Psalmen
Inleiding 1-3 Sterk in de HEERE 4-6 Gods woonplaats 7-10 Gods aangezicht zoeken 11-12 De vijanden 13-14 Wacht op de HEERE
Inleiding

Psalm 27 is met de vorige psalm verbonden door het verlangen naar de woonplaats van God (Ps 26:88HEERE, ik heb lief het huis waar U woont
en de tabernakel, de [woon]plaats van Uw eer.
; 27:66Nu heft mijn hoofd zich omhoog
boven mijn vijanden, die mij omringen.
Ik zal in Zijn tent offers brengen onder geschal van trompetten;
ik zal zingen, ja, ik zal psalmen zingen voor de HEERE.
)
. We horen hier het verlangen van de gelovige die zijn zonden heeft beleden (Psalm 25) en in oprechtheid wandelt rondom het altaar (Psalm 26) om te wonen in het huis van de HEERE.

In Psalm 24 klinkt de vraag: Wie mag de berg van de HEERE beklimmen? Psalm 25 spreekt van het verlangen naar de HEERE en Psalm 26 van de liefde tot het huis van de HEERE. Psalm 27 spreekt over het verblijven in het huis van de HEERE waar je alles aan Hem mag vertellen. Je mag er net als Hizkia als het ware de dreigbrieven uitspreiden voor het aangezicht van de HEERE (Js 37:1414Toen Hizkia de brieven uit de hand van de gezanten had ontvangen en die had gelezen, ging hij op naar het huis van de HEERE. Vervolgens spreidde Hizkia die [brieven] uit voor het aangezicht van de HEERE,).

De psalmist, die een type van het gelovig overblijfsel van Israël is, heeft in het verleden zijn vertrouwen op de HEERE gesteld en Hij heeft dat vertrouwen niet beschaamd (vers 22Toen kwaaddoeners op mij afkwamen,
om mij levend te verslinden
– mijn tegenstanders en mijn vijanden –
struikelden zij zelf en vielen.
)
. Nu er opnieuw gevaar dreigt (vers 33Al belegerde mij een leger,
mijn hart zou niet vrezen;
al brak er een oorlog tegen mij uit,
toch vertrouw ik hierop.
)
– profetisch de koning van het noorden, over wie Daniël en Jesaja uitvoerig spreken –, besluit de psalmist, net als Hizkia in Jesaja 38, te volharden en zijn vertrouwen op de HEERE te stellen (vgl. Mk 9:2424Terstond riep de vader van het kind <onder tranen> de woorden: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!).

De psalmist, ofwel het gelovig overblijfsel, verlangt er niet alleen naar in Gods tegenwoordigheid te staan om Hem te dienen, maar om bij Hem te wonen en onderzoek naar Hem te doen. Onderzoek doen geeft aan dat er verlangen is om meer van Hem te leren kennen van Wie Hij is, Die de grote verlossing heeft bewerkt, hoe lieflijk Hij is.

Deze psalm wordt door de Joden elke dag voorgelezen tussen het Feest van het bazuingeschal en de grote Verzoendag, tien dagen, waarbij de Joden zich verootmoedigen voor Gods aangezicht. Verootmoediging is een voorwaarde om tot God te komen (Js 66:22Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt,
en [daardoor] bestaan al die dingen, spreekt de HEERE.
Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige
en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
)
.

De psalm kan als volgt worden ingedeeld:
1. Vertrouwen (verzen 1-31[Een psalm] van David.
De HEERE is mijn licht en mijn heil,
 voor wie zou ik vrezen?
De HEERE is mijn levenskracht,
voor wie zou ik angst hebben?
2Toen kwaaddoeners op mij afkwamen,
om mij levend te verslinden
– mijn tegenstanders en mijn vijanden –
struikelden zij zelf en vielen.
3Al belegerde mij een leger,
mijn hart zou niet vrezen;
al brak er een oorlog tegen mij uit,
toch vertrouw ik hierop.
)
.
2. Verzoek (verzen 4-124Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
5Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut
op de dag van het onheil.
Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots.
6Nu heft mijn hoofd zich omhoog
boven mijn vijanden, die mij omringen.
Ik zal in Zijn tent offers brengen onder geschal van trompetten;
ik zal zingen, ja, ik zal psalmen zingen voor de HEERE.7Hoor, HEERE, mijn stem [als] ik roep;
wees mij genadig en antwoord mij.
8Mijn hart zegt tegen U [wat U Zelf zegt]:
Zoek Mijn aangezicht.
Ik zóek Uw aangezicht, HEERE,
9verberg Uw aangezicht niet voor mij.
Wijs Uw dienaar niet af in toorn,
U bent mijn hulp geweest;
laat mij niet in de steek en verlaat mij niet,
o God van mijn heil.
10Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten,
maar de HEERE zal mij aannemen.11HEERE, leer mij Uw weg,
leid mij op een geëffend pad
omwille van mijn belagers.
12Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders,
want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan
en [mensen] die briesen van geweld.
)
.
3. Vernieuwd vertrouwen (verzen 13-1413Als ik [toch] niet had geloofd dat ik de goedheid van de HEERE
zou zien in het land van de levenden,
[ik was vergaan].
14Wacht op de HEERE,
wees sterk
en Hij zal uw hart sterk maken;
ja, wacht op de HEERE.
)
.


Sterk in de HEERE

1[Een psalm] van David.
De HEERE is mijn licht en mijn heil,
 voor wie zou ik vrezen?
De HEERE is mijn levenskracht,
voor wie zou ik angst hebben?
2Toen kwaaddoeners op mij afkwamen,
om mij levend te verslinden
– mijn tegenstanders en mijn vijanden –
struikelden zij zelf en vielen.
3Al belegerde mij een leger,
mijn hart zou niet vrezen;
al brak er een oorlog tegen mij uit,
toch vertrouw ik hierop.

De psalm is “van David” (vers 1a1[Een psalm] van David.
De HEERE is mijn licht en mijn heil,
 voor wie zou ik vrezen?
De HEERE is mijn levenskracht,
voor wie zou ik angst hebben?
)
. Zie bij Psalm 3:1.

David begint deze psalm begint met het uitspreken van zijn vertrouwen in de HEERE Zelf (vers 1b1[Een psalm] van David.
De HEERE is mijn licht en mijn heil,
 voor wie zou ik vrezen?
De HEERE is mijn levenskracht,
voor wie zou ik angst hebben?
)
. Hij doet dat met het oog op zijn vijanden, want hij spreekt over “vrezen” en “angst hebben”. Hij vreest voor niemand, niet omdat de HEERE hem licht en behoudenis geeft, maar omdat de HEERE zijn “licht” en zijn “heil” of “behoudenis” is (vgl. Mi 7:88Verblijd u niet over mij, mijn vijandin,
want [als] ik gevallen ben, zal ik [weer] opstaan,
als ik in duisternis zit,
is de HEERE mij een licht.
)
.

Hij heeft licht nodig omdat het duister om hem heen is. Duister betekent hier zonder leiding en bewaring van de HEERE, zonder vuurkolom. Bij ‘licht’ mogen we denken aan de vuurkolom in de woestijn (Ex 13:21-2221De HEERE ging vóór hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, en 's nachts in een vuurkolom om hun licht te geven, zodat zij dag en nacht verder konden trekken.22Hij nam de wolkkolom overdag en de vuurkolom in de nacht niet weg voor de aanblik van het volk.; Ne 9:12,1912Met een wolkkolom hebt U hen overdag geleid en met een vuurkolom 's nachts, om de weg waarop zij zouden gaan voor hen te verlichten.19hebt U hen in Uw grote barmhartigheid toch niet verlaten in de woestijn. De wolkkolom week overdag niet van boven hen om hen te leiden op de weg, [en ook] de vuurkolom 's nachts [niet] om voor hen de weg te verlichten waarop zij zouden gaan.). Daarop sluiten aan wat de Heer Jezus gezegd heeft: “Ik ben het licht van de wereld” (Jh 8:1212Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.). In Psalmen is licht verbonden met waarheid (Ps 43:33Zend Uw licht en Uw waarheid;
laten die mij leiden,
mij brengen tot Uw heilige berg
en tot Uw woningen,
)
en blijdschap (Ps 97:1111Licht is gezaaid voor de rechtvaardige
en blijdschap voor de oprechten van hart.
)
en is het nodig voor de verlossing (Ps 18:28-2928Want Ú verlost het ellendige volk,
maar de hoogmoedige ogen vernedert U.
29Want Ú doet mijn lamp schijnen, HEERE;
mijn God doet mijn duisternis opklaren.
)
.

Hij heeft behoudenis nodig omdat hij in nood is. Hij voelt zijn eigen zwakheid en ziet tevens de kracht van de vijand. Heil of behoudenis houdt in dat de Heer hem er doorheen helpt, Hij zorgt dag aan dag voor hem (Ps 68:2020Geloofd zij de Heere;
dag aan dag overlaadt Hij ons.
Die God is onze zaligheid. /Sela/
)
, zodat hij, ook al is hij zwak of al is de vijand sterk, toch veilig zal aankomen. Daarom beheersen niet de duisternis en de nood zijn denken, maar de HEERE. Hetzelfde geldt voor zijn “levenskracht”. In het Hebreeuws staat voor ‘levenskracht’ letterlijk ‘de vesting van mijn leven’ (vgl. Ps 18:22Hij zei:
Ik heb U hartelijk lief, HEERE, mijn sterkte.
; 28:88De HEERE is hun kracht,
Hij is de kracht achter de overwinningen van Zijn gezalfde.
)
.

Hij heeft in zichzelf geen kracht om de tegenstanders te weerstaan en in leven te blijven. De macht van het kwaad is een realiteit, daar sluit hij zijn ogen niet voor. Toch verlamt hem dat niet omdat hij het kwaad niet vergelijkt met zijn eigen kracht, maar met de kracht van God Die zijn leven beschermt. Hij beziet het kwaad vanuit de tegenwoordigheid van God en dan heeft hij rust en is hij zonder angst te midden van het kwaad (vgl. Rm 8:35-3935Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of zwaard? –36zoals geschreven staat: ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. –37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.38Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch machten,39noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer.).

Hij herinnert zich een situatie dat kwaaddoeners op hem afkwamen (vers 22Toen kwaaddoeners op mij afkwamen,
om mij levend te verslinden
– mijn tegenstanders en mijn vijanden –
struikelden zij zelf en vielen.
)
. Deze mensen wilden hem levend verslinden, wat aangeeft dat zij als wilde, verscheurende dieren op hem afkwamen. Ze waren zijn ”tegenstanders” en zijn “vijanden”. Tegenstanders zijn mensen van zijn eigen volk (vgl. vers 1212Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders,
want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan
en [mensen] die briesen van geweld.
)
, vijanden komen van buiten het volk.

Toen heeft hij gezien hoe ze zelf “struikelden … en vielen”. Zo heeft God toen geholpen. Daarom is er ook nu geen vrees in zijn hart, al zou hij door een leger worden belegerd en al brak er een oorlog tegen hem uit (vers 33Al belegerde mij een leger,
mijn hart zou niet vrezen;
al brak er een oorlog tegen mij uit,
toch vertrouw ik hierop.
)
. Een voorbeeld daarvan hebben we in Jesaja 36-37. Hij vertrouwt eenvoudig op de HEERE. Op wie anders?

Zijn vertrouwen betreft het heden (vers 11[Een psalm] van David.
De HEERE is mijn licht en mijn heil,
 voor wie zou ik vrezen?
De HEERE is mijn levenskracht,
voor wie zou ik angst hebben?
)
, het verleden (vers 22Toen kwaaddoeners op mij afkwamen,
om mij levend te verslinden
– mijn tegenstanders en mijn vijanden –
struikelden zij zelf en vielen.
)
en de toekomst (vers 33Al belegerde mij een leger,
mijn hart zou niet vrezen;
al brak er een oorlog tegen mij uit,
toch vertrouw ik hierop.
) (vgl. Hb 13:88Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.)
. Dit vertrouwen wordt op de proef gesteld (verzen 4-124Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
5Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut
op de dag van het onheil.
Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots.
6Nu heft mijn hoofd zich omhoog
boven mijn vijanden, die mij omringen.
Ik zal in Zijn tent offers brengen onder geschal van trompetten;
ik zal zingen, ja, ik zal psalmen zingen voor de HEERE.7Hoor, HEERE, mijn stem [als] ik roep;
wees mij genadig en antwoord mij.
8Mijn hart zegt tegen U [wat U Zelf zegt]:
Zoek Mijn aangezicht.
Ik zóek Uw aangezicht, HEERE,
9verberg Uw aangezicht niet voor mij.
Wijs Uw dienaar niet af in toorn,
U bent mijn hulp geweest;
laat mij niet in de steek en verlaat mij niet,
o God van mijn heil.
10Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten,
maar de HEERE zal mij aannemen.11HEERE, leer mij Uw weg,
leid mij op een geëffend pad
omwille van mijn belagers.
12Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders,
want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan
en [mensen] die briesen van geweld.
)
en niet beschaamd, maar versterkt en vernieuwd (verzen 13-1413Als ik [toch] niet had geloofd dat ik de goedheid van de HEERE
zou zien in het land van de levenden,
[ik was vergaan].
14Wacht op de HEERE,
wees sterk
en Hij zal uw hart sterk maken;
ja, wacht op de HEERE.
)
.

In profetisch opzicht gaat het om de tijd van de grote verdrukking, wanneer tegenstanders binnen het eigen volk (de antichrist en zijn volgelingen, dat is de ongelovige massa van het volk) het gelovig overblijfsel verdrukken. De vijanden van buiten het volk (de Assyriërs) zullen aan het einde van de grote verdrukking het gelovig overblijfsel belegeren en oorlog tegen hen voeren. Ze zullen van alle licht beroofd zijn. Maar dan kijken ze naar boven en zien daar de HEERE. Hij geeft licht, ja, Hij is licht (zie vers 11[Een psalm] van David.
De HEERE is mijn licht en mijn heil,
 voor wie zou ik vrezen?
De HEERE is mijn levenskracht,
voor wie zou ik angst hebben?
)
, in die donkere periode. Het directe gevolg is dat Hij ook hun heil of behoudenis is. Hij zal hen behouden in het vrederijk doen aankomen.

Deze verzen zijn van toepassing op het onwankelbare vertrouwen van de Heer Jezus als Hij wordt gevangengenomen om veroordeeld en gekruisigd te worden. Als ze Hem gevangen komen nemen, zegt Hij: “Dit is uw uur en de macht van de duisternis” (Lk 22:5353Toen Ik dagelijks bij u was in de tempel, hebt u de handen niet naar Mij uitgestoken; maar dit is uw uur en de macht van de duisternis.). Maar God is Zijn licht. God is ook Zijn behoudenis, want Hij weet dat God Hem zal verlossen uit de dood (Hb 5:77Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),). Hij treedt de menigte die Hem gevangen komt nemen zonder vrees en zonder angst tegemoet. Als Hij Zijn Naam noemt, “Ik ben” ofwel Ik ben de HEERE, de IK BEN, DIE IK BEN, vallen ze neer (Jh 18:66Toen Hij dan tot hen zei: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen op de grond.).


Gods woonplaats

4Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
5Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut
op de dag van het onheil.
Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots.
6Nu heft mijn hoofd zich omhoog
boven mijn vijanden, die mij omringen.
Ik zal in Zijn tent offers brengen onder geschal van trompetten;
ik zal zingen, ja, ik zal psalmen zingen voor de HEERE.

Vrees (vers 33Al belegerde mij een leger,
mijn hart zou niet vrezen;
al brak er een oorlog tegen mij uit,
toch vertrouw ik hierop.
)
kan verlammend werken. We zien dat bij Petrus in de storm (Mt 14:3030Toen hij echter de <sterke> wind zag, werd hij bang, en hij begon te zinken en riep de woorden: Heer, behoud mij!). Het antwoord daarop is “een ding” (vers 44Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
)
en dat is: met een voornemen van het hart bij de Heer te blijven (Hd 11:2323Toen hij daar aankwam en de genade van God zag, verblijdde hij zich en vermaande allen met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven.). Hoewel het gevaar groot is, zoals blijkt uit de tweede helft van de psalm, begint de psalmist niet zoals in sommige andere psalmen, met roep om hulp, maar met een lofzang van vertrouwen (vgl. 2Kr 20:21-2221Hij pleegde overleg met het volk en stelde voor de HEERE zangers aan en [mensen] die de heilige Majesteit prijzen zouden, terwijl zij voor de gewapende [mannen] uit trokken en zeiden:
Loof de HEERE,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!
22Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen, legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.
; Hd 16:22-2522En de menigte stond mee tegen hen op; en de praetoren scheurden hun de kleren af en bevalen hen te geselen.23En nadat zij hun vele slagen hadden gegeven, wierpen zij [hen] in de gevangenis en bevalen de gevangenbewaarder hen zorgvuldig te bewaren.24Daar deze zo’n bevel had ontvangen, wierp hij hen in de binnenste gevangenis en sloot hun voeten zorgvuldig in het blok.25Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen.)
.

David heeft de HEERE als zijn licht en behoudenis leren kennen door zijn bevrijding van zijn kwaaddoeners (verzen 1-31[Een psalm] van David.
De HEERE is mijn licht en mijn heil,
 voor wie zou ik vrezen?
De HEERE is mijn levenskracht,
voor wie zou ik angst hebben?
2Toen kwaaddoeners op mij afkwamen,
om mij levend te verslinden
– mijn tegenstanders en mijn vijanden –
struikelden zij zelf en vielen.
3Al belegerde mij een leger,
mijn hart zou niet vrezen;
al brak er een oorlog tegen mij uit,
toch vertrouw ik hierop.
)
. Dat brengt hem er niet toe nu lekker van zijn rust te genieten, maar het bewerkt in hem een verlangen en een activiteit. Hij verlangt er sterk naar bij de HEERE te wonen en Zijn lieflijkheid te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel (vers 44Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
)
. Aanschouwen” wil zeggen dat hij naar God Zelf verlangt; “onderzoeken” wil zeggen dat hij naar de kennis van Gods wil verlangt. Zijn verblijf in de tempel is ook zijn grootste veiligheid voor de vijanden die zijn ondergang zoeken.

Dit is het enige, “één ding”, dat hij begeert, en dat voor “al de dagen van mijn leven” (vgl. Ps 23:66Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.
)
. Dit is de ‘exclusiviteit’ van het geloof. Het sluit al het andere uit. Al het andere wordt als schade en vuilnis gezien (vgl. Fp 3:88Jazeker, ik acht ook alles schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer, om Wie ik de schade van alles heb geleden en het als vuilnis acht, opdat ik Christus mag winnen) Alleen dit ‘ene ding’ is belangrijk.

Veel gelovigen zijn niet tevreden met ‘één ding’. Ze vinden dat te bekrompen. Je moet ruimer kijken, er is immers meer te genieten. Maar wat valt er te vergelijken bij de lieflijkheid van God, van Zijn grootheid en al Zijn genadige eigenschappen die we steeds meer ervaren naarmate we met Hem leven? Welke gelovige wil daar niet steeds meer van weten?

Zodra we echter iets naast Christus erbij nemen om onze aandacht aan te geven, zijn we niet meer met ‘één ding’ tevreden. ‘Eén ding’ sluit al het andere uit. De keus daarvoor is niet moeilijk als we bedenken dat dit ‘ene ding’ ook volmaakte voldoening aan het leven geeft. Alles wat we erbíj nemen, maakt die voldoening kleiner.

Er zijn meer geschiedenissen die ons het belang van “één ding” laten zien. De Heer Jezus zegt over Maria dat zij door aan Zijn voeten te zitten “één ding” heeft gedaan dat nodig is en dat zij daarmee het goede deel heeft gekozen (Lk 10:39,4239En deze had een zuster, Maria geheten, die ook aan de voeten van de Heer zat en naar Zijn woord luisterde.42maar één ding is nodig; want Maria heeft het goede deel gekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen.). De blindgeborene weet, wanneer hij ziende is geworden, “één ding” (Jh 9:2525Hij dan antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.); de rijke jongeling mist “één ding” (Lk 18:2222Toen nu Jezus dit hoorde, zei Hij tot hem: Nog één ding komt u tekort: verkoop alles wat u hebt en verdeel het onder [de] armen, en u zult een schat hebben in <de> hemelen, en kom, volg Mij.; Mk 10:2121Jezus nu keek hem aan en had hem lief, en Hij zei tot hem: Eén ding ontbreekt u: ga heen, verkoop alles wat u hebt en geef het aan <de> armen, en u zult een schat hebben in [de] hemel, en kom, volg Mij.); er is slechts “één ding” dat Paulus doet (Fp 3:1414maar één ding [doe ik]: terwijl ik vergeet wat achter is en mij uitstrek naar wat vóór is, jaag ik in de richting van [het] doel naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus.).

Het heiligdom is een schuilplaats waarin God de gelovige doet schuilen en hem beschermt “op de dag van het onheil” (vers 55Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut
op de dag van het onheil.
Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots.
)
. Het woord “want” verklaart waarom hij niet om het oordeel over zijn vijanden vraagt. Hij zou dat kunnen doen, maar nieuwe vijanden zullen zich aandienen. Maar veel liever is hij in de schuilplaats van God die veiligheid biedt tegen alle huidige en toekomstige vijanden.

David noemt het heiligdom “Zijn hut”. Het is een eenvoudige hut van vier palen met een dak van bladeren, waarin iemand die op het land werkt, bescherming kan zoeken tegen de hitte van de zon (Js 4:66Dan zal een hut dienen tot schaduw overdag tegen de hitte, en als toevlucht en schuilplaats tegen de vloed en tegen de regen.). Het is ook een plaats waar God hem verbergt “in het verborgene van Zijn tent”. Het is het privégedeelte van de tent. Het wijst erop dat de plaats van veiligheid ook een plaats van persoonlijke intimiteit met God is, waar geen ander bij aanwezig is. Ten slotte zegt David dat God hem “hoog op een rots” plaatst. Geen enkele vijand kan die plaats bereiken of doen wankelen.

Dit aspect vinden we ook terug bij het gelovig overblijfsel van Israël in de eindtijd. Zij zullen bij Christus verberging tegen het kwaad vinden. Hij zal hen daarvoor naar aan veilige plaats brengen en daar voor hen zorgen en voorzien van wat ze nodig hebben (vgl. Op 12:13-1413En toen de draak zag dat hij op de aarde neergeworpen was, vervolgde hij de vrouw die de mannelijke [Zoon] gebaard had.14En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij in de woestijn zou vliegen naar haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten [het] gezicht van de slang.).

Door de veiligheid en geborgenheid kan David zijn hoofd opheffen boven zijn vijanden die hem omringen (vers 66Nu heft mijn hoofd zich omhoog
boven mijn vijanden, die mij omringen.
Ik zal in Zijn tent offers brengen onder geschal van trompetten;
ik zal zingen, ja, ik zal psalmen zingen voor de HEERE.
)
. ‘Zijn hoofd opheffen’ is beeldspraak voor ‘overwinning behalen’ (vgl. Ps 3:44U echter, HEERE, bent een schild voor mij,
mijn eer; U heft mijn hoofd omhoog.
; Ps 110:77Hij drinkt onderweg uit de beek,
daarom heft Hij [Zijn] hoofd omhoog.
)
. De vijanden mogen hem wel omringen, maar hij is bij zijn God en daardoor boven hen. Ze kunnen hem niets doen, ze kunnen niet bij hem, hoe ze ook briesen en tekeergaan.

Vervolgens kijkt David niet meer naar hen, maar naar God. Het vertrouwen in de volle bevrijding brengt hij tot uiting door te zeggen dat hij offers van lof en dank in Gods tent, de tabernakel, zal brengen. Hij zal dat doen “onder geschal van trompetten”. De plaats van verberging wordt een plaats van luide, openlijke lofzang. Vanuit de volheid van zijn hart zingt hij, ja zingt hij psalmen voor de HEERE.


Gods aangezicht zoeken

7Hoor, HEERE, mijn stem [als] ik roep;
wees mij genadig en antwoord mij.
8Mijn hart zegt tegen U [wat U Zelf zegt]:
Zoek Mijn aangezicht.
Ik zóek Uw aangezicht, HEERE,
9verberg Uw aangezicht niet voor mij.
Wijs Uw dienaar niet af in toorn,
U bent mijn hulp geweest;
laat mij niet in de steek en verlaat mij niet,
o God van mijn heil.
10Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten,
maar de HEERE zal mij aannemen.

De verzen 7-127Hoor, HEERE, mijn stem [als] ik roep;
wees mij genadig en antwoord mij.
8Mijn hart zegt tegen U [wat U Zelf zegt]:
Zoek Mijn aangezicht.
Ik zóek Uw aangezicht, HEERE,
9verberg Uw aangezicht niet voor mij.
Wijs Uw dienaar niet af in toorn,
U bent mijn hulp geweest;
laat mij niet in de steek en verlaat mij niet,
o God van mijn heil.
10Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten,
maar de HEERE zal mij aannemen.11HEERE, leer mij Uw weg,
leid mij op een geëffend pad
omwille van mijn belagers.
12Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders,
want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan
en [mensen] die briesen van geweld.
zijn een uitwerking van vers 44Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
. Het is afwisselend een gebed (verzen 7,9,117Hoor, HEERE, mijn stem [als] ik roep;
wees mij genadig en antwoord mij.
9verberg Uw aangezicht niet voor mij.
Wijs Uw dienaar niet af in toorn,
U bent mijn hulp geweest;
laat mij niet in de steek en verlaat mij niet,
o God van mijn heil.
11HEERE, leer mij Uw weg,
leid mij op een geëffend pad
omwille van mijn belagers.
)
en de redenen van het gebed (verzen 8,10,128Mijn hart zegt tegen U [wat U Zelf zegt]:
Zoek Mijn aangezicht.
Ik zóek Uw aangezicht, HEERE,
10Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten,
maar de HEERE zal mij aannemen.12Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders,
want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan
en [mensen] die briesen van geweld.
)
. In de verzen 7-107Hoor, HEERE, mijn stem [als] ik roep;
wees mij genadig en antwoord mij.
8Mijn hart zegt tegen U [wat U Zelf zegt]:
Zoek Mijn aangezicht.
Ik zóek Uw aangezicht, HEERE,
9verberg Uw aangezicht niet voor mij.
Wijs Uw dienaar niet af in toorn,
U bent mijn hulp geweest;
laat mij niet in de steek en verlaat mij niet,
o God van mijn heil.
10Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten,
maar de HEERE zal mij aannemen.
horen we de gelovige tot God om hulp roepen en wachten tot die hulp komt. De belijdenis van het geloofsvertrouwen van de verzen 1-61[Een psalm] van David.
De HEERE is mijn licht en mijn heil,
 voor wie zou ik vrezen?
De HEERE is mijn levenskracht,
voor wie zou ik angst hebben?
2Toen kwaaddoeners op mij afkwamen,
om mij levend te verslinden
– mijn tegenstanders en mijn vijanden –
struikelden zij zelf en vielen.
3Al belegerde mij een leger,
mijn hart zou niet vrezen;
al brak er een oorlog tegen mij uit,
toch vertrouw ik hierop.4Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
5Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut
op de dag van het onheil.
Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent,
Hij plaatst mij hoog op een rots.
6Nu heft mijn hoofd zich omhoog
boven mijn vijanden, die mij omringen.
Ik zal in Zijn tent offers brengen onder geschal van trompetten;
ik zal zingen, ja, ik zal psalmen zingen voor de HEERE.
wordt nu zwaar op de proef gesteld. Het geloof blinkt, maar de beproeving moet bewijzen of het echt goud of het nep goud is.

De overtuiging dat de HEERE helpt, maakt het gebed om hulp niet overbodig, maar zal des te meer gevoeld worden. Hij kent God ook als een God Die over de zonde toornt en doet daarom een beroep op Zijn genade (vers 77Hoor, HEERE, mijn stem [als] ik roep;
wees mij genadig en antwoord mij.
)
. Hij weet dat verhoring niet op grond van enige verdienste van hemzelf kan gebeuren, maar uitsluitend op grond van Gods genade. Hij smeekt om antwoord.

Het gebod van God om Zijn aangezicht te zoeken vindt weerklank in het hart van de gelovige (vers 88Mijn hart zegt tegen U [wat U Zelf zegt]:
Zoek Mijn aangezicht.
Ik zóek Uw aangezicht, HEERE,
; Ps 24:66Dat is het geslacht van hen die naar Hem vragen,
die Uw aangezicht zoeken; [dat] is Jakob. /Sela/
; vgl. Dt 4:2929Dan zult u daar de HEERE, uw God, zoeken en u zult [Hem] vinden, als u Hem met heel uw hart en met heel uw ziel zoekt.)
. Het is, om zo te zeggen, een ‘genade-bevel’ een roeping om het te doen. Tegelijk is het ook een voorrecht om het te mogen doen. David zoekt Gods aangezicht en vraagt of God Zijn aangezicht toch niet voor hem zal verbergen (vers 99verberg Uw aangezicht niet voor mij.
Wijs Uw dienaar niet af in toorn,
U bent mijn hulp geweest;
laat mij niet in de steek en verlaat mij niet,
o God van mijn heil.
)
. Hij houdt er rekening mee dat God hem in toorn zou kunnen afwijzen, want hij realiseert zich dat hij onwaardig is omdat er in zijn leven dingen zijn geweest waarover God toornig is. Hij noemt zich “Uw dienaar”, wat zijn nederige houding tegenover God nadruk geeft.

Ook herinnert hij God eraan dat Hij in het verleden zijn hulp is geweest. Dan zal het toch niet zo zijn dat God hem in de steek laat en hem verlaat? We horen in zijn aanspreken van God met de woorden “o God van mijn heil” hoe intens hij God aanroept en een beroep doet op Zijn behoudenis.

De dierbaarste aardse betrekkingen van zorg zijn eindig (vers 1010Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten,
maar de HEERE zal mij aannemen.
; vgl. Js 49:1515Kan een vrouw haar zuigeling vergeten,
zich niet ontfermen over het kind van haar schoot?
Zelfs al zouden die het vergeten,
Ík zal u niet vergeten.
)
. Ze kunnen niet de garantie van onwankelbare en blijvende betrouwbaarheid geven. Davids ouders hebben hem niet letterlijk verlaten, want hij is zelf bij hen weggegaan en heeft ze later naar de koning van Moab gebracht (1Sm 22:3-43David ging vandaar naar Mizpe in Moab. En hij zei tegen de koning van Moab: Laat mijn vader en mijn moeder toch naar u uitwijken, totdat ik weet wat God met mij doen zal.4Toen bracht hij hen bij de koning van Moab. En zij bleven bij hem al de dagen dat David in de vesting was.). Verlaten heeft hier de betekenis van ‘niet kunnen helpen’ Als er geen beroep kan worden gedaan op vader en moeder, blijft Gods trouw. Hij staat garant voor het aannemen van ieder die zijn behoudenis van Hem verwacht. Aannemen betekent hier een kind optillen om het te helpen of te troosten (vgl. Ex 19:44U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en [hoe] Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb.).


De vijanden

11HEERE, leer mij Uw weg,
leid mij op een geëffend pad
omwille van mijn belagers.
12Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders,
want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan
en [mensen] die briesen van geweld.

David vraagt of God hem Zijn weg wil leren, dat wil zeggen dat Hij hem onderwijst in Zijn geboden (vers 1111HEERE, leer mij Uw weg,
leid mij op een geëffend pad
omwille van mijn belagers.
)
. In aansluiting daarop vraagt hij of God hem “op een geëffend pad” wil leiden, dat is een pad waarop geen gevaar voor struikelen is omdat de hindernissen weggenomen zijn (vgl. Ps 26:1212Mijn voet staat op een geëffende weg;
in de samenkomsten zal ik de HEERE loven.
)
. Hij weet dat hij alleen de goede weg bewandelt als God hem leidt. De weg van geloof is een geëffend pad voor wie naar Gods Woord leven. David vraagt dit omdat de vijanden, zijn belagers, op hem loeren of hij van de weg, Gods weg, Gods geboden, afwijkt om hem dan te overvallen.

De druk van de vijanden is groot (vers 1212Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders,
want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan
en [mensen] die briesen van geweld.
)
. David kent de begeerte van zijn tegenstanders. Het zijn de “valse getuigen” die tegen hem zijn opgestaan en hem beschuldigen van allerlei kwaad. Ze “briesen van geweld”, wat betekent dat ze hem gewelddadig willen ombrengen. Dit herkennen we in het proces tegen de Heer Jezus. Valse getuigen zijn tegen Hem opgestaan. Ze werden door de aanklagers bewust gezocht (Mt 26:5959De overpriesters nu en de hele Raad zochten een vals getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem konden doden.).


Wacht op de HEERE

13Als ik [toch] niet had geloofd dat ik de goedheid van de HEERE
zou zien in het land van de levenden,
[ik was vergaan].
14Wacht op de HEERE,
wees sterk
en Hij zal uw hart sterk maken;
ja, wacht op de HEERE.

Davids geloofsvertrouwen is op de proef gesteld (verzen 7-127Hoor, HEERE, mijn stem [als] ik roep;
wees mij genadig en antwoord mij.
8Mijn hart zegt tegen U [wat U Zelf zegt]:
Zoek Mijn aangezicht.
Ik zóek Uw aangezicht, HEERE,
9verberg Uw aangezicht niet voor mij.
Wijs Uw dienaar niet af in toorn,
U bent mijn hulp geweest;
laat mij niet in de steek en verlaat mij niet,
o God van mijn heil.
10Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten,
maar de HEERE zal mij aannemen.11HEERE, leer mij Uw weg,
leid mij op een geëffend pad
omwille van mijn belagers.
12Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders,
want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan
en [mensen] die briesen van geweld.
)
, het is gelouterd en het blijkt dat het goud is. Vers 1313Als ik [toch] niet had geloofd dat ik de goedheid van de HEERE
zou zien in het land van de levenden,
[ik was vergaan].
sluit daarop aan met een hernieuwde geloofsbelijdenis. Hij kan zich niet voorstellen wat van hem geworden zou zijn als hij zijn vertrouwen niet op de goedheid van de HEERE zou hebben gesteld.

Hij weet dat alleen “de goedheid van de HEERE” hem “in het land van de levenden” heeft bewaard (vers 1313Als ik [toch] niet had geloofd dat ik de goedheid van de HEERE
zou zien in het land van de levenden,
[ik was vergaan].
; vgl. Ps 52:77Maar God zal u voor altijd afbreken;
Hij zal u grijpen en wegrukken uit de tent,
ja, u ontwortelen uit het land van de levenden. /Sela/
; Js 38:1111Ik zei: Ik zal de HEERE, de HEERE, niet zien
in het land van de levenden;
ik zal de mensen niet meer aanschouwen
onder de inwoners van de wereld.
)
. Als hij dat niet had geloofd, dan, ja, wat dan? Hij voltooit zijn zin niet. De woorden tussen haken geven aan dat deze woorden niet in de grondtekst voorkomen. Het kan wel de bedoeling zijn te zeggen dat hij anders ‘was vergaan’, maar deze invulling neemt iets weg van de kracht van het geloof in de goedheid van de HEERE waarop alle nadruk ligt. Het is alleen aan zijn geloof te danken dat hij nog leeft. Het bewijst dat geloofsvertrouwen nooit beschaamd wordt.

In profetisch opzicht beluisteren we hier het vertrouwen van het overblijfsel in de eindtijd. Tijdens de oordelen die over het land komen, blijft hun vertrouwen ongeschokt. Het lijkt dat zij zich in het land van de dood bevinden, maar het is het land van de levenden. Er is vertrouwen en daardoor geduld.

Daarom kan de gelovige in alle tijden wachten op God in de zekerheid dat Hij zijn hart zal versterken (vers 1414Wacht op de HEERE,
wees sterk
en Hij zal uw hart sterk maken;
ja, wacht op de HEERE.
)
. Nu de psalmist heeft ondervonden dat zijn geloofsvertrouwen niet is beschaamd, kan hij anderen aansporen om hetzelfde te doen als hij.

Het lijkt erop dat David dit tegen zichzelf zegt, zichzelf hiermee aanspoort. De aansporing om op God te wachten wordt in dit ene vers twee keer gedaan waardoor de aansporing bijzonder dringend is. Het is een opwekking om een krachtig vertrouwen op God te hebben, om sterk in Hem te zijn. Dan zal Hij als antwoord daarop zijn hart versterken, het de rust en zekerheid geven dat Hij zal helpen.


Lees verder