Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-5 Welzalig de barmhartige 6-11 Wee de vijanden 12-13 Verhoging van de rechtvaardige 14 Lofprijzing
Inleiding

In deze psalm horen we de Geest van Christus in het overblijfsel spreken. Er is veel waarin we Christus zien. Veel verzen zijn op Hem van toepassing. Dit is zeker het geval met vers 99Verdorven praktijken kleven hem aan;
wie [zo] neerligt, zal niet meer opstaan.
, dat door de Heer Jezus wordt aangehaald. In dat vers spreekt de Geest van Christus over wat Judas Hem zal aandoen (Jh 13:1818Ik spreek niet van u allen; Ik weet wie Ik heb uitverkoren; maar de Schrift moet worden vervuld: ‘Hij die met Mij het brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven’.).


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider.

Dit is “een psalm van David”. De omstandigheden waaronder David deze psalm heeft gedicht, zijn niet bekend. Voor “voor de koorleider” zie bij Psalm 4:1.


Welzalig de barmhartige

2Welzalig is hij die verstandig omgaat met een ellendige;
in dagen van onheil zal de HEERE hem bevrijden.
3De HEERE zal hem bewaren en hem in het leven behouden;
hij zal op aarde gelukkig gemaakt worden.
Geef hem niet over aan het verlangen van zijn vijanden.
4De HEERE zal hem ondersteunen op [zijn] rustbank;
als hij ziek is, maakt U heel zijn [ziek]bed anders.
5Ik zei: HEERE, wees mij genadig;
genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.

Deze laatste psalm van het eerste boek van Psalmen begint met “welzalig” (vers 22Welzalig is hij die verstandig omgaat met een ellendige;
in dagen van onheil zal de HEERE hem bevrijden.
)
. De eerste psalm begint daar ook mee (Ps 1:11Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
)
. In Psalm 1 wordt de man “welzalig” genoemd die God en Zijn Woord liefheeft. In Psalm 41 wordt de man “welzalig” genoemd die zijn naaste liefheeft. Dit wijst ons op de twee uitingen van het nieuwe leven van de nieuwtestamentische gelovige die Johannes in zijn eerste brief beschrijft: God liefhebben en de broeder liefhebben (1Jh 4:20-2120Als iemand zegt: Ik heb God lief, en hij haat zijn broeder, dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder niet liefheeft die hij gezien heeft, kan God niet liefhebben Die hij niet gezien heeft.21En dit gebod hebben wij van Hem: dat wie God liefheeft, ook zijn broeder moet liefhebben.).

De “ellendige” over wie David spreekt, is in de eerste plaats de Heer Jezus. Zo noemt Hij Zichzelf in het laatste vers van de vorige psalm (Ps 40:1818Ík ben wel ellendig en arm,
[maar] de Heere denkt aan mij.
U bent mijn Helper en mijn Bevrijder;
mijn God, wacht niet langer!
)
. Ieder “die verstandig omgaat met een ellendige” trekt zich Zijn lot aan en vereenzelvigt zich met Hem. De ‘verstandige’ is de maskil, iemand die door God is onderwezen. Zo iemand heeft oog voor degene op wie Gods oog met welgevallen rust. Daardoor toont hij dat hij de gezindheid van Christus heeft, dat hij bij Hem hoort. Hij vertoont Zijn kenmerken, ook het kenmerk van een ellendige of arme (vgl. Mt 5:33Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.; Lk 6:2020En Hij hief Zijn ogen op naar Zijn discipelen en zei: Gelukkig u, armen, want van u is het koninkrijk van God.).

Zo’n verstandige zal, evenals Christus, “in dagen van onheil” door God worden bevrijd. God zal met hem doen in overeenstemming met wat hij met anderen heeft gedaan (Mt 5:77Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verkrijgen.; vgl. Mt 25:4040En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.; 10:4242En wie een van deze kleinen slechts een beker koud <water> te drinken zal geven in naam van een discipel, voorwaar, Ik zeg u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.). De ‘dagen van onheil’ zijn dagen dat degene die verstandig met een ellendige omgaat, een voorwerp is van de haat van de vijanden en hun vijandschap bijzonder ervaart. Voor het gelovig overblijfsel zijn het de dagen van de grote verdrukking.

In vers 33De HEERE zal hem bewaren en hem in het leven behouden;
hij zal op aarde gelukkig gemaakt worden.
Geef hem niet over aan het verlangen van zijn vijanden.
zegt David van de Godvrezende getrouwe dat God hem “zal … bewaren en hem in het leven behouden”. Zelfs al wordt een getrouwe gedood tijdens de grote verdrukking, dan zal hij niets missen van wat God hem heeft beloofd. God behoudt hem in het leven, zoals Hij ook Abraham, Izak en Jakob en alle getrouwen die in het geloof zijn gestorven, in het leven behoudt (Lk 20:37-3837Dat nu de doden worden opgewekt heeft ook Mozes aangeduid bij de braamstruik, als hij [de] Heer noemt ‘de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob’;38Hij nu is niet een God van doden maar van levenden; want voor Hem leven zij allen.).

Hij zal “op aarde gelukkig gemaakt worden”, dat is in de tijd van het vrederijk als de Messias zal regeren. Het gebed om niet te worden overgegeven “aan het verlangen van zijn vijanden”, wordt dan verhoord. God verhoort altijd het gebed van de Godvrezende. Het gebeurt niet altijd al in dit leven. Soms lijkt het op het tegendeel. Maar Gods verhoring gebeurt vast en zeker in de tijd van het vrederijk. Zijn vijanden trekken altijd aan het kortste eind.

De trouwe gelovige krijgt de verzekering dat God hem zal “ondersteunen op [zijn] rustbank” (vers 44De HEERE zal hem ondersteunen op [zijn] rustbank;
als hij ziek is, maakt U heel zijn [ziek]bed anders.
)
. Ondersteunen wil zeggen innerlijk kracht geven om zijn ziekte te dragen. Alles kan tegen hem lijken te zijn als hij krachteloos op zijn rustbank ligt, geveld door een ziekte. De vijanden zien daarin een bewijs dat God tegen hem is en wachten op een kans om hem om te brengen.

Maar David bemoedigt de zieke en richt zich voor hem rechtstreeks tot God. In vertrouwen spreekt hij het uit dat God “heel zijn [ziek]bed anders maakt”. De uitdrukking heeft te maken met het opschudden van het bed om de zieke lekker te laten liggen. Het betekent niet dat God de zieke beter maakt, maar dat Hij het ziekbed gebruikt om de zieke te verzorgen en hem te verzekeren van Zijn persoonlijke aandacht voor hem. Hij zal de zieke de gemeenschap met Hem Zelf laten ervaren. Dit is de ervaring van veel zieke gelovigen ook vandaag.

Het overblijfsel zal zich bewust zijn van hun zonden (vers 55Ik zei: HEERE, wees mij genadig;
genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.
)
. Zij zullen het uitspreken en erkennen dat ze tegen God hebben gezondigd. Daarvoor doen ze een beroep op genade. Niet alleen hun lichaam, maar ook hun ziel, hun hele wezen, is ziek door het besef dat ze hebben gezondigd. Door de genade van God zullen ze zien dat de Messias hun zonden heeft gedragen, waardoor hun ziel zal genezen en er rust en genezing zal komen.


Wee de vijanden

6Mijn vijanden spreken kwaad over mij [en zeggen]:
Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan?
7Als [een van hen naar mij] komt kijken,
spreekt hij valse [dingen]
[en] zijn hart brengt onrecht bijeen;
gaat hij naar buiten, [dan] spreekt hij [daarover].
8Allen die mij haten, mompelen tezamen over mij.
Zij bedenken tegen mij wat slecht voor mij is en zeggen:
9Verdorven praktijken kleven hem aan;
wie [zo] neerligt, zal niet meer opstaan.
10Zelfs de man met wie ik [in] vrede [leefde],
op wie ik vertrouwde, die mijn brood at,
heeft zich tegen mij gekeerd.
11Maar U, HEERE, wees mij genadig, en laat mij opstaan,
zodat ik het hun vergeld.

Terwijl de Godvrezende in de voorgaande verzen in gemeenschap met God tot rust is gekomen, zijn er vijanden om hem heen die kwaad over hem spreken en wensen dat hij zal sterven en dat zijn naam zal vergaan (vers 66Mijn vijanden spreken kwaad over mij [en zeggen]:
Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan?
)
. De haat zit er bij de vijanden diep in. Ze willen en verwachten dat hij zo spoedig mogelijk sterft en dat hij zo snel mogelijk vergeten wordt. Dan is het voor altijd over en uit zijn met zijn invloed, want die vormt een bedreiging voor hun positie. Deze vijandschap heeft de Heer Jezus diep ervaren.

Zijn vijanden hebben een afgezant gestuurd. In hem zijn zij naar Hem toegekomen met valsheid in het hart (vers 77Als [een van hen naar mij] komt kijken,
spreekt hij valse [dingen]
[en] zijn hart brengt onrecht bijeen;
gaat hij naar buiten, [dan] spreekt hij [daarover].
; vgl. Sp 26:2424Wie haat draagt, veinst met zijn lippen,
maar in zijn binnenste zint hij op bedrog.
)
. Ze hebben Hem gevleid en geprobeerd Hem in de val te laten lopen met strikvragen (Mt 22:16-1816En zij zonden tot Hem hun discipelen met de herodianen om te zeggen: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en de weg van God in waarheid leert en U om niemand bekommert, want U kijkt mensen niet naar de ogen.17Zeg ons dan wat U denkt: Is het geoorloofd de keizer belasting te geven of niet?18Daar Jezus echter hun boosheid kende, zei Hij: Wat verzoekt u Mij, huichelaars?). Hun hart heeft onrecht verzameld, het is een geheime bergplaats van bedrieglijke overleggingen en leugenachtige bedoelingen. Ze hebben geprobeerd iets te vinden om Hem te kunnen aanklagen. Ze hebben met anderen over hun beschuldigingen gesproken en hebben hen gebruikt voor hun verdorven plannen (Mt 26:59-6059De overpriesters nu en de hele Raad zochten een vals getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem konden doden.60En zij vonden er geen, hoewel vele valse getuigen waren opgekomen.).

De haat is vooral bij de godsdienstige leiders van het volk groot. Ze “mompelen” over Hem en bedenken keer op keer “wat slecht is” voor Hem (vers 88Allen die mij haten, mompelen tezamen over mij.
Zij bedenken tegen mij wat slecht voor mij is en zeggen:
)
. Regelmatig lezen we erover in de evangeliën dat ze beraadslagen om Hem om te brengen (Mk 3:66En de farizeeën gingen terstond naar buiten met de herodianen en beraadslaagden tegen Hem, hoe zij Hem zouden ombrengen.; Mt 12:1414De farizeeën nu gingen naar buiten en beraadslaagden tegen Hem dat zij Hem zouden ombrengen.; 22:1515Toen gingen de farizeeën beraadslagen om Hem in een woord te verstrikken.; 26:3-43Toen kwamen de overpriesters en de oudsten van het volk bijeen in de voorhof van de hogepriester, Kajafas geheten;4en zij beraadslaagden dat zij Jezus met list zouden grijpen en doden;).

Ze zien in het neerliggen van David op zijn ziekbed een aanleiding tot het verspreiden van laster over hem. Iemand die door een ziekte is getroffen, moet wel uit de gunst bij God zijn. Ze vertellen rond dat hem “verdorven praktijken” aankleven (vers 99Verdorven praktijken kleven hem aan;
wie [zo] neerligt, zal niet meer opstaan.
)
. Verdorven praktijken zijn letterlijk ‘praktijken van Belial’.

De Heer Jezus wordt er door de farizeeën van beschuldigd dat Hij door de overste van de demonen, Beëlzebub, de demonen uitdrijft (Mt 12:2424Toen de farizeeën dit echter hoorden, zeiden zij: Deze drijft de demonen alleen maar uit door Beëlzebul, de overste van de demonen.). Voor Pilatus is Hij door de overpriesters “van veel dingen” beschuldigd (Mk 15:33En de overpriesters beschuldigden Hem van veel dingen.; Lk 23:22Zij nu begonnen Hem te beschuldigen en zeiden: Wij hebben bevonden dat Deze onze natie afkerig maakt en verbiedt de keizer belasting te betalen en van Zichzelf zegt dat Hij Christus is, een Koning.).

Maar het diepst is de Heer getroffen door het verraad van Judas, want over hem gaat het in vers 1010Zelfs de man met wie ik [in] vrede [leefde],
op wie ik vertrouwde, die mijn brood at,
heeft zich tegen mij gekeerd.
. Dat blijkt uit de aanhaling van dit vers door de Heer in het evangelie naar Johannes, waar Hij het toepast op Judas (Jh 13:1818Ik spreek niet van u allen; Ik weet wie Ik heb uitverkoren; maar de Schrift moet worden vervuld: ‘Hij die met Mij het brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven’.). Zijn diepe teleurstelling over dit verraad klinkt door in het woord “zelfs” waarmee het vers begint. Wat Hij ook aan vijandschap heeft verwacht, in elk geval niet dat Hij door Judas verraden en overgeleverd zou worden.

De Heer Jezus noemt Judas hier “de man met wie Ik [in] vrede leefde, op wie Ik vertrouwde, die Mijn brood at”. De Heer heeft Judas nooit iets kwaads aangedaan, maar is in vrede met hem omgegaan. Hij heeft hem Zijn vertrouwen gegeven, wat blijkt uit de beurs die Hij hem heeft gegeven (Jh 12:66Dit zei hij echter, niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als degene die de beurs had, droeg wat erin werd gedaan.). De Heer heeft hem van Zijn brood gegeven en met hem gedeeld wat Hij heeft. De hele omgang van Heer met Judas laat zien dat Hij het goede met hem heeft voorgehad. En juist die man “heeft zich tegen” Hem gekeerd.

In vers 1111Maar U, HEERE, wees mij genadig, en laat mij opstaan,
zodat ik het hun vergeld.
vraagt de Heer aan God om Hem genadig te zijn en Hem op te laten staan. Hij weet dat het verraad van Judas de inleiding is tot Zijn overlevering in de handen van de vijanden en dat Hij door hen zal worden gedood. Hier vraagt Hij om Zijn opstanding. De Heer heeft meerdere keren gesproken zowel over zijn overlevering als over Zijn dood en opstanding (Mt 16:2121Van toen af begon Jezus Zijn discipelen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden vanwege de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en op de derde dag worden opgewekt.; 17:22-2322Terwijl zij nu in Galiléa [om Hem] samendrongen, zei Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in handen van mensen23en zij zullen Hem doden, en op de derde dag zal Hij worden opgewekt. En zij werden zeer bedroefd.; 20:18-1918Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen19en Hem overleveren aan de volken om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen; en op de derde dag zal Hij worden opgewekt.).

Hier verbindt Hij aan Zijn opstanding het recht om Zijn vijanden het kwaad dat zij Hem hebben aangedaan te vergelden. De Heer Jezus is nu verheerlijkt in de hemel en laat in deze tijd het evangelie van de genade verkondigen. Maar er komt een moment dat de genadetijd voorbij is. Dan zal Hij naar de aarde terugkeren en alle kwaad oordelen. God “heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is” (Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.).


Verhoging van de rechtvaardige

12Hierdoor weet ik dat U mij genegen bent:
dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
13Want wat mij betreft, U ondersteunt mij in mijn oprechtheid,
U plaatst mij voor Uw aangezicht, voor eeuwig.

Uiterlijk lijkt het kwaad te zegevieren als de Heer Jezus in zwakheid wordt gekruisigd. De vijanden denken de overwinning te hebben behaald. Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt en verheerlijkt. Daardoor weet Christus dat God Hem genegen is en dat Zijn vijand niet over Hem zal juichen (vers 1212Hierdoor weet ik dat U mij genegen bent:
dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
)
.

Christus is wat Hem Zelf betreft ten volle verzekerd van de ondersteuning door God (vers 1313Want wat mij betreft, U ondersteunt mij in mijn oprechtheid,
U plaatst mij voor Uw aangezicht, voor eeuwig.
)
. De grond daarvoor is Zijn oprechtheid. In alles is Hij volkomen oprecht geweest. Nooit is er iets verkeerds in Hem geweest. Daardoor weet Hij dat Hij in de opstanding door God voor Diens aangezicht geplaatst zal worden. Dat wil zeggen dat Hij in Zijn tegenwoordigheid zal zijn en dat “voor eeuwig”.


Lofprijzing

14Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen, ja, amen.

De psalmist eindigt met een lofprijzing van “de HEERE, de God van Israël”. Die lofprijzing zal zijn “van eeuwigheid tot eeuwigheid”. Er komt nooit een einde aan, want er komt nooit een einde aan de aanwezigheid van Christus voor God, Die daar “voor eeuwig” is. De driedubbele bevestiging “amen, ja, amen” onderstreept dit resultaat. Hiermee eindigt ook het eerste boek van Psalmen.


Lees verder