Psalmen
Inleiding 1-2 Welzalig 3-4 De druk van Gods hand 5 Belijdenis en vergeving 6-7 Gezangen van bevrijding 8-11 Leiding voor de weg
Inleiding

Deze psalm heeft grote overeenkomst met Psalm 51. David heeft beide psalmen geschreven na zijn ernstige zonden van overspel met Bathseba en zijn moord op Uria. In beide psalmen vinden wij zijn ware berouw en verootmoediging.

Psalm 32 gaat over de vergeving van zonden. De basis waarop God zonden kan vergeven, dat wil zeggen het werk van Christus, wordt hier niet genoemd. Dat wordt pas in het Nieuwe Testament bekendgemaakt. De Joden in de eindtijd zullen er daarom mee bekend zijn.

In Romeinen 4 worden de eerste twee verzen van deze psalm aangehaald als bewijs dat de vergeving van de zonden buiten de besnijdenis en de wet om gebeurt, dat wil zeggen zonder werken. Vergeving berust uitsluitend op grond van het geloof. De psalmist zegt niet: ‘Welzalig is hij, die de wet houdt. ’Mensen die de wet houden, bestaan niet, uitgezonderd de Heer Jezus.

De aanhaling in Romeinen 4 maakt duidelijk dat deze verzen over vergeving ook voor de nieuwtestamentische gelovige gelden, alleen dan in de diepere en rijkere mate die hoort bij de kennis die deze gelovige van het werk van Christus heeft.


Welzalig

1Een onderwijzing van David.
 Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven,
van wie de zonde bedekt is.
2Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is.

Deze psalm is “een onderwijzing van David” (vers 1a1Een onderwijzing van David.
 Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven,
van wie de zonde bedekt is.
)
. ‘Onderwijzing’ is letterlijk maskil, dat is een leergedicht van de maskilim, dat zijn de verstandigen die anderen verstandig maken. Het zijn de verstandigen, de maskilim, die in de eindtijd velen tot inzicht brengen over de tijd waarin ze leven (Dn 11:33,3533De verstandigen onder het volk zullen velen onderwijzen. Zij zullen struikelen door zwaard en vlam, door gevangenschap en beroving – dagen [lang].35Van de verstandigen zullen er struikelen, om hen te louteren, te reinigen en [zuiver] wit te maken tot de tijd van het einde, want het [wacht] nog tot de vastgestelde tijd.; 12:33De verstandigen zullen blinken als de glans van het [hemel]gewelf,
en zij die er velen rechtvaardigen, als de sterren,
voor eeuwig en altijd.
; Op 13:1818Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.)
. Het is een tijd van grote beproevingen van Gods volk op aarde. De ‘maskilpsalmen’ bevatten ook onderwijs voor ons, want wij ondergaan ook beproevingen en wij leven ook in een eindtijd (vgl. Rm 15:44Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften de hoop hebben.; 1Ko 10:1111<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen.).

Deze ‘onderwijzingen’, die ook wel ‘leergedichten’ worden genoemd, dragen kennis over, niet van leerstellingen, maar van ervaringen, van leringen die worden opgedaan in de school van God. Het hele boek Psalmen gaat daarover, maar de ‘maskilpsalmen’ gaan daar bij uitstek over.

Psalm 32 is de eerste ‘maskilpsalm, van de dertien die Psalmen rijk is. Zes zijn van David (Psalmen 32; 52; 53; 54; 55; 142), vier van de zonen van Korach (Psalmen 42; 44; 45; 88), twee van Asaf (Psalmen 74; 78) en één van Ethan (Psalm 89).

Deze psalm begint bij wijze van uitzondering niet met het loven of aanroepen van de HEERE, maar met het vermelden of meer nog verkondigen van de weldaad van de vergeving (vers 1b1Een onderwijzing van David.
 Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven,
van wie de zonde bedekt is.
)
. Hieraan is natuurlijk wel de grootst mogelijke dank aan God verbonden, want de vergeving komt van Hem.

Het is geen uitbundige lofprijzing omdat David een diep besef heeft van wat hij heeft gedaan. De gelovige Israëliet brengt bij monde van David tot uiting hoe gezegend het is om te weten dat de zonden vergeven en bedekt zijn. De zonden zijn weggedragen. Het betekent dat God de zonden niet meer ziet en hij ze daarom ook niet meer toerekent. Dat dit ook zijn betekenis heeft voor de nieuwtestamentische gelovige is al in de inleiding opgemerkt.

David gebruikt drie uitdrukkingen voor wat hij heeft gedaan en waarvoor hij vergeving heeft gekregen: overtreding, zonde en ongerechtigheid.
1. Overtreding is het overtreden van enig gebod van de wet en is daardoor een aanval op het gezag van de Wetgever.
2. Zonde is wetteloosheid in de ruimste zin van het woord, dat wil zeggen dat er geen rekening houden met enig gezag (1Jh 3:44Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid; en de zonde is de wetteloosheid.).
3. Ongerechtigheid is onrechtvaardig handelen. Het is een handelen dat in strijd is met waarop iemand recht heeft. Dit geldt zowel tegenover God als tegenover de medemens, gelovig of ongelovig.

In vers 22Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is.
wordt gezegd dat God “de ongerechtigheid niet toerekent”. Dit gaat verder dan vergeving. Het houdt in dat de zonden niet alleen worden vergeven, maar dat de mens van wie de zonden vergeven zijn, door God wordt gezien als iemand die de zonden niet heeft gedaan. Dit is het wonder van de rechtvaardiging, een wonder zo groot, dat God daaraan een hele brief in de Bijbel weidt, de brief aan de Romeinen.

Iemand van wie de overtreding vergeven is, de zonde bedekt is en aan wie de overtreding niet wordt toegerekend, is iemand in wiens geest “geen bedrog is”. Oprechte belijdenis bevrijdt de geest van bedrog. Hij heeft zichzelf in Gods licht gezien en “de hele waarheid” over zijn zonde aan God verteld (vgl. Mk 5:3333De vrouw nu, bang en bevend, daar zij wist wat er met haar was gebeurd, kwam en viel voor Hem neer en zei Hem de hele waarheid.). Hij heeft niets achtergehouden, er is geen restant van de zonde dat hij nog wil vasthouden. In de geest, in het denken, van iemand die zo met zichzelf in Gods tegenwoordigheid heeft afgerekend, is werkelijk geen bedrog. Nathanaël is een voorbeeld van zo iemand en van het gelovig overblijfsel (Jh 1:4848Jezus zag Nathanaël naar Zich toe komen en zei van hem: Zie, waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is.).


De druk van Gods hand

3Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg,
onder mijn jammerklachten, de hele dag.
4Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij,
mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte. /Sela/

Wat in de verzen 1-21Een onderwijzing van David.
 Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven,
van wie de zonde bedekt is.
2Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent,
en in wiens geest geen bedrog is.
wordt gezegd, kan en zal alleen gezegd worden door iemand die zijn zonden heeft beleden. Tot het moment van de belijdenis van zonden wordt gezwegen, dat wil zeggen dat de zonde wordt verzwegen (vers 33Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg,
onder mijn jammerklachten, de hele dag.
)
. Dit zwijgen heeft bij David verlammend gewerkt, zijn beenderen zijn weggeteerd (vgl. Sp 17:2222Een blij hart bevordert de genezing,
maar een neerslachtige geest doet de beenderen verdorren.
)
. Er is geen kracht om te lopen. Hij heeft wel met zijn mond gezwegen, maar innerlijk is er geen zwijgen, maar zijn er “jammerklachten, de hele dag” geweest. Iemand die zich bewust is van zijn zonden, heeft geen rust.

Tijdens het zwijgen drukt Gods hand “dag en nacht”, continu, zwaar op zo iemand (vers 44Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij,
mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte. /Sela/
)
. Het spreekt van Gods bemoeienis met hem om hem tot belijdenis te brengen en daardoor tot Zichzelf te brengen, in gemeenschap met Hem. Zijn “levensvocht veranderde in een zomerse droogte”, wat betekent dat er uit zijn leven geen vrucht meer voor God tevoorschijn is gekomen.


Belijdenis en vergeving

5Mijn zonde maakte ik U bekend,
mijn ongerechtigheid bedekte ik niet.
Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEERE.
En Ú vergaf [mijn] ongerechtigheid, mijn zonde. /Sela/

Dan komt het moment van de overgave, van volle belijdenis, zonder afzwakking of excuses. Het zwijgen wordt verbroken en de zonde wordt aan God bekendgemaakt (vers 55Mijn zonde maakte ik U bekend,
mijn ongerechtigheid bedekte ik niet.
Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEERE.
En Ú vergaf [mijn] ongerechtigheid, mijn zonde. /Sela/
)
. Natuurlijk weet God ook voordat David zijn zonde bekendmaakt van de aanwezigheid ervan. Maar God wil dat de zondaar zijn ongerechtigheid in het volle licht van de waarheid ziet en niet langer bedekt houdt. Als de zondaar zijn zonde niet meer bedekt, bedekt God zijn zonde, zoals in vers 11Een onderwijzing van David.
 Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven,
van wie de zonde bedekt is.
staat.

Dat de zondaar zijn zonde belijdt, is het werk van God. Maar hier wordt het gezien van de kant van de belijder, die zegt “ik zei”. David heeft een wilsbesluit genomen. Hij heeft besloten zijn “overtredingen te belijden voor de HEERE” en heeft het ook gedaan. Hetzelfde zien we bij de verloren zoon. Hij zegt dat hij zal opstaan en naar zijn vader zal gaan om zijn zonden te belijden. Hij doet het ook en wordt met open armen door zijn vader ontvangen (Lk 15:17-2017Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben overvloed aan broden, en ik verga hier van honger.18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u,19ik ben niet meer waard uw zoon te heten; maak mij als een van uw dagloners.20En hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nu nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, en hij liep snel op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig.).

Als de zondaar doet wat God zegt, doet God ook wat: Hij vergeeft de ongerechtigheid (vgl. 1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.). In de manier waarop David het hier zegt, zien we dat de vergeving direct op de belijdenis volgt. Nauwelijks is de zonde beleden of de vergeving is er. Er klinkt grote dankbaarheid door in wat de zondaar met nadruk zegt: “En Ú vergaf [mijn] ongerechtigheid, mijn zonde”. Wat een opluchting, wat een last valt er van hem af.


Gezangen van bevrijding

6Daarom zal iedere heilige tot U bidden
ten tijde dat [U Zich laat] vinden.
Voorzeker, een overstroming van machtige wateren
zal hem niet bereiken.
7U bent mijn schuilplaats, U beschermt mij voor benauwdheid,
U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. /Sela/

Als de gemeenschap met God op die manier volledig is hersteld, zal dat direct gevolgen hebben voor het gebedsleven van “iedere heilige” (vers 66Daarom zal iedere heilige tot U bidden
ten tijde dat [U Zich laat] vinden.
Voorzeker, een overstroming van machtige wateren
zal hem niet bereiken.
)
. David deelt zijn ervaring hier op indirecte wijze aan ‘iedere heilige’ mee en moedigt hem aan tot God te bidden. Deze aansporing om te bidden zal in dit verband vooral betekenen dat zonde in het gebed aan God wordt beleden. In ruimere zin betekent het dat we zullen bidden om bewaring voor een vallen in de zonde, zoals dat bij David is gebeurd. Dat David over een ‘heilige’ spreekt, betekent dat het een gelovige betreft die (weer) voor God afgezonderd leeft.

Bidden is gemeenschap met God, waarvan het zekere gevolg is dat “een overstroming van machtige wateren” de bidder “niet bereiken” zal. De bidder die zijn zonde belijdt, komt buiten het bereik van de vijand. De vijand is zijn greep op hem kwijt. Wat de vijand ook probeert om de herstelde en biddende gelovige weer in zijn macht te krijgen, alles mislukt. De bidder die om bewaring bidt, blijft staande als er krachtige verzoekingen tot zonde op hem afkomen. Dit is geen eenmalig bidden, maar een voortdurend bidden, een leven dat biddend wordt geleefd.

We moeten ons bewust blijven dat we door de zonde kunnen worden overvallen (Gl 6:11Broeders, zelfs als iemand door een overtreding overvallen wordt, brengt u die geestelijk bent zo iemand terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, opdat ook u niet in verzoeking komt.). Als dat gebeurt, is het zaak die zonde zo snel mogelijk te belijden. Zolang het de welaangename tijd is, kan iemand een beroep doen op Gods genade (2Ko 6:22(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik U verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik U geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis),). God stelt een grens aan de tijd dat Hij Zich laat vinden (Lk 19:4444en zij zullen u met de grond gelijkmaken met uw kinderen in u; en zij zullen in u geen steen op [de andere] steen laten, aangezien u de tijd waarin naar u werd omgezien, niet hebt erkend.; Jr 46:1717Daar riepen zij: De farao,
de koning van Egypte, is een grootspreker: hij heeft het juiste moment voorbij laten gaan!
)
. Zonde in het leven veroorzaakt een breuk met God, een breuk die pas weer wordt hersteld na belijdenis.

God is voor de herstelde gelovige een “schuilplaats” tegen de overstroming van de machtige wateren van vers 66Daarom zal iedere heilige tot U bidden
ten tijde dat [U Zich laat] vinden.
Voorzeker, een overstroming van machtige wateren
zal hem niet bereiken.
, waardoor die hem niet kunnen bereiken (vers 77U bent mijn schuilplaats, U beschermt mij voor benauwdheid,
U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. /Sela/
)
. Hij wordt door God beschermd voor benauwdheid. Hij kan het benauwd krijgen, maar hij zal er niet in omkomen.

In plaats van omringd te zijn door vijanden die hem benauwen, is hij omringd door mensen die “vrolijke gezangen van bevrijding” met en voor hem zingen. Wie onder de indruk van de bevrijding van zijn zonden is, zal het gevoel hebben dat de hele sfeer om hem heen gevuld is met muziek van de hemel. Hij is van binnen vol geluk en hij ervaart dat alles en iedereen om hem heen in dat geluk deelt.


Leiding voor de weg

8Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan;
Ik geef raad, Mijn oog is op u.
9Wees niet als een paard,
als een muildier, dat geen verstand heeft.
Zijn bek houdt men in toom met bit en toom;
dan kan hij u niet te na komen.
10De goddeloze heeft veel smarten,
maar wie op de HEERE vertrouwt,
hem zal de goedertierenheid omringen.
11Verblijd u in de HEERE en verheug u, rechtvaardigen,
zing vrolijk, alle oprechten van hart!

Na de vergeving volgt in vers 88Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan;
Ik geef raad, Mijn oog is op u.
de belofte van God – Hij is hier aan het woord, niet David – dat Hij de Zijnen de weg zal onderwijzen en leren die ze moeten gaan. God stuurt de gelovige niet op weg met een routebeschrijving om Zich vervolgens terug te trekken. Hij gaat met hem mee en ‘onderwijst’ en ‘leert’ hem op die weg met Zijn wijsheid. Dit onderwijs en die lering krijgen wij in het Nieuwe Testament met betrekking tot onze weg als leden van de gemeente (Fp 1:9-119En dit bid ik, dat uw liefde nog meer en meer mag overvloeien in kennis en alle inzicht,10om te beproeven wat het beste is, opdat u zuiver en onberispelijk bent tegen [de] dag van Christus,11vervuld met [de] vrucht van [de] gerechtigheid die door Jezus Christus is, tot heerlijkheid en lof van God.; Ko 1:9-109Daarom houden ook wij, van de dag af dat wij ervan gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat u vervuld mag worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht,10om de Heer waardig te wandelen tot al [Zijn] welbehagen, terwijl u in alle goed werk vrucht draagt en opgroeit door de kennis van God,).

Het is geen weg van eigen keus, maar “de weg die u moet gaan”. God bepaalt die weg. Voor het gaan van die weg geeft Hij algemeen onderwijs en algemene lering, maar Hij geeft ook “raad” met betrekking tot praktische situaties. Daarom moeten we steeds Hem om advies vragen als er keuzes gemaakt moeten worden. Dat zullen we doen als we in ‘oogcontact’ met Hem leven. Zijn oog is namelijk op ons.

Er is wel de vergelijking gemaakt met het trainen van een jachthond. De natuur van de hond is om zodra hij een prooi ziet, er direct achteraan te gaan. De training van de hond is pas klaar als hij eerst naar de meester kijkt, voordat hij een prooi najaagt. Oogcontact hebben met de Meester is het kenmerk van een volwassen gelovige.

Er volgt een woord van vermaning. Het kan zijn dat wij ons niet door Gods oog laten leiden omdat we niet in oogcontact met Hem leven. Dan moet Hij ons als eigenzinnige dieren zoals een paard en een muildier behandelen (vers 99Wees niet als een paard,
als een muildier, dat geen verstand heeft.
Zijn bek houdt men in toom met bit en toom;
dan kan hij u niet te na komen.
)
. Beide dieren hebben een bit en toom nodig om in bedwang te worden gehouden, opdat ze de weg gaan die de bestuurder wil (vgl. Jk 3:33Als wij nu de paarden tomen in de monden doen opdat zij ons gehoorzamen, dan besturen wij ook hun hele lichaam.).

Als God zo met ons moet handelen, is dat niet de methode van Zijn voorkeur. Toch zien we daarin Zijn genade, want Hij behoedt ons daardoor voor het gaan van een verkeerde, schadelijke weg. Het is een negatieve vorm van leiding. “Dan kan hij”, dat is het onheil, het kwaad, ons “niet te na komen”, dat wil zeggen ons geen schade berokkenen.

In vers 1010De goddeloze heeft veel smarten,
maar wie op de HEERE vertrouwt,
hem zal de goedertierenheid omringen.
worden de goddeloze en wie op de HEERE vertrouwt tegenover elkaar gesteld. Daarmee wordt de lezer voor de keus gesteld. Wie de weg van de goddeloze kiest, kiest voor veel smarten. Wie de weg van vertrouwen op de HEERE kiest, zal worden omringd door “de goedertierenheid”, wat wil zeggen dat Gods goedertierenheid als een muur om hem heen is, zodat geen onheil hem kan treffen. Hij wordt aan alle kanten door goedertierenheid beschermd. We kunnen denken aan thuis en onderweg, gedurende dag en nacht, bij gezondheid en ziekte, voor tijd en eeuwigheid.

De “rechtvaardigen” worden opgeroepen zich in de HEERE te verblijden en zich te verheugen (vers 1111Verblijd u in de HEERE en verheug u, rechtvaardigen,
zing vrolijk, alle oprechten van hart!
)
. Als er mensen op aarde zijn die daarvoor reden hebben, zijn het de rechtvaardigen. Hun zonden zijn vergeven, ze hebben een God Die hen onderwijst, leert, raad geeft en met Zijn oog leidt en ze hebben een levende hoop in het vooruitzicht van de vervulling van Gods beloften. Dat moet het hart toch wel vol blijdschap maken (Fp 3:11Overigens, mijn broeders, verblijdt u in [de] Heer. Dezelfde dingen aan u te schrijven is voor mij niet vervelend en u geeft het zekerheid.; 4:44Verblijdt u altijd in [de] Heer! Nog eens zal ik zeggen: Verblijdt u!; 1Th 5:1616Verblijdt u altijd.). Die blijdschap moet worden geuit en niet alleen in het hart worden gekoesterd.

Er wordt een oproep gedaan aan “alle oprechten van hart” om vrolijk te zingen. De ‘oprechten van hart’ hebben oprecht hun zonden beleden en verlangen er oprecht naar Gods wil te doen. Er is geen enkele huichelachtigheid in hun hart. Het is geen oproep om vrolijk te doen, maar het werkelijk te zijn. Er is alle reden toe als we bedenken dat onze zonde vergeven zijn en we er zoveel zegeningen, zoals bescherming en leiding, bij hebben gekregen.


Lees verder