Psalmen
Inleiding 1-2 De aarde is van de HEERE 3-6 Wie bij de HEERE mag zijn 7-10 De Koning der ere
Inleiding

Psalm 24 sluit aan op Psalm 23. De HEERE, Die de Herder is en de Zijnen leidt en naar ‘huis’ brengt (Psalm 23), is ook Degene aan Wie alles toebehoort (Psalm 24). Hier is Hij de Overste Herder der schapen die komen zal op Zijn loon, de kroon van de heerlijkheid, aan de Zijnen te geven. Psalm 22 gaat over Christus voor de Zijnen, de goede Herder; Psalm 23 gaat over Christus met de Zijnen, de grote Herder; Psalm 24 gaat over Christus over de Zijnen, de overste Herder. De HEERE zal Zijn recht op alles laten gelden door als de Krijgsman Zijn volk te helpen tegen de vijand. Daartoe komt Hij naar de stad met de aloude poorten, dat is Jeruzalem.

Zoals Psalm 23 de weg van de Heer Jezus – en van iedere Godvrezende met Hem – beschrijft naar Gods huis, zo krijgen we in Psalm 24 de beschrijving van de weg naar de troon van Zijn heerlijkheid. Echter, de horizon is hier niet alleen Israël, maar heel de wereld (Ps 24:11Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
)
. Immers de bedoeling van God is om door middel van Israël, alle volken te zegenen (Gn 22:16-1816Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,17zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.18En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.). Voor ons betekent het de weg naar het Vaderhuis en de weg naar de troon van het koninkrijk.

Psalm 24 werd vroeger door de Joden op de eerste dag na de sabbat voorgelezen. De eerste dag van de week, dat wijst op het begin – vers 11Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
begint met de schepping – of op een nieuw begin, dat is het vrederijk, de herstelde schepping.

Mogelijk heeft David deze psalm gedicht ter gelegenheid van het opbrengen van de ark naar Jeruzalem (2Sm 6:1-191Daarna verzamelde David opnieuw de beste van alle [mannen] in Israël, dertigduizend.2David stond op en ging [op weg] met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, [de ark] waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.3Zij vervoerden de ark van God op een nieuwe wagen. Ze haalden hem uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, en Uzza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen.4Zij haalden [de wagen] uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, met de ark van God, en Ahio liep voor de ark uit.5David en het hele huis van Israël huppelden voor het aangezicht van de HEERE, met allerlei [muziekinstrumenten] van cipressenhout, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met rinkelbellen en met cimbalen.6Maar toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, strekte Uzza [zijn hand] uit naar de ark van God en greep die, omdat de runderen struikelden.7Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God.8David ontstak [in woede], omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht, en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag.9David was op die dag bevreesd voor de HEERE en zei: Hoe moet de ark van de HEERE bij mij komen?10David wilde de ark van de HEERE niet bij zich laten komen in de stad van David, maar David liet hem uitwijken naar het huis van Obed-Edom, de Gethiet.11Zo bleef de ark van de HEERE in het huis van Obed-Edom, de Gethiet, drie maanden [lang], en de HEERE zegende Obed-Edom en heel zijn huis.12Koning David werd de boodschap gebracht: De HEERE heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David [op weg] en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.13En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest [kalf] offerde.14David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.15Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal.16En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, uit het venster neerkeek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart.17Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers.18Toen David klaar was met het brengen van het brandoffer en de dankoffers, zegende hij het volk in de Naam van de HEERE van de legermachten.19Hij deelde aan heel het volk, aan heel de menigte van Israël, van de man tot de vrouw toe, aan ieder één broodkoek, één klomp dadels en één rozijnenkoek uit. Toen ging al het volk [zijns weegs], ieder naar zijn huis.). De ark is een prachtig beeld van de Heer Jezus, Die in deze psalm vijf keer “de Koning der ere” wordt genoemd (verzen 7-107Hef uw hoofden op, o poorten,
en verhef u, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
8Wie is deze Koning der ere?
De HEERE, sterk en geweldig,
de HEERE, geweldig in de strijd.
9Hef uw hoofden op, o poorten,
ja, verhef ze, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
10Wie is Hij, deze Koning der ere?
De HEERE van de legermachten,
Hij is de Koning der ere. /Sela/
)

De psalm kunnen we als volgt indelen:
1. De HEERE is de Schepper en daarom Eigenaar van het heelal (verzen 1-21Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
2Want Híj heeft haar gegrondvest op de zeeën
en haar vastgezet op de rivieren.
; vgl. Op 4:9-119En wanneer de levende wezens heerlijkheid en eer en dankzegging zullen geven aan Hem Die op de troon zit, Die leeft tot in alle eeuwigheid,10dan zullen de vierentwintig oudsten neervallen voor Hem Die op de troon zit en Hem aanbidden Die leeft tot in alle eeuwigheid, en hun kronen neerwerpen voor de troon en zeggen:11U bent waard, onze Heer en God, te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestonden zij en zijn zij geschapen.)
.
2. Hij is tevens de HEERE, dat is Zijn Naam als de trouwe God van het verbond. Daardoor heeft Hij een dubbele recht – als Schepper en als Losser (vgl. Openbaring 4-5) – op Zijn volk:
a. Hij verklaart wie van de mensen tot Zijn heilige woonplaats mag naderen (verzen 3-63Wie zal de berg van de HEERE beklimmen?
Wie zal staan in Zijn heilige plaats?
4Wie rein is van handen en zuiver van hart,
wie zijn ziel niet opheft tot wat vals is, en niet bedrieglijk zweert.
5Hij zal zegen ontvangen van de HEERE
en gerechtigheid van de God van zijn heil.
6Dat is het geslacht van hen die naar Hem vragen,
die Uw aangezicht zoeken; [dat] is Jakob. /Sela/
)
en
b. komt om Zijn rechtmatige eigendom in bezit te nemen (verzen 7-107Hef uw hoofden op, o poorten,
en verhef u, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
8Wie is deze Koning der ere?
De HEERE, sterk en geweldig,
de HEERE, geweldig in de strijd.
9Hef uw hoofden op, o poorten,
ja, verhef ze, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
10Wie is Hij, deze Koning der ere?
De HEERE van de legermachten,
Hij is de Koning der ere. /Sela/
)
.


De aarde is van de HEERE

1Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
2Want Híj heeft haar gegrondvest op de zeeën
en haar vastgezet op de rivieren.

Deze psalm is “een psalm van David” (vers 1a1Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
)
. Zie bij Psalm 3:1.

De psalm begint met het voorstellen van de soevereiniteit van God. Hij is de rechtmatige Eigenaar van de schepping omdat Hij de Schepper en Onderhouder ervan is. Hij is de Bezitter van “de aarde … en al wat zij bevat, de wereld en wie er wonen” (vers 1b1Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
; Ps 50:1212Als Ik honger had, Ik zou het u niet zeggen;
want van Mij is de wereld en al wat zij bevat.
; 1Ko 10:2626Want ‘de aarde en haar volheid is van de Heer’.)
. God heeft een absoluut recht op de mensen–- op hun diensten, op hun talenten, op alles wat zij door arbeid en vaardigheid kunnen verwerven. Hij heeft recht op alles wat in de lucht vliegt, op de aarde loopt en in de zee zwemt. Ook alle bodemschatten en wat het veld oplevert, is van Hem. Met “de wereld” wordt de bewoonde wereld bedoeld. Hij heeft die gegeven “opdat men erop zou wonen” (Js 45:1818Want zo zegt de HEERE,
Die de hemel geschapen heeft,
die God
Die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft.
Hij heeft haar gegrondvest,
Hij heeft haar niet geschapen opdat zij woest zou zijn,
[maar] Hij heeft haar geformeerd opdat men erop zou wonen:
Ik ben de HEERE, en niemand anders.
)
.

God heeft alles gedaan. De aarde is geen samenstelling van allerlei elementen waaraan een veelheid van goden heeft gewerkt. Niemand heeft Hem ook geholpen bij het maken van de plannen of het uitvoeren ervan. Alles is door de ene, waarachtige en levende God tot stand gebracht. De aarde is geworden wat zij is door dit eenvoudige feit dat God de aarde heeft gegrondvest en vastgezet. Daarom is de aarde en alles wat zij voortbrengt van Hem.

In vers 22Want Híj heeft haar gegrondvest op de zeeën
en haar vastgezet op de rivieren.
staat waarom de aarde van Hem is: “want” Hij heeft de aarde “gegrondvest”. Hij is daarbij met wijsheid te werk is gegaan (Sp 3:1919De HEERE heeft de aarde met wijsheid gegrondvest,
de hemel met inzicht gevestigd.
)
. Er is orde in Zijn handelen. Hij heeft op de derde scheppingsdag het droge uit de wateren tevoorschijn laten komen en daarmee Zijn controle erover getoond (Gn 1:9-109En God zei: Laat het water dat onder de hemel is, in één plaats samenvloeien en laat het droge zichtbaar worden! En het was zo.10En God noemde het droge aarde en het samengevloeide water noemde Hij zeeën; en God zag dat het goed was.; Ps 136:5-65Die de hemel met inzicht maakte,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
6Die de aarde boven het water uitspande,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. Dat Hij haar heeft “vastgezet”, is, gezien de tijdsvorm van dit woord, niet een eenmalige handeling, maar Hij is daar voortdurend mee bezig. Hij schept en onderhoudt Zijn schepping. Hij zorgt ervoor dat de aarde op haar plaats blijft (Ps 104:55Hij heeft de aarde gegrondvest op zijn fundamenten,
die zal voor eeuwig en altijd niet wankelen.
; 1Sm 2:88Hij verheft de geringe uit het stof;
uit het vuil verhoogt Hij de arme
om [hen] bij edelen te doen zitten,
om hen een erezetel te laten verkrijgen.
Want de grondvesten van de aarde zijn van de HEERE
en Hij heeft de wereld daarop geplaatst.
)
.


Wie bij de HEERE mag zijn

3Wie zal de berg van de HEERE beklimmen?
Wie zal staan in Zijn heilige plaats?
4Wie rein is van handen en zuiver van hart,
wie zijn ziel niet opheft tot wat vals is, en niet bedrieglijk zweert.
5Hij zal zegen ontvangen van de HEERE
en gerechtigheid van de God van zijn heil.
6Dat is het geslacht van hen die naar Hem vragen,
die Uw aangezicht zoeken; [dat] is Jakob. /Sela/

De verzen 1-21Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
2Want Híj heeft haar gegrondvest op de zeeën
en haar vastgezet op de rivieren.
vormen de achtergrond van de twee vragen die in vers 33Wie zal de berg van de HEERE beklimmen?
Wie zal staan in Zijn heilige plaats?
worden gesteld. Wie waagt het om “de berg” van die soevereine en almachtige God te “beklimmen” om tot Hem te naderen? Met “de berg van de HEERE” wordt de berg Sion bedoeld (vgl. Ps 2:66Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
; 15:11Een psalm van David.
HEERE, wie zal verblijven in Uw tent?
Wie zal wonen op Uw heilige berg?
)
. En wat nog verder gaat – want de berg van de HEERE is een heilige plaats –: wie is in staat om “in Zijn heilige plaats” te staan, om zich in Zijn tegenwoordigheid op te houden en Hem te als priester te dienen? Het zijn vragen die gaan over hoe een mens tot een heilig en rechtvaardig God kan naderen, over de mogelijkheid om met die verheven en heilige God gemeenschap te hebben.

Er worden vier voorwaarden genoemd (vers 44Wie rein is van handen en zuiver van hart,
wie zijn ziel niet opheft tot wat vals is, en niet bedrieglijk zweert.
; vgl. Ps 15:2-52Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent,
die met zijn hart de waarheid spreekt.
3Die met zijn tong niet lastert,
zijn vrienden geen kwaad doet
en geen smaad jegens zijn naaste [op de lippen] neemt.
4In zijn ogen is de verworpene veracht,
maar wie de HEERE vrezen, eert hij.
Heeft hij gezworen tot [zijn] schade,
[zijn eed] verandert hij evenwel niet.
5Zijn geld leent hij niet uit tegen rente,
een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet.
Wie deze dingen doet,
zal niet wankelen, voor eeuwig.
)
. Daarbij gaat het niet om offers of goede daden, maar over oprechtheid in daden en motieven. Twee voorwaarden zijn positief en twee negatief. “Rein … van handen” ziet op de daden; “zuiver van hart” ziet op de motieven die achter de daden zitten. “Wie zijn ziel niet opheft tot wat vals is”, wil zeggen dat hij zich niet aan afgoderij overgeeft en iets of iemand anders vereert dan God alleen. Wie zich wel overgeeft aan wat vals is, verheft zich tegen God. Wie “niet bedrieglijk zweert”, is iemand die Gods Naam niet ijdel gebruikt door in Zijn Naam bedrog te plegen. Bedrieglijk zweren wil zeggen God tot beschermer van zijn leugen maken. Wie ‘rein’ is, is niet ‘vals’ en wie ‘zuiver’ is, is geen ‘bedrieger’.

Wie oprecht is in zijn daden en motieven, ontvangt zegen en gerechtigheid van God (vers 55Hij zal zegen ontvangen van de HEERE
en gerechtigheid van de God van zijn heil.
)
. De zegen is dat hij in de gunst van God staat, dat God Hem in welgevallen aanneemt. De gerechtigheid is dat God hem als een rechtvaardige ziet en Hem in Zijn tegenwoordigheid ontvangt. Dat kan God doen omdat Hij “de God van zijn heil” is. Dat betekent dat God Hem heeft behouden van alles wat tegen hem getuigde. Dat is alleen mogelijk omdat Hij hem het werk van de Heer Jezus toerekent, dat Hij vooruit ziet. God zegent en geeft Zijn gerechtigheid altijd alleen op grond daarvan.

Het antwoord op de vraag wie er bij Hem kan wonen, is de Heer Jezus. Hij beantwoordt aan alle voorwaarden. Maar Hij wil anderen bij Zich hebben. Zij worden in vers 66Dat is het geslacht van hen die naar Hem vragen,
die Uw aangezicht zoeken; [dat] is Jakob. /Sela/
genoemd. Zij die door Hem gezegend worden en aan wie Hij Zijn gerechtigheid geeft, zijn zij “die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken”. Zij laten een gezindheid zien die Hem welgevallig is, want ze verlangen ernaar Hem welgevallig te zijn en tot Zijn eer te leven.

Het gaat hier over het feit dat het mogelijk is tot de Schepper, en dus de rechtmatige Eigenaar, van het heelal te naderen. Dat dit mogelijk is, blijkt uit de verandering van spreken over God in 3e persoon halverwege dit vers naar spreken tot God in 2e persoon voor te stellen.

Zij die naar Hem vragen, zijn “het nageslacht van … Jakob”, van die Jakob van wie God heeft gezegd: “Ik ben … de God van Jakob” (Ex 3:66Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes bedekte zijn gezicht, want hij was bevreesd God aan te kijken.). Het nageslacht van Jakob draagt de kenmerken van hun voorvader. Het is een geslacht dat altijd naar de zegen van God heeft verlangd, maar zo vaak ontrouw is geweest in de manier waarop ze zich die zegen eigen hebben willen maken. God geeft hun na een lange weg van vorming, die Hij ook met hun voorvader is gegaan, de beloofde zegen in het vrederijk.


De Koning der ere

7Hef uw hoofden op, o poorten,
en verhef u, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
8Wie is deze Koning der ere?
De HEERE, sterk en geweldig,
de HEERE, geweldig in de strijd.
9Hef uw hoofden op, o poorten,
ja, verhef ze, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
10Wie is Hij, deze Koning der ere?
De HEERE van de legermachten,
Hij is de Koning der ere. /Sela/

Nadat in de verzen 3-63Wie zal de berg van de HEERE beklimmen?
Wie zal staan in Zijn heilige plaats?
4Wie rein is van handen en zuiver van hart,
wie zijn ziel niet opheft tot wat vals is, en niet bedrieglijk zweert.
5Hij zal zegen ontvangen van de HEERE
en gerechtigheid van de God van zijn heil.
6Dat is het geslacht van hen die naar Hem vragen,
die Uw aangezicht zoeken; [dat] is Jakob. /Sela/
de voorwaarden zijn gegeven voor het wonen bij de HEERE, worden in vers 77Hef uw hoofden op, o poorten,
en verhef u, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
zowel de stad als het volk opgeroepen de Koning der ere te ontvangen. Zijn grote majesteit als Degene Die alles bezit omdat Hij het heeft geschapen (verzen 1-21Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
2Want Híj heeft haar gegrondvest op de zeeën
en haar vastgezet op de rivieren.
)
, geeft Hem uiteraard ook het recht op de ingang in Jeruzalem. Elke poort moet voor Hem worden opengedaan met een waardigheid die passend is voor die Majesteit. In sommige gevallen was het nodig om de bovendorpel van de poort hoger te maken. Hier gebeurt dat vanwege de grootheid van de majesteit van de Koning der ere.

De dichterlijke taal stelt de poorten en deuren als personen voor. De poorten en deuren van de stad hebben lange tijd hun hoofden laten hangen vanwege de treurige toestand waarin de stad door zijn zonden was terechtgekomen. Maar als de Koning der ere verschijnt, kan er worden gezegd dat ze hun hoofden en deuren kunnen opheffen en verheffen. Met de komst van de Koning is de tijd van treuren voorbij en is de tijd om feest te vieren aangebroken.

In vers 88Wie is deze Koning der ere?
De HEERE, sterk en geweldig,
de HEERE, geweldig in de strijd.
horen we het antwoord op de vraag wie de Koning der ere is: Hij de HEERE, de trouwe God van het verbond. Dat Hij de Messias is, dat wil zeggen dat Hij Mens is geworden, blijkt uit het feit dat Hij door de poort van Jeruzalem naar binnen gaat. De uitdrukkingen “sterk en geweldig” en “geweldig in de strijd” beschrijven de Messias als de Goddelijke Krijgsman Die ten behoeve van Zijn volk strijdt (vgl. Mi 2:1313De Doorbreker trekt vóór hen op.
Zij zullen doorbreken, door de poort trekken
en daardoor naar buiten gaan.
Hun Koning gaat vóór hen uit,
de HEERE [gaat] aan de spits.
; Op 17:1414Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, en het Lam zal hen overwinnen – want Hij is Heer van [de] heren en Koning van [de] koningen – en zij die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen.; 19:11-1611En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.)
. Hij is de sterke God (Js 10:2121[Die] rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God.), Die Zijn macht in de strijd tegen Zijn vijanden en ten gunste van de Zijnen gebruikt.

Hij verschijnt op een totaal andere wijze dan toen Hij de eerste keer op aarde verscheen. De eerste keer kwam Hij in nederigheid op aarde en ging Hij in nederigheid Zijn weg. Toen Hij als Koning naar Jeruzalem ging, werd Hij als volgt aangekondigd: “Verheug u zeer, dochter van Sion! Juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin” (Zc 9:99Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.
; Mt 21:1-111En toen zij Jeruzalem naderden en bij Bethfagé kwamen aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen en zei tot hen:2Gaat naar het dorp dat tegenover u ligt, en terstond zult u een ezelin gebonden vinden en een veulen bij haar; maakt ze los en brengt ze Mij.3En als iemand u iets zegt, dan moet u zeggen: De Heer heeft ze nodig, en terstond zal hij ze zenden.4Dit nu is gebeurd, opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet, die zei:5‘Zegt aan de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en op een veulen, [het] jong van een lastdier’.6Nadat de discipelen nu waren heengegaan en hadden gedaan zoals Jezus hun had opgedragen,7brachten zij de ezelin en het veulen en legden hun kleren daarop, en Hij ging erop zitten.8De zeer grote menigte nu spreidde hun kleren op de weg, en anderen hakten takken van de bomen en spreidden ze op de weg.9De menigten nu die vóór Hem uitgingen en zij die volgden, riepen de woorden: Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer! Hosanna in de hoogste [hemelen]!10En toen Hij Jeruzalem was binnengegaan, kwam de hele stad in opschudding en zei: Wie is Deze?11De menigten nu zeiden: Deze is de profeet, Jezus, van Nazareth in Galiléa.)
.

De oproep in vers 99Hef uw hoofden op, o poorten,
ja, verhef ze, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
is een herhaling van vers 77Hef uw hoofden op, o poorten,
en verhef u, eeuwige deuren,
opdat de Koning der ere binnengaat.
, met een nog iets sterkere aansporing. De herhaling benadrukt het belang om deze hoge Majesteit ruim baan te verlenen en een waardige ontvangst te geven.

Ook de vraag die in vers 1010Wie is Hij, deze Koning der ere?
De HEERE van de legermachten,
Hij is de Koning der ere. /Sela/
wordt gesteld, is een herhaling van deze vraag (vgl. vers 88Wie is deze Koning der ere?
De HEERE, sterk en geweldig,
de HEERE, geweldig in de strijd.
)
. Dat de vraag tot tweemaal toe wordt gesteld, legt nadruk op de Persoon van de Koning der ere. Evenals in vers 88Wie is deze Koning der ere?
De HEERE, sterk en geweldig,
de HEERE, geweldig in de strijd.
is het antwoord “de HEERE”, maar nu met de toevoeging “van de legermachten”. Hij is Jahweh Zebaoth, dit is de krijgsnaam van de HEERE. Hij is de Opperbevelhebber van alle hemelse en aardse legermachten. Hij voert het gezag over alle engelenmachten en aardse strijdmachten, zowel de goede als de kwade (vgl. Jh 19:11a11Jezus antwoordde <hem>: U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven was gegeven; daarom heeft hij die Mij aan u heeft overgeleverd, een grotere zonde.). Dat betekent dat zij nooit op eigen initiatief handelen, maar alleen op Zijn bevel. Hij bestuurt hen zo, dat zij aan de uitvoering van Zijn plan meewerken, soms tegen wil en dank. Voor de gelovige is deze wetenschap een grote troost.

In de geestelijke toepassing wordt deze psalm in ons vervuld als wij ons hart voor de Heer Jezus openen en Hem de heerschappij over ons leven geven. In de profetische toepassing zien we de vervulling wanneer de hele aarde en alles wat zij bevat, Hem onderworpen is en Hem de eer geeft die Hem toekomt.


Lees verder