Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-4 Herinnering aan vroeger 5-9 Roemen in God 10-17 Klacht van het verstoten volk 18-23 Belijdenis van trouw 24-27 Roep om hulp
Inleiding

In Psalmen 42-43 is het gelovig overblijfsel buiten het land en is daar in grote nood. Daar spreekt de individuele gelovige. Zijn grootste nood is dat hij niet naar God in Zijn heiligdom kan gaan. Psalm 44 beschrijft die nood verder, nu niet meer van de individuele gelovige, maar van het overblijfsel als geheel.

Eerst herinneren ze God aan het verleden, aan wat ze zelf hebben gehoord over de inbezitneming van het land (verzen 2-42O God, met onze oren hebben wij het gehoord,
onze vaderen hebben het ons verteld:
U hebt een werk gedaan in hun dagen,
in de dagen vanouds.
3Ú hebt de heidenvolken met Uw hand verdreven,
maar hén geplant.
U hebt de volken kwaad aangedaan,
maar hén zich laten uitbreiden.
4Want zij hebben het land niet door hun zwaard in bezit genomen
en hún arm heeft hun geen verlossing gegeven,
maar Uw rechterhand, Uw arm
en het licht van Uw aangezicht, omdat U hun goedgezind was.
)
. Ook belijden ze God als hun God en spreken hun vertrouwen in Hem uit (verzen 5-95Ú bent mijn Koning, o God;
gebied volkomen verlossing voor Jakob!
6Door U stoten wij onze tegenstanders neer,
in Uw Naam vertrappen wij wie tegen ons opstaan.
7Want ik vertrouw niet op mijn boog,
mijn zwaard zal mij niet verlossen.
8Maar U verlost ons van onze tegenstanders,
U maakt wie ons haten, beschaamd.
9In God roemen wij de hele dag,
Uw Naam zullen wij voor eeuwig loven. /Sela/
)
. Dan spreken ze over hun actuele situatie en die is dat ze verschrikkelijk worden vervolgd (vers 10-1710Niettemin hebt U ons verstoten en te schande gemaakt,
omdat U met onze legers niet oprukt.
11U doet ons terugdeinzen voor de tegenstander,
en wie ons haten, plunderen [ons] uit ten bate van zichzelf.
12U geeft ons over als schapen om op te eten,
U verstrooit ons onder de heidenvolken.
13U verkoopt Uw volk voor weinig geld,
U verhoogt hun prijs niet.
14U maakt ons tot smaad voor onze buren,
tot spot en schimp voor wie ons omringen.
15U maakt ons tot een spreekwoord onder de heidenvolken
en doet de natiën het hoofd [over ons] schudden.
16De hele dag zie ik mijn schande voor mij
en schaamte bedekt mijn gezicht,
17vanwege de stem van wie mij hoont en lastert,
vanwege de vijand en de wraakzuchtige.
)
. Daarop belijden ze hun trouw (verzen 18-2318Dit alles is ons overkomen, toch hebben wij U niet vergeten
of Uw verbond verloochend.
19Ons hart is niet teruggeweken
en onze schreden zijn niet van Uw pad geweken,
20ook al hebt U ons in een oord van jakhalzen verpletterd,
en ons met een schaduw van de dood overdekt.
21Als wij de Naam van onze God hadden vergeten
en onze handen hadden uitgebreid naar een vreemde god,
22zou God dat niet onderzoeken?
Want Hij weet wat er in het hart verborgen ligt.
23Maar om U worden wij de hele dag gedood;
wij worden beschouwd als slachtschapen.
)
. Ze besluiten de psalm met een roep tot God om op te staan en hen te hulp te komen (verzen 24-2724Word wakker! Waarom zou U slapen, Heere?
Ontwaak! Verstoot ons niet voor altijd.
25Waarom zou U Uw aangezicht verbergen,
onze ellende en onze onderdrukking vergeten?
26Want onze ziel ligt neergebukt in het stof;
onze buik kleeft aan de aarde.
27Sta op, ons te hulp,
verlos ons omwille van Uw goedertierenheid.
)
.


Opschrift

1Voor de koorleider, een onderwijzing, van de zonen van Korach.

Zie bij Psalm 42:1.


Herinnering aan vroeger

2O God, met onze oren hebben wij het gehoord,
onze vaderen hebben het ons verteld:
U hebt een werk gedaan in hun dagen,
in de dagen vanouds.
3Ú hebt de heidenvolken met Uw hand verdreven,
maar hén geplant.
U hebt de volken kwaad aangedaan,
maar hén zich laten uitbreiden.
4Want zij hebben het land niet door hun zwaard in bezit genomen
en hún arm heeft hun geen verlossing gegeven,
maar Uw rechterhand, Uw arm
en het licht van Uw aangezicht, omdat U hun goedgezind was.

Het overblijfsel spreekt hier tot God (vers 22O God, met onze oren hebben wij het gehoord,
onze vaderen hebben het ons verteld:
U hebt een werk gedaan in hun dagen,
in de dagen vanouds.
)
en niet tot de HEERE, de God van het verbond. Ze zijn verwijderd van het heiligdom en voelen zich daardoor ook verwijderd van het verbond. Ze denken aan het werk en de wonderen van God waarover hun vaderen aan hen hebben verteld (vgl. Ri 6:1313Maar Gideon zei tegen Hem: Och, mijn heer, als de HEERE met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? En waar zijn al Zijn wonderen, waarover onze vaderen ons verteld hebben, toen zij zeiden: Heeft de HEERE ons niet uit Egypte doen optrekken? Maar nu heeft de HEERE ons verlaten en ons in de hand van Midian gegeven!). We lezen herhaaldelijk dat God het bevel geeft dat Zijn grote daden door de vaders aan hun kinderen moeten worden verteld (Ex 10:22en zodat u ten aanhoren van uw kinderen en uw kleinkinderen kunt vertellen wat Ik in Egypte heb aangericht, en [wat] Mijn tekenen [waren] die Ik onder hen verricht heb. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.; 13:1414Het zal gebeuren, als uw zoon u morgen vraagt: Wat is dit? dat u tegen hem zult zeggen: De HEERE heeft ons met sterke hand uit Egypte, uit het slavenhuis, geleid.; Dt 4:99Alleen, wees op uw hoede en neem uzelf zeer in acht! Anders vergeet u de dingen die uw ogen gezien hebben, en anders wijken ze uit uw hart alle dagen van uw leven. U moet ze uw kinderen en uw kleinkinderen bekendmaken:).

Bij “in hun dagen” en “de dagen vanouds” kunnen we denken aan de bevrijding uit Egypte, maar hier toch vooral aan de inbezitneming van het land. God heeft “in hun dagen” een groot “werk” gedaan door hen te helpen de volken uit het land te verdrijven en hun het land te geven. Ze hebben er gewoond en de zegen genoten die daaraan verbonden is. Nu lijkt dit werk ongedaan te worden gemaakt, want ze zijn uit het land verdreven.

God heeft vroeger “de heidenvolken” met Zijn hand “verdreven” (vers 33Ú hebt de heidenvolken met Uw hand verdreven,
maar hén geplant.
U hebt de volken kwaad aangedaan,
maar hén zich laten uitbreiden.
; Dt 7:11Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw [ogen] verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,)
. In hun plaats heeft Hij Zijn volk “geplant” (vgl. Ex 15:1717       U zult hen brengen en hen planten
                        op de berg [die] Uw eigendom is,
            Uw vaste woonplaats,
                        die U gemaakt hebt, HEERE,
            het heiligdom, Heere,
                        dat Uw handen gesticht hebben.
; Ps 80:99U hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven,
de heidenvolken verdreven en hém geplant.
; Am 9:1515Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de HEERE, uw God.
)
. Over het ongeloof van het volk wordt hier niets gezegd. De getrouwen willen alleen spreken over wat God heeft gedaan en Hem daarmee aan Zijn vroegere handelen met Zijn volk herinneren. Hij heeft de volken die toen in het land waren, “kwaad aangedaan” omdat zij de maat van hun ongerechtigheid vol hadden gemaakt (Gn 15:1616De vierde generatie zal hier terugkeren, want [de maat] van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol.). Zijn eigen volk heeft Hij met zegen overladen en “hen zich laten uitbreiden” (vgl. Ps 80:1212Hij breidde zijn ranken uit tot aan de zee,
zijn jonge loten tot aan de rivier.
; Jr 17:88Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.
; Ez 17:66Toen kwam het op en het werd een wijnstok,
breed uitgroeiend, laag van stam,
zodat zijn takken naar [de arend] gericht zouden zijn,
terwijl zijn wortels onder hem bleven.
Zo werd hij een wijnstok.
Hij kreeg ranken
en liet twijgen uitlopen.
)
.

Ze zijn zich ervan bewust dat zij niet in eigen kracht en met eigen middelen de vijanden uit het land hebben verdreven (vers 44Want zij hebben het land niet door hun zwaard in bezit genomen
en hún arm heeft hun geen verlossing gegeven,
maar Uw rechterhand, Uw arm
en het licht van Uw aangezicht, omdat U hun goedgezind was.
)
. Het is allemaal alleen aan Gods kracht te danken (Dt 8:16-1716Die u in de woestijn het manna liet eten, dat uw vaderen niet gekend hadden, opdat Hij u zou verootmoedigen en u op de proef zou stellen, om u uiteindelijk wel te doen;17en dat u [dan] niet in uw hart zegt: Mijn [eigen] kracht en de macht van míjn hand heeft dit vermogen voor mij verworven.; 9:3-63Daarom moet u heden weten dat het de HEERE, uw God, is Die voor u uit [de Jordaan] overtrekt, een verterend vuur. Hij zal hen wegvagen en Hij zal hen aan u onderwerpen. U zult hen uit hun bezit verdrijven en hen [al] snel ombrengen, zoals de HEERE tot u gesproken heeft.4Wanneer de HEERE, uw God, hen van voor uw [ogen] verjaagd heeft, zeg [dan] niet in uw hart: Vanwege míjn gerechtigheid heeft de HEERE mij in dit land gebracht om het in bezit te nemen. Want [het is] vanwege de goddeloosheid van deze volken [dat] de HEERE hen van voor uw [ogen] uit hun bezit verdrijft.5Niet vanwege uw gerechtigheid of vanwege de oprechtheid van uw hart komt u hun land in om het in bezit te nemen, maar vanwege de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEERE, uw God, hen van voor uw [ogen] uit hun bezit, en om het woord gestand te doen dat de HEERE, uw God, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.6Daarom moet u weten dat het niet vanwege uw gerechtigheid is dat de HEERE, uw God, u dit goede land geeft om het in bezit te nemen, want u bent een halsstarrig volk.). Ze spreken over “Uw rechterhand, Uw arm”. Het is een dubbele krachtsontplooiing, want beide spreken van Gods kracht. Daarbij komt nog dat het licht van Gods aangezicht bij hen aanwezig is geweest en hen heeft geleid. Het betekent dat Hij “hun goedgezind was”. Dat blijkt wel uit het feit dat Hij hen tot Zijn eigendomsvolk heeft gekozen.


Roemen in God

5Ú bent mijn Koning, o God;
gebied volkomen verlossing voor Jakob!
6Door U stoten wij onze tegenstanders neer,
in Uw Naam vertrappen wij wie tegen ons opstaan.
7Want ik vertrouw niet op mijn boog,
mijn zwaard zal mij niet verlossen.
8Maar U verlost ons van onze tegenstanders,
U maakt wie ons haten, beschaamd.
9In God roemen wij de hele dag,
Uw Naam zullen wij voor eeuwig loven. /Sela/

Ze erkennen geen andere Koning dan God (vers 55Ú bent mijn Koning, o God;
gebied volkomen verlossing voor Jakob!
)
. Vanwege de nood waarin ze verkeren, vragen ze aan Hem om een “volkomen verlossing voor Jakob” te gebieden. Dat zal Hij zeker op Zijn tijd doen. Dan zullen zij tot hun verbazing zien dat God, hun Koning, niemand anders is dan de Messias, de Heer Jezus.

Eerder, in vers 44Want zij hebben het land niet door hun zwaard in bezit genomen
en hún arm heeft hun geen verlossing gegeven,
maar Uw rechterhand, Uw arm
en het licht van Uw aangezicht, omdat U hun goedgezind was.
, hebben ze ervan gesproken dat God Zijn rechterhand en Zijn arm gebruikt om hen te verlossen. Nu spreken ze erover dat zij zelf in Gods kracht hun tegenstanders neerstoten (vers 66Door U stoten wij onze tegenstanders neer,
in Uw Naam vertrappen wij wie tegen ons opstaan.
; vgl. Dt 33:1717       Hij heeft de pracht van de eerstgeborene van zijn rund,
                        en zijn hoorns zijn hoorns van de wilde os;
            daarmee zal hij volken stoten, allemaal,
                        tot aan de einden der aarde.
            Dit zijn de tienduizenden van Efraïm,
                        en dit zijn de duizenden van Manasse!
)
. Het is allebei waar. Wie tegen hen opstaan om hen kwaad te doen, zullen zij in Zijn Naam vertrappen (vgl. Rm 16:2020De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus <Christus> zij met u!; Ml 4:33U zult de goddelozen vertrappen.
Voorzeker, stof zullen zij worden
onder uw voetzolen
op die dag die Ik bereiden zal,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
.

God zal Zijn volk de kracht geven om hun tegenstanders te verslaan (vgl. Zc 12:5-65Dan zullen de leiders van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen voor mij een [bron van] kracht zijn door de HEERE van de legermachten, hun God.6Op die dag zal Ik de leiders van Juda maken als een vuurbekken in [een stapel] hout en als een brandende fakkel in een graanschoof. Rechts en links zullen zij al de volken rondom verteren en Jeruzalem zal nog op zijn plaats blijven, in Jeruzalem.). Ze vertrouwen niet op hun boog om de vijand op afstand uit te schakelen en ook niet op hun zwaard om zich te verlossen van de vijand dichtbij (vers 77Want ik vertrouw niet op mijn boog,
mijn zwaard zal mij niet verlossen.
)
. Ze realiseren zich dat er in hen geen enkele kracht is.

Er is geen vertrouwen op eigen kracht, maar op God (vers 88Maar U verlost ons van onze tegenstanders,
U maakt wie ons haten, beschaamd.
)
. Ze rekenen er in geloof op dat Hij hen verlost van hun tegenstanders. Hij zorgt ervoor dat hun haters beschaamd worden door ervoor te zorgen dat al hun doortrapte plannen geen enkel succes hebben. Christus zal de werken van de duivel totaal verbreken en Zijn volk bevrijden.

Als de blik zo op God is gericht, kan het gelovig overblijfsel in Hem roemen, “de hele dag” door (vers 99In God roemen wij de hele dag,
Uw Naam zullen wij voor eeuwig loven. /Sela/
)
. ‘De hele dag’ is de hele periode op aarde die de ‘dag van de Heer’ wordt genoemd, waarin ook de tijd van de grote verdrukking valt. Al die tijd roemen ze in Hem. Dit roemen zal uitmonden in het “voor eeuwig loven” van Zijn Naam in het vrederijk. Het loven van Zijn Naam zal in het vrederijk voortdurend, onophoudelijk doorgaan.


Klacht van het verstoten volk

10Niettemin hebt U ons verstoten en te schande gemaakt,
omdat U met onze legers niet oprukt.
11U doet ons terugdeinzen voor de tegenstander,
en wie ons haten, plunderen [ons] uit ten bate van zichzelf.
12U geeft ons over als schapen om op te eten,
U verstrooit ons onder de heidenvolken.
13U verkoopt Uw volk voor weinig geld,
U verhoogt hun prijs niet.
14U maakt ons tot smaad voor onze buren,
tot spot en schimp voor wie ons omringen.
15U maakt ons tot een spreekwoord onder de heidenvolken
en doet de natiën het hoofd [over ons] schudden.
16De hele dag zie ik mijn schande voor mij
en schaamte bedekt mijn gezicht,
17vanwege de stem van wie mij hoont en lastert,
vanwege de vijand en de wraakzuchtige.

In vers 1010Niettemin hebt U ons verstoten en te schande gemaakt,
omdat U met onze legers niet oprukt.
verandert de toon van de psalm. De getrouwen kijken naar hun omstandigheden en merken dan op dat de God, Die zij roemen en loven, hen heeft “verstoten en te schande gemaakt”. De vijanden zijn gekomen, maar God is niet met de legers van Israël opgerukt. Daardoor zijn ze teruggedeinsd voor de tegenstander (vers 1111U doet ons terugdeinzen voor de tegenstander,
en wie ons haten, plunderen [ons] uit ten bate van zichzelf.
)
. De vijand heeft van God de overhand over hen gekregen en nu plunderen zij die hen haten hen uit om er beter van te worden.

Ze klagen erover tegen God dat Hij hen overgeeft aan hun vijanden “als schapen om op te eten” (vers 1212U geeft ons over als schapen om op te eten,
U verstrooit ons onder de heidenvolken.
; vgl. Zc 11:4,74Zo zegt de HEERE, mijn God: Weid die slachtschapen.7Daarom weidde Ik de slachtschapen, omdat zij ellendige schapen zijn. Ik nam voor Mijzelf twee stokken – de ene noemde Ik LIEFLIJKHEID, de andere SAMENBINDING – en Ik weidde die schapen.)
. Dit ‘opeten’ gebeurt door de godsdienstige leiders in Gods volk. Vanwege dit gedrag van hun leiders hebben ze moeten vluchten. Maar ze zien er ook Gods hand in. Ze zeggen tegen Hem dat Hij hen onder de volken heeft verstrooid.

Door wat zij ondergaan, ervaren ze wat ze als volk met hun Messias hebben gedaan. Hun Messias is voor weinig geld door hen verkocht (Zc 11:12-1312Want Ik had tegen hen gezegd: Als het goed is in uw ogen, geef [Mij] Mijn loon; zo niet, laat het na. Toen hebben zij Mijn loon afgewogen: dertig zilverstukken.13Maar de HEERE zei tegen Mij: Werp dat de pottenbakker toe – een mooie prijs waarop Ik door hen geschat ben! Daarop nam Ik de dertig zilverstukken en wierp ze [in] het huis van de HEERE de pottenbakker toe.; Mt 26:1515Wat wilt u mij geven? Dan zal ik Hem aan u overleveren. Zij nu betaalden hem dertig zilverlingen uit.; 27:99Toen is vervuld wat gesproken is door de profeet Jeremia, die zei: ‘En zij namen de dertig zilverlingen, de waarde van de Gewaardeerde, waarop [die] van [de] zonen Israëls Hem gewaardeerd hadden,). Nu worden ze zelf voor weinig geld verkocht (vers 1313U verkoopt Uw volk voor weinig geld,
U verhoogt hun prijs niet.
; vgl. Dt 32:3030       Hoe zou één [man] er duizend kunnen achtervolgen,
                        en twee [mannen] er tienduizend laten vluchten,
            tenzij hun Rots hen verkocht
                        en de HEERE hen uitleverde?
; Ri 2:1414Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël en Hij gaf hen over in de hand van plunderaars, die hen plunderden. Hij leverde hen over in de hand van hun vijanden van rondom, zodat zij niet meer konden standhouden tegen hun vijanden.; Js 52:33Want zo zegt de HEERE: Voor niets bent u verkocht, u zult ook zonder geld worden verlost.)
. Zij hebben Hem veracht en nu worden zij zelf veracht.

Ze plukken de vruchten van hun verwerping van hun Messias. Wat zij beleven, heeft ook de Heer Jezus, hun Messias, beleefd tijdens Zijn dagen op aarde. Ze oogsten wat ze hebben gezaaid. God maakt hen tot smaad voor hun buren (vers 1414U maakt ons tot smaad voor onze buren,
tot spot en schimp voor wie ons omringen.
)
, dat zijn vooral hun buurvolken Edom, Ammon en Moab.

De heidenvolken – waarbij we kunnen denken aan de volken waaronder ze verstrooid zijn, een ruimere kring dus dan de ‘buren’ – maken een spreekwoord over hen (vers 1515U maakt ons tot een spreekwoord onder de heidenvolken
en doet de natiën het hoofd [over ons] schudden.
; Dt 28:3737U zult een verschrikking, een spreekwoord en een voorwerp van spot zijn onder al de volken waar de HEERE u naartoe voeren zal.; Jr 24:99Ik zal hen voor alle koninkrijken van de aarde tot een schrikbeeld stellen hoe slecht [het kan aflopen], tot smaad en tot een spreekwoord, tot een voorwerp van spot en tot een vloek in alle plaatsen waarheen Ik hen zal verdrijven.)
. De naties schudden hun hoofd over Gods volk als teken van spot en verachting. Ook in het handelen van de heidenvolken en de naties ziet het overblijfsel het handelen van God. Hij bewerkt dit spottende gedrag. Ze klagen God hier niet over aan, maar erkennen dat ze het verdienen.

Ze zien “de hele dag” hun schande voor zich (vers 1616De hele dag zie ik mijn schande voor mij
en schaamte bedekt mijn gezicht,
)
. Dit is een grote tegenstelling met ‘de hele dag’ in God roemen (vers 99In God roemen wij de hele dag,
Uw Naam zullen wij voor eeuwig loven. /Sela/
)
. Ze belijden hun schande in de ‘ik’-vorm. Wat voor ieder persoonlijk geldt, geldt voor het geheel. Het gezicht is bedekt met schaamte. De oorzaak daarvan is de stem van wie hen “hoont en lastert, vanwege de vijand en de wraakgierige” (vers 1717vanwege de stem van wie mij hoont en lastert,
vanwege de vijand en de wraakzuchtige.
)
. Hierin herkennen we de antichrist, die een grote mond heeft en lasteringen spreekt.


Belijdenis van trouw

18Dit alles is ons overkomen, toch hebben wij U niet vergeten
of Uw verbond verloochend.
19Ons hart is niet teruggeweken
en onze schreden zijn niet van Uw pad geweken,
20ook al hebt U ons in een oord van jakhalzen verpletterd,
en ons met een schaduw van de dood overdekt.
21Als wij de Naam van onze God hadden vergeten
en onze handen hadden uitgebreid naar een vreemde god,
22zou God dat niet onderzoeken?
Want Hij weet wat er in het hart verborgen ligt.
23Maar om U worden wij de hele dag gedood;
wij worden beschouwd als slachtschapen.

Het overblijfsel spreekt het uit dat ondanks “dit alles” wat hun is overkomen, zij toch God niet zijn vergeten en Zijn verbond niet hebben verloochend (vers 1818Dit alles is ons overkomen, toch hebben wij U niet vergeten
of Uw verbond verloochend.
)
. De zware beproevingen hebben niet tot resultaat dat zij niet meer aan Hem denken. Integendeel, ze richten zich des te meer op God omdat ze weten dat Hij alleen verlossing kan geven. Dit is geloofsvertrouwen.

Hun hart is niet afgeweken om andere goden aan te hangen (vers 1919Ons hart is niet teruggeweken
en onze schreden zijn niet van Uw pad geweken,
)
, maar is trouw gebleven aan God. Ook zijn hun schreden niet afgeweken van het pad dat God wil dat zij gaan. Hun wandel en gedrag zijn in overeenstemming met Zijn wil. De zware beproevingen hebben niet tot resultaat dat zij God niet meer dienen. Ze houden zich aan Zijn geboden.

God heeft hen zo zwaar getuchtigd door de beproevingen, dat zij zich te midden van hun vijanden voelen als “in een oord van jakhalzen” waar ze door Hem worden verpletterd (vers 2020ook al hebt U ons in een oord van jakhalzen verpletterd,
en ons met een schaduw van de dood overdekt.
)
. Wat een contrast met hun thuisland, het land dat van melk en honing overvloeit. Terwijl ze verwachten dat God hen in het vreemde land overdekkend beschermt, ervaren ze alsof God hen “met een schaduw van de dood overdekt”.

Als het inderdaad zo zou zijn dat zij de Naam van hun God hadden vergeten en hun handen hadden uitgebreid naar een vreemde god om daaraan hulp te vragen (vers 2121Als wij de Naam van onze God hadden vergeten
en onze handen hadden uitgebreid naar een vreemde god,
)
, dan zou God dat zeker onderzoeken (vers 2222zou God dat niet onderzoeken?
Want Hij weet wat er in het hart verborgen ligt.
)
. Hij weet immers “wat er in het hart verborgen ligt” (vgl. Jr 17:9-109Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
)
. Het vergeten van de Naam van God wil zeggen dat zij Hem niet aanroepen. Maar ze roepen Zijn Naam juist voortdurend aan. Nog minder zijn zij Zijn Naam vergeten door een vreemde god aan te roepen, want ze richten zich uitsluitend tot Hem.

Ze zeggen tegen God dat zij “de hele dag” om Hem, “om U”, worden gedood (vers 2323Maar om U worden wij de hele dag gedood;
wij worden beschouwd als slachtschapen.
; vgl. verzen 9,169In God roemen wij de hele dag,
Uw Naam zullen wij voor eeuwig loven. /Sela/16De hele dag zie ik mijn schande voor mij
en schaamte bedekt mijn gezicht,
)
. Dat bewijst toch wel dat zij Hem niet vergeten zijn, zoals ze hebben gezegd (vers 1818Dit alles is ons overkomen, toch hebben wij U niet vergeten
of Uw verbond verloochend.
)
. Hun vijanden zien hen vanwege hun trouw aan God juist als “slachtschapen”. Ze worden voortdurend door hun vijanden aangevallen. Dat ze in de ‘wij’-vorm spreken, geeft aan dat ze zich in deze situatie als volk van God met elkaar verbonden weten.

Paulus haalt dit vers aan om de gelovigen in Rome – en ook ons – de nauwe verbinding te laten zien die er is tussen de gelovigen en Christus (Rm 8:3636zoals geschreven staat: ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. –; vgl. 1Ko 15:3131Ik sterf dagelijks, [zoals ik betuig] bij uw roem, <broeders,> die ik heb in Christus Jezus onze Heer!; 2Ko 1:8-108Want wij willen niet, broeders, dat u onbekend bent met onze verdrukking die [ons] in Asia is overkomen, dat wij uitermate bezwaard zijn geworden boven vermogen, zodat wij zelfs aan het leven wanhoopten.9Ja, wijzelf hadden het doodvonnis [al] in onszelf, opdat wij geen vertrouwen zouden hebben op onszelf, maar op God Die de doden opwekt,10Die ons uit een zo grote dood heeft verlost en zal verlossen; op Hem hebben wij onze hoop gevestigd dat Hij ons ook verder zal verlossen;; 11:2323Zijn zij dienaars van Christus? – ik spreek als een onzinnige – ik bovenmate. In arbeid zeer overvloedig, in gevangenissen zeer overvloedig, in slagen bovenmatig veel, dikwijls in doodsgevaren.). Gelovigen ondergaan beproeving en verdrukking vanwege hun verbinding met de Heer Jezus. Zij lijden wat Hij heeft geleden. In de wereld lijden zij verdrukking. “Maar”, zegt de Heer tegen hen, “hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Jh 16:33b33Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebt u verdrukking, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.).


Roep om hulp

24Word wakker! Waarom zou U slapen, Heere?
Ontwaak! Verstoot ons niet voor altijd.
25Waarom zou U Uw aangezicht verbergen,
onze ellende en onze onderdrukking vergeten?
26Want onze ziel ligt neergebukt in het stof;
onze buik kleeft aan de aarde.
27Sta op, ons te hulp,
verlos ons omwille van Uw goedertierenheid.

Ze geloven niet dat God slaapt (vgl. Ps 121:44Zie, de Bewaarder van Israël
zal niet sluimeren of slapen.
)
, maar ervaren dat Hij Zich slapend houdt omdat Hij niet ten gunste van hen optreedt (vers 2424Word wakker! Waarom zou U slapen, Heere?
Ontwaak! Verstoot ons niet voor altijd.
)
. Ze roepen hier tot de “Heere”, Adonai, de soevereine Heerser. Het overblijfsel is bang dat Hij hen “voor altijd”, dat wil zeggen voor eeuwig, verstoot.

De discipelen van de Heer Jezus hebben een soortgelijke ervaring als de zonen van Korach. Als ze met de Heer, Die zowel Mens als God is, in het schip door een storm worden overvallen, maken ze Hem wakker, want Hij slaapt. Ze maken Hem wakker met de vraag of Hij Zich er niet om bekommert dat zij vergaan (Mt 8:23-2723En toen Hij aan boord van het schip was gegaan, volgden Zijn discipelen Hem.24En zie, er ontstond een grote onstuimigheid op de zee, zodat het schip door de golven werd bedekt; Hij echter sliep.25En <Zijn discipelen> gingen naar Hem toe, wekten Hem en zeiden: Heer, behoud [ons], wij vergaan!26En Hij zei tot hen: Waarom bent u angstig, kleingelovigen? Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en er ontstond een grote stilte.27De mensen nu verwonderden zich en zeiden: Wat voor Iemand is Deze, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzamen?). Ze zien Hem alleen als Mens en beseffen niet dat Hij ook God is, Die niet slaapt of sluimert.

God houdt Zich voor het gelovig overblijfsel verborgen (vers 2525Waarom zou U Uw aangezicht verbergen,
onze ellende en onze onderdrukking vergeten?
)
. Omdat hun ellende en verdrukking zo lang duren, is het alsof Hij hen vergeet. Het lijkt alsof de antichrist en de goddeloze massa hun gang kunnen gaan en hen naar hartenlust kunnen doden. Maar God kan hen niet vergeten. Zij zijn in Zijn handpalmen gegraveerd en staan in Zijn gedenkboek geschreven. Ze zijn in de smeltkroes van loutering, waaronder Hij het vuur net zo heet stookt als nodig is om hen tot een edel zilver te maken (Ml 3:2-32Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?
Wie zal bij Zijn verschijning standhouden?
Want Hij is als vuur van een edelsmid,
en als zeep van de blekers.
3Hij zal zitten [als iemand] die zilver smelt en reinigt:
Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver.
Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid.
)
.

Ze voelen zich als doden, wat ze aangeven door te zeggen dat hun ziel neergebukt ligt in het stof (vers 2626Want onze ziel ligt neergebukt in het stof;
onze buik kleeft aan de aarde.
; vgl. Ps 22:1616Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
)
. Hun buik kleeft aan de aarde, zeggen ze. Door dit zo te zeggen vergelijken ze zich met reptielen die zich niet van de aarde kunnen verheffen. Het geeft de grote vernedering en verdrukking aan waaronder zij gebukt gaan.

God is de hulp van Zijn volk (Hs 13:99Het is uw verderf, Israël,
[dat u zich keert] tegen Mij, tegen uw hulp!
)
. Daarom doen ze een beroep op Hem om op te staan en hen te hulp te komen (vers 2727Sta op, ons te hulp,
verlos ons omwille van Uw goedertierenheid.
)
. Hij is een hulp in benauwdheden (Ps 46:22God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
)
en daarin bevinden ze zich. Hij is de Enige Die kan helpen. Er is niemand anders. Ze doen een beroep op Zijn “goedertierenheid” om hen te verlossen en niet op enige gerechtigheid in henzelf of op hun trouw aan Hem of hun lijden voor Hem.


Lees verder