets, van draad tot schoenriem toe, ja, niets van alles wat van u is, zal nemen, zodat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.24Verre daarvan! Alleen wat de knechten gegeten hebben, en het deel van de mannen die met mij meegegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre; laten die hun deel nemen!
)
.

Het is voor de zonen van Korach een bijzondere bemoediging te weten dat God “in haar midden is” (vers 66God is in haar midden, zij zal niet wankelen;
God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.
; vgl. Js 12:66Juich en zing vrolijk, inwoonster van Sion,
want groot in uw midden is de Heilige van Israël.
; Zf 3:1717De HEERE, uw God, is in uw midden,
een Held, [Die] verlossen zal.
Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.
Hij zal zwijgen in Zijn liefde.
Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.
)
. Dan is Jeruzalem naar waarheid “de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen” (Dt 12:5,11,14,18,21,265Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.11Dan zal daar de plaats zijn die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofte[offers] die u de HEERE belooft,14maar [alleen] op de plaats die de HEERE in een van uw stammen zal uitkiezen. Daar moet u uw brandoffers brengen en daar moet u doen alles wat ik u gebied.18Alleen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen, mag u dat eten: u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, en de Leviet die binnen uw poorten is; en u zult u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden over alles wat u ter hand genomen hebt.21Wanneer de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, ver van u vandaan is, dan mag u van uw runderen en uw kleinvee die de HEERE u gegeven heeft, slachten, zoals ik u geboden heb, en mag u [ervan] eten binnen uw poorten, naar het volle verlangen van uw ziel.26Maar de heilige [gaven] die u hebt, en uw gelofte[offers], moet u opnemen en [ermee] naar de plaats komen die de HEERE zal uitkiezen.). Dat maakt de stad ook tot de stad van God. Hier wordt de dorst van de ziel van de Godvrezende naar God, naar de levende God, gelest (Ps 42:2-32Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
)
.

De gemeente die rondom de Heer Jezus samenkomt, kan ook zeggen dat Hij in haar midden is. Alleen door Zijn aanwezigheid is een plaatselijke gemeente een woonplaats van God (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). De Korachieten zijn door hun vlucht uit Israël wel verstoken van het heiligdom, maar niet van de God van het heiligdom. Door hun zicht op de Messias in de vorige psalm is het alsof ze het gemis van de tempel vergoed zien in het zien van Hem Die daar woont.

Omdat God in haar midden is, zal zij “niet wankelen”. “God haar zal helpen” in de strijd tegen overmachtige vijanden. Dit gebeurt “bij het aanbreken van de morgen” (vgl. Ex 14:2424Maar het gebeurde bij het aanbreken van de dag, dat de HEERE in de vuur- en wolkkolom neerzag op het leger van de Egyptenaren, en Hij bracht het leger van de Egyptenaren in verwarring.; Js 37:3636Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.). Zijn hulp bestaat uit het oordelen van de vijanden van Zijn volk, waarna “de morgen zonder wolken” (2Sm 23:44Hij is als het licht van de morgen,
[wanneer] de zon opgaat,
een morgen zonder wolken;
[als] de glans na de regen,
[die] groen [laat opkomen] uit de aarde.
)
, dat wil zeggen het vrederijk aanbreekt. Dan gaat “de Zon der gerechtigheid” (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
, dat is de Heer Jezus, op.

Tegen de tierende heidenvolken en de wankelende koninkrijken laat God Zijn stem klinken (vers 77De heidenvolken tierden, de koninkrijken wankelden;
Hij liet Zijn stem klinken: de aarde smolt weg.
)
. God gebruikt hier niet Zijn hand, maar het zwaard uit Zijn mond, Zijn stem (vgl. Ps 2:4-54Die in de hemel woont, zal lachen,
de Heere zal hen bespotten.
5Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn,
in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.
; Op 19:15a15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.)
. Hij heeft eens gesproken en toen ontstond alles (Ps 33:6,96Door het Woord van de HEERE is de hemel gemaakt,
door de Geest van Zijn mond heel hun legermacht.
9Want Híj spreekt en het is er,
Híj gebiedt en het staat er.
)
. Als Hij in oordeel spreekt, smelt de aarde weg. Dat is de macht van Zijn stem, die op indrukwekkende wijze in Psalm 29 wordt beschreven (vgl. Ps 29:3-93De stem van de HEERE [klinkt] over de wateren,
de God der ere dondert;
de HEERE is op de grote wateren.
4De stem van de HEERE is [vol] kracht,
de stem van de HEERE is [vol] glorie.
5De stem van de HEERE breekt de ceders,
ja, de HEERE verbreekt de ceders van de Libanon.
6Hij doet de Libanon huppelen als een kalf
en de Sirjon als een jonge, wilde os.
7De stem van de HEERE hakt vurige vlammen uit [de wolken].
8De stem van de HEERE doet de woestijn beven,
de HEERE doet de woestijn Kades beven.
9De stem van de HEERE doet de hinden jongen werpen
en ontschorst de wouden;
maar in Zijn tempel zegt eenieder: [Hem zij] de eer!
)
.

Tegenover de tierende heidenvolken en de wankelende koninkrijken plaatst het geloof “de HEERE van de legermachten” (vers 88De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
)
. De vijanden zien Hem niet, maar het onmachtige gelovig overblijfsel ziet in het geloof op Hem, Die de Bevelhebber van alle legermachten is (vgl. 2Kn 6:14-1714Toen stuurde hij daar paarden en strijdwagens heen, en een groot leger. Die kwamen ‘s nachts en omsingelden de stad.15De dienaar van de man Gods stond heel vroeg op en ging naar buiten, en zie, een leger met paarden en strijdwagens omringde de stad. Toen zei zijn knecht tegen hem: Ach, mijn heer! Wat moeten wij doen?16Hij zei: Wees niet bevreesd, want die bij ons zijn, zijn méér dan die bij hen zijn.17En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.). Ze spreken nu over God als “de HEERE”, dat is de naam van God in verband met Zijn verbond. Hij is “de HEERE der legermachten”, dat is Zijn machtige krijgsnaam.

Tegelijk is Hij “de God van Jakob”, de God Die in genade de falende, hulpeloze Jakob helpt als hij in nood is. In Jakob die in nood is, zien we het gelovig overblijfsel van Israël in de “tijd van benauwdheid voor Jakob” (Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
. Als de heidenvolken en koninkrijken hen omringen en benauwen, zullen ze in Immanuel, God met ons, “een veilige vesting” hebben. Daardoor zijn ze onaantastbaar voor de vijanden.


God doet oorlogen ophouden

9Kom, zie de daden van de HEERE,
Die verwoestingen op de aarde aanricht;
10Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde,
de boog breekt en de speer in stukken slaat,
de wagens met vuur verbrandt.
11Geef het op en weet dat Ik God ben;
Ik zal geroemd worden onder de heidenvolken,
Ik zal geroemd worden op de aarde.
12De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/

De psalmist roept op om te komen en “de daden van de HEERE” te zien (vers 99Kom, zie de daden van de HEERE,
Die verwoestingen op de aarde aanricht;
)
. ‘Zien’ wil zeggen overdenken, met als resultaat het opgeven van het verzet tegen God gevolgd door een verstandig handelen. Het gaat om het overzien van het slagveld. Daar liggen de verslagen vijanden als het resultaat van Zijn daden (vgl. Js 37:3636Toen trok de engel van de HEERE [ten strijde] en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neer. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.). Hij heeft vanwege de grote verdrukking “verwoestingen op de aarde“ aangericht, waarvan de resultaten zichtbaar zullen zijn (Js 66:23-2423En het zal geschieden dat van nieuwe maan tot nieuwe maan
en van sabbat tot sabbat
alle vlees zal komen
om zich neer te buigen voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.
24En zij zullen [de stad] uit gaan en zien
de dode lichamen van de mannen die tegen Mij in opstand zijn gekomen;
want hun worm zal niet sterven
en hun vuur zal niet uitgeblust worden,
en zij zullen voor alle vlees een afgrijzen zijn.
)
. Hij heeft, als de steen die zonder toedoen van mensenhanden is losgekomen, het statenbeeld dat de wereldrijken voorstelt, verwoest (Dn 2:44-4544In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.45Daarom hebt u gezien dat niet door [mensen]handen uit de berg een steen werd afgehouwen, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning laten weten wat hierna geschieden zal. De droom is waar en de uitleg ervan betrouwbaar.; vgl. Js 34:2-42Want de grote toorn van de HEERE [richt zich] tegen alle heidenvolken,
[Zijn] grimmigheid tegen heel hun legermacht.
Hij heeft hen met de ban geslagen,
hen overgegeven ter slachting.
3Hun gesneuvelden zullen weggeworpen worden,
en van hun dode lichamen zal hun stank opstijgen.
De bergen zullen wegsmelten door hun bloed.
4Heel het [sterren]leger aan de hemel zal vergaan.
De hemel zal opgerold worden als een boek[rol],
en heel zijn leger zal vallen,
zoals bladeren vallen van een wijnstok,
en zoals [vijgen] vallen van een vijgenboom.
)
. Als het zover is, is de tijd van de oordelen voorbij.

Met het aanrichten van Zijn verwoestingen heeft de HEERE de oorlogen doen ophouden “tot aan het einde der aarde” (vers 1010Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde,
de boog breekt en de speer in stukken slaat,
de wagens met vuur verbrandt.
; Zc 9:1010Ik zal de strijdwagens uit Efraïm wegnemen,
en de paarden uit Jeruzalem.
De strijdboog zal weggenomen worden.
Hij zal vrede verkondigen aan de heidenvolken.
Zijn heerschappij zal zijn van zee tot zee,
van de rivier [de Eufraat] tot aan de einden der aarde.
)
. De Vredevorst zit op de troon in Jeruzalem. De tijd van de vrede is gekomen. Wat vergaderingen en conferenties van welke machtige regeerders ook nooit hebben kunnen bewerken, heeft Hij tot stand gebracht: wereldvrede.

Hij heeft ook voor een totale ontwapening gezorgd, iets wat regeringen steeds hebben gepoogd te bereiken. Het is nooit gelukt omdat het gebeurde op basis van het misplaatste vertrouwen in de mens. Door de Heer Jezus zijn alle militaire middelen gebroken of stukgeslagen en omgezet in nuttige instrumenten (Js 2:44Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
; Mi 4:33Hij zal oordelen tussen vele volken
en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
)
. Strijdwagens zijn “met vuur verbrand” en daardoor onbruikbaar geworden (Js 9:44Ja, elke laars,
stampend met gedreun,
[iedere soldaten]mantel,
gewenteld in bloed,
zal verbrand worden,
voedsel voor het vuur.
; vgl. Ez 39:99De inwoners van de steden van Israël zullen [de stad] uit gaan, [een vuur] aansteken en de wapens, de kleine en de grote schilden, de bogen en de pijlen, de handstokken en de speren verbranden. Zij zullen daarvan zeven jaar [lang] vuur stoken,)
. Ze zijn ook niet meer nodig.

Aan dit perspectief verbindt God de boodschap voor de mens om op te houden met zijn inspanningen zelf dingen te regelen (vers 1111Geef het op en weet dat Ik God ben;
Ik zal geroemd worden onder de heidenvolken,
Ik zal geroemd worden op de aarde.
)
. Hij moet het opgeven in het besef dat hij slechts een mens is en dat God alleen God is. De mens moet ophouden in zijn hoogmoed te denken dat hij ook maar iets kan bijdragen aan wereldvrede, laat staan dat hij die zou kunnen bewerken. Elke poging van de mens daartoe is een loochening van het bestaan en bestuur van God.

God is de Enige Die geroemd zal worden onder de heidenvolken en op de aarde. De wetenschap dat Hij God is, mag niet slechts een verstandelijk weten zijn. Het moet brengen tot het zichzelf toevertrouwen aan Hem (vers 1212De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting. /Sela/
)
, dat je bij Hem je toevlucht zoekt, dat Hij jouw vesting is.

Wat de gelovigen ook mag overkomen, welke tegenstand zij ook mogen ervaren, zij kunnen vol vertrouwen zeggen dat “de HEERE van de legermachten” met hen is (Rm 8:31-3931Wat zullen wij dan hierop zeggen? Als God voor ons is, wie zou tegen ons zijn?32Hoe zal Hij Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?33Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt;34wie is het die veroordeelt? Christus <Jezus> is het Die gestorven is, ja nog meer, Die opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt.35Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of zwaard? –36zoals geschreven staat: ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. –37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.38Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch machten,39noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer.). De Aanvoerder van alle aardse en hemelse legermachten, zowel van de goede als van de kwade, is met hen. Waarom en waarvoor zullen ze dan nog vrezen? Daarbij mogen ze weten dat “de God van Jakob” voor hen “een veilige vesting” is. De naam ‘Jakob’ ziet op het volk in zijn zwakheid. Maar als God hun veilige vesting is, betekent dit dat ze onaantastbaar zijn, want wie kan Hem iets doen?


Lees verder