Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-6 Verlangen naar God 7-12 Waarom vergeet U mij?
Inleiding

In het eerste psalmboek, dat Psalmen 1-41 omvat, is het overblijfsel te midden van de vijanden in het land. In het tweede psalmboek, dat Psalmen 42-72 omvat, is het overblijfselbuiten het land en bevindt het zich te midden van buitenlandse vijanden.

De psalm heeft als achtergrond dat de zonen van Korach verstoten zijn van de plaats waar ze God hebben mogen dienen in Zijn heiligdom. Er is groot heimwee naar die tijd en die plaats (vers 55Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit:
hoe ik meeging in de stoet
[en] met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lof[liederen]:
een feestvierende menigte.
)
. Ze zijn er vandaan verdreven door de vijanden (verzen 10-1110Ik zeg tegen God:
Mijn rots, waarom vergeet U mij?
Waarom ga ik in het zwart gehuld,
door de onderdrukking van de vijand?
11Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mijn tegenstanders mij,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
)
. Historisch kan het zien op de vlucht van David uit Jeruzalem voor zijn zoon Absalom, waarbij de zonen van Korach hem hebben vergezeld als zijn vrienden.


Opschrift

1Voor de koorleider, een onderwijzing van de zonen van Korach.

Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1. Deze psalm is “een onderwijzing”, ook wel ‘een leergedicht’ genoemd. Er zijn dertien psalmen die dit in het opschrift hebben, zie bij Psalm 32:1. De eerste ‘onderwijzing’ is Psalm 32. De inhoud van die psalm is de basis van elke volgende onderwijzing. Die basis is de vergeving van de zonden (Ps 32:1-21Een onderwijzing van David.
 Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven,
van wie de zonde bedekt is.
2Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is.
)
. Daar leert David als vergeven zondaar ook over de weg die gegaan moet worden. We moeten eerst de ervaringen van Psalm 32 kennen om het onderwijs van de volgende ‘onderwijspsalmen’ te kunnen opnemen en ook door te kunnen geven.

Psalm 42 is de tweede ‘onderwijspsalm’. Hij is “van de zonen van Korach”. Dit is de eerste van elf psalmen die dit in het opschrift vermelden (Ps 42:11Voor de koorleider, een onderwijzing van de zonen van Korach.; 44:11Voor de koorleider, een onderwijzing, van de zonen van Korach.; 45:11Een onderwijzing, een lied over de liefde, voor de koorleider, van de zonen van Korach, op ‘De lelies’.; 46:11Een lied op Alamoth, voor de koorleider, van de zonen van Korach.; 47:11Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach.; 48:11Een lied, een psalm, van de zonen van Korach.; 49:11Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach.; 84:11Voor de koorleider, op ‘De Gittith’; een psalm, van de zonen van Korach.; 85:11Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach.; 87:11Een psalm, een lied van de zonen van Korach.
Zijn fundament rust op de heilige bergen.
; 88:11Een lied, een psalm van de zonen van Korach, voor de koorleider, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, de Ezrahiet.)
. Van Korach, hun vader, staat in de Schrift dat hij brutaal tegen Mozes en Aäron in opstand komt. Hij wil het priesterschap omdat hij niet tevreden is met zijn taak als Leviet, wat al een bevoorrechte taak is (1Kr 6:31-33,37-3831Dezen zijn het die David heeft aangesteld om de zang in het huis van de HEERE te leiden, nadat de ark [op zijn] rustplaats [gekomen] was.32Zij dienden vóór de tabernakel, de tent van ontmoeting, met zingen, totdat Salomo het huis van de HEERE in Jeruzalem bouwde. Zij verrichtten hun dienst volgens de bepaling voor hen [vastgesteld].33Dit zijn zij die daar stonden, met hun zonen: van de nakomelingen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuel,37de zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach,38de zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël.). Als straf voor deze opstand sterft hij een bijzondere dood (Nm 16:1-3,8-11,30-331Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kahath, zoon van Levi, nam zowel Dathan en Abiram, zonen van Eliab, als On, de zoon van Peleth, nakomelingen van Ruben, [met zich] mee.2Zij kwamen in opstand tegen Mozes, samen met tweehonderdvijftig mannen uit de Israëlieten, leiders van de gemeenschap, afgevaardigden naar de vergadering, mannen van naam.3Zij kwamen vanwege Mozes en vanwege Aäron bijeen, en zeiden tegen hen: U [trekt] te veel naar u [toe], want heel de gemeenschap, allen zijn zij heilig, en de HEERE is in hun midden. Waarom verheft u zich dan boven de gemeente van de HEERE?8En Mozes zei tegen Korach: Luister toch, zonen van Levi!9Is het u niet genoeg dat de God van Israël u heeft afgezonderd van de gemeenschap van Israël om u tot Hem te laten naderen, om de dienst van de tabernakel van de HEERE te verrichten en voor de gemeenschap te staan om hen te dienen?10Hij heeft u en al uw broeders, de zonen van Levi, met u laten naderen; wilt u nu ook het priesterambt?11Daarom u, en uw hele aanhang, u spant samen tegen de HEERE. Immers, Aäron, wat is hij dat u tegen hem mort?30Maar als de HEERE iets nieuws zal scheppen, zodat de aardbodem zijn mond zal opensperren, en hen en alles wat van hen is, zal verzwelgen en zij levend naar het graf zullen afdalen, dan zult u weten dat deze mannen de HEERE verworpen hebben.31En het gebeurde, toen hij geëindigd had al deze woorden te spreken, dat de aardbodem die onder hen was, gespleten werd.32De aarde opende haar mond en verzwolg hen, met hun gezinnen, en alle mensen die Korach toebehoorden, en al [hun] bezittingen.33En zij daalden levend af naar het graf, zij en alles wat van hen was. En de aarde overdekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden van de gemeente.; Jd 1:1111Wee hun, omdat zij de weg van Kaïn gegaan zijn en voor loon zich aan de dwaling van Bileam overgegeven hebben en in de tegenspreking van Korach omgekomen zijn.). De zonen zijn echter niet gestorven (Nm 26:1111Maar de kinderen van Korach waren niet gestorven.). Het lijkt erop dat zij zich niet bij de opstand van hun vader hebben aangesloten en daarom niet zijn geoordeeld.

De zonen van Korach zijn onder andere zangers (2Kr 20:1919En de Levieten van de nakomelingen van de Kahathieten, en van de nakomelingen van de Korachieten, stonden op om de HEERE, de God van Israël, met luide stem ten hoogste te prijzen.). Zingen is een vorm van profeteren (1Kr 25:1,31Verder zonderde David met de legerbevelhebbers [mensen] af voor het dienstwerk uit de nakomelingen van Asaf, Heman en Jeduthun. Zij profeteerden onder [het spel van] harpen, luiten en cimbalen. Dit is hun aantal, van de mannen werkzaam voor hun dienstwerk.3Wat betreft Jeduthun: de zonen van Jeduthun waren Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes. [Zij stonden] onder leiding van hun vader Jeduthun die bij [het spel van] de harp profeteerde onder het loven en prijzen van de HEERE.; Ko 3:1616Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.). Hun ‘onderwijspsalmen’ zijn een vorm van profeteren. We kunnen ze in tweeërlei opzicht als profetische psalmen zien: ze hebben betrekking op het gelovig overblijfsel in de toekomst en ze hebben een boodschap voor ons hier-en-nu.

Het Hebreeuwse woord voor ‘onderwijzing’, maskil, komt van een woord voor ‘verstandig zijn’. Onderwijzen is wijs of verstandig maken. Het onderwijs wordt gegeven door verstandigen en dient om anderen wijs te maken (Dn 11:3333De verstandigen onder het volk zullen velen onderwijzen. Zij zullen struikelen door zwaard en vlam, door gevangenschap en beroving – dagen [lang].; 12:33De verstandigen zullen blinken als de glans van het [hemel]gewelf,
en zij die er velen rechtvaardigen, als de sterren,
voor eeuwig en altijd.
)
.


Verlangen naar God

2Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
4Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
5Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit:
hoe ik meeging in de stoet
[en] met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lof[liederen]:
een feestvierende menigte.
6Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.

De onderwijzing begint met het uitschreeuwen van de gelovige tot God dat hij intens naar Hem verlangt (vers 22Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
)
. Hij vergelijkt zijn verlangen met het schreeuwen van een hert naar de waterstromen. Elk dier dat dorst heeft, schreeuwt het uit (Jl 1:2020Zelfs de dieren van het veld
schreeuwen naar U,
want de waterstromen
zijn uitgedroogd.
Een vuur heeft
de weiden van de woestijn verteerd.
)
. Hier wordt specifiek een hert genoemd. Een hert is een sierlijk, schichtig dier, dat voor wilde dieren een aantrekkelijke prooi is. Deze kenmerken maken het hert tot een aansprekend beeld van de Godvrezende. De gelovige verlangt met zijn ziel, zijn hele innerlijk, al zijn gevoelens, naar Gods tegenwoordigheid, naar gemeenschap met Hem, en schreeuwt direct en persoonlijk “tot U, o God!”

Hij gaat verder met het kenbaar maken van zijn verlangen naar God en zegt: “Mijn ziel dorst naar God” (vers 33Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
; vgl. Ps 143:66Ik spreid mijn handen naar U uit,
mijn ziel ligt voor U als een dorstig land. /Sela/
)
. Vervolgens brengt hij zijn verlangen naar Hem versterkt tot uitdrukking door Hem “de levende God” te noemen (Dt 5:2626Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God heeft horen spreken vanuit het midden van het vuur, zoals wij, en in leven is gebleven?; Hs 1:1010Toch zal het aantal Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk, tegen hen gezegd zal worden: Kinderen van de levende God.). Deze Naam van God herinnert eraan dat Hij “de bron van levend water” is (Jr 2:1313Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan:
Mij, de bron van levend water,
hebben zij verlaten,
om zich bakken uit te hakken,
lekkende bakken,
die geen water houden.
; 17:1313HEERE, Hoop van Israël,
allen die U verlaten, zullen beschaamd worden.
Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven,
want zij hebben de bron van het levende water, de HEERE, verlaten.
)
.

Zijn dorst naar God wordt alleen gelest als hij “zal … binnengaan om voor Gods aangezicht te verschijnen”, wat wil zeggen als hij de tempel binnengaat, de plaats waar God woont. De grote vraag die hem kwelt, is wanneer dat zal gebeuren. Voor de Godvrezende leden van Gods aardse volk is gemeenschap met God ten nauwste verbonden aan de plaats waar Hij woont, dat is aan Zijn huis in Jeruzalem.

De Korachiet – hij spreekt in de ‘ik’-vorm en deelt zijn persoonlijke gevoelens mee die de gevoelens van alle Korachieten vertolken – is verdreven van die voor hem zo kostbare plaats. Dat veroorzaakt groot verdriet bij hem. Hij leeft in een vreemd land. Daar wordt hij bestookt met de spottende en uitdagende vraag waar zijn God, naar Wie hij zo verlangt, dan wel is (vers 44Mijn tranen zijn mij tot voedsel,
dag en nacht,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
; vgl. Jl 2:1717Laten de priesters, de dienaren van de HEERE, wenen
tussen de voorhal en het altaar,
en laten zij zeggen:
Ontzie Uw volk, HEERE,
geef Uw erfelijk bezit niet over aan smaad,
zodat de heidenvolken over hen zouden heersen.
Waarom zouden ze onder de volken zeggen:
Waar is hun God?
)
. God komt immers niet voor Zijn verdreven volk op? Het ontbreekt Hem zeker aan macht.

Deze spot vergroot zijn verdriet over het gemis van gemeenschap met God in Zijn huis. Hierover huilt hij “dag en nacht”, want hij wordt gekweld door diezelfde vraag. Dat zijn tranen hem tot voedsel dienen, wil zeggen dat hij zo overmand is door verdriet, dat hij geen voedsel neemt.

Hij heeft alleen zijn herinnering aan betere dagen en denkt met groot heimwee terug aan de tijd dat hij met Gods volk is opgetrokken naar Gods huis (vers 55Hieraan denk ik
en ik stort mijn ziel in mij uit:
hoe ik meeging in de stoet
[en] met hen optrok naar Gods huis,
onder luide vreugdezang en lof[liederen]:
een feestvierende menigte.
; Ps 122:44Daarheen trekken de stammen op,
de stammen van de HEERE,
[naar de ark van] de getuigenis van Israël,
om de Naam van de HEERE te loven.
)
. Daarover stort zijn ziel zich in hem uit, wat wil zeggen dat zijn emoties heftig in beroering komen als hij daaraan denkt. Drie keer in het jaar is hij met de pelgrims opgegaan naar Jeruzalem. Dat is gebeurd ter gelegenheid van de drie grote feesten: het Pascha met het Feest van de ongezuurde broden, het Wekenfeest ofwel het Feest van de eerstelingen en het Loofhuttenfeest (Ex 23:1717Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van de Heere HEERE verschijnen.; 34:2323Alles wat onder u mannelijk is, moet drie keer per jaar verschijnen voor het aangezicht van de Heere HEERE, de God van Israël.; Dt 16:1616Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk is onder u, verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen: op het Feest van de ongezuurde [broden], op het Wekenfeest en op het Loofhuttenfeest. Men mag echter niet [met] lege [handen] voor het aangezicht van de HEERE verschijnen,).

Wat een geweldige stoet is er toen opgetrokken! Hij hoort als het ware weer de “luide lofzang en lof[liederen]“ die door de stoet zijn gezongen. Daar heeft hij als een van hen bij gelopen. Ze hebben met elkaar “een feestvierende menigte” gevormd. Iedereen heeft zich verheugd op de ontmoeting met God in Zijn huis.

Maar nu? De Godvrezende keert tot zichzelf in. Hij stelt zichzelf een vraag die hij nog twee keer zal stellen (vers 66Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
; Ps 42:66Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
; 43:55Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en wat bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven;
Hij is de volkomen verlossing van mijn aangezicht en mijn God.
)
. Het is de wanhopige vraag waarom zijn ziel zich in hem neerbuigt en onrustig in hem is. Tegelijk spoort hij zichzelf aan om op God te hopen. Dat doet hij vanuit de zekerheid dat hij God weer zal loven op de plaats waar God woont.

God heeft geen hoorbaar antwoord gegeven, maar het vertrouwen van de Godvrezende op Hem geeft hem die hoop. Hoop wil zeggen wachten op God, totdat Hij handelt. In het vreemde land houdt hij vast aan zijn vertrouwen op God. Hij vertrouwt erop dat er een “volkomen verlossing” van Gods aangezicht, dat is vanuit Zijn tegenwoordigheid, zal komen. Dat zal gebeuren door de verschijning en aanwezigheid van de Messias. De ‘volkomen verlossing’ betekent niet alleen verlossing van de vijand, maar ook terugkeer naar Gods woonplaats.


Waarom vergeet U mij?

7Mijn God, mijn ziel buigt zich neer in mij,
daarom denk ik aan U
vanuit het land van de Jordaan en het Hermongebergte,
vanuit het laaggebergte.
8Watervloed roept tot watervloed,
terwijl Uw waterkolken bruisen;
al Uw baren en Uw golven
zijn over mij heen gegaan.
9Maar de HEERE zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden;
's nachts zal Zijn lied bij mij zijn,
een gebed tot de God van mijn leven.
10Ik zeg tegen God:
Mijn rots, waarom vergeet U mij?
Waarom ga ik in het zwart gehuld,
door de onderdrukking van de vijand?
11Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mijn tegenstanders mij,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
12Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en wat bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven;
Hij is de volkomen verlossing van mijn aangezicht en mijn God.

De Godvrezende spreekt in vers 77Mijn God, mijn ziel buigt zich neer in mij,
daarom denk ik aan U
vanuit het land van de Jordaan en het Hermongebergte,
vanuit het laaggebergte.
tot God en noemt Hem “mijn God”. Zo kent hij God en leeft in gemeenschap met Hem al is hij in een vreemd land. Hij maakt God deelgenoot van zijn innerlijke wanhoop. Tegelijk zijn die gevoelens de aanleiding, “daarom”, om aan God te denken vanuit het land waar hij heen is verdreven.

Hij bevindt zich in “het land van de Jordaan en het Hermongebergte” en “het laaggebergte”. Hij is daarheen gevlucht. Dit is wat in de toekomst zal gebeuren als de antichrist regeert en in een verbond met het herstelde Romeinse rijk een afgodsbeeld in de tempel heeft opgericht. God zal daarvoor de koning van het noorden als een tuchtroede over Zijn afvallige volk brengen (Dn 9:26b-2726Na de tweeënzestig weken
zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn.
Een volk van een vorst, [een volk] dat komen zal,
zal de stad en het heiligdom te gronde richten.
Het einde ervan zal zijn in de [overstromende] vloed
en tot het einde toe zal er oorlog zijn,
verwoestingen [waartoe] vast besloten is.27Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week [lang].
Halverwege de week
zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
)
. De Heer Jezus verwijst daarnaar in Zijn profetische rede en zegt tegen het overblijfsel dat het op dat moment moet vluchten naar de bergen (Mt 24:15-1615Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –16laten dan zij die in Judéa zijn, vluchten naar de bergen;).

In plaats van zijn dorst te kunnen lessen aan God, de bron van levend water, wordt de Godvrezende overweldigd door watervloeden, waterkolken, baren en golven die allemaal van God komen (vers 88Watervloed roept tot watervloed,
terwijl Uw waterkolken bruisen;
al Uw baren en Uw golven
zijn over mij heen gegaan.
)
. Hij spreekt tot God over “Uw waterkolken” en “al Uw baren en Uw golven”. Hij heeft geen vat op zijn huidige omstandigheden en voelt zich ten ondergaan in Gods oordeel. Hoe kan dat mogelijk zijn? Waar zal dat eindigen? Wat hij later zal begrijpen, en wij nu al mogen weten, is dat de wateren van het oordeel er niet zijn om hem – en hij vertegenwoordigd het overblijfsel – om te brengen, maar om hem – het overblijfsel – te reinigen (Ps 60:10a10Moab is mijn waskom,
op Edom zal ik mijn schoen werpen.
Juich over mij, Filistea!
)
.

De Heer Jezus is ten volle in de waterkolken van Gods oordeel geweest, toen Hij de zonden droeg van allen die in Hem geloven. Jona, als een type van het overblijfsel in de grote verdrukking, spreekt hetzelfde uit als de Korachiet hier (Jn 2:5-65Water omving mij, bedreigde mijn leven,
de watervloed omving mij.
Zeewier was om mijn hoofd gebonden.6Naar de diepste gronden van de bergen
daalde ik af [in] de aarde;
haar grendels [sloten zich] voor eeuwig achter mij.
Maar uit het verderf trok U mijn leven omhoog,
HEERE, mijn God!
)
. De Heer Jezus past wat Jona overkomt, toe op Zichzelf en dan speciaal op Zijn dagen in het graf nadat Hij het oordeel van God over de zonde heeft gedragen (Mt 12:4040Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn.).

De getrouwe wordt ondergedompeld in een zee van ellende. Hij wordt erdoor overweldigd. Toch wint de wanhoop het niet. Hij bevindt zich in zware beproeving, maar van daaruit stijgt zijn vertrouwen op God omhoog (vers 99Maar de HEERE zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden;
's nachts zal Zijn lied bij mij zijn,
een gebed tot de God van mijn leven.
)
. Hij spreekt de zekerheid uit dat de HEERE “overdag Zijn goedertierenheid gebieden” zal. In de nacht waarin zijn leven nu gehuld is, “zal Zijn lied” bij hem zijn (vgl. Hd 16:2525Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen.). Het is het lied van God, God zal hem dat geven.

Dat lied bestaat uit “een gebed tot de God van mijn leven”. Hij erkent God als de God van zijn leven, als Degene Die zijn leven volledig in handen heeft. God kennen als de God Die ons leven volledig bestuurt, geeft rust als de omstandigheden zwaar op ons drukken. Dit bewustzijn geeft God aan de Zijnen.

De rust die wordt ervaren, kan ook weer onder druk komen te staan. De Godvrezende spreekt daarover met God (vers 1010Ik zeg tegen God:
Mijn rots, waarom vergeet U mij?
Waarom ga ik in het zwart gehuld,
door de onderdrukking van de vijand?
)
. Hij noemt God “mijn rots”, wat aangeeft dat hij vertrouwt op de onwankelbare trouw van God. Waar hij mee worstelt, is dat God hem “vergeet”. Zo ervaart hij dat. Hij verwijt God niets, maar richt zich in vertrouwen tot God met vragen die hem kwellen.

Ook vraagt hij waarom hij “in het zwart gehuld” gaat. Hij draagt zwarte kleding vanwege “de onderdrukking van de vijand”. De vijand maakt hem het leven zwaar en maakt het hem onmogelijk naar Gods huis te gaan. Dat veroorzaakt een diepe droefheid die hij laat zien door zijn zwarte kleding. Hij is in rouw.

Hij is overgeleverd aan zijn tegenstanders en die sparen hem niet (vers 1111Met een doodsteek in mijn beenderen
honen mijn tegenstanders mij,
omdat zij de hele dag tegen mij zeggen:
Waar is uw God?
)
. “De hele dag” honen zij hem met woorden die “een doodsteek” in zijn beenderen zijn. Dit geeft aan dat wat zij zeggen, hem de kracht ontneemt om te lopen. En wat zeggen zij de hele dag door? Dit ene: “Waar is uw God?” Dit gaat hem door merg en been. Zo verlammend en zelfs dodelijk kunnen woorden zijn (vgl. Sp 12:1818Er zijn er die als met dolksteken praten, ondoordacht,
maar de tong van de wijzen betekent genezing.
)
, zeker als ze voortdurend worden herhaald.

De Godvrezende is na zijn heen en weer gaan tussen vertwijfeling en hoop weer op het punt aangekomen waar hij eerder in deze psalm ook is aangekomen (vers 1212Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en wat bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven;
Hij is de volkomen verlossing van mijn aangezicht en mijn God.
; vers 66Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
)
. Maar hij spreekt hier een sterker vertrouwen in de verlossing uit. In vers 66Wat buigt u zich neer, mijn ziel,
en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven
voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
zegt hij dat hij God zal “loven voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht”. Nu zegt hij dat hij God zal loven omdat God Zelf “de volkomen verlossing van mijn aangezicht” is. Hij noemt God hier ook “mijn God”.


Lees verder