Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-3 De ernst van de situatie 4-5 De HEERE hoort 6-7 Rust in God 8-9 Verlossing en zegen
Inleiding

Psalm 1 beschrijft de kenmerken van Christus in het gelovig overblijfsel van Gods volk, het trouwe deel dat vertrouwt op God en trouw is aan Zijn Woord. In Psalm 2 zien we de Messias en het vaste raadsbesluit van God om Hem, de geboren Koning, Zijn Zoon, Koning te doen zijn over Zijn bezit, de einden van de aarde. God zal dat raadsbesluit vast en zeker uitvoeren. Het is nog niet zover. Psalm 2 laat ook zien dat de Heer Jezus wordt verworpen door Zijn volk en de volken als Hij op aarde komt. Die situatie is er nog steeds.

Christus heeft nu op aarde geen plaats. Hij is nu in de hemel en is daar het voorwerp van de haat van de volken. Die tijd duurt tot Hij terugkomt naar de aarde. Hij is nog steeds de Verworpene. Het gevolg is dat allen die bij Hem horen, ook verworpen zijn. Daardoor bevinden ze zich in de omstandigheden die worden beschreven in Psalmen 3-7. In die psalmen zien we het overblijfsel dat wordt verworpen door het eigen volk en door de volken, maar te midden van die omstandigheden vertrouwt op God.

Psalm 3 sluit aan op Psalm 2. In Psalm 2 woeden de volken nog en verwerpen Gods gezag. Psalmen 3-7 laten ons in de ervaringen van David het lijden en de verdrukking van het gelovig overblijfsel zien. Zij ondergaan die vanwege de vijandigheid van de goddelozen, totdat Christus komt als Koning om hen te verlossen om hen in te voeren in Zijn koninkrijk. Ook zien we in de ervaringen van David het lijden van Christus vanwege de gerechtigheid.

Psalm 3 laat het vertrouwen zien dat gelovigen in God hebben, terwijl ze zich in een hopeloze toestand bevinden, omringd door talloze vijanden. Daarbij gaat het in deze psalm bijzonder om vijanden die tot het eigen volk, zelfs tot het eigen huis behoren. Hun volksgenoten en huisgenoten zullen hun bitterste vijanden blijken te zijn (vgl. Mt 10:3636en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn.).

Psalm 3 wordt wel ‘een morgenlied’ genoemd, wat wordt afgeleid uit vers 66Ik lag neer en sliep; ik ontwaakte,
want de HEERE ondersteunde mij.
, waar David zegt: ”Ik ontwaakte.” Het laat het vertrouwen zien van het gelovig overblijfsel dat te midden van het gevaar toch rustig kan slapen omdat de Heer hen bewaart (vgl. Hd 12:3-63Toen hij nu zag dat het de Joden welgevallig was, ging hij verder door ook Petrus gevangen te nemen (het waren nu <de> dagen van de ongezuurde broden),4die hij ook, na hem te hebben gegrepen, in [de] gevangenis zette en overleverde aan vier viertallen soldaten om hem te bewaken, daar hij hem na het Pascha voor het volk wilde brengen.5Petrus werd dus in de gevangenis bewaakt, maar door de gemeente werd vurig een gebed tot God voor hem gedaan.6Toen nu Herodes hem zou laten voorkomen, sliep Petrus in die nacht tussen twee soldaten, geboeid met twee ketenen; en wachters voor de deur bewaakten de gevangenis.). Deze psalm is in algemene zin een bemoediging voor iedere gelovige die in een uitzichtloze situatie is. In bijzondere zin en wel in de eerste plaats is dat zo voor hen die door de grote verdrukking heen gaan, dat is het gelovig overblijfsel.

Psalm 3 is de eerste psalm van een verzameling van psalmen die in het opschrift David als dichter vermelden. Zie onder Inleiding ‘de schrijvers van Psalmen’. Het is ook de eerste van dertien psalmen die in het opschrift verwijzen naar een episode in Davids leven: Psalmen 3; 7; 18; 34; 51; 52; 54; 56; 57; 59; 60; 63; 142. Ook is het de eerste psalm waarin het woord sela voorkomt.


Opschrift

1Een psalm van David, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom.

Deze psalm is “een psalm van David”. De Heilige Geest vermeldt in één zin ook de situatie waarin David verkeert als hij de psalm dicht. Hij heeft hem gedicht “toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom”. David is een type van de Heer Jezus. We zien hem hier als de verworpen koning die vervolgd wordt door zijn zoon Absalom, die een type is van de antichrist. We vinden in de psalmen die volgen de gevoelens van David en van hen die zijn trouwe volgelingen zijn. We zien in deze psalmen de positie van het overblijfsel omdat hun Messias is verworpen.

Een aantal psalmen vermeldt in het opschrift dat David die heeft gedicht als hij op de vlucht is voor Saul als die aan de macht is. Deze psalm is een uitzondering, want die heeft David gedicht als hij zelf aan de macht is, maar op de vlucht gaat voor zijn zoon Absalom die een greep naar de macht doet. De geschiedenis wordt in 2 Samuel 15-16 beschreven. Het is aan te raden die hoofdstukken te lezen om de geschiedkundige achtergrond te kennen. Absalom is in de regeringswegen van God het oordeel dat God over het gezin van David brengt vanwege zijn zonde met Bathseba en Uria (2Sm 11:3-4,15-173David stuurde [een bode] en liet naar deze vrouw vragen; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, de Hethiet?4Toen stuurde David boden en liet haar halen. Toen zij bij hem gekomen was, sliep hij met haar – zij had zich zojuist van haar onreinheid gezuiverd. Daarna keerde zij terug naar haar huis.15Hij schreef in die brief: Plaats Uria vooraan in de strijd, waar deze het hevigst is, trek dan van achter hem terug, zodat hij getroffen wordt en sterft.16Het gebeurde, toen Joab de stad verkend had, dat hij Uria opstelde op de plaats waarvan hij wist dat daar strijdbare mannen waren.17Toen de mannen van de stad naar buiten kwamen en met Joab streden, vielen er van het volk, van de manschappen van David. Ook Uria, de Hethiet, stierf.; 12:1-121En de HEERE zond Nathan naar David. Toen die bij hem kwam, zei hij tegen hem: Er waren twee mannen in een stad, de één rijk en de ander arm.2De rijke had heel veel schapen en runderen.3Maar de arme had helemaal niets dan alleen één enkel klein ooilam, dat hij gekocht had. Hij hield het in leven en het werd groot, samen met hem en met zijn kinderen. Het at [mee] van zijn stuk [brood], dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot. Het was als een dochter voor hem.4Toen er een reiziger bij de rijke man kwam, kon hij er niet toe komen [een] van zijn [eigen] schapen en runderen te nemen, om [een maaltijd] te bereiden voor de reiziger die bij hem gekomen was. Daarom nam hij het ooilam van de arme man en bereidde het voor de man die bij hem gekomen was.5Toen ontstak David in grote woede tegen die man, en hij zei tegen Nathan: [Zo waar] de HEERE leeft, voorzeker, de man die dat gedaan heeft, is een kind des doods!6En dat ooilam moet hij viervoudig vergoeden, omdat hij dit gedaan heeft en geen medelijden had.7Toen zei Nathan tegen David: U bent die man! Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ík heb u tot koning gezalfd over Israël en Ík heb u uit Sauls hand gered.8Ik heb u het huis van uw heer gegeven, en [bovendien] de vrouwen van uw heer in uw schoot. Ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven. En als dat te weinig was geweest, zou Ik u nog wel meer gegeven hebben.9Waarom hebt u [dan] het woord van de HEERE veracht, door te doen wat slecht is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard gedood. Zijn vrouw hebt u tot vrouw genomen en hem hebt u door het zwaard van de Ammonieten gedood.10Welnu dan, het zwaard zal voor eeuwig niet van uw huis wijken, omdat u Mij veracht hebt en de vrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt om u tot vrouw te zijn.11Zo zegt de HEERE: Zie, Ik breng onheil over u uit uw [eigen] huis, en zal uw vrouwen voor uw ogen nemen en hen aan uw naaste geven; die zal op klaarlichte dag met uw vrouwen slapen.12Voorzeker, ú hebt in het geheim gehandeld, maar Ík zal dit doen ten aanschouwen van heel Israël en in het volle licht.). Profetisch is de komst van de antichrist het gevolg van de afwijzing en kruisiging van Christus (vgl. Jh 5:4343Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.).

Er is weinig waar een mens meer onder lijdt dan wanneer zijn zoon in opstand tegen hem komt. We horen de smart ervan in de woorden van David als hij zegt over zijn zoon voor wie hij op de vlucht is: Zie, mijn zoon, die uit mijn lichaam is voortgekomen, staat mij naar het leven” (2Sm 16:11a11Verder zei David tegen Abisaï en tegen al zijn dienaren: Zie, mijn zoon, die uit mijn lichaam is voortgekomen, staat mij naar het leven; hoeveel te meer dan nu deze Benjaminiet! Laat hem begaan en [mij] vervloeken, want de HEERE heeft het hem gezegd.). David verzet zich niet tegen de staatgreep, maar vlucht. In deze psalm laat hij ons zijn innerlijk zien, wat er in hem is omgegaan terwijl hij op de vlucht is. Hij maakt ons deelgenoot van zijn nood, hoe het hem raakt wat mensen over hem zeggen en hoe hij daarmee naar de HEERE gaat. Hij vertelt ook dat hij met al zijn nood naar de HEERE gaat en bij Hem rust vindt in deze zware tijd.

We kunnen bij de vlucht van David voor Absalom ook denken aan de Heer Jezus. David is bij zijn vlucht over de beek Kidron gegaan (2Sm 15:2323Het hele land huilde met luide stem, toen heel het volk overstak. Ook de koning stak de beek Kidron over en al het volk stak over, rechtstreeks de weg op naar de woestijn.). De Heer Jezus is daar ook overheen gegaan (Jh 18:11Nadat Jezus dit gezegd had, ging Hij uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een tuin was die Hij met Zijn discipelen inging.). Bij Hem is het echter geen vlucht, want Hij gaat de weg die Zijn Vader Hem aanwijst. Wel is ook Zijn volk tegen Hem in opstand en verwerpt Hem.

Profetisch zal deze psalm worden vervuld als het gelovig overblijfsel van Israël in de toekomst vervolgd zal worden door hun aardse broeders, hun volksgenoten, onder aanvoering van de antichrist.


De ernst van de situatie

2HEERE, hoe talrijk zijn mijn tegenstanders;
velen staan tegen mij op.
3Velen zeggen van mijn ziel:
Hij heeft geen heil bij God. /Sela/

David richt zich direct tot de “HEERE” (vers 22HEERE, hoe talrijk zijn mijn tegenstanders;
velen staan tegen mij op.
)
. Als de tegenstanders talrijk zijn, is God de eerste gedachte van het geloof. Iedere gelovige die de Heer trouw wil dienen, heeft veel tegenstanders (vgl. 1Ko 16:99want een grote en krachtige deur is mij geopend en er zijn vele tegenstanders.). Het geloof richt zich tot Hem omdat het op Hem vertrouwt. Als wij in het geloof God plaatsen tussen ons en wat ons bang maakt, gaat het goed. We worden vaak onrustig omdat we de problemen afmeten naar onze krachten. Als we zien dat Hij Zich met onze zaak bezighoudt, kunnen we vrede in ons hart hebben.

David ziet zich geplaatst tegenover een groot aantal tegenstanders (2Sm 15:12-1312Absalom stuurde, toen hij de offers ging brengen, ook [een bode] om Achitofel, de Giloniet, Davids raadsman, uit zijn stad, uit Gilo [te halen]. De samenzwering werd sterk en het volk bij Absalom nam gaandeweg in aantal toe.13Toen kwam er een boodschapper bij David en zei: Het hart van iedereen in Israël staat achter Absalom.). De gedachte aan talrijkheid wordt in deze verzen onderstreept door drie keer de woorden “talrijk” en “velen” (twee keer) te gebruiken. In het Hebreeuws zijn ‘talrijk’ en ‘velen’ hetzelfde woord. De gedachte is dat er ‘veel vijand’ is en dat zij snel in aantal toenemen. “Staan … op” betekent snel toenemen (2Sm 15:1212Absalom stuurde, toen hij de offers ging brengen, ook [een bode] om Achitofel, de Giloniet, Davids raadsman, uit zijn stad, uit Gilo [te halen]. De samenzwering werd sterk en het volk bij Absalom nam gaandeweg in aantal toe.).

Behalve de dreiging die uitgaat van de massa vijanden, zijn daar ook de opmerkingen van de vijand waarmee ze hem van alle vertrouwen op God willen beroven (vers 33Velen zeggen van mijn ziel:
Hij heeft geen heil bij God. /Sela/
)
. Het zijn ook geen opmerkingen van een enkeling, zoals in het geval van Simeï (2Sm 16:7-87Dit zei Simeï terwijl hij [hem] vervloekte: Ga weg, ga weg, man van bloed[vergieten], verdorven man.8De HEERE heeft op u al het bloed van het huis van Saul, in wiens plaats u geregeerd hebt, doen terugkomen. Nu heeft de HEERE het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon. En zie u [daar nu] in uw ellende, omdat u een man van bloed[vergieten] bent.), maar van “velen”. Massaal spreken ze erover dat hij niet op de hulp van God hoeft te rekenen. Deze bijtende spot treft de gelovige die in nood is, diep. Zoiets werkt extra ontmoedigend.

Deze bijtende spot heeft bovenal de Heer Jezus ervaren en getroffen toen Hij aan het kruis hing. Ze hebben Hem toegeroepen: “Hij vertrouwt op God – laat Hij <Hem> nu redden als Hij behagen in Hem heeft!” (Mt 27:4343Hij vertrouwt op God – laat Hij <Hem> nu redden als Hij behagen in Hem heeft! Want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.).

Uit wat David tegen God zegt, wordt de situatie waarin hij zich bevindt, duidelijk: ten eerste zijn er veel tegenstanders, ten tweede nemen ze in aantal toe en ten derde worden ze steeds overmoediger, ze worden van stille tegenstanders tot luidruchtige tegenstanders. David sluit zijn ogen niet voor de realiteit. Dat brengt hem echter niet in paniek, maar bij de HEERE. Hij legt de situatie aan Hem voor.

Het woord sela aan het eind van vers 33Velen zeggen van mijn ziel:
Hij heeft geen heil bij God. /Sela/
en dat nog twee keer in deze psalm voorkomt, is een muziekteken en betekent: pauze. Voor de lezer betekent dit: stille overdenking. Het komt in het hele boek Psalmen ongeveer zeventig keer voor.


De HEERE hoort

4U echter, HEERE, bent een schild voor mij,
mijn eer; U heft mijn hoofd omhoog.
5Met mijn stem riep ik tot de HEERE,
en Hij verhoorde mij vanaf Zijn heilige berg. /Sela/

Het woord “echter” (vers 44U echter, HEERE, bent een schild voor mij,
mijn eer; U heft mijn hoofd omhoog.
)
geeft aan dat er een tegenstelling met het voorgaande volgt, waarin de opstelling van de goddelozen wordt beschreven. David is hier weer een duidelijk type van de Heer Jezus bij Wie we deze tegenstelling ook zien. Nadat David in de vorige verzen zijn nood bij God heeft bekendgemaakt, spreekt hij nu over zijn vertrouwen in God.

David belijdt dat de HEERE een schild voor hem is (vgl. Gn 15:11Na deze dingen kwam het woord van de HEERE tot Abram in een visioen: Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot.; Dt 33:2929Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u?
U bent een volk dat door de HEERE verlost is.
[Hij] is een schild [en] een hulp voor u,
Hij is uw majesteitelijke zwaard;
daarom zullen uw vijanden zich geveinsd aan u onderwerpen,
en ú zult hun hoogten betreden!
)
. God beschermt hem niet alleen, God is zijn bescherming. Het schild spreekt van de bescherming van de HEERE als de grote Koning. Deze bescherming biedt Hij op grond van Zijn verbond met Abraham en Israël.

We kunnen hier een vergelijking maken met “het schild van het geloof”, waarmee we “al de brandende pijlen van de boze … kunnen uitblussen” (Ef 6:1616terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.). De woorden die tegen David zijn gezegd, zijn als pijlen (Ps 64:44Zij die hun tong scherpen als een zwaard,
een bitter woord aanleggen [als] hun pijl,
)
. Ze kunnen hun kwade werk echter niet doen omdat het schild van het geloof ze onschadelijk maakt. Er is ook een verschil. Een schild beschermt de voorkant van de persoon. God beschermt aan alle kanten.

God is ook zijn “eer”. Al het aanzien dat hij als koning heeft gekregen, komt van Hem. Dit is tegelijk de garantie dat God hem zeker niet in de steek zal laten. Zijn hoofd, dat gebogen is onder smaad en smart (2Sm 15:30a30En David ging al huilend de weg omhoog naar de Olijfberg op, zijn hoofd bedekt, en zelf ging hij barrevoets. Ook [van] al het volk dat bij hem was, had iedereen zijn hoofd bedekt, terwijl zij al huilend [de berg] opgingen.), wordt door God opgeheven. Het betekent ook dat hij weer in zijn hoge positie van koning zal worden hersteld (vgl. Gn 40:1313Nog binnen drie dagen zal de farao u een hoge plaats geven, en u in uw ambt herstellen; u zult de beker van de farao in zijn hand geven overeenkomstig [uw] vroegere positie, toen u zijn schenker was.; 2Kn 25:2727Het gebeurde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zevenentwintigste van de maand, dat Evil-Merodach, de koning van Babel, in het jaar dat hij koning werd, Jojachin, de koning van Juda, gratie verleende [en hem] uit de gevangenis [haalde].). Na de vernedering volgt de verhoging (1Pt 5:66Vernedert u dus onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoogt op Zijn tijd,).

Vertrouwen maakt niet onverschillig of passief, maar roept het uit tot God. We lezen dat David op zijn vlucht heeft gebeden: O HEERE, maak de raad van Achitofel toch tot dwaasheid” (2Sm 15:3131Toen vertelde men David: Achitofel is onder hen die met Absalom samenspannen. En David zei: O HEERE, maak de raad van Achitofel toch tot dwaasheid.). De verhoring van dat gebed – waarvoor Husai door hem is ingeschakeld (2Sm 15:32-3432En het gebeurde, toen David op de top van de berg kwam, waar men zich voor God neerbuigt, zie, toen kwam Husai, de Archiet, hem tegemoet, [met] zijn mantel gescheurd en aarde op zijn hoofd.33En David zei tegen hem: Als u met mij verdergaat, zult u mij tot last zijn,34maar als u naar de stad teruggaat en tegen Absalom zegt: Ik zal uw dienaar zijn, o koning; vroeger ben ik wel dienaar van uw vader geweest, maar nu zal ik uw dienaar zijn – dan kunt u de raad van Achitofel voor mij verijdelen.) – schrijft hij ook aan God toe. Husai zou nooit het gewenste resultaat hebben kunnen behalen als God niet alles zou hebben bestuurd. Vertrouwen op God is de zekerheid dat God verhoort, terwijl Hij voor die verhoring mensen kan inschakelen.

God verhoort “vanaf Zijn heilige berg”, dat is de berg waarover Hij Zijn Koning heeft gezalfd (Ps 2:66Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
)
. Als God een gebed verhoort, is dat altijd omwille van de majesteit en heerschappij van Zijn Zoon. Als onze gebeden worden beantwoord, is het doel daarvan de vestiging van de heerschappij van Christus in ons leven.


Rust in God

6Ik lag neer en sliep; ik ontwaakte,
want de HEERE ondersteunde mij.
7Ik vrees niet voor tienduizenden van het volk,
die zich aan alle kanten tegen mij opstellen.

Als God tussen ons en onze problemen is gekomen, is er rust en vrede (vers 66Ik lag neer en sliep; ik ontwaakte,
want de HEERE ondersteunde mij.
)
. Het verontruste gemoed van David is tot rust gekomen omdat hij alles aan God heeft verteld en heeft gezien dat God er voor hem is. Daardoor kan hij zich rustig neerleggen en slapen. Als hij na de verkwikking van de slaap wakker wordt, wordt hij niet opnieuw door nood overvallen, maar is daar de HEERE met Zijn steun. Tijdens zijn slaap heeft de HEERE hem ondersteund en is hij niet overvallen. In het Hebreeuws maakt het werkwoord ‘ondersteunen’ duidelijk dat de ervaring van de trouw van God in de nacht de grondslag is van zijn vertrouwen in de toekomst.

Het aantal vijanden is niet verminderd (vers 77Ik vrees niet voor tienduizenden van het volk,
die zich aan alle kanten tegen mij opstellen.
)
. Het woord “tienduizenden” is in het Hebreeuws verwant met het woord “velen” in de verzen 2-32HEERE, hoe talrijk zijn mijn tegenstanders;
velen staan tegen mij op.
3Velen zeggen van mijn ziel:
Hij heeft geen heil bij God. /Sela/
. Hij is zich ervan bewust dat “die zich aan alle kanten” tegen hem opstellen. Toch wordt hij niet opnieuw bang voor hen. De omstandigheden zijn niet veranderd, dat ziet hij ook onder ogen, maar hij is zelf innerlijk tot rust gekomen omdat hij alles in handen van God heeft gegeven. Waar God is, wijkt de vrees.


Verlossing en zegen

8Sta op, HEERE,
verlos mij, mijn God,
want U hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen,
de tanden van de goddelozen hebt U stukgebroken.
9Het heil is van de HEERE;
Uw zegen is over Uw volk. /Sela/

Nadat David alles in handen van God heeft gegeven en er geen angst meer is voor de massa vijanden, moeten al die vijanden nog worden verslagen (vers 99Het heil is van de HEERE;
Uw zegen is over Uw volk. /Sela/
)
. De overwinning moet nog worden behaald. Daarvoor gaat David niet zelf de strijd aan. Nadat hij rust in God heeft gevonden, verwacht hij ook de verlossing van God. Hij vraagt aan God of Hij wil opstaan tegen de vijanden die hem omringen. Het opstaan van de HEERE betekent dat Hij in actie komt om te oordelen (Ps 7:77Sta op, HEERE, in Uw toorn,
verhef U tegen de verbolgenheid van wie mij benauwen,
ontwaak ter wille van mij;
U hebt het recht ingesteld.
; 9:2020Sta op, HEERE, laat de sterveling zich niet sterk maken;
laat de heidenvolken voor Uw aangezicht geoordeeld worden.
)
.

Alleen God kan hem verlossen. Daarom roept hij God op om op te staan en (letterlijk) de vijanden op de kaak te slaan en de tanden van de goddelozen stuk te breken. Het slaan op de kaak is een handeling van vernedering (Jb 16:1010Zij sperren hun mond tegen mij open;
smadelijk slaan zij mij op de kaak;
zij komen allen samen tegen mij.
; 1Kn 22:2424Toen kwam Zedekia, de zoon van Kenaäna, naar voren. Hij sloeg Micha op [zijn] kaak, en zei: Langs welke [weg] is de Geest van de HEERE van mij weggegaan om tot u te spreken?; Mi 4:14b14Nu, groepeer u, dochter van de strijdbende!
Zij gaan een belegering tegen ons opzetten.
Zij zullen met een stok
de rechter van Israël op de kaak slaan.
)
. Het stukbreken van de tanden doet denken aan de vijanden als wilde dieren. De vijanden worden ontwapend, krachteloos gemaakt, zoals aan wilde dieren de verscheurende kracht wordt ontnomen als hun tanden worden stukgebroken (vgl. Ps 58:77O God, breek hun tanden in hun mond;
breek de hoektanden van de jonge leeuwen stuk, HEERE.
)
.

De vijanden hebben gezegd dat David geen heil of behoudenis bij God heeft (vers 33Velen zeggen van mijn ziel:
Hij heeft geen heil bij God. /Sela/
)
. Hier zegt hij dat het heil, de behoudenis, de uitredding, de verlossing alleen van de HEERE is, het komt alleen van Hem. Hetzelfde horen we uit de mond van Jona (Jn 2:99Maar ik, met dankzegging zal ik U offers brengen;
wat ik beloofd heb, zal ik nakomen.
Het heil is van de HEERE!
)
. De behoudenis is een zekere zaak en daarom is ook de zegen zeker die aan de behoudenis verbonden is. Omdat de verlossing van de HEERE komt, gaat de verlossing ook veel verder dan alleen zijn persoonlijke verlossing: “Uw zegen is over Uw volk”. De zegen van God die het gevolg is van de verlossing door God, strekt zich uit over het hele volk van God.


Lees verder