Psalmen
Inleiding 1-4 De HEERE is mijn Herder 5-6 De HEERE is mijn Gastheer
Inleiding

Deze psalm is de bekendste en meest geliefde van alle psalmen. In de verzen 1-41Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
2Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
3Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.
4Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.
geeft hij ons een volledig beeld van de volcontinu bezigheden van de herder, in wie we zonder enige moeite het beeld van de Heer Jezus herkennen. In de verzen 5-65U maakt voor mij de tafel gereed
voor [de ogen van] mijn tegenstanders;
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
6Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.
wordt daaraan het beeld van een feestmaal toegevoegd.

Het is bijzonder dat de nadruk ligt op de persoonlijke/individuele relatie met de herder, net als bij Jakob in Genesis 48 (Gn 48:1515En hij zegende Jozef en zei:
De God voor Wiens aangezicht mijn vaderen, Abraham en Izak, gewandeld hebben,
de God Die mij als herder geleid heeft, mijn [leven] lang tot op deze dag,
)
. In de andere psalmen en de rest van het Oude Testament stelt God voor als de Herder van Zijn volk. Deze psalm begint met en legt de nadruk op de persoonlijke verhouding: de Heere is MIJN Herder. Heel persoonlijk. David, de koning, stelt zijn vertrouwen niet op zichzelf of op zijn positie of op zijn leger, maar op de HEERE, zijn Herder. Het middelste gedeelte van deze psalm, en nadrukkelijk zo, is: Want U bent bij mij. Vanaf dit punt verandert de aanspreekvorm van de 3e persoon in 2e persoon. Hij spreekt hij niet meer over de HEERE, maar tot de HEERE.

In Psalm 22 is de verzoening tot stand gebracht. In de volgende psalmen zien we wat daarvan de gevolgen zijn in het hart van David en van ieder die kennis van de verzoening heeft gekregen en er deel aan heeft. Het gaat om een leven in gemeenschap met God en in het leven door Hem geleid worden op de grondslag van de verzoening. We kunnen dit ook zien in het leven van de Heer Jezus, zij het uiteraard niet op de grondslag van de verzoening, want die had Hij niet nodig. Voor de gelovige individueel is er te midden van de grootste moeilijkheden van het leven rust en vertrouwen in de verhouding met God gekomen. Dat beschrijft Psalm 23. In Psalm 24 zien we de gevolgen voor de toekomst.

Hij is de Herder van het overblijfsel. In het Oude Testament wordt Hij meerdere keren als de Herder van Zijn volk voorgesteld (Ps 80:22Herder van Israël, neem ter ore,
U, Die Jozef als schapen leidt.
U, Die troont tussen de cherubs,
verschijn blinkend!
; Pr 12:1111De woorden van wijzen zijn als prikkels en als spijkers, diep ingeslagen door meesters in het verzamelen. Zij zijn gegeven door één Herder.; Js 40:1111Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden:
Hij zal de lammetjes in Zijn arm[en] bijeenbrengen
en in Zijn schoot dragen;
de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
; Jr 31:1010Hoor het woord van de HEERE, heidenvolken,
verkondig het in de kustlanden van ver weg,
en zeg:
Hij Die Israël verstrooid heeft, zal het [weer] bijeenbrengen
en het hoeden, zoals een herder zijn kudde [hoedt].
; Ez 34:12,23-2412Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van donkere wolken.23Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn.24En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken.)
. Hij is ook de Herder van ons, christenen, voor de weg door de woestijn. We gaan die weg in de kracht van de verzoening. Hij Die Zijn leven heeft gegeven voor de schapen, zet Zijn leven nu in voor de reis van de schapen. Het geloof in de nabijheid van de Heer neemt alle vrees weg. Het is alsof de Heer tegen ons zegt: ‘Vrees niet’. Vrees in de nabijheid van de Heer is gelijk aan ongeloof.

We kunnen hier de slotwoorden van de brief aan de Hebreeën toevoegen: “De God nu van de vrede, Die uit [de] doden heeft teruggebracht de grote Herder van de schapen, onze Heer Jezus, … moge u volmaken in al [het] goede tot het doen van Zijn wil, terwijl Hij in ons doet wat voor Hem welbehaaglijk is door Jezus Christus” (Hb 13:20-2120De God nu van de vrede, Die uit [de] doden heeft teruggebracht de grote Herder van de schapen, onze Heer Jezus, door [het] bloed van [het] eeuwig verbond,21moge u volmaken in al [het] goede tot het doen van Zijn wil, terwijl Hij in ons doet wat voor Hem welbehaaglijk is door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid tot in <alle> eeuwigheid. Amen.). We herkennen Hem, Die opgestaan is uit de doden (Ps 22:22b22Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
[Ja,] U hebt mij verhoord.
)
, nu als de goede Herder Die dicht bij de Zijnen is en voor hen zorgt.


De HEERE is mijn Herder

1Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
2Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
3Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.
4Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.

Deze psalm is “een psalm van David” (vers 1a1Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
)
. Zie bij Psalm 3:1.

De psalm is gedicht door David toen hij een eenvoudige herdersjongen was. In zijn eenvoud had hij gemeenschap met God en beleefde hij die diep. Een nauwe, diepe gemeenschap met God is niet afhankelijk van sociale status, maar van het vrezen van God.

De psalm begint met de HEERE Zelf, en dan niet met wat Hij geeft, maar wat Hij is (vers 1b1Een psalm van David.
De HEERE is mijn Herder,
mij ontbreekt niets.
)
. Hij is niet ‘een Herder’, of ‘de Herder’, zelfs niet ‘onze’ Herder, maar “mijn Herder”. Dat kan iedereen zeggen die Hem als de goede Herder van Psalm 22 heeft leren kennen. Het spreekt van de voortdurende, ononderbroken en feilloze zorg en bescherming die Hij voor ons op Zich heeft genomen. Wat dat allemaal inhoudt, wordt in de volgende verzen uitvoerig tegen ons gezegd.

We zien in die verzen dat de Heer Jezus zorgt voor rust, voedsel, water, verkwikking of herstel, leiding, bewaring, vertroosting, gemeenschap, olie, een overvloeiende beker, goedheid en goedertierenheid en ten slotte een eeuwige woonplaats in Gods huis. De zorg van de Herder voor al deze behoeften en omstandigheden is de garantie dat de gelovige op zijn bestemming zal aankomen.

Uit alles spreekt een diep vertrouwen op de volkomen en niet aflatende zorg, voorziening en bescherming van God in alle dingen. Een moeder verzorgt haar baby volledig, maar voor slechts korte tijd. Een vader en moeder besteden ouderlijke zorg aan kinderen, maar ook voor slechts een beperkte tijd. Maar een schaap is van zijn geboorte tot zijn dood volkomen afhankelijk van de zorg van de herder, die alles voor het schaap doet, zoals de rest van de psalm laat zien. Dat is wat God is voor iedere gelovige persoonlijk. Er staat dan ook niet, zoals al gezegd, ‘onze’ Herder, maar “mijn Herder” (vgl. Gn 48:1515En hij zegende Jozef en zei:
De God voor Wiens aangezicht mijn vaderen, Abraham en Izak, gewandeld hebben,
de God Die mij als herder geleid heeft, mijn [leven] lang tot op deze dag,
)
.

Wie kan zeggen dat de Heer zijn persoonlijke Herder is, kan ook zeggen: “Mij ontbreekt niets.” Er is door de gemeenschap met God de zekerheid dat Hij voldoende zal geven voor vandaag. Tevens is er het vertrouwen dat Hij dat zal blijven doen in de dagen die komen.

Vers 22Hij doet mij neerliggen in grazige weiden,
Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren.
is het antwoord van het hart van een gelovige op de belofte van de Heer: “Ik ben de deur; als iemand door mij binnengaat, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden” (Jh 10:99Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.). Het eerste waar Hij voor zorgt, is rust en voedsel (vgl. Hl 1:77[U,] Die ik innig liefheb,
maak mij bekend waar U [de kudde] weidt,
waar U [die] op de middag laat rusten.
Want waarom zou ik zijn als een gesluierde
bij de kudden van Uw metgezellen?
)
. Rust en voedsel zijn nodig om op krachten te komen. Het voedsel is het Woord van God (Hb 5:1212Immers, terwijl u gezien de tijd leraars behoorde te zijn, hebt u weer nodig dat men u leert <wat> de elementen van het begin van de uitspraken van God <zijn>, en u bent geworden als zij die melk nodig hebben, <en> niet vast voedsel.; 1Pt 2:22Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis;). Rust voor een schaap is niet maar uitrusten. Een schaap is een rein dier, het neemt tijd om voedsel te herkauwen. Zo neemt een gelovige de tijd om het Woord ‘in het hart te bewaren’ door het Woord keer op keer te overdenken in de tegenwoordigheid van de Herder.

De Herder drijft Zijn schaap ook niet op (vgl. Gn 33:13b13Hij zei echter tegen hem: Mijn heer weet dat de kinderen zwak zijn, en dat ik zogend kleinvee en [zogende] runderen bij mij heb; als men die maar één dag opjaagt, zal al het kleinvee sterven.), maar leidt het zachtjes naar dorstlessende wateren. Het water is een beeld van de Heilige Geest, van Wie de gelovige mag drinken (1Ko 12:1313Immers, wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en ons allen is van één Geest te drinken gegeven.; vgl. Jh 7:3737En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus [daar] en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken!). Dat betekent dat de Heilige Geest de gelegenheid krijgt hem innerlijk te versterken om de weg achter de Herder aan te gaan.

De Heer Jezus is een voorbeeld voor hen die herders in Gods gemeente zijn. Hij heeft deze herders aan Zijn gemeente gegeven (Ef 4:1111En Hij heeft sommigen gegeven als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leraars,), opdat zij de gelovigen, die worden voorgesteld als een kudde, verzorgen (Hd 20:2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].; 1Pt 5:22hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;; vgl. Ez 34:1-101Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?3U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, [maar] de schapen weidt u niet.4Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen.5Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt.7Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE!8[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat Mijn schapen tot een prooi geworden zijn en Mijn schapen voor alle dieren van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders niet naar Mijn schapen gevraagd hebben, maar de herders zichzelf geweid hebben, en Mijn schapen niet geweid hebben.9Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE!10Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál die herders! Ik eis Mijn schapen op uit hun hand, en doe hen ophouden met het weiden van de schapen. Die herders zullen zichzelf niet meer weiden en Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat ze hun niet [meer] tot voedsel zijn.; Jh 21:15-1715Toen zij dan hadden ontbeten, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren.16Hij zei opnieuw tot hem, voor [de] tweede keer: Simon, [zoon] van Johannes, heb je Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen.17Hij zei tot hem voor de derde keer: Simon, [zoon] van Johannes, houd je van Mij? Petrus werd bedroefd omdat Hij voor de derde keer tot hem zei: Houd je van Mij? En hij zei tot Hem: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen.). Wie een herdersdienst doet en daar trouw in is, zal door Hem beloond worden wanneer Hij als de overste Herder is verschenen (1Pt 5:44En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.).

Een volgende zegen is dat Hij de ziel van de gelovige verkwikt of herstelt (vers 33Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.
)
. Dat wil zeggen dat de Heer ons terugbrengt van verkeerde wegen, dit gedachte wordt ondersteund door de parallel: “Hij leidt mij het spoor van de gerechtigheid omwille van Zijn Naam” (vgl. Jr 6:1616Zo zegt de HEERE:
Ga staan op de wegen, en zie,
vraag naar de aloude paden,
waar toch de goede weg is, en bewandel die.
Dan zult u rust vinden voor uw ziel.
Maar zij zeggen: Wij bewandelen [die] niet.
)
. Dat is nodig om afgestemd te blijven op de stem van de Herder. Dan blijven wij in gemeenschap wandelen, want zonde verwijdert ons van Hem. Daarom moeten onze voeten telkens door Hem worden gewassen, opdat wij dicht bij Hem kunnen wandelen (Jh 13:1010Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.).

De Herder weet de goede weg. Een schaap heeft geen enkele oriëntatie, maar is volledig afhankelijk van de leiding van de Herder. Daarom moet het schaap naar Hem luisteren. Dat geldt precies zo voor een gelovige. En dat kan alleen maar als wij teruggebracht worden van dwaalwegen van de zonde en dicht bij Hem wandelen.

De Herder leidt de gelovige “in het spoor van de gerechtigheid”. Dit is niet hetzelfde als de gemakkelijkste weg. Het is niet de weg waarop gerechtigheid wordt verkregen, maar waarop gerechtigheid wordt gedaan, waar iedereen het zijne wordt gegeven en waar bovenal God het Zijne wordt gegeven. Het is de weg die gekenmerkt wordt door gerechtigheid, de weg naar Gods gedachten. “Hij leidt mij” betekent dat Hij dat pad zelf heeft bewandeld.

Het is het rechte pad, het juiste pad, naar de bestemming: Gods huis. De Herder leidt de gelovige in dat spoor niet vanwege hem, maar “omwille van Zijn Naam”, dat is de Naam van God. Dat wil zeggen dat de eer van God ermee gemoeid is. Het is te vergelijken met de eer van die Salomo van de koningin van Sjeba krijgt door wat zij ziet van de wandel van zijn knechten (1Kn 10:4-54Toen de koningin van Sjeba alle wijsheid van Salomo zag, en het huis dat hij had gebouwd,5het voedsel op zijn tafel, hoe zijn dienaren aanzaten, hoe zijn bedienden klaarstonden, hun kleding, zijn schenkers, zijn brandoffers, die hij bracht in het huis van de HEERE, was zij buiten zichzelf.).

Behalve voor leiding zorgt de Herder ook voor bescherming. Hij weet dat de weg wel eens “door een dal vol schaduw van de dood” voert (vers 44Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.
)
. De weg naar de eeuwige woonplaats bij God kan door gevaarlijk gebied gaan, er kunnen allerlei moeiten en zorgen opdoemen die de schaduw van de dood vooruitwerpen. Er zijn aan alle kanten geestelijke vijanden die het op de gelovige hebben voorzien om hem kwaad te doen.

De schaduw van de dood is de dreiging van de dood. De Herder is het Licht. Wie Hem volgt zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben” (Jh 8:1212Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.). De gelovige die de Herder vol vertrouwen “mijn Herder” noemt, wordt daarom niet angstig door een schaduw. Ook de werkelijkheid van de dood maakt hem niet bang, want de Herder heeft de dood overwonnen door in het stof van de dood te liggen (Ps 22:16c16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
)
. Hij volgt de Herder zonder voor enig kwaad te vrezen.

Dan spreekt de psalmist ineens niet meer over, maar tot de Herder en zegt tegen Hem: “Want U bent bij mij” (vgl. Js 43:22Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn,
door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,
geen vlam zal u aansteken.
; Hb 13:55Laat uw wandel zonder geldzucht zijn en weest tevreden met wat u hebt; want Hijzelf heeft gezegd: ‘Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten’,)
. Hiermee spreekt hij zijn volle vertrouwen in de Herder uit dat Hij altijd bij hem is. Het is goed het niet alleen te weten, maar het ook uit te spreken. Welk gevaar of welke moeite of welke vijand is er sterker dan Hij? Niemand toch? Er is alleen angst als we onze ogen niet op de Heer richten (vgl. Mt 14:29-3029Hij nu zei: Kom! En Petrus klom uit het schip en liep over de wateren en kwam naar Jezus toe.30Toen hij echter de <sterke> wind zag, werd hij bang, en hij begon te zinken en riep de woorden: Heer, behoud mij!; 1Kn 19:1-31Achab vertelde Izebel alles wat Elia had gedaan, en hoe hij allen, [te weten] al de profeten, met het zwaard had gedood.2Toen stuurde Izebel een bode naar Elia om te zeggen: De goden mogen zó en nog erger [met mij] doen, als ik morgen om deze tijd uw leven niet zal maken als het leven van één van hen.3Toen hij [dat] zag, stond hij op en vluchtte voor zijn leven. Hij kwam in Berseba, dat aan Juda toebehoort, en liet zijn knecht daar achter.; 2Kn 6:15-1715De dienaar van de man Gods stond heel vroeg op en ging naar buiten, en zie, een leger met paarden en strijdwagens omringde de stad. Toen zei zijn knecht tegen hem: Ach, mijn heer! Wat moeten wij doen?16Hij zei: Wees niet bevreesd, want die bij ons zijn, zijn méér dan die bij hen zijn.17En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.).

De Herder heeft een stok en een staf bij Zich. De stok is een knuppel waarmee de leeuw en de beer worden verslagen; het stelt het wapen voor waarmee Hij de vijand verjaagt. De staf is het middel waarmee de Herder de gelovige leidt. Het is zowel een heersersstaf als een staf om op te steunen, een staf tot ondersteuning in de wandel, zoals iemand op een staf leunt. De Herder gebruikt de staf onder andere om een dwaalzieke of eigenwillige gelovige te tuchtigen om hem in het spoor van de gerechtigheid te houden of weer terug te brengen.

Van beide middelen, waarvan het gebruik van de staf de gelovige soms pijn bezorgt, zegt hij dat ze hem vertroosten. De vertroosting is dat hij door deze middelen de zorg van de Herder ervaart, Die hem wil bewaren in gemeenschap met God.


De HEERE is mijn Gastheer

5U maakt voor mij de tafel gereed
voor [de ogen van] mijn tegenstanders;
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
6Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.

Vanaf vers 55U maakt voor mij de tafel gereed
voor [de ogen van] mijn tegenstanders;
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
gaat het niet meer om het beeld van een herder, maar van een Gastheer Die uitnodigt, in dit geval ter gelegenheid van het aanstellen van een Koning. Dit blijkt uit vers 66Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.
, waar David zegt: “Ik zal in het huis van de HEERE verblijven tot in lengte van dagen.”

De gelovige die zo achter de Herder aangaat, door beproeving en tucht heen, ziet dat de Herder een tafel voor hem gereed heeft gemaakt (vers 55U maakt voor mij de tafel gereed
voor [de ogen van] mijn tegenstanders;
U zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
)
. De tafel is hier een altaar waarop het vredeoffer wordt gebracht. In het Oude Testament wordt een feestmaal met dank- of vredeoffers gebracht ter gelegenheid van de aanstelling van een koning (1Sm 11:1515Toen ging heel het volk naar Gilgal en stelde Saul daar in Gilgal aan tot koning, voor het aangezicht van de HEERE; en zij brachten daar dankoffers voor het aangezicht van de HEERE. En Saul verheugde zich daar buitengewoon, met al de mannen van Israël.; vgl. Js 25:66De HEERE van de legermachten zal
op deze berg voor alle volken
een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten,
een feestmaal met gerijpte wijnen,
met uitgelezen gerechten vol merg,
met gezuiverde gerijpte wijnen.
)
. De gasten zijn de ootmoedigen van Psalm 22 (Ps 22:2727De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden;
wie de HEERE zoeken, zullen Hem loven.
Uw hart zal voor eeuwig leven.
)
.

De tegenstanders, die uit waren op zijn verderf, zien het knarsetandend aan. Het is de enige opmerking in deze psalm over de vijanden van de gelovige. Ze kunnen niets tegen hem doen, zoals bijvoorbeeld bij de kroning van Salomo (1Kn 1:41-5341Adonia hoorde het, en al de genodigden die bij hem waren, toen zij klaar waren met eten. Ook Joab hoorde het geluid van de bazuin en zei: Waarom is de stad in rep en roer?42Terwijl hij nog sprak, zie, daar kwam Jonathan, de zoon van de priester Abjathar, en Adonia zei: Kom binnen, want u bent een strijdbare man, en zult iets goeds te boodschappen hebben.43Maar Jonathan antwoordde en zei tegen Adonia: Integendeel, onze heer, koning David, heeft Salomo koning gemaakt.44En de koning heeft de priester Zadok met hem meegestuurd, [en ook] de profeet Nathan, Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi. Zij hebben hem op het muildier van de koning laten rijden.45En de priester Zadok en de profeet Nathan hebben hem in Gihon tot koning gezalfd, en vandaar zijn zij blij [de stad weer binnen]getrokken, zodat de stad in rep en roer is. Dat is het geluid dat u gehoord hebt.46Ook is Salomo op de troon van het koninkrijk gaan zitten.47En bovendien zijn de dienaren van de koning onze heer, koning David, komen gelukwensen, door te zeggen: Uw God moge de naam van Salomo beter maken dan uw naam, en zijn troon groter maken dan uw troon; vervolgens heeft de koning zich neergebogen op [zijn] slaapplaats.48Ook heeft de koning als volgt gezegd: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die heden iemand geeft die op mijn troon zit, terwijl mijn ogen het zien!49Toen beefden alle genodigden die bij Adonia waren en stonden op. Eenieder ging zijns weegs.50Maar Adonia was bevreesd voor Salomo. Hij stond op en ging weg, en greep de horens van het altaar vast.51Aan Salomo werd bekendgemaakt: Zie, Adonia is bevreesd voor koning Salomo, want zie, hij heeft de horens van het altaar vastgegrepen en gezegd: Laat koning Salomo mij heden zweren dat hij zijn dienaar niet met het zwaard zal doden.52Salomo zei: Als hij zich een betrouwbaar man betoont, zal hem geen haar gekrenkt worden, maar als er kwaad in hem aangetroffen wordt, zal hij sterven.53Vervolgens stuurde koning Salomo er [een bode] heen, en zij lieten hem van bij het altaar naar beneden komen. Hij kwam en boog zich voor koning Salomo neer. En Salomo zei tegen hem: Ga naar je huis.). De Herder is immers bij hem. In Hem is hij meer dan overwinnaar, waardoor hij weet dat niets hem kan scheiden van de liefde van Christus en de liefde van God (Rm 8:35-3935Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of zwaard? –36zoals geschreven staat: ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. –37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.38Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch machten,39noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer.).

De gelovige spreekt verder over wat de Herder met hem doet. De Herder zalft zijn hoofd rijkelijk met olie. Het zalven met olie is een eerbetoon aan een gast (Lk 7:4646Met olie hebt u Mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met balsem Mijn voeten gezalfd.; vgl. Mt 26:77kwam bij Hem een vrouw met een albasten fles met zeer kostbare balsem en goot die uit op Zijn hoofd, terwijl Hij aanlag.). Het zegt dat de gelovige waardevol voor de Herder is. Ook geeft de Herder hem een beker die zo boordevol is, dat hij overvloeit (vgl. Ps 116:1313Ik zal de beker van het heil heffen
en de Naam van de HEERE aanroepen.
)
. Dit spreekt van de overstromende zegen die de Herder geeft. Zijn zorg is zo rijkelijk en overvloeiend.

In vers 66Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen
al de dagen van mijn leven.
Ik zal in het huis van de HEERE blijven
tot in lengte van dagen.
spreekt de gelovige de zekerheid uit dat hem tijdens al de dagen van zijn leven alleen maar goedheid en goedertierenheid zullen volgen. Ze zullen er constant zijn (vgl. 1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)). Het betreft het leven op aarde. God toont Zijn goedheid in Zijn overvloedige zorg. Zijn goedertierenheid laat Hij zien in Zijn beloften de Zijnen te zegenen.

David ofwel de gelovige spreekt zijn diepe vertrouwen in Gods trouw uit. In plaats van te worden vervolgd door vijanden die zijn verderf zoeken, wordt hij ‘achtervolgd’ door Gods goedheid en goedertierenheid. Hier volgt hij niet de Herder, maar volgt de Herder hem met Zijn liefdevolle zorg door het leven. Gods welwillendheid zal onze levenslange metgezel zijn.

De psalm besluit met de zekerheid die iedere gelovige met grote vreugde uitspreekt: “Ik zal in het huis van de HEERE blijven tot in lengte van dagen.” Dit is het diepste verlangen van iedere gelovige. Hij wil daar zijn, waar God woont (Ps 26:88HEERE, ik heb lief het huis waar U woont
en de tabernakel, de [woon]plaats van Uw eer.
; 27:44Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
)
. Voor de christen is dat uiteindelijk het Vaderhuis (Jh 14:22In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, <want> Ik ga heen om u plaats te bereiden.). Voor de oudtestamentische gelovige is dat het vrederijk, waar hij in de sfeer van de tempel mag leven.


Lees verder