Psalmen
1 Opschrift 2-6 Danklied 7-11 Roep tot de HEERE 12-13 Rouw verandert in blijdschap
Opschrift

1Een psalm, een lied voor de inwijding van Davids huis.

Meerdere uitleggers nemen aan dat David deze psalm op de dorsvloer van Arauna heeft gedicht, nadat de engel het volk vanwege de volkstelling door David (2Sm 24:10,14-1610Het hart van David bonsde in hem, nadat hij het volk geteld had. En David zei tegen de HEERE: Ik heb zwaar gezondigd [in] wat ik gedaan heb. Maar nu, HEERE, neem de ongerechtigheid van Uw dienaar toch weg, want ik heb heel dwaas gehandeld.14Toen zei David tegen Gad: Het benauwt mij zeer. Laten wij toch in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is groot. Laat mij echter niet in de hand van mensen vallen.15Toen gaf de HEERE [een uitbraak van] de pest in Israël, vanaf de morgen tot op de vastgestelde tijd. En er stierven van het volk, van Dan tot Berseba, zeventigduizend mannen.16Maar toen de engel zijn hand over Jeruzalem uitstrekte om er verderf aan te richten, kreeg de HEERE berouw over dit kwaad, en Hij zei tegen de engel die verderf onder het volk aanrichtte: Het is genoeg, trek uw hand nu terug. Nu was de engel van de HEERE [op dat moment] bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.) had geslagen. In elk geval is de psalm een danklied na verlossing uit grote nood, mogelijk een ziekte, vergelijkbaar met de ziekte van Hizkia (Js 38:1-61In die dagen werd Hizkia ziek, tot stervens toe. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, bij hem en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Regel [de zaken] van uw huis, want u zult sterven en niet leven.2Daarop keerde Hizkia zijn gezicht om naar de muur en bad tot de HEERE3en zei: Och HEERE, bedenk toch dat ik in trouw en met een volkomen hart voor Uw aangezicht gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in Uw ogen. En Hizkia huilde erg.4Toen kwam het woord van de HEERE tot Jesaja:5Ga tegen Hizkia zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Zie, Ik zal vijftien jaar aan uw [levens]dagen toevoegen,6en Ik zal u uit de hand van de koning van Assyrië redden, evenals deze stad; Ik zal deze stad beschermen.). Het is een beeld van het innerlijke herstel van het volk in de toekomst, gevolgd door lofprijzing.


Danklied

2Ik zal U roemen, HEERE, want U hebt mij opgetrokken
en mijn vijanden over mij niet verblijd.
3HEERE, mijn God, ik heb tot U geroepen
en U hebt mij genezen.
4HEERE, U hebt mijn ziel uit het graf opgehaald;
U hebt mij in het leven behouden,
zodat ik in de kuil niet ben neergedaald.
5Zing psalmen voor de HEERE, gunstelingen van Hem!
Loof Hem ter gedachtenis aan Zijn heiligheid.
6Want een ogenblik duurt Zijn toorn,
[maar] een leven [lang] Zijn goedgunstigheid;
overnacht 's avonds het geween,
's morgens is er gejuich.

David roemt de HEERE omdat Hij hem heeft “opgetrokken” uit een ziekte die hem dicht bij het graf heeft gebracht (vers 22Ik zal U roemen, HEERE, want U hebt mij opgetrokken
en mijn vijanden over mij niet verblijd.
; vgl. vers 44HEERE, U hebt mijn ziel uit het graf opgehaald;
U hebt mij in het leven behouden,
zodat ik in de kuil niet ben neergedaald.
)
. ‘Opgetrokken’ wordt ook gebruikt voor ‘opgetrokken uit het water’ (vgl. Jr 38:7-137Toen Ebed-Melech, de Cusjiet, een van de hovelingen die toen in het huis van de koning was, hoorde dat zij Jeremia in de put hadden gezet – de koning verbleef in de Benjaminpoort –8ging Ebed-Melech het huis van de koning uit en sprak tot de koning:9Mijn heer de koning, deze mannen hebben slecht gehandeld in alles wat zij de profeet Jeremia hebben aangedaan, die zij in de put geworpen hebben, terwijl hij ter plekke zou kunnen sterven van de honger, want er is geen brood meer in de stad.10Toen gebood de koning de Cusjiet Ebed-Melech: Neem vanhier dertig man onder uw bevel, en trek de profeet Jeremia uit de put omhoog, voordat hij sterft.11Zo nam Ebed-Melech de mannen onder zijn bevel, ging het huis van de koning binnen tot onder de schatkamer, en nam vandaar versleten kleren en versleten lompen mee. Die liet hij met touwen naar beneden, naar Jeremia in de put.12En Ebed-Melech, de Cusjiet, zei tegen Jeremia: Doe deze versleten kleren en lompen toch onder uw oksels, [en] daaronder de touwen. Zo deed Jeremia.13Toen trokken zij Jeremia met de touwen op en haalden hem uit de put omhoog. En Jeremia verbleef op het binnenplein van de wacht.) en daardoor gered van de verdrinkingsdood. Zijn vijanden hoopten en verheugden zich erop dat hij aan zijn ziekte zou sterven. Maar door zijn genezing heeft de HEERE hun de gelegenheid ontnomen daar blij over te zijn.

Hij heeft tot de HEERE, zijn God geroepen in grote nood en zijn genezing is het antwoord op zijn gebed (vers 33HEERE, mijn God, ik heb tot U geroepen
en U hebt mij genezen.
)
. De verheven God is neergedaald en heeft zijn “ziel uit het graf opgehaald” (vers 44HEERE, U hebt mijn ziel uit het graf opgehaald;
U hebt mij in het leven behouden,
zodat ik in de kuil niet ben neergedaald.
)
. God heeft hem in het leven behouden en daardoor onderscheiden van hen in de kuil, dat is in het graf, neerdalen. Hij prijst God voor de tegenstelling dat hij is ‘opgehaald’ en niet is ‘neergedaald’.

David dankt niet alleen zelf God, maar roept al Gods “gunstelingen” ertoe op dat samen met hem te doen (vers 55Zing psalmen voor de HEERE, gunstelingen van Hem!
Loof Hem ter gedachtenis aan Zijn heiligheid.
)
. De solozang moet een koorzang worden. En wat is hier het onderwerp van de lof? Gods heiligheid, dat is hier de heiligheid van Zijn Naam in verband met Zijn getrouwheid aan het verbond. ‘Gunstelingen’ zijn ‘gunstgenoten’, zij die trouw zijn aan het verbond – Hebreeuws chasidim, een term die tegenwoordig ook gebruikt wordt voor orthodoxe Joden.

David roept op om God “ter gedachtenis aan Zijn heiligheid” te loven. Omdat God heilig is, wil Hij dat de Zijnen ook heilig zijn. Als dat ontbreekt, brengt Hij tucht in hun leven, waardoor ze het verkeerde wegdoen en Hij weer gemeenschap met hen kan hebben en zij weer gelukkig zijn (Hb 12:9-119Bovendien, wij hadden de vaders van ons vlees om [ons] te tuchtigen en wij hadden ontzag voor hen; zullen wij <dan> niet veel meer aan de Vader van de geesten onderworpen zijn en leven?10Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.11Nu schijnt alle tuchtiging wel op het ogenblik zelf geen reden voor vreugde maar voor droefheid te zijn, maar daarna geeft zij aan hen die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht van gerechtigheid.; 1Pt 1:14-1914Weest als kinderen van [de] gehoorzaamheid niet gelijkvormig aan de begeerten van vroeger in uw onwetendheid,15maar wordt, zoals Hij Die u geroepen heeft heilig is, ook zelf heilig in al [uw] wandel;16want er staat geschreven: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’.17En als u als Vader Hem aanroept Die zonder aanzien des persoons oordeelt naar het werk van ieder, wandelt dan in vrees de tijd van uw bijwoning,18daar u weet dat u niet door vergankelijke dingen zilver of goud, verlost bent van uw onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel,19maar door kostbaar bloed, als van een vlekkeloos en onbesmet lam, [het bloed] van Christus.).

De toorn van God duurt “een ogenblik” (vers 66Want een ogenblik duurt Zijn toorn,
[maar] een leven [lang] Zijn goedgunstigheid;
overnacht 's avonds het geween,
's morgens is er gejuich.
; vgl. Js 54:7-87Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten,
maar in grote barmhartigheid zal Ik u bijeenbrengen.
8In een stortvloed van grote toorn heb Ik voor u
Mijn aangezicht een ogenblik verborgen,
maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen,
zegt de HEERE, uw Verlosser.
)
. Daarna, als de toorn Zijn doel heeft bereikt, is er “een leven [lang]” het beleven van “Zijn goedgunstigheid”. In de nacht van de beproeving is er “het geween” over zonden. Maar na de nacht van geween komt er in de morgen “gejuich” over de bevrijding.

Bij de scheppingsdagen zien dezelfde volgorde: “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest”, en dan komt de volgende dag. Elke nieuwe morgen wordt geboren uit de nacht. Het is als de aanhef van Psalm 22, de psalm van het lijden van Christus, die in het opschrift “de hinde van de dageraad” heeft (Ps 22:11Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De hinde van de dageraad’.). Daarmee wordt aangegeven dat na het lijden de dageraad aanbreekt die een nieuwe dag zonder einde aankondigt.

De Heer Jezus heeft ‘s nachts in Gethsémané geweend, want er kwam een nacht van lijden over Hem. Maar is heeft Hij daarna niet gejuicht in de opstanding? Hij is in het midden van Zijn discipelen en heeft Zich met hen verheugd. De vreugde die toen is begonnen, zal nooit eindigen.


Roep tot de HEERE

7Ík zei wel in mijn zorgeloze rust:
Ik zal voor eeuwig niet wankelen.
8– [Want,] HEERE, door Uw goedgunstigheid
had U mijn berg vast doen staan. –
[Maar toen] U Uw aangezicht verborg,
werd ik door schrik overmand.
9Tot U, HEERE, riep ik;
ik smeekte de Heere:
10Wat voor winst is er in mijn bloed,
in mijn neerdalen in het graf?
Zal het stof U loven?
Zal dat Uw trouw verkondigen?
11Luister, HEERE, en wees mij genadig;
HEERE, wees mijn Helper.

In dit gedeelte horen we het verhaal van de nood en de uitredding. Het begint met een nadrukkelijk “Ík” (vers 77Ík zei wel in mijn zorgeloze rust:
Ik zal voor eeuwig niet wankelen.
)
. David vertelt over een periode in zijn leven die hij beschrijft als “mijn zorgeloze rust”. Tijdens die periode zei of dacht hij dat hij “voor eeuwig niet wankelen” zou. Er is bij hem geen gedachte aan de mogelijkheid van een verandering in die omstandigheden. Is dit overmoed die Gods tucht noodzakelijk maakte, waardoor hij de dood nabij is gekomen? Lijkt hij hier op Nebukadnezar die ook eens zo’n periode van hoogmoed heeft gekend en door God voor zijn hoogmoed is gestraft (Dn 4:4-5,29-314Ik, Nebukadnezar, leefde zorgeloos in mijn huis en in welstand in mijn paleis.5Ik zag [echter] een droom, die mij bevreesd maakte, en de gedachten die ik op mijn bed kreeg en de visioenen die ik voor ogen kreeg, verschrikten mij.29Na verloop van twaalf maanden was hij aan het wandelen op [het dak van] het koninklijk paleis van Babel.30De koning nam het woord en zei: Is dit niet het grote Babel dat ík als een huis voor het koninkrijk gebouwd heb, door mijn sterke macht en ter ere van mijn majesteit?31Dit woord was nog in de mond van de koning [of] er klonk een stem vanuit de hemel: U, koning Nebukadnezar, wordt aangezegd: Het koningschap is van u weggegaan!)?

Het is niet eenvoudig die vraag te beantwoorden. Er is wel een verschil tussen David en Nebukadnezar. David zegt in vers 88– [Want,] HEERE, door Uw goedgunstigheid
had U mijn berg vast doen staan. –
[Maar toen] U Uw aangezicht verborg,
werd ik door schrik overmand.
dat hij zijn zorgeloze rust aan Gods goedgunstigheid te danken had, want Hij had zijn “berg vast doen staan”. David lijkt daarmee zijn koninkrijk te bedoelen, dat de vastheid van een berg had. Bij Nebukadnezar was het duidelijk alleen hoogmoed.

Ook het volk van God wordt later aangesproken door God over hun zorgeloze rust, maar God zegt erbij dat zij niet willen luisteren (vgl. Jr 22:2121Ik sprak in uw zorgeloze rust tot u,
[maar] u zei: Ik wil niet luisteren.
Dit is uw weg van uw jeugd af,
dat u niet naar Mijn stem geluisterd hebt.
)
. Bij David is dat toch anders. Bij hem klinkt door dat hij Gods hand in zijn voorspoed ziet. Het kan ook zijn dat hij dit was vergeten en dat achteraf, hier, als de werkelijke reden van zijn voorspoed erkent, nadat hij Gods tucht had ondergaan.

Hoe we zijn zorgeloze rust ook moeten duiden, de les voor ons is dat wij ons vertrouwen niet moeten stellen op de voorspoed die we kunnen hebben, maar op God. Als we geen zorgen hebben, als we zijn gezond en alles hebben wat we nodig hebben, als het ook met de kinderen en kleinkinderen goed gaat, dan beleven we om zo te zeggen een periode van ‘zorgeloze rust’. De gedachte kan dan licht postvatten dat we ‘voor eeuwige niet zullen wankelen’.

Deze gedachte hoeft te betekenen dat we helemaal los van God zijn, zoals dat ook hier bij David niet het geval lijkt te zijn. We beseffen dat we het aan Hem te danken hebben en zeggen tegen Hem: ‘Heer, door Uw goedgunstigheid hebben we deze onwankelbare rust. Mijn berg staat vast’. ‘Mijn berg’ kunnen we dan toepassen op het ‘koninkrijkje’ dat we kunnen hebben, een terrein dat we onder ons beheer hebben en waarvan het beheer ons goed afgaat. Onze blik is meer gericht geraakt op onze rust als iets wat niet kan wankelen, dan op de Heer.

De Heer maakt David daarvan in Zijn genade bewust door Zijn aangezicht voor hem te verbergen. Het gevolg is dat David “door schrik overmand” wordt (vgl. 2Sm 12:1-131En de HEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm.2De rijke had heel veel schapen en runderen.3Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen. Het at [mee] van zijn stuk [brood], dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem.4Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen [een] van zijn [eigen] schapen en runderen te nemen, om [een maaltijd] te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.5Toen ontstak David in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: [Zo waar] de HEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods!6En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had.7Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered.8Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en [bovendien] de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben.9Waarom hebt u [dan] het woord van de HEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.10Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig niet van uw huis wijken, omdat u Mij veracht hebt en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te zijn.11Zo zegt de HEERE: Zie, Ik breng onheil over u uit uw [eigen] huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen.12Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht.13Toen zei David tegen Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEERE. En Nathan zei tegen David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen; u zult niet sterven.). Dit is tevens het bewijs dat David niet echt bij de Heer weg is. Hij kan niet zonder Hem leven. Zijn aandacht was echter meer op zijn zorgeloze leven gericht dan op Hem Die het hem had gegeven. Dat is een gevaarlijke situatie die het begin kan zijn van een andere koers en daardoor van een ander einde.

Bij David heeft het verbergen van Gods aangezicht de door God gewenste uitwerking: hij gaat tot Hem roepen (vers 99Tot U, HEERE, riep ik;
ik smeekte de Heere:
)
. Hij beseft weer dat Hij van God afhankelijk is. In de tijd van voorspoed zal hij ook hebben gebeden, maar mogelijk meer gedachteloos. We kunnen bijvoorbeeld bidden “geef ons heden ons dagelijks brood” omdat er werkelijk gebrek is aan dagelijks brood. Als we alles hebben, en zelfs een voorraad voor meerdere dagen hebben, kunnen we dit ook bidden, maar wordt het gevaar groot dat het geen betekenis heeft.

We kunnen dit ook toepassen op gezondheid en ziekte. David lijkt door een ziekte geveld te zijn, en wel door een zodanig ernstige ziekte, dat de dood dreigde. Wat wordt dan alle voorspoed betrekkelijk. Hij begint te bidden, te roepen, te smeken tot God.

David wijst God in zijn gebed erop dat hij Hem niet kan loven als hij zal sterven (vers 1010Wat voor winst is er in mijn bloed,
in mijn neerdalen in het graf?
Zal het stof U loven?
Zal dat Uw trouw verkondigen?
)
. Het stof waarnaar hij terugkeert als hij sterft, heeft geen stem. Dat betekent dan toch geen winst voor God? Waar God wel winst bij heeft, is dat Hij wordt geprezen voor Zijn uitredding. Dat zal ook een verkondiging van Zijn trouw naar buiten toe tot gevolg hebben.

Op dit punt in zijn gebed aangekomen, doet David een dringend beroep op God om naar hem te luisteren en hem genadig te zijn (vers 1111Luister, HEERE, en wees mij genadig;
HEERE, wees mijn Helper.
)
. Aan de rand van de dood weet iedereen dat hij zelf niets kan doen. Dan heeft hij genade van God en een Helper in God nodig. Hij voelt de noodzaak dat God hem van ogenblik tot ogenblik ondersteunt en leidt.


Rouw verandert in blijdschap

12U hebt voor mij mijn rouwklacht veranderd in een reidans,
U hebt mijn rouwgewaad losgemaakt en mij met blijdschap omgord.
13Daarom zal [mijn] eer voor U psalmen zingen en niet zwijgen.
HEERE, mijn God, voor eeuwig zal ik U loven.

Alleen God kan lijden in vreugde veranderen. Hier vinden we de zegen van herstellende genade van God. God neemt het teken van rouw en boete, een “rouwgewaad” weg. Na de redding kan er een tijd van vreugde aanbreken. David ziet het verschil tussen zijn verwijdering van God en zijn genezing als het verschil tussen een rouwklacht tijdens een begrafenis en de blijdschap van een bruiloft (vers 1212U hebt voor mij mijn rouwklacht veranderd in een reidans,
U hebt mijn rouwgewaad losgemaakt en mij met blijdschap omgord.
; Js 61:33om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden
sieraad in plaats van as,
vreugdeolie in plaats van rouw,
een lofgewaad in plaats van een benauwde geest,
opdat zij genoemd worden eiken van de gerechtigheid,
een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken.
; Jr 31:1313Dan zullen jonge vrouwen zich verblijden in een reidans,
ook de jongemannen en de ouderen met elkaar.
Ik zal hun rouw veranderen in vreugde,
Ik zal hen troosten, Ik zal hen blij maken na hun verdriet.
; Js 3:2424Dan zal er in plaats van balsemgeur stank zijn,
en er zal een touw zijn in plaats van een gordel,
kaalheid in plaats van haarvlechten,
het aandoen van een rouwgewaad in plaats van een pronkgewaad,
een brandmerk in plaats van schoonheid.
; Kl 5:1515De vreugde van ons hart is opgehouden,
onze reidans is in rouw veranderd.
)
.

Hij heeft alle reden dat zijn ”eer”, dat is de glorie van zijn majesteit, voor God psalmen zingt. Voor de handhaving en het herstel van Zijn koningschap dankt hij God. Daar kan hij niet over zwijgen. Zijn lofzang is niet slechts tijdelijk, niet alleen op het moment van herstel en gebedsverhoring, maar hij zal de HEERE, zijn God “voor eeuwig … loven”. Wat God in Zijn tucht over ons voor ons heeft gedaan, zal reden zijn Hem eeuwig voor te loven.


Lees verder