Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-6 Verlangen naar God 7-12 Waarom vergeet U mij?
Inleiding

In het eerste psalmboek (Psalmen 1-41) is het overblijfsel te midden van de vijanden in het land. In het tweede psalmboek (Psalmen 42-72) zijn ze gevlucht uit het land (Mt 24:15-1615Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –16laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;) en bevinden ze zich te midden van buitenlandse vijanden.

Dit verschil in de positie van het overblijfsel blijkt onder andere uit het gebruik van twee Godsnamen in de beide psalmboeken. Die namen zeggen iets over de relatie van het overblijfsel met God. Het eerste psalmboek gebruikt vooral de naam Jahweh, in de HSV weergegeven met HEERE (allemaal hoofdletters). Deze naam, die 272x voorkomt, geeft de verbondsbetrekking tussen God en Zijn volk aan. De naam Elohim, God, komt 15x voor. Deze naam is meer algemeen en, in vergelijking met de naam Jahweh, meer afstandelijk. In het tweede psalmboek wordt vooral de naam Elohim, God, gebruikt, en komt daarin 164x voor. De naam Jahweh, HEERE, komt daarin 30x voor. Zie bijvoorbeeld het verschil tussen Psalm 14 en Psalm 53.

Een ander onderscheid tussen het eerste en het tweede psalmboek zien we in het gebruik van illustraties die in de beide psalmboeken worden gebruikt. Het eerste psalmboek gebruikt illustraties die vooral uit Genesis komen, zoals in Psalmen 8, 19 en 33 waarin wordt gesproken over de schepping. De illustraties van het tweede psalmboek komen vooral uit Exodus, zoals in Psalm 68.

Dit tweede psalmboek bestaat uit een verzameling psalmen die uit meerdere bronnen komen:
1. De zonen van Korach, de tempel muzikanten: Psalmen 42-49.
2. Asaf, een andere muzikant: Psalm 50.
3. David: Psalmen 51-65; 68-70.
4. Salomo: Psalm 72.
5. Ten slotte zijn er drie anonieme psalmen: Psalmen 66; 67; 71.

Psalm 72 is niet voor Salomo, zoals de Septuaginta en Calvijn vertalen (Ps 72:11Voor Salomo.
O God, geef de koning Uw recht
en Uw gerechtigheid aan de zoon van de koning.
)
, maar van Salomo, zoals er letterlijk staat. We kunnen dan ook globaal de volgende indeling maken:
1. De psalmen van de muzikanten: de Korachieten, met als slot Asaf.
2. De psalmen van David, met als slot Salomo.

Het tweede psalmboek begint met drie psalmen, Psalmen 42-44, die ons naar de tijd van de grote verdrukking verplaatsen. Het gelovig overblijfsel moet uit Jeruzalem vluchten waar zij de HEERE hebben gediend in de in ongeloof herbouwde tempel. Dit is de tijd van de benauwdheid van Jakob. Het is de tijd dat de gruwel van de verwoesting in Jeruzalem staat, zoals de Heer Jezus dat Zelf duidelijk maakt. Hij verwijst daarvoor naar wat de profeet Daniel over de gebeurtenissen van de toekomst zegt (Mt 24:15-1615Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –16laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;). Die tijd is nog niet aangebroken, maar het zal niet lang meer duren voordat die tijd aanbreekt.

In Psalm 42 blikken we in het hart van het overblijfsel. We zien daarin hoezeer ze ernaar verlangen om bij God in Jeruzalem te zijn en ook hun vertrouwen in Hem. In Psalm 43 zien we de oorzaak van hun ellende: de antichrist, de man van bedrog en onrecht (Ps 43:11Doe mij recht, o God,
en voer mijn rechtszaak;
bevrijd mij van het volk zonder goedertierenheid,
van de man van bedrog en onrecht.
)
. Deze man komt “in zijn eigen naam” en wordt door de ongelovige massa van de Joden aangenomen als hun koning (Jh 5:43b43Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.). In Psalm 44 wordt het geloof van het overblijfsel beproefd en gelouterd in het vuur van de verdrukking.

De eerste twee psalmen van dit tweede psalmboek, Psalm 42 en Psalm 43, vormen een geheel. Psalm 42 heeft vooral te maken met de vijanden van buitenaf. In Psalm 43 gaat het om vijanden van binnenuit, eigen volk. Psalm 42 is meer een klaaglied, terwijl Psalm 43 meer een gebed tot God is. In Psalm 42 horen we het verlangen naar de Levende (Ps 42:2-62Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
4Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
5Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit:
hoe ik meeging in de stoet
[en] met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lof[liederen]:
een feestvierende menigte.
6Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
)
en naar de Levengevende (Ps 42:7-117Mijn God, mijn ziel buigt zich neer in mij,
daarom denk ik aan U
vanuit het land van de Jordaan en het Hermongebergte,
vanuit het laaggebergte.
8Watervloed roept tot watervloed,
terwijl Uw waterkolken bruisen;
al Uw baren en Uw golven
zijn over mij heen gegaan.
9Maar de HEERE zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden;
's nachts zal Zijn lied bij mij zijn,
een gebed tot de God van mijn leven.
10Ik zeg tegen God:
Mijn rots, waarom vergeet U mij?
Waarom ga ik in het zwart gehuld,
door de onderdrukking van de vijand?
11Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mijn tegenstanders mij,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
)
. In Psalm 43 horen we het verlangen naar de Lichtgevende (Ps 43:1-51Doe mij recht, o God,
en voer mijn rechtszaak;
bevrijd mij van het volk zonder goedertierenheid,
van de man van bedrog en onrecht.
2Want U bent de God van mijn kracht.
Waarom verstoot U mij [dan]?
Waarom ga ik steeds in het zwart gehuld,
door de onderdrukking van de vijand?
3Zend Uw licht en Uw waarheid;
laten die mij leiden,
mij brengen tot Uw heilige berg
en tot Uw woningen,
4zodat ik kan gaan naar Gods altaar,
naar God, [mijn] blijdschap, mijn vreugde;
en ik U met de harp kan loven,
o God, mijn God!
5Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en wat bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven;
Hij is de volkomen verlossing van mijn aangezicht en mijn God.
)
.

Psalm 42 heeft als achtergrond dat de zonen van Korach verstoten zijn van de plaats waar ze God mochten dienen in Zijn heiligdom. Er is groot heimwee naar die tijd (vers 55Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit:
hoe ik meeging in de stoet
[en] met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lof[liederen]:
een feestvierende menigte.
)
. Ze zijn er vandaan verdreven door de vijanden (verzen 10-1110Ik zeg tegen God:
Mijn rots, waarom vergeet U mij?
Waarom ga ik in het zwart gehuld,
door de onderdrukking van de vijand?
11Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mijn tegenstanders mij,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
)
. Historisch kan het zien op de vlucht van David uit Jeruzalem, waarbij de zonen van Korach hem hebben vergezeld.

Profetisch gaat het in dit tweede psalmboek over het gelovig overblijfsel van Israël, dat in een tijd van benauwdheid (Dn 12:11In die tijd zal Michaël opstaan,
de grote vorst,
hij die stáát voor uw volksgenoten.
Het zal een benauwde tijd zijn,
zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest
tot op die tijd.
In die tijd zal uw volk ontkomen,
ieder die gevonden wordt, opgeschreven in het boek.
)
naar de bergen is gevlucht (Mt 24:1616laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;) vanwege de gruwel van de verwoesting (Mt 24:1515Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –). In het tweede boek van de Pentateuch, het boek Exodus, is het volk Israël in een vreemd land, ver van het beloofde land. Daar zijn ze verdrukt. Het land Egypte is een type van de wereld waarover de oordelen van God komen. Als de verlossing komt en de vijand in de Rode Zee omkomt, zingt het volk het lied van verlossing.


Opschrift

1Voor de koorleider, een onderwijzing van de zonen van Korach.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.

Er zijn dertien psalmen die “een onderwijzing” in het opschrift hebben. De eerste ‘onderwijzing’ is Psalm 32. De inhoud van die psalm is de basis van alle onderwijzing. Die basis is de vergeving van de zonden (Ps 32:1-21Een onderwijzing van David.
Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven,
van wie de zonde bedekt is.
2Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is.
)
. Dat moet een mens eerst weten om verder onderwijs te ontvangen en te geven. Daar leert David als vergeven zondaar ook over de weg die gegaan moet worden. We moeten eerst de ervaringen van Psalm 32 kennen om het onderwijs van de volgende ‘onderwijspsalmen’ te kunnen opnemen. Zie voor een uitvoerige verklaring van “een onderwijzing” bij Psalm 32:1.

De tweede ‘onderwijspsalm’ is deze psalm “van de zonen van Korach”. Dit is de eerste van elf psalmen die dit in het opschrift vermelden. Van hun vader Korach staat in de Schrift dat hij brutaal tegen Mozes en Aäron in opstand komt. Korach wil het priesterschap omdat hij niet tevreden is met zijn taak als Leviet, wat al een bevoorrechte taak is (1Kr 6:31-33,37-3831Dezen zijn het die David heeft aangesteld om de zang in het huis van de HEERE te leiden, nadat de ark [op zijn] rustplaats [gekomen] was.32Zij dienden vóór de tabernakel, de tent van ontmoeting, met zingen, totdat Salomo het huis van de HEERE in Jeruzalem bouwde. Zij verrichtten hun dienst volgens de bepaling voor hen [vastgesteld].33Dit zijn zij die daar stonden, met hun zonen: van de nakomelingen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuel,37de zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach,38de zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël.). Als straf voor deze opstand sterft hij een bijzondere dood (Nm 16:1-3,8-11,30-331Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kahath, zoon van Levi, nam zowel Dathan en Abiram, zonen van Eliab, als On, de zoon van Peleth, nakomelingen van Ruben, [met zich] mee.2Zij kwamen in opstand tegen Mozes, samen met tweehonderdvijftig mannen uit de Israëlieten, leiders van de gemeenschap, afgevaardigden naar de vergadering, mannen van naam.3Zij kwamen vanwege Mozes en vanwege Aäron bijeen, en zeiden tegen hen: U [trekt] te veel naar u [toe], want heel de gemeenschap, allen zijn zij heilig, en de HEERE is in hun midden. Waarom verheft u zich dan boven de gemeente van de HEERE?8En Mozes zei tegen Korach: Luister toch, zonen van Levi!9Is het u niet genoeg dat de God van Israël u heeft afgezonderd van de gemeenschap van Israël om u tot Hem te laten naderen, om de dienst van de tabernakel van de HEERE te verrichten en voor de gemeenschap te staan om hen te dienen?10Hij heeft u en al uw broeders, de zonen van Levi, met u laten naderen; wilt u nu ook het priesterambt?11Daarom u, en uw hele aanhang, u spant samen tegen de HEERE. Immers, Aäron, wat is hij dat u tegen hem mort?30Maar als de HEERE iets nieuws zal scheppen, zodat de aardbodem zijn mond zal opensperren, en hen en alles wat van hen is, zal verzwelgen en zij levend naar het graf zullen afdalen, dan zult u weten dat deze mannen de HEERE verworpen hebben.31En het gebeurde, toen hij geëindigd had al deze woorden te spreken, dat de aardbodem die onder hen was, gespleten werd.32De aarde opende haar mond en verzwolg hen, met hun gezinnen, en alle mensen die Korach toebehoorden, en al [hun] bezittingen.33En zij daalden levend af naar het graf, zij en alles wat van hen was. En de aarde overdekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden van de gemeente.; Jd 1:1111Wee hun, omdat zij de weg van Kaïn gegaan zijn en voor loon zich aan de dwaling van Bileam overgegeven hebben en in de tegenspreking van Korach omgekomen zijn.). De zonen zijn echter niet gestorven (Nm 26:10-1110Maar de aarde had haar mond geopend en hen samen met Korach verzwolgen, toen [zijn] aanhang stierf, doordat het vuur tweehonderdvijftig mannen verteerd had. Zo waren zij tot een teken geworden.11Maar de kinderen van Korach waren niet gestorven.). Het lijkt erop dat zij zich niet bij de opstand van hun vader hebben aangesloten en daarom niet zijn geoordeeld.

De Korachieten zijn aanhangers van David (1Kr 12:66Elkana, Jissia, Azareël, Joëzer en Jasobam, de Korachieten;) en van generatie op generatie poortwachters (1Kr 9:17-2017De poortwachters waren Sallum, Akkub, Talmon, Ahiman en hun broeders. Sallum was het hoofd,18en tot nu toe [staan zij op wacht] bij de koningspoort aan de oostkant. Zij waren poortwachters bij de legerkampen van de Levieten.19Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, en zijn broeders uit zijn familie, de Korachieten, gingen over het dienstwerk [als] deurwachters bij de tabernakel, zoals hun vaderen in het kamp van de HEERE wachters bij de ingang geweest waren.20Pinehas, de zoon van Eleazar, was vroeger de verantwoordelijke [leider] van hen; de HEERE was met hem.). De zonen van Korach zijn onder andere zangers (2Kr 20:1919En de Levieten van de nakomelingen van de Kahathieten, en van de nakomelingen van de Korachieten, stonden op om de HEERE, de God van Israël, met luide stem ten hoogste te prijzen.). Een van de drie koorleiders van David is Heman, een Korachiet (Ps 88:11Een lied, een psalm van de zonen van Korach, voor de koorleider, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, de Ezrahiet.). Zingen is een vorm van profeteren (1Kr 25:1,31Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.3Wat betreft Jeduthun: de zonen van Jeduthun waren Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes. [Zij stonden] onder leiding van hun vader Jeduthun die bij [het spel van] de harp profeteerde onder het loven en prijzen van de HEERE.; Ko 3:1616Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.). De ‘onderwijspsalmen’ van de Korachieten zijn een vorm van profeteren. We kunnen ze in tweeërlei opzicht als profetische psalmen zien: ze hebben betrekking op het gelovig overblijfsel in de toekomst en ze hebben een boodschap voor ons hier-en-nu.

Het woord voor onderwijzing, maskil, komt van een woord voor verstandig zijn. Onderwijzen is wijs of verstandig maken. Onderwijs komt van verstandigen en dient om anderen wijs te maken (Dn 11:3333De verstandigen onder het volk zullen velen onderwijzen. Zij zullen struikelen door zwaard en vlam, door gevangenschap en beroving – dagen [lang].).


Verlangen naar God

2Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
4Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
5Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit:
hoe ik meeging in de stoet
[en] met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lof[liederen]:
een feestvierende menigte.
6Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.

De onderwijzing begint met het uitschreeuwen van de gelovige tot God dat hij intens naar Hem verlangt (vers 22Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
)
. Het is een schreeuw uit een leegte en vanwege een leegte. Ieder mens, hoe religieus ook, ervaart deze leegte als hij God mist. Deze leegte kan alleen maar gevuld worden door de levende God Zelf. Het is een leegte, een dorst, die elk schepsel in de hel eeuwig zal ervaren omdat hij eeuwig gescheiden zal zijn van God. Het is een leegte, een dorst, die de Heer Jezus heeft ervaren in de drie uren van duisternis, verlaten door Zijn God, toen Hij de plaats innam van ieder die in Hem gelooft.

De psalmist vergelijkt zijn verlangen met het schreeuwen – het Hebreeuwse woord betekent ‘snakken’, ‘smachten’, ‘heel sterk verlangen’ – van een hert naar waterstromen (vgl. Jr 14:66De wilde ezels staan op de kale hoogten,
als jakhalzen snakken ze naar adem,
hun ogen bezwijken,
omdat er geen gewas is.
)
. Een kameel kan meerdere dagen zonder water, een hert niet. Trouwens, aangezien het werkwoord “schreeuwt” vrouwelijk is, is het beter om het woord dat met ‘hert’ is vertaald, te vertalen met ‘hinde’. De psalmist kiest voor de vrouwelijke ‘hinde’ omdat ‘mijn ziel’ ook vrouwelijk is, waardoor er een parallel is.

Elk dier dat dorst heeft, schreeuwt het uit (Jl 1:2020Zelfs de dieren van het veld
schreeuwen naar U,
want de waterstromen
zijn uitgedroogd.
Een vuur heeft
de weiden van de woestijn verteerd.
)
. Een hert of een hinde is een sierlijk, schichtig dier en voor wilde dieren een aantrekkelijke prooi. Dat maakt het hert of de hinde tot een aansprekend voorbeeld van de Godvrezende. De gelovige verlangt met zijn ziel, zijn hele innerlijk, al zijn gevoelens, naar Gods tegenwoordigheid, naar gemeenschap met Hem, en schreeuwt God direct en persoonlijk toe met de uitroep “tot U, o God!”.

Hij vervolgt het kenbaar maken van zijn verlangen naar God en zegt: “Mijn ziel dorst naar God” (vers 33Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
; vgl. Ps 143:66Ik spreid mijn handen naar U uit,
mijn ziel ligt voor U als een dorstig land. /Sela/
; Js 55:11O, alle dorstigen, kom tot de wateren,
en u die geen geld hebt, kom,
koop en eet, ja, kom, koop zonder geld,
zonder prijs, wijn en melk.
; Jh 19:2828Hierna zei Jezus, Die wist dat nu alles was volbracht, opdat de Schrift werd vervuld: Ik heb dorst!; Op 21:66En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.; 22:1717En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet.)
. Vervolgens brengt hij zijn verlangen naar Hem (vgl. Ps 84:33Mijn ziel verlangt, ja, bezwijkt zelfs van verlangen
naar de voorhoven van de HEERE;
mijn hart en mijn lichaam
roepen het uit tot de levende God.
)
versterkt tot uitdrukking door Hem “de levende God” te noemen (Dt 5:2626Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God heeft horen spreken vanuit het midden van het vuur, zoals wij, en in leven is gebleven?; Hs 1:1010Toch zal het aantal Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk, tegen hen gezegd zal worden: Kinderen van de levende God.). Deze Naam van God herinnert eraan dat Hij “de bron van levend water” is (Jr 2:1313Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan:
Mij, de bron van levend water,
hebben zij verlaten,
om zich bakken uit te hakken,
lekkende bakken,
die geen water houden.
; 17:1313HEERE, Hoop van Israël,
allen die U verlaten, zullen beschaamd worden.
Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven,
want zij hebben de bron van het levende water, de HEERE, verlaten.
)
.

De dorst naar God wordt alleen gelest als hij “zal … binnengaan om voor Gods aangezicht te verschijnen”, wat wil zeggen als hij de tempel binnengaat, de plaats waar God woont. Het verlangen naar het verschijnen voor Gods aangezicht brengt extra versterkt zijn verlangen naar God tot uitdrukking. De uitdrukking ‘voor Gods aangezicht verschijnen’ wordt gebruikt voor het drie keer per jaar verschijnen van het volk Israël in Jeruzalem op de feesten van de HEERE.

De grote vraag die hem kwelt, is wanneer dat zal gebeuren, wanneer hij naar Gods altaar kan gaan, naar God, zijn blijdschap en zijn vreugde, om Hem met de harp te loven (Ps 43:44zodat ik kan gaan naar Gods altaar,
naar God, [mijn] blijdschap, mijn vreugde;
en ik U met de harp kan loven,
o God, mijn God!
)
. Voor de Godvrezende leden van Gods aardse volk is gemeenschap met God ten nauwste verbonden aan de plaats waar Hij woont, in Zijn huis in Jeruzalem.

De Godvrezende is verdreven van die voor hem zo kostbare plaats. Dat veroorzaakt een groot verdriet bij hem. Hij leeft in een vreemd land. Na de kwellende vraag die hij zichzelf stelt, wanneer hij bij God zal komen, wordt hij nu door zijn vijanden bestookt met de spottende en uitdagende vraag waar zijn God, naar Wie hij zo verlangt, dan wel is (vers 44Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
; vgl. Jl 2:1717Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen
tussen de voorhal en het altaar,
en laten zij zeggen:
Ontzie Uw volk, HEERE,
geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,
zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.
Waarom zouden ze onder de volken zeggen:
Waar is hun God?
)
. God komt immers niet voor Zijn verdreven volk op? Het ontbreekt Hem zeker aan macht.

Deze spot maakt zijn kwelling nog groter. Zijn verdriet over het gemis van gemeenschap met God in Zijn huis wordt er heviger door. Hierover huilt hij “dag en nacht”, want hij wordt gekweld door diezelfde vraag. Dat zijn tranen hem tot voedsel zijn, wil zeggen dat hij zo overmand is door verdriet, dat hij geen voedsel neemt.

De psalmist kijkt terug in zijn leven, naar zijn ervaringen met God, om daar hoop uit te putten. Hij denkt met groot heimwee terug aan de tijd dat hij mee is opgetrokken met Gods volk naar Gods huis (vers 55Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit:
hoe ik meeging in de stoet
[en] met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lof[liederen]:
een feestvierende menigte.
; Ps 122:44Daarheen trekken de stammen op,
de stammen van de HEERE,
[naar de ark van] de getuigenis van Israël,
om de Naam van de HEERE te loven.
)
. Daarover stort zijn ziel zich in hem uit, wat wil zeggen dat zijn emoties heftig in beroering komen als hij daaraan terugdenkt. Jaarlijks is hij met de pelgrims opgegaan naar Jeruzalem. Ze behoorden ter gelegenheid van de drie grote feesten naar Jeruzalem te gaan: het Pascha met het Feest van de ongezuurde broden, het Wekenfeest ofwel het Feest van de eerstelingen en het Loofhuttenfeest (Ex 23:1717Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van de Heere HEERE verschijnen.; 34:2323Alles wat onder u mannelijk is, moet drie keer per jaar verschijnen voor het aangezicht van de Heere HEERE, de God van Israël.; Dt 16:1616Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk is onder u, verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen: op het Feest van de ongezuurde [broden], op het Wekenfeest en op het Loofhuttenfeest. Men mag echter niet [met] lege [handen] voor het aangezicht van de HEERE verschijnen,).

Wat een geweldige stoet trok er op! Hij hoort als het ware weer de “luide lofzang en lof[liederen]“ die door de stoet werden gezongen. Daar liep hij bij, hij was een van hen. Ze vormden met elkaar “een feestvierende menigte”. Iedereen verheugde zich op de ontmoeting met God in Zijn huis.

Maar nu? De Godvrezende keert tot zichzelf in. Hij stelt zichzelf een vraag die hij nog twee keer zal stellen (vers 66Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
; vers 1212Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en wat bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven;
Hij is de volkomen verlossing van mijn aangezicht en mijn God.
; Ps 43:55Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en wat bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven;
Hij is de volkomen verlossing van mijn aangezicht en mijn God.
)
. Het is een wanhopige vraag aan zichzelf waarom zijn ziel zich in hem neerbuigt en onrustig in hem is. Hij vraagt zich af of God hem iets te zeggen heeft, of dat hij God werkelijk liefheeft (vgl. Jh 21:15-1715Toen zij dan hadden ontbeten, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren.16Hij zei opnieuw tot hem, voor [de] tweede keer: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen.17Hij zei tot hem voor de derde keer: Simon, [zoon] van Johannes, houd je van Mij? Petrus werd bedroefd omdat Hij voor de derde keer tot hem zei: Houd je van Mij? En hij zei tot Hem: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen.). Tegelijk spoort hij zichzelf aan om op God te hopen. Dat doet hij vanuit de zekerheid dat hij God weer zal loven op de plaats waar God woont.

God heeft geen hoorbaar antwoord gegeven, maar het vertrouwen van de Godvrezende in Hem geeft hem die hoop. Hoop wil zeggen wachten op God, totdat Hij handelt. In het vreemde land blijft hij op God vertrouwen. Hij vertrouwt erop dat er een “volkomen verlossing” van Gods aangezicht, dat is vanuit Zijn tegenwoordigheid, zal komen. Dat zal gebeuren door de verschijning en aanwezigheid van de Messias. De “volkomen verlossing” – letterlijk meervoud: verlossingen – betekent niet alleen verlossing door de kracht van God van de vijand, zoals bij de Rode Zee, maar houdt ook een terugkeer naar Gods woonplaats in.


Waarom vergeet U mij?

7Mijn God, mijn ziel buigt zich neer in mij,
daarom denk ik aan U
vanuit het land van de Jordaan en het Hermongebergte,
vanuit het laaggebergte.
8Watervloed roept tot watervloed,
terwijl Uw waterkolken bruisen;
al Uw baren en Uw golven
zijn over mij heen gegaan.
9Maar de HEERE zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden;
's nachts zal Zijn lied bij mij zijn,
een gebed tot de God van mijn leven.
10Ik zeg tegen God:
Mijn rots, waarom vergeet U mij?
Waarom ga ik in het zwart gehuld,
door de onderdrukking van de vijand?
11Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mijn tegenstanders mij,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
12Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en wat bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven;
Hij is de volkomen verlossing van mijn aangezicht en mijn God.

In het eerste couplet van de psalm (verzen 1-61Voor de koorleider, een onderwijzing van de zonen van Korach.2Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
4Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
5Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit:
hoe ik meeging in de stoet
[en] met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lof[liederen]:
een feestvierende menigte.
6Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
)
denkt de Godvrezende aan de pelgrimstochten naar Gods huis in Jeruzalem (vers 55Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit:
hoe ik meeging in de stoet
[en] met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lof[liederen]:
een feestvierende menigte.
)
. In dit tweede couplet (verzen 7-127Mijn God, mijn ziel buigt zich neer in mij,
daarom denk ik aan U
vanuit het land van de Jordaan en het Hermongebergte,
vanuit het laaggebergte.
8Watervloed roept tot watervloed,
terwijl Uw waterkolken bruisen;
al Uw baren en Uw golven
zijn over mij heen gegaan.
9Maar de HEERE zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden;
's nachts zal Zijn lied bij mij zijn,
een gebed tot de God van mijn leven.
10Ik zeg tegen God:
Mijn rots, waarom vergeet U mij?
Waarom ga ik in het zwart gehuld,
door de onderdrukking van de vijand?
11Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mijn tegenstanders mij,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
12Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en wat bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven;
Hij is de volkomen verlossing van mijn aangezicht en mijn God.
)
denkt hij aan God Zelf. Hij spreekt in vers 77Mijn God, mijn ziel buigt zich neer in mij,
daarom denk ik aan U
vanuit het land van de Jordaan en het Hermongebergte,
vanuit het laaggebergte.
tot God en noemt Hem “mijn God”. Zo kent hij God en leeft hij in gemeenschap met Hem al is hij in een vreemd land. Toch blijft hij, ondanks zijn herinneringen aan wat hij in het verleden van Gods trouw heeft ervaren (vers 55Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit:
hoe ik meeging in de stoet
[en] met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lof[liederen]:
een feestvierende menigte.
)
, wanhopig. Hij maakt God deelgenoot van zijn innerlijke wanhoop. Het woord “daarom” waarmee de tweede versregel begint, geeft aan dat die gevoelens van wanhoop tegelijk de aanleiding zijn om aan God te denken vanuit het land waarheen hij is verdreven.

Hij bevindt zich in “het land van de Jordaan en het Hermongebergte” en “het laaggebergte”. Met het land van de Jordaan wordt het land ten oosten van de rivier de Jordaan bedoeld. Daarheen zijn ze gevlucht. Dit is wat in de, nu nabije, toekomst zal gebeuren als de antichrist regeert en in een verbond met het herstelde Romeinse rijk een afgodsbeeld in de tempel heeft opgericht. God zal daarvoor de koning van het noorden als een tuchtroede over Zijn afvallige volk brengen (Dn 9:26b-2726Na de tweeënzestig weken
zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn.
Een volk van een vorst, [een volk] dat komen zal,
zal de stad en het heiligdom te gronde richten.
Het einde ervan zal zijn in de [overstromende] vloed
en tot het einde toe zal er oorlog zijn,
verwoestingen [waartoe] vast besloten is.27Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week [lang].
Halverwege de week
zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
)
. In Zijn profetische eindtijdrede verwijst de Heer Jezus daarnaar en zegt tegen het overblijfsel dat het op dat moment moet vluchten (Mt 24:15-1615Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –16laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;).

In plaats van zijn dorst te kunnen lessen aan God, de bron van levend water, wordt de Godvrezende overweldigd door watervloeden, waterkolken, baren en golven die allemaal van God komen (vers 88Watervloed roept tot watervloed,
terwijl Uw waterkolken bruisen;
al Uw baren en Uw golven
zijn over mij heen gegaan.
)
. Het begeerlijke water van verfrissing en verkwikking waar hij zo naar verlangt (vers 22Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
)
, verandert in het verraderlijke en dodelijke water van de overstromingen van de wadi’s. De psalmist spreekt over “Uw waterkolken” en “al Uw baren en Uw golven”. Hij ervaart de moeilijkheden als de tuchtigende hand van God. Hij heeft geen vat op zijn huidige omstandigheden en voelt zich ten ondergaan in Gods oordeel. Hoe kan dat mogelijk zijn? Waar zal dat eindigen?

Het overblijfsel zal ontdekken dat de wateren van het oordeel er niet zijn om hen om te brengen, maar om hen te reinigen (Ps 60:88God heeft gesproken in Zijn heiligdom,
[daarom] zal ik van vreugde opspringen;
ik zal Sichem verdelen,
het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
)
. De oorzaak daarvan is dat de Heer Jezus ten volle in de waterkolken van Gods oordeel is geweest toen Hij hun zonden – en die van allen die in Hem geloven – droeg. Jona, als een type van het overblijfsel in de grote verdrukking, spreekt het ook uit (Jn 2:5-65Water omving mij, bedreigde mijn leven,
de watervloed omving mij.
Zeewier was om mijn hoofd gebonden.6Naar de diepste gronden van de bergen
daalde ik af [in] de aarde;
haar grendels [sloten zich] voor eeuwig achter mij.
Maar uit het verderf trok U mijn leven omhoog,
HEERE, mijn God!
)
. De Heer Jezus past wat Jona overkomt, toe op Zichzelf en dan met name op Zijn dagen in het graf, nadat Hij de oordelen van God over de zonde heeft gedragen (Mt 12:4040Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn.).

De getrouwen worden ondergedompeld in een zee van ellende. Ze worden erdoor overweldigd. Toch wint de wanhoop het niet. De getrouwe bevindt zich in zware beproeving, maar van daaruit stijgt zijn vertrouwen in God omhoog (vers 99Maar de HEERE zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden;
's nachts zal Zijn lied bij mij zijn,
een gebed tot de God van mijn leven.
)
. Hij spreekt de zekerheid uit dat “de HEERE … overdag Zijn goedertierenheid gebieden” zal.

Ineens wordt de naam van de HEERE, de naam van God in verbinding met Zijn verbond, gebruikt! De basis van “Zijn goedertierenheid” – dat is Zijn verbondstrouw, Hebr. chesed – is Zijn verbond, want de Middelaar, Christus, heeft het oordeel op Zich genomen. Hij kan tegen God zeggen: “Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gegaan”, terwijl Hij toch de Zondeloze was.

De Godvrezende kan in de nacht waarin zijn leven nu gehuld is, zeggen dat “Zijn lied” bij hem zal zijn (vgl. Hd 16:2525Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen.). Dat lied bestaat uit “een gebed tot de God van mijn leven”. Hij erkent God als de God van zijn leven, als Degene Die zijn leven volledig in handen heeft. God kennen als de God Die ons leven volledig bestuurt, geeft rust als de omstandigheden zwaar op ons drukken.

De rust die wordt ervaren, kan ook weer onder druk komen te staan. De Godvrezende spreekt daarover met God (vers 1010Ik zeg tegen God:
Mijn rots, waarom vergeet U mij?
Waarom ga ik in het zwart gehuld,
door de onderdrukking van de vijand?
)
. Hij noemt God “mijn rots”, wat aangeeft dat hij vertrouwt op de onwankelbare trouw van God. Waar hij mee worstelt, is dat God hem “vergeet”. Zo ervaart hij dat. Hoe kan de trouwe God hem vergeten? Hij verwijt God niets, maar richt zich in vertrouwen tot God met vragen die hem kwellen.

Ook vraagt hij waarom hij “in het zwart gehuld” gaat. Hij draagt zwarte kleding vanwege “de onderdrukking van de vijand”. De vijand, de volken te midden waarvan het overblijfsel is gevlucht en die hun vijandig gezind zijn, maakt hem het leven zwaar en maakt het hem ook onmogelijk om naar Gods huis te gaan. Dat veroorzaakt een diepe droefheid, die hij laat zien door zijn zwarte kleding. Hij is in rouw.

Hij is overgeleverd aan zijn tegenstanders en die sparen hem niet (vers 1111Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mijn tegenstanders mij,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
)
. “De hele dag” honen zij hem met woorden die “een doodsteek” in zijn beenderen zijn. Dit geeft aan dat wat zij zeggen, hem de kracht ontneemt om te lopen. En wat zeggen zij de hele dag door? “Waar is uw God?” Dit gaat hem door merg en been. Zo verlammend en zelfs dodelijk kunnen woorden zijn (vgl. Sp 12:18a18Er zijn er die als met dolksteken praten, ondoordacht,
maar de tong van de wijzen betekent genezing.
)
. Dat is zeker het geval als ze voortdurend worden herhaald en ook nog eens aansluiten op zijn eigen worsteling met de vraag: Waarom is God mij vergeten?

De Godvrezende is na zijn heen en weer gaan tussen vertwijfeling en hoop weer op het punt aangekomen waar hij eerder in deze psalm ook is aangekomen (vers 1212Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en wat bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven;
Hij is de volkomen verlossing van mijn aangezicht en mijn God.
; vers 66Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
)
. Maar hij spreekt nu een sterker vertrouwen in de verlossing uit. In vers 66Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
zegt hij dat hij God zal “loven voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht”. Nu zegt hij dat hij God zal loven omdat God Zelf “de volkomen verlossing van mijn aangezicht” is. Hij noemt God hier ook “mijn God”.


Lees verder