Psalmen
Inleiding 1-6 Vertrouw op God 7-11 De aarde is voor de zachtmoedigen 12-22 De goddelozen tegenover de rechtvaardigen 23-28 Nooit verlaten 29-33 Kenmerken van de rechtvaardige 34-40 Het einde van de rechtvaardige
Inleiding

Deze psalm is een bemoediging voor het overblijfsel in de eindtijd, en ook voor de gelovigen, nu om op God te wachten en zich niet in verwarring te laten brengen door de goddelozen die hen omringen. De psalm laat zien dat uiteindelijk de goddelozen worden uitgeroeid en de rechtvaardigen de aarde zullen bezitten als een erfdeel dat God hun geeft. Het zal de rechtvaardigen goed gaan en de goddelozen zal het slecht gaan.


Vertrouw op God

1[Een psalm] van David.
Ontsteek niet [in woede] over de kwaaddoeners,/aleph/
benijd niet wie onrecht doen.
2Want als gras zullen zij snel verdorren,
als groene grasscheutjes zullen zij verwelken.
3Vertrouw op de HEERE en doe het goede;/beth/
bewoon de aarde en voed u [met] trouw.
4Schep vreugde in de HEERE,
dan zal Hij u geven wat uw hart verlangt.
5Wentel uw weg op de HEERE/gimel/
en vertrouw op Hem: Híj zal het doen.
6Hij zal uw gerechtigheid tevoorschijn doen komen als het [morgen]licht,
uw recht [doen] stralen als de middag[zon].

Deze psalm is “van David” (vers 1a1[Een psalm] van David.
Ontsteek niet [in woede] over de kwaaddoeners,/aleph/
benijd niet wie onrecht doen.
)
. David begint ermee de rechtvaardige te vermanen om niet in woede te ontsteken over de kwaaddoeners en niet te benijden wie onrecht doen (vers 1b1[Een psalm] van David.
Ontsteek niet [in woede] over de kwaaddoeners,/aleph/
benijd niet wie onrecht doen.
; Sp 24:1919Ontsteek niet [in woede] over de kwaaddoeners,
wees niet jaloers op de goddelozen,
)
. Als we kwaad worden, laat dat zien dat we God niet vertrouwen. Als we jaloers op iemand worden, iemand om iets benijden, is dat nog erger, want dan denken we alleen aan onszelf.

Het is nodig om met de vrede van God in ons hart te midden van het kwaad te leven. We leven te midden van mensen die blijkbaar ongestoord hun gang kunnen gaan ten koste van anderen, zonder dat hun een halt wordt toegeroepen. De rechtvaardige kan zich daarover opwinden. Maar, zegt David, dat moet hij niet doen. Het heeft geen zin, want het stopt het kwaad niet, het is nutteloos.

Het is tevens onnodig, want hun wordt slechts een kort verblijf op aarde gegund en dan is het voor hen over en uit (vers 22Want als gras zullen zij snel verdorren,
als groene grasscheutjes zullen zij verwelken.
)
. Ze zullen snel verdorren, net als het gras, en ze zullen verwelken, net als groene grasscheutjes (Ps 103:15-1615De sterveling – zijn dagen zijn als het gras,
als een bloem op het veld, zo bloeit hij.
16Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet [meer]
en zijn plaats kent hem niet meer.
; 1Pt 1:2424Want: ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem van [het] gras. Het gras verdort en de bloem valt af,; Jk 1:9-119Laat de geringe broeder echter roemen in zijn hoogheid,10en de rijke in zijn geringheid, omdat hij als een bloem van [het] gras zal vergaan.11Want de zon gaat op met haar hitte en doet het gras verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijk gaat verloren; zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.)
. David belicht hier het leven vanuit het perspectief van de eeuwigheid.

Hij richt vervolgens het oog van de rechtvaardige boven het aardse toneel uit op God (vers 33Vertrouw op de HEERE en doe het goede;/beth/
bewoon de aarde en voed u [met] trouw.
)
. Laat hij Hem vertrouwen en het goede doen. Dit is de goede reactie op het heersende kwaad. Als eerste is het van belang God te vertrouwen om vervolgens het goede doen. Goed doen te midden van het kwaad geeft eer aan God. Het is wat Christus heeft gedaan in Zijn leven op aarde. Tegen ons wordt gezegd: “Laten wij niet moedeloos worden in goeddoen, want te gelegener tijd zullen wij oogsten, als wij niet verslappen” (Gl 6:99Maar laten wij niet moedeloos worden in goeddoen; want te gelegener tijd zullen wij oogsten, als wij niet verslappen.).

De oudtestamentische gelovige wordt aangespoord de aarde te bewonen en zich met trouw te voeden. Hij hoeft zich geen zorgen te maken over de goddelozen om zich heen en niet jaloers op hen te zijn. Zijn opdracht is het land dat hem door God is gegeven als zijn thuis te zien. Hij kan er nog niet ten volle van genieten, maar hij woont er wel. Voor ons geldt dat wij in de hemelse gewesten wonen en daar kunnen genieten van alle zegeningen die ons daar zijn gegeven. Dat zal ons ervoor bewaren dat we ons op aardse voorspoed richten.

De gelovige moet zich met trouw voeden, trouw aan God in het in getrouwheid doen wat Hij zegt. Hij moet zich daarmee bezighouden, daarin zijn steun en bemoediging zoeken. Het resultaat zal zijn dat hij rust en vrede in zijn hart heeft te midden van het kwaad. Dit geldt voor alle gelovigen in alle tijden. Trouw is het belangrijkste in het leven van de gelovige en wordt door de Heer beloond met het ingaan in Zijn vreugde (Mt 25:21,2321Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.23Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.).

Die vreugde kan nu al worden genoten. Dat horen we in de aansporing om “vreugde in de HEERE” te scheppen (vers 44Schep vreugde in de HEERE,
dan zal Hij u geven wat uw hart verlangt.
)
. Dat is onze kracht (Ne 8:1111Verder zei hij tegen hen: Ga, eet lekkernijen en drink zoete [dranken]. En deel uit aan hen voor wie niets is klaargemaakt, want deze dag is heilig voor onze Heere. Wees niet bedroefd, want de vreugde van de HEERE, dat is uw kracht.) en geeft ook nog eens een rijke beloning. God geeft dan namelijk wat ons hart verlangt. Als het hart vreugde schept in God, zullen de verlangens van het hart niet zelfzuchtig zijn, maar erop gericht zijn God te eren en te verheerlijken.

De derde aansporing is onze weg op de HEERE te wentelen en op Hem te vertrouwen (vers 55Wentel uw weg op de HEERE/gimel/
en vertrouw op Hem: Híj zal het doen.
; 1Pt 5:77terwijl u al uw bezorgdheid op Hem werpt, want Hij zorgt voor u.)
. We mogen onze levensweg met al zijn lasten en moeiten, met alles wat op ons drukt, op Hem wentelen. Dat betekent dat Hij alles zal dragen. Het is ook belangrijk het op Hem te wentelen met het vertrouwen dat het bij Hem in goede handen is. We kunnen het dan loslaten, ook als het erop lijkt dat iets niet goed gaat. De weg die Hij bepaalt, is goed. Daarbij mogen erop vertrouwen dat Híj het zal doen, dat wil zeggen dat Hij zal doen wat Hij heeft beloofd, al lijkt het er soms op dat het helemaal de verkeerde kant op gaat.

Wat Hij heeft beloofd, is het tevoorschijn doen komen van onze gerechtigheid als het morgenlicht (vers 66Hij zal uw gerechtigheid tevoorschijn doen komen als het [morgen]licht,
uw recht [doen] stralen als de middag[zon].
)
. Ons recht zal Hij doen stralen als de middagzon. Nu is het nog ons deel onrechtvaardig behandeld te worden en onrecht te verdragen. Totdat Hij ons openlijk rechtvaardigt, mogen we, in navolging van de Heer Jezus, alles en onszelf overgeven aan Hem Die rechtvaardig oordeelt (1Pt 2:2323Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;).


De aarde is voor de zachtmoedigen

7Zwijg voor de HEERE/daleth/
en verwacht Hem;
ontsteek niet [in woede] over hem wiens weg voorspoedig is,
over een man die listige plannen uitvoert.
8Laat [uw] woede bedaren en laat [uw] grimmigheid varen;/he/
ontsteek niet [in woede] – het brengt slechts kwaad.
9Want de kwaaddoeners zullen uitgeroeid worden,
maar wie de HEERE verwachten,
die zullen de aarde bezitten.
10Nog even, en de goddeloze zal er niet [meer] zijn;/waw/
u zult op zijn plaats letten, maar hij zal er niet wezen.
11Maar de zachtmoedigen zullen de aarde bezitten
en vreugde scheppen in grote vrede.

Omdat de situatie die in vers 66Hij zal uw gerechtigheid tevoorschijn doen komen als het [morgen]licht,
uw recht [doen] stralen als de middag[zon].
wordt beloofd niet direct aanbreekt, is het gevaar groot dat de gelovige ongeduldig wordt en begint te klagen. Dat moet hij niet doen. Het belangrijk in vertrouwen in Gods tegenwoordigheid te zwijgen en Hem te verwachten, dat wil zeggen op Zijn tijd te wachten (vers 77Zwijg voor de HEERE/daleth/
en verwacht Hem;
ontsteek niet [in woede] over hem wiens weg voorspoedig is,
over een man die listige plannen uitvoert.
)
. Klagen slaat om in woede als het oog niet meer op God is gericht, maar op de goddelozen en hun voorspoed. Die mensen hebben listige plannen gemaakt en ze voeren die nog met succes uit ook.

Laat je niet gek maken door wat je om je heen ziet, zegt David (vers 88Laat [uw] woede bedaren en laat [uw] grimmigheid varen;/he/
ontsteek niet [in woede] – het brengt slechts kwaad.
)
. Wordt weer kalm, kom tot bedaren. Laat je grimmigheid varen, geef er geen aandacht meer aan. Kom tot jezelf. Ontsteken in woede levert niets op. Integendeel, “het brengt slechts kwaad”. Je zegt in je boosheid dingen of doet dingen die anderen en jezelf schade berokkenen en God oneer aandoen. Je maakt het er alleen maar erger door en wordt aan de kwaaddoeners gelijk.

Wat we moeten doen, is God op Zijn Woord vertrouwen. Hij heeft gezegd dat de kwaaddoeners uitgeroeid zullen worden (vers 99Want de kwaaddoeners zullen uitgeroeid worden,
maar wie de HEERE verwachten,
die zullen de aarde bezitten.
)
. Het lijkt er op het eerste gezicht nog niet op, maar Hij zal het doen. Daar staat tegenover wat de zachtmoedigen zullen bezitten. Dat is naar Zijn belofte “de aarde bezitten”. Vertrouwen we Hem? Dan zal dat onze houding tegenover het kwaad bepalen.

Om te onderstrepen wat hij zojuist heeft gezegd, herhaalt David met andere woorden hoe het met de goddeloze enerzijds en de zachtmoedigen anderzijds zal aflopen. Wat de goddeloze betreft, het is “nog even, en de goddeloze zal er niet [meer] zijn” (vers 1010Nog even, en de goddeloze zal er niet [meer] zijn;/waw/
u zult op zijn plaats letten, maar hij zal er niet wezen.
)
. Kijk nog maar eens goed naar zijn plaats en bedenk dat die binnenkort leeg zal zijn. Er blijft niets van hem en al zijn macht, bezit en aanzien over. Er is niets meer van hem te vinden. Dus, nog even verdragen dat het met de goddelozen goed gaat. Het einde van hun voorspoed is in zicht.

Wat de zachtmoedigen betreft, het is nog even en zij “zullen de aarde bezitten” (vers 1111Maar de zachtmoedigen zullen de aarde bezitten
en vreugde scheppen in grote vrede.
)
. Dat zal voor hen “vreugde scheppen in grote vrede” betekenen. Dus nog even volhouden dat ze nu nog lijden en dan begint de tijd van vreugde en vrede die duizend jaar zal duren en tot in eeuwigheid zal worden voortgezet. Het is een grote vrede, een sfeer van een en al vrede, en in die sfeer scheppen ze vreugde, het is een en al blijdschap.

De Heer Jezus haalt de eerste regel van vers 1111Maar de zachtmoedigen zullen de aarde bezitten
en vreugde scheppen in grote vrede.
aan in de bergrede (Mt 5:55Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.). Zachtmoedigheid is het kenmerk van het overblijfsel in de eindtijd (Zf 2:33Zoek de HEERE, alle zachtmoedigen van het land,
die Zijn recht uitvoeren.
Zoek gerechtigheid, zoek zachtmoedigheid,
misschien zult u [dan] verborgen worden
op de dag van de toorn van de HEERE.
)
. Het is ook wat ons moet kenmerken. We kunnen dit leren van de Heer Jezus (Mt 11:2929Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;). Het betekent dat we niet op onze rechten staan en er tevreden mee zijn niets te zijn, terwijl de overtuiging aanwezig is dat de beloofde erfenis ons wordt gegeven (1Pt 1:3-53Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren doen worden tot een levende hoop door [de] opstanding van Jezus Christus uit [de] doden,4tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in [de] hemelen weggelegd voor u,5die in [de] kracht van God door [het] geloof bewaard wordt tot [de] behoudenis, die gereed is om in [de] laatste tijd geopenbaard te worden.).


De goddelozen tegenover de rechtvaardigen

12De goddeloze bedenkt [snode] plannen tegen de rechtvaardige,/zain/
hij knarsetandt over hem.
13De Heere lacht hem uit,
want Hij ziet dat zijn dag komt.
14De goddelozen hebben het zwaard getrokken /cheth/
en hun boog gespannen,
om de ellendige en de arme neer te vellen,
om af te slachten wie oprecht wandelen.
15Hun zwaard zal in hun [eigen] hart dringen,
hun bogen zullen gebroken worden.
16Het weinige dat de rechtvaardige heeft,/teth/
is beter dan de overvloed van vele goddelozen.
17Want de armen van de goddelozen worden gebroken,
maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
18De HEERE kent de dagen van de oprechten,/jod/
hun erfelijk bezit zal voor eeuwig blijven.
19Zij worden niet beschaamd ten tijde van onheil,
in dagen van honger worden zij verzadigd.
20Maar de goddelozen komen om;/kaph/
de vijanden van de HEERE zijn als het kostbaarste van de lammeren:
zij verdwijnen, in rook zullen zij verdwijnen.
21De goddeloze leent en betaalt niet terug,/lamed/
maar de rechtvaardige ontfermt zich en geeft.
22Want wie door Hem zijn gezegend, zullen de aarde bezitten;
maar wie door Hem zijn vervloekt, worden uitgeroeid.

In dit gedeelte wordt nader ingegaan op de tegenstelling die in de verzen 10-1110Nog even, en de goddeloze zal er niet [meer] zijn;/waw/
u zult op zijn plaats letten, maar hij zal er niet wezen.
11Maar de zachtmoedigen zullen de aarde bezitten
en vreugde scheppen in grote vrede.
is beschreven. Het gaat hierin om het handelen van de goddelozen en Gods reactie daarop. De eerste tegenstelling is in de verzen 12-1312De goddeloze bedenkt [snode] plannen tegen de rechtvaardige,/zain/
hij knarsetandt over hem.
13De Heere lacht hem uit,
want Hij ziet dat zijn dag komt.
. De goddeloze is continu bezig met het bedenken van snode plannen “tegen de rechtvaardig” (vers 1212De goddeloze bedenkt [snode] plannen tegen de rechtvaardige,/zain/
hij knarsetandt over hem.
)
. Terwijl hij zijn snode plannen uitdenkt, knarsetandt hij over de rechtvaardige. Dit geeft aan dat hij innerlijk heel kwaad op hem is, hij is vol haat tegen hem.

De Heere, Adonai, de soevereine Heerser, is totaal niet onder de indruk van wat de goddeloze bedenkt en doet tegen de rechtvaardige (vers 1313De Heere lacht hem uit,
want Hij ziet dat zijn dag komt.
)
. Hij lacht hem uit, zo belachelijk is waar hij mee bezig is (vgl. Ps 2:1-41Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
3Laten wij Hun banden verscheuren
en Hun touwen van ons werpen!4Die in de hemel woont, zal lachen,
de Heere zal hen bespotten.
)
. Het is immers opperste dwaasheid zich tegen Hem te keren en volkomen kortzichtigheid omdat de dag van het oordeel over zijn dwaze plannen komt. De Heere ziet “zijn dag”, dat is de dag dat de goddeloze geoordeeld wordt, vooruit en dat moet de rechtvaardige ook blijven zien.

De tweede tegenstelling is in de verzen 14-1514De goddelozen hebben het zwaard getrokken /cheth/
en hun boog gespannen,
om de ellendige en de arme neer te vellen,
om af te slachten wie oprecht wandelen.
15Hun zwaard zal in hun [eigen] hart dringen,
hun bogen zullen gebroken worden.
. De goddelozen beginnen aan de uitvoering van hun plannen. Ze “hebben het zwaard getrokken en hun boog gespannen” (vers 1414De goddelozen hebben het zwaard getrokken /cheth/
en hun boog gespannen,
om de ellendige en de arme neer te vellen,
om af te slachten wie oprecht wandelen.
)
. Hun bedoeling is “de ellendige en de arme neer te vellen” en “af te slachten wie oprecht wandelen”. ‘Slachten’ is een woord dat vaak voor het slachten van vee wordt gebruikt. Zo zien de goddelozen de rechtvaardige (vgl. Ps 44:2323Maar om U worden wij de hele dag gedood;
wij worden beschouwd als slachtschapen.
; Rm 8:36-3736zoals geschreven staat: ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. –37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.)
. Maar God zorgt ervoor dat “hun zwaard … in hun eigen hart dringen” zal en dat “hun bogen … gebroken” zullen worden (vers 1515Hun zwaard zal in hun [eigen] hart dringen,
hun bogen zullen gebroken worden.
)
. Hun eigen hart wordt getroffen omdat daar al hun boosheid uit voortkomt.

De derde tegenstelling is in de verzen 16-1716Het weinige dat de rechtvaardige heeft,/teth/
is beter dan de overvloed van vele goddelozen.
17Want de armen van de goddelozen worden gebroken,
maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
. In vers 1616Het weinige dat de rechtvaardige heeft,/teth/
is beter dan de overvloed van vele goddelozen.
wordt “het weinige dat de rechtvaardige heeft”, vergeleken met “de overvloed van vele goddelozen”. De uitkomst wordt ook gelijk gegeven: wat de rechtvaardige heeft “is beter” dan wat de goddelozen hebben. De reden wordt in vers 1717Want de armen van de goddelozen worden gebroken,
maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
gegeven. “De armen van de goddelozen worden gebroken”, waardoor hij geen kracht heeft om zwaard en boog tegen de rechtvaardige te gebruiken en ook niet om nog maar iets van zijn overvloed met zijn hand naar zijn mond te brengen. Daartegenover staat dat de rechtvaardige bij het weinige dat hij heeft de ondersteuning van God geniet. Hij hoeft geen krachtige arm te hebben, want God helpt hem. Het kan toch geen vraag zijn wie beter af is?

De vierde tegenstelling is in de verzen 18-2018De HEERE kent de dagen van de oprechten,/jod/
hun erfelijk bezit zal voor eeuwig blijven.
19Zij worden niet beschaamd ten tijde van onheil,
in dagen van honger worden zij verzadigd.
20Maar de goddelozen komen om;/kaph/
de vijanden van de HEERE zijn als het kostbaarste van de lammeren:
zij verdwijnen, in rook zullen zij verdwijnen.
. “De HEERE kent de dagen van de oprechten” omdat zij met Hem leven (vers 1818De HEERE kent de dagen van de oprechten,/jod/
hun erfelijk bezit zal voor eeuwig blijven.
)
. Zij zijn oprecht, ze verlangen ernaar Zijn wil te doen. God slaat hun leven dag aan dag met Zijn liefdevolle zorg gade. Hij heeft belangstelling voor alles wat zich dagelijks in hun leven afspeelt en helpt hen. Aan hun dagen komt geen einde, ook al zouden goddelozen hen doden. Wat hun door de HEERE aan erfelijk bezit is beloofd, “zal voor eeuwig blijven”. Ze zullen hun erfelijk bezit ten volle in het vrederijk genieten.

Dit betekent ook dat zij “niet beschaamd” worden “ten tijde van onheil” (vers 1919Zij worden niet beschaamd ten tijde van onheil,
in dagen van honger worden zij verzadigd.
)
. De HEERE kent hen immers. Ook “in dagen van honger worden zij verzadigd”. Dit betekent niet dat ze altijd brood genoeg zullen hebben, maar dat ze Zijn gemeenschap zullen ervaren in hun nood. Het gaat niet in de eerste plaats om materiële verzadiging, maar om geestelijke verzadiging.

Heel anders zal het met de goddelozen gaan (vers 2020Maar de goddelozen komen om;/kaph/
de vijanden van de HEERE zijn als het kostbaarste van de lammeren:
zij verdwijnen, in rook zullen zij verdwijnen.
)
. Zij komen om. Voor hen is er geen vrederijk, maar een eeuwig oordeel. Zij worden “de vijanden van de HEERE” genoemd, want dat zijn ze in hun gezindheid en opstelling. Wat er van hen overblijft, is rook die verdwijnt. Zoals “het kostbaarste van de lammeren” op het altaar in vuur wordt verteerd en in rook opgaat en verdwijnt, zo zal dat met de goddelozen gebeuren.

De vijfde tegenstelling is in de verzen 21-2221De goddeloze leent en betaalt niet terug,/lamed/
maar de rechtvaardige ontfermt zich en geeft.
22Want wie door Hem zijn gezegend, zullen de aarde bezitten;
maar wie door Hem zijn vervloekt, worden uitgeroeid.
. De goddelozen hebben nooit genoeg. Ze leen en blijven lenen, zonder een cent terug te betalen (vers 2121De goddeloze leent en betaalt niet terug,/lamed/
maar de rechtvaardige ontfermt zich en geeft.
)
. Heel anders is dat bij de rechtvaardige. Hij geeft, en dat niet alleen, hij geeft met zijn hart, want hij geeft uit ontferming aan wie in nood is. Hierbij is het niet van belang of hij in materieel opzicht rijk of arm is. Hij geeft omdat hij een rechtvaardige is. Hij verlangt ernaar te geven omdat hij de natuur van God heeft, en God is een Gever (vgl. 2Ko 9:7,157Laat ieder [geven] naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen; niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.15God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave.).

Zij kunnen vrijgevig zijn omdat ze “door Hem zijn gezegend” en “de aarde bezitten” zullen (vers 2222Want wie door Hem zijn gezegend, zullen de aarde bezitten;
maar wie door Hem zijn vervloekt, worden uitgeroeid.
)
. Wat zullen wij ons druk maken om nu veel bezit te verzamelen en voor onszelf te houden als we weten dat we straks een hele erfenis zullen ontvangen? De goddelozen leven alleen voor zichzelf en doen alsof ze de aarde bezitten. Ze beseffen niet dat ze “door Hem zijn vervloekt” en “worden uitgeroeid”.


Nooit verlaten

23De voetstappen van [die] man worden door de HEERE vastgezet,/mem/
Hij vindt vreugde in zijn weg.
24Als hij valt, wordt hij niet weggeworpen,
want de HEERE ondersteunt zijn hand.
25Ik ben jong geweest, ik ben ook oud geworden,/nun/
maar ik heb de rechtvaardige nooit verlaten gezien,
of zijn nageslacht op zoek naar brood.
26De hele dag ontfermt hij zich en leent uit,
en zijn nageslacht is tot zegen.
27Keer u af van het kwade, doe het goede /samech/
en bewoon [de aarde] voor eeuwig.
28Want de HEERE heeft het recht lief
en zal Zijn gunstelingen niet verlaten;
voor eeuwig worden zij bewaard,
maar het nageslacht van de goddelozen wordt uitgeroeid.

Het is een grote zegen te mogen weten dat “de voetstappen van [die] man”, dat is van de rechtvaardige, “door de HEERE vastgezet” worden (vers 2323De voetstappen van [die] man worden door de HEERE vastgezet,/mem/
Hij vindt vreugde in zijn weg.
)
. God zorgt ervoor dat de rechtvaardige door Hem wordt geleid in omstandigheden waarin de weg niet meer zichtbaar is zonder te struikelen of uit te glijden. In de weg van die rechtvaardige vindt Hij Zijn vreugde. Deze vreugde heeft God volmaakt gevonden in de weg die de Heer Jezus op aarde is gegaan. Hij heeft Zich in alles door Zijn God laten leiden. Daarom kunnen wij worden opgeroepen Zijn voetstappen na te volgen (1Pt 2:2121Want hiertoe bent u geroepen, omdat ook Christus voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten heeft, opdat u Zijn voetstappen navolgt;).

Als we enigszins beseffen dat de wereld vol valstrikken en valkuilen is, zal de wetenschap dat God onze voetstappen vastzet, ons met grote dankbaarheid vervullen. We zijn dan in Zijn weg. We gaan die weg als we ons door de Heilige Geest laten leiden. Dan zullen we, net als Mozes, aan God vragen: “Maak mij toch Uw weg bekend” (Ex 33:1313Nu dan, als ik dan genade heb gevonden in Uw ogen, maak mij toch Uw weg bekend. Dan zal ik U kennen, opdat ik genade zal vinden in Uw ogen. En zie aan dat deze natie Uw volk is.). Mozes vraagt niet een weg, maar Uw weg, Gods weg.

Als iemand Gods weg gaat, kan hij in verzoekingen vallen, maar hij zal niet worden weggeworpen, want hij mag rekenen op de ondersteuning van God (vers 2424Als hij valt, wordt hij niet weggeworpen,
want de HEERE ondersteunt zijn hand.
)
. In verzoeking vallen is dan ook iets heel anders dan in de zonde vallen. Over dit laatste gaat het zeker niet. Jakobus zegt da we het enkel vreugde moeten achten, wanneer we “in allerlei verzoekingen” vallen en zegt erbij waarom dat zo is (Jk 1:2-32Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt,3daar u weet dat de beproefdheid van uw geloof volharding bewerkt.).

David spreekt uit ervaring (vers 2525Ik ben jong geweest, ik ben ook oud geworden,/nun/
maar ik heb de rechtvaardige nooit verlaten gezien,
of zijn nageslacht op zoek naar brood.
)
. Hij is “oud geworden”, maar is niet vergeten dat hij ook “jong geweest” is. Gedurende zijn hele leven heeft hij “de rechtvaardige nooit verlaten gezien”. Heel de tijd dat hij door Saul wordt achtervolgd, heeft God hem en zijn mannen steeds voorzien van wat zij nodig hebben. Dat geldt ook voor hun kinderen.

Het ervaren van Gods voorzieningen is het ervaren van Zijn ontfermingen. Wie zich dat realiseert, zal zelf ook zo gaan handelen naar anderen (vers 2626De hele dag ontfermt hij zich en leent uit,
en zijn nageslacht is tot zegen.
)
. Wie gezegend is en daar God de eer voor geeft, zal van zijn zegen aan anderen uitdelen. Dat doet hij niet zo af en toe, maar “de hele dag”. Hij “ontfermt … zich en leent uit” en gaat daar steeds mee door. Dat zal worden voortgezet door “zijn nageslacht”. Zijn kinderen hebben gezien hoe hij in gemeenschap met God heeft geleefd. Zij volgen hem daarin na en zijn op hun beurt ook weer “tot zegen”.

Er is ook een andere kant aan deze zaak. Het gevaar bestaat om door het kwade beïnvloed te worden (vers 2727Keer u af van het kwade, doe het goede /samech/
en bewoon [de aarde] voor eeuwig.
)
. Dat gebeurt als alle zegen aan eigen verdienste wordt toegeschreven en wordt vergeten dat de zegen van God komt. We geven er niets van weg en genieten er alleen zelf van. Dan zijn we egoïsten. Het kan ook gebeuren dat we wel zien dat we gezegend zijn door God en er ook van weggeven, maar dat doen om er zelf door geëerd te worden. Dan zijn we huichelaars.

Daarvan moeten we ons afkeren en “het goede” doen. Het goede doen betekent doen wat God zegt en dat met de juiste motieven doen. Dan wordt duidelijk dat we in gemeenschap met God leven. Het resultaat is dat we van het eeuwige erfdeel zullen genieten. Voor het gelovig overblijfsel betekent dit dat ze voor eeuwig de aarde bewonen. Voor ons betekent het dat we het erfdeel dat voor ons in de hemel is weggelegd, zullen ontvangen.

Het bewonen van de aarde is als het ware een beloning van de HEERE. Hij geeft die, want Hij “heeft het recht lief” (vers 2828Want de HEERE heeft het recht lief
en zal Zijn gunstelingen niet verlaten;
voor eeuwig worden zij bewaard,
maar het nageslacht van de goddelozen wordt uitgeroeid.
)
. Op grond van recht geeft Hij het hun. Tegelijk blijft Hij bij “Zijn gunstelingen”. Deze uitdrukking maakt duidelijk dat zij voorwerpen van Zijn gunst, van Zijn genade, zijn. Zij krijgen de zegen niet omdat zij beter zijn dan de goddelozen, maar omdat Hij hen naar de verkiezing van Zijn genade heeft gespaard.

Dat houdt nog meer zegen is. Hij zal hen namelijk “niet verlaten; voor eeuwig worden zij bewaard”. Hij houdt ook Zijn beschermende hand over hen en bewaart hen, zodat ze zullen kunnen genieten van wat Hij hun heeft toegezegd. Wat er met “het nageslacht van de goddelozen” gebeurt, staat daarmee in schril contrast: dat “wordt uitgeroeid”. Wie deze tegenstelling goed ziet, zal niet jaloers zijn op de tijdelijke voorspoed van de goddelozen of zich daarover opwinden.


Kenmerken van de rechtvaardige

29De rechtvaardigen zullen de aarde bezitten
en voor eeuwig daarop wonen.
30De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid tot uiting, /pe/
zijn tong spreekt het recht.
31De wet van zijn God is in zijn hart;
zijn schreden wankelen niet.
32De goddeloze loert op de rechtvaardige /tsade/
en probeert hem te doden,
33[maar] de HEERE geeft hem niet over in zijn hand
en verklaart hem niet schuldig, wanneer hij geoordeeld wordt.

David – in feite de Heilige Geest – put zich uit om de rechtvaardigen te laten zien wat hun werkelijke zegeningen en kenmerken zijn. Nog eens wijst hij de rechtvaardigen erop dat zij de aarde zullen bezitten en dat ze daarop eeuwig zullen wonen (vers 2929De rechtvaardigen zullen de aarde bezitten
en voor eeuwig daarop wonen.
)
. Dat zal zo zijn als de Messias is gekomen en regeert. Alle vijandelijke machten zijn geoordeeld. Er is geen enkele bedreiging meer dat ze nog eens uit hun land zullen worden weggejaagd. Er is geen bedreiging om hen heen en ook niet in hen, want in hen is de wet van God, zoals vers 3131De wet van zijn God is in zijn hart;
zijn schreden wankelen niet.
zegt.

Dat perspectief zal de rechtvaardige nu in zijn leven leiden, terwijl hij nog te midden van het kwaad leeft. Zijn “mond … brengt wijsheid tot uiting” (vers 3030De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid tot uiting, /pe/
zijn tong spreekt het recht.
)
. Hij weet wat hij moet zeggen. Het is de moeite waard om goed te luisteren naar wat hij zegt, want het helpt om de juiste weg te kiezen. In wat hij zegt, is niets verdraaid of krom, want “zijn tong spreekt het recht”. Hij vertelt wat recht is voor God en mensen.

De rechtvaardige spreekt zo, omdat “de wet van zijn God … in zijn hart” is (vers 3131De wet van zijn God is in zijn hart;
zijn schreden wankelen niet.
)
. Het hart is het centrum van het bestaan, vanwaar alles wat hij doet, uitgaat (Sp 4:2323Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,
want daaruit zijn de uitingen van het leven.
)
. Gods wet beheerst hem in al zijn denken en overleggingen en in al zijn spreken en handelen. Hierbij denken we direct aan de Heer Jezus, Die zegt: “Uw wet [draag Ik] diep in Mijn binnenste” (Ps 40:99Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen;
 Uw wet [draag Ik] diep in Mijn binnenste.
)
. Hij is de Rechtvaardige bij uitstek. We zien hier dat dit voor iedere rechtvaardige geldt. Tegen ons, nieuwtestamentische gelovigen, wordt gezegd: Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen” (Ko 3:1616Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.).

De “schreden” van wie de wet ofwel het Woord van Christus of van God in het hart is, “wankelen niet”. Wie zich door Gods Woord laat leiden, gaat met vaste stap de weg die God zegt dat hij moet gaan. Hij kan nog zoveel moeiten en vijandschap ondervinden, hij zal er niet door aan het wankelen worden gebracht, want hij wordt staande gehouden door Gods Woord dat in zijn hart is.

De goddeloze laat zich door heel andere beginselen leiden (vers 3232De goddeloze loert op de rechtvaardige /tsade/
en probeert hem te doden,
)
. Hij is, onder inspiratie van de duivel, die “een mensenmoordenaar is van [het] begin af” is (Jh 8:4444U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.), uit op de dood van de rechtvaardige. Daarvoor loert hij op hem. Wie zien dat in Judas, die erop uit is de Heer Jezus over te leveren. Zo zijn velen door de duivel geïnspireerd om gelovigen om te brengen. Dit gebeurt tot op vandaag en zal zeker ook in de tijd van de grote verdrukking in alle hevigheid gebeuren.

Dan zegt David: “De HEERE geeft hem niet over in zijn hand en verklaart hem niet schuldig, wanneer hij geoordeeld wordt” (vers 3333[maar] de HEERE geeft hem niet over in zijn hand
en verklaart hem niet schuldig, wanneer hij geoordeeld wordt.
)
. Hoe is dat te rijmen met wat er met de Heer Jezus is gebeurd, Die wel in de hand van Zijn vijanden is overgeleverd en veroordeeld op grond van valse beschuldigingen? Hetzelfde geldt voor talloze volgelingen van Hem die ook door hun vijanden zijn gevangengenomen en gedood.

We moeten dit zien vanuit Gods perspectief. Hij zal nooit een rechtvaardige overleveren in de hand van goddelozen die alles met hem doen wat zij willen. Dat het toch gebeurt, heeft te maken met het feit dat de wereld nu het machtsgebied van de satan is. Hij bestuurt zijn onderdanen en zet hen op tegen de rechtvaardigen. Dat gebeurt niet zonder de toestemming van God, maar niet met Zijn instemming. Hij laat het toe, omdat het past in Zijn plan.

Wat de mens doet en dat hij daarmee Gods plan vervult, is voor ons denken een probleem, maar niet voor God. We vinden dit probleem in één zin samengevat in de toespraak van Petrus in Jeruzalem als de gemeente is ontstaan. Hij zegt daarin over wat met de Heer Jezus is gebeurd het volgende: Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt u door [de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood” (Hd 2:2323Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt u door [de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood.).

Dit is door ons niet uit te leggen. Het is door ons alleen te begrijpen als we deze twee waarheden naast elkaar laten staan en elk afzonderlijk bezien. Wij moeten beseffen dat ons kennen “ten dele” (1Ko 13:99Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele,) ofwel ‘stuksgewijs’ is. De hele waarheid van God in één keer overzien is voor ons niet mogelijk. Het is voor ons alleen mogelijk Gods Woord te leren kennen door telkens een stukje van de waarheid te onderzoeken.

We gaan dan steeds meer verbanden zien, maar er blijven ook dingen voor ons verborgen. Een van die dingen is dat de raad van God mede wordt vervuld door de zonde van de mens. Dat betekent niet dat God de zonde heeft gewild, maar dat Hij de zonde heeft voorzien en onderdeel doet zijn van Zijn voornemens.

Het is onzinnig te zeggen dat God de zondeval niet heeft voorzien. Het is net zo onzinnig te zeggen dat Hij de zondeval heeft gewild. We moeten God laten zijn Wie Hij is: God. Als we dat doen, zullen wij beseffen dat wij nietige schepseltjes zijn die God niet kunnen beoordelen, maar dat wij moeten buigen voor Hem en Zijn raad. Dat zal onze wijsheid zijn en het zal ons tevens tot aanbidding brengen (Rm 11:33-3633O diepte van rijkdom, zowel van [de] wijsheid als van [de] kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!34Want wie heeft [het] denken van [de] Heer gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?35Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden?36Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.).


Het einde van de rechtvaardige

34Wacht op de HEERE /koph/
en houd u aan Zijn weg.
Dan zal Hij u verheffen om de aarde te bezitten;
u zult zien dat de goddelozen worden uitgeroeid.
35Ik heb een gewelddadige goddeloze gezien,/resj/
die zich wijd vertakte als een bladerrijke inheemse boom.
36Maar hij ging voorbij, en zie, hij was er niet [meer];
ik zocht hem, maar hij was niet te vinden.
37Let op de vrome en zie naar de oprechte,/sjin/
want het einde van [die] man zal vrede zijn.
38Maar de overtreders worden tezamen weggevaagd,
het einde van de goddelozen wordt afgesneden.
39Maar het heil van de rechtvaardigen komt van de HEERE,/taw/
hun kracht ten tijde van benauwdheid.
40De HEERE zal hen helpen en hen bevrijden;
Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en hen verlossen,
want zij hebben tot Hem de toevlucht genomen.

De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, maar zover is het nog niet. Daarom worden zij opgeroepen om op God te wachten en Zijn weg gaan (vers 3434Wacht op de HEERE /koph/
en houd u aan Zijn weg.
Dan zal Hij u verheffen om de aarde te bezitten;
u zult zien dat de goddelozen worden uitgeroeid.
)
. Zij hebben geduld nodig. Zij wachten op Iemand voor Wie tijd en haast geen rol spelen. Hij weet de juiste tijd om te handelen en zal dat op die tijd ook doen. Hij zal dan de rechtvaardigen “verheffen om de aarde te bezitten”. De rechtvaardigen zullen er op dat moment ook ooggetuige van zijn dat “de goddelozen worden uitgeroeid”.

In de verzen 35-3635Ik heb een gewelddadige goddeloze gezien,/resj/
die zich wijd vertakte als een bladerrijke inheemse boom.
36Maar hij ging voorbij, en zie, hij was er niet [meer];
ik zocht hem, maar hij was niet te vinden.
vertelt David nog een ervaring die hij heeft opgedaan in zijn leven met betrekking tot “een gewelddadige goddeloze” (vers 3535Ik heb een gewelddadige goddeloze gezien,/resj/
die zich wijd vertakte als een bladerrijke inheemse boom.
)
. Hij heeft gezien hoe het deze goddeloze voor wind is gegaan. In dichterlijke taal beschrijft hij de voorspoed van deze mens en vergelijkt hem met “een bladerrijke boom”, “die zich wijd vertakte”. Het lijkt allemaal geweldig en indrukwekkend.

Maar het leven van die mens “ging voorbij, en zie, hij was er niet [meer]” (vers 3636Maar hij ging voorbij, en zie, hij was er niet [meer];
ik zocht hem, maar hij was niet te vinden.
)
. Het is abrupt en radicaal afgelopen met hem. David heeft nog naar hem gezocht, “maar hij was niet te vinden”. Zo gaat het met de goddelozen. Ze hebben wel voorspoed, maar ze zullen spoedig onvindbaar verdwenen zijn.

Dit is een grote tegenstelling met “de vrome” of de Godvrezende (vers 3737Let op de vrome en zie naar de oprechte,/sjin/
want het einde van [die] man zal vrede zijn.
)
. David raadt de luisteraars aan op die vrome te letten. Ze kunnen van zijn voorbeeld leren, daar moed uit putten. Ze moeten ook zien “naar de oprechte”. Hoe anders is “het einde van [die] man”. Zijn einde “zal vrede zijn”. Hij zal in vrede sterven en in vrede in de opstanding het vrederijk binnengaan en duizend jaar in vrede leven. Zo kunnen wij kijken naar voorgangers in het geloof, op het einde van hun wandel letten en hun geloof navolgen (Hb 13:77Houdt uw voorgangers in herinnering die het Woord van God tot u gesproken hebben, en volgt, terwijl u het einde van hun wandel beschouwt, hun geloof na.).

Nog eens wijst hij in contrast daarmee op het einde van de overtreders en de goddelozen (vers 3838Maar de overtreders worden tezamen weggevaagd,
het einde van de goddelozen wordt afgesneden.
)
. “De overtreders worden tezamen weggevaagd”, er blijft niets van hen over. Wat de goddelozen betreft, hun “einde … wordt afgesneden”. Wegvagen gebeurt met een handbeweging. Afsnijden gebeurt door een mes, het mes van het oordeel.

En alsof hij niet vaak genoeg heeft gezegd, zegt David tot besluit nog een keer wat het deel van de rechtvaardigen zal zijn (vers 39-4039Maar het heil van de rechtvaardigen komt van de HEERE,/taw/
hun kracht ten tijde van benauwdheid.
40De HEERE zal hen helpen en hen bevrijden;
Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en hen verlossen,
want zij hebben tot Hem de toevlucht genomen.
)
. Hun “heil [of: behoudenis] … komt van de HEERE” (vers 3939Maar het heil van de rechtvaardigen komt van de HEERE,/taw/
hun kracht ten tijde van benauwdheid.
)
. Dat betekent dat er geen twijfel over kan bestaan en het zeker en vast is. Wat van de HEERE komt, komt zeker. En als ze het, terwijl ze op de behoudenis wachten, benauwd krijgen, dan is Hij “hun kracht ten tijde van de benauwdheid”. Dit slaat op de grote verdrukking die “een tijd van benauwdheid voor Jakob” wordt genoemd (Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
. Hij zal hen daarin met Zijn kracht bijstaan.

De HEERE zal hen in die tijd van benauwdheid “helpen” en hen daaruit uiteindelijk ook uit “bevrijden” (vers 4040De HEERE zal hen helpen en hen bevrijden;
Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en hen verlossen,
want zij hebben tot Hem de toevlucht genomen.
)
. Nog een keer zegt David dat de HEERE hen zal “bevrijden van de goddelozen en hen verlossen”. Ze mogen daar vast en zeker op rekenen, “want zij hebben tot Hem de toevlucht genomen”. Dit betekent dat ze Hem vertrouwen, waardoor elke wanhoop en twijfel verdwijnt.

Kan er een nog krachtiger garantie worden gegeven van de uiteindelijke zegen van de rechtvaardige? Is nu niet elke woede voor en jaloersheid op de voorspoed van de goddeloze verdwenen? Wie wil nog ruilen met de goddelozen als hij dit allemaal overweegt?


Lees verder