Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-6 Waarom hebt U Mij verlaten? 7-11 Bespot en uitgedaagd 12-19 De nood 20-22 Roep om verlossing 23-28 Verhoord en lofgezang 29-32 Het Messiaanse rijk
Inleiding

Met deze psalm begint een serie van drie psalmen waarin we de Heer Jezus als Herder zien:
1. Psalm 22 spreekt over “de goede Herder”, Die Zijn leven voor Zijn schapen geeft (Jh 10:1111Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;).
2. Psalm 23 spreekt over “de grote Herder”, Die door God is teruggebracht uit de doden (Hb 13:20-2120De God nu van de vrede, Die uit [de] doden heeft teruggebracht de grote Herder van de schapen, onze Heer Jezus, door [het] bloed van [het] eeuwig verbond,21moge u volmaken in al [het] goede tot het doen van Zijn wil, terwijl Hij in ons doet wat voor Hem welbehaaglijk is door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid tot in <alle> eeuwigheid. Amen.) en Die de Zijnen leidt, voedt en beschermt.
3. Psalm 24 spreekt over “de overste Herder”, Die in macht zal verschijnen en allen zal belonen die een dienst als herder onder Zijn volk hebben gedaan (1Pt 5:44En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.).

We zien de volgende aspecten in Psalm 22 – Psalm 23 – Psalm 24:
Verleden – heden –toekomst.
Heiland – Herder – Heerster.
Kruis – Staf – Kroon.
Golgotha – vallei van grazige weiden – Sion.
De eis van Gods heiligheid – de nood van de Zijnen – de heerlijkheid de Zoon.

Psalm 22 is onmiskenbaar een Messiaanse psalm, wat blijkt uit de aanhaling van deze psalm in Hebreeën 2 (Ps 22:2323Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
; Hb 2:1212‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.)
. Het hele boek Psalmen verwijst naar Hem (Lk 24:4444Hij nu zei tot hen: Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog bij u was, dat alles moest worden vervuld wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en in de profeten en psalmen.), waarbij de Messiaanse psalmen die overduidelijk doen. Hoewel hij is gedicht door David, gaat hij niet over David, maar over Christus. David spreekt als profeet over Hem (vgl. Hd 2:29-3029Mannen broeders, het is geoorloofd met vrijmoedigheid tot u te spreken over de aartsvader David, dat hij én gestorven én begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.30Daar hij dan een profeet was en wist, dat God hem met een eed had gezworen [Eén] uit [de] vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten,).

Het gaat in deze psalm over de kruisdood van de Heiland. We vinden hier een uitwerking van we al in Psalm 20 hebben gelezen over “de dag van de benauwdheid” van de Messias (Ps 20:22Moge de HEERE u verhoren in de dag van benauwdheid,
de Naam van de God van Jakob u in een veilige vesting zetten.
)
. We horen Hem spreken over Zijn innerlijke gevoelens wat er in Zijn binnenste is omgegaan tijdens de uren dat Hij aan het kruis hing. In de evangeliën lezen we vooral over Zijn zichtbare lijden.

Enkele kenmerken die in de psalm worden genoemd, tonen aan dat we niet in de eerste plaats de ervaringen van David horen, maar die van de Heer Jezus. Als we in vers 1717Want honden hebben mij omsingeld,
een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven;
zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.
lezen zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord”, is dat niet iets wat David heeft meegemaakt. Dit heeft men gedaan bij de Heer Jezus toen Hij werd gekruisigd. De dood door kruisiging bestond nog niet toen David dit schreef, ca. 1100 v.Chr. Ook de ontwrichting van de beenderen wijst op de kruisiging (vers 1515Als water ben ik uitgestort,
ontwricht zijn al mijn beenderen;
mijn hart is als was,
het is gesmolten diep in mijn binnenste.
)
, evenals het tellen van de beenderen, wat kon gebeuren omdat de gekruisigde (grotendeels) werd ontkleed, terwijl zijn lichaam uitgedroogd was (verzen 18-1918Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen;
en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij.
19Zij verdelen mijn kleding onder elkaar
en werpen het lot om mijn gewaad.
)
.

De psalm is in twee hoofddelen te verdelen.
1. Het eerste deel (verzen 1-22a1Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De hinde van de dageraad’.2Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
[bent U] ver van mijn verlossing, [van] de woorden van mijn jammerklacht?
3Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.
4Maar U bent heilig,
U troont [op] de lofzangen van Israël.
5Op U hebben onze vaderen vertrouwd,
zij hebben vertrouwd en U hebt hen bevrijd.
6Tot U hebben zij geroepen en zij zijn gered,
op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd.7Maar ik ben een worm en geen man,
een smaad van mensen en veracht door het volk.
8Allen die mij zien, bespotten mij;
zij trekken de lippen op, zij schudden het hoofd [en zeggen]:
9Hij heeft [zijn zaak] op de HEERE gewenteld – laat Die hem bevrijden!
Laat Die hem redden, als Hij hem genegen is.
10U bent het toch Die mij uit de buik hebt getrokken,
Die mij vertrouwen gaf, toen ik aan mijn moeders borst lag.
11Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af,
vanaf de moederschoot bent U mijn God.12Blijf [dan] niet ver van mij, want de nood is nabij;
er is immers geen helper.
13Vele stieren hebben mij omringd,
sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld.
14Zij hebben hun muil tegen mij opengesperd
[als] een verscheurende en brullende leeuw.
15Als water ben ik uitgestort,
ontwricht zijn al mijn beenderen;
mijn hart is als was,
het is gesmolten diep in mijn binnenste.
16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
17Want honden hebben mij omsingeld,
een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven;
zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.
18Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen;
en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij.
19Zij verdelen mijn kleding onder elkaar
en werpen het lot om mijn gewaad.20Maar U, HEERE, blijf niet ver weg;
mijn sterkte, kom mij spoedig te hulp.
21Red mijn ziel van het zwaard,
mijn eenzame [ziel] van het geweld van de hond.
22Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
[Ja,] U hebt mij verhoord.
)
gaat over “het lijden dat over Christus [zou komen]”.
2. Het tweede deel (verzen 22b-3222Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
[Ja,] U hebt mij verhoord.23Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
24U die de HEERE vreest, loof Hem;
alle nakomelingen van Jakob, vereer Hem;
wees bevreesd voor Hem, alle nakomelingen van Israël.
25Want Hij heeft de ellendige in zijn ellende
niet veracht en niet verafschuwd;
Hij heeft Zijn aangezicht niet voor hem verborgen,
maar Hij heeft gehoord, toen hij tot Hem riep.
26Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente,
mijn geloften zal ik nakomen in bijzijn van wie Hem vrezen.
27De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden;
wie de HEERE zoeken, zullen Hem loven.
Uw hart zal voor eeuwig leven.
28Alle einden der aarde
zullen eraan denken en zich tot de HEERE bekeren:
alle geslachten van de heidenvolken
zullen zich voor Uw aangezicht neerbuigen.29Want het koningschap is van de HEERE,
Hij heerst over de heidenvolken.
30Alle groten der aarde
zullen eten en zich neerbuigen.
Allen die in het stof neerdalen
en hun ziel niet in het leven kunnen behouden,
zullen voor Zijn aangezicht neerbukken.
31Het nageslacht zal Hem dienen,
en aan de Heere toegeschreven worden tot in generaties.
32Zij zullen komen en Zijn gerechtigheid verkondigen
aan het volk dat geboren zal worden,
want Hij heeft het gedaan.
)
gaat over “de heerlijkheden daarna” (1Pt 1:1111terwijl zij navorsten welke of wat voor tijd de Geest van Christus Die in hen was, aanduidde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat over Christus [zou komen] en van de heerlijkheden daarna.).
De Heer Jezus spreekt over deze twee aspecten als Hij de Emmaüsgangers uitlegt wat in al de Schriften van Hem geschreven staat: “Moest de Christus dit niet lijden, en [zo] in Zijn heerlijkheid binnengaan?” (Lk 24:26-2726Moest de Christus dit niet lijden, en [zo] in Zijn heerlijkheid binnengaan?27En te beginnen met Mozes en alle profeten legde Hij hun uit wat in al de Schriften over Hem stond.). De psalm verandert van een klaagzang in een lofzang.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De hinde van de dageraad’.

Deze psalm is “een psalm van David”. Zie bij Psalm 3:1.

De gevoelens die David in deze psalm uit, zijn het gevolg van een zware beproeving, waarover we verder niets weten. Toch is er geen gebeurtenis in deze psalm die kan beantwoorden aan concrete ervaringen uit zijn leven. Wat hij zegt, overstijgt zijn gevoelens en ervaringen. De Heilige Geest heeft hem zo geleid, dat hij hier profetisch de gevoelens van de Heer Jezus aan het kruis beschrijft.

De psalm is “voor de koorleider”, iemand die het koor leidt, de dirigent, bij het zingen van de psalm. Zie bij Psalm 4:1. Ook hier geldt dat het bij deze psalm niet gaat over gevoelens waarmee een gelovige zich kan identificeren en zijn eigen gevoelens tot uitdrukking kan brengen vanwege soortgelijke ervaringen. Het samen zingen van deze psalm gebeurt om het lijden van de Messias te bezingen en uiting te geven aan een diepe bewondering voor Hem. Het is een uiting van gevoelens die door de psalm worden opgewekt, niet van gevoelens van opgedane eigen ervaringen.

Zeker kan iemand zich nameloos ellendig en zelfs door God verlaten voelen. Dit zal ook het gevoelen van het gelovig overblijfsel tijdens de grote verdrukking zijn. Veel psalmen spreken over het lijden van de Heiland op een manier die ook het lijden van het overblijfsel weergeeft. Daarin ligt een troost voor de gelovige. Maar in deze psalm wordt het lijden verbonden met het verzoeningswerk van de Heiland en daarin is Hij alleen.

Het zingen van de psalm gebeurt “op ‘De hinde van de dageraad’”. Terwijl de psalm de diepe duisternis van het unieke lijden van de Heiland aan het kruis beschrijft, vinden we in het opschrift ook al de lieflijkheid van de hinde terwijl de dageraad van de overwinning gloort. De Hebreeuwse uitdrukking Ajjeleth Hasschachar betekent ‘het begin van de dageraad’. De eerste stralen van het zonlicht, de dageraad, lijken op de horens van de hinde. Het is hier een aanduiding voor het begin van de verlossing.

Het is een somber lied, maar niet zonder hoop. Deze psalm geeft het antwoord op het mysterie waarom God na de lange nacht van zonde en lijden een nieuwe dag – de dageraad – laat aanbreken: het is omdat de Heer Jezus aan het kruis tot zonde is gemaakt.


Waarom hebt U Mij verlaten?

2Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
[bent U] ver van mijn verlossing, [van] de woorden van mijn jammerklacht?
3Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.
4Maar U bent heilig,
U troont [op] de lofzangen van Israël.
5Op U hebben onze vaderen vertrouwd,
zij hebben vertrouwd en U hebt hen bevrijd.
6Tot U hebben zij geroepen en zij zijn gered,
op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd.

De psalm begint in vers 22Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
[bent U] ver van mijn verlossing, [van] de woorden van mijn jammerklacht?
op het diepst mogelijke punt met een uitroep die als het ware ook een samenvatting is van alle gevoelens die verder worden geuit. De Heer Jezus heeft de woorden “Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten” uitgeroepen aan het einde van de drie uren van duisternis, nadat Hij de beker van Gods toorn over de zonde volledig had leeggedronken (Mt 27:45-4645Van [het] zesde uur af nu kwam er duisternis over het hele land tot [het] negende uur toe.46Omstreeks het negende uur nu riep Jezus met luider stem de woorden: Eli, Eli, lemá sabachtháni? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?; Mk 15:33-3433En toen [het] zesde uur was gekomen, kwam er duisternis over het hele land tot [het] negende uur toe.34En op het negende uur riep Jezus met luider stem: Eloï, Eloï, lemá sabachtháni? – dat is vertaald: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?). Dit heeft nooit een mens en zeker geen gelovige ooit beleefd, ook David niet.

Christus roept tot God, Die Hij aanspreekt als “Mijn God”. Hij doet het in dit vers twee keer achter elkaar, wat de intensiteit van Zijn roep vergroot. Hij is de enige Mens Die in volle waarheid God ‘Mijn God’ kan noemen. Dit is zo geweest gedurende Zijn hele leven, vanaf de moederschoot (vers 1111Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af,
vanaf de moederschoot bent U mijn God.
)
, tot en met de eerste drie uren op het kruis. Hij is altijd in gemeenschap met God Zijn weg gegaan. Er is nooit een wanklank in die gemeenschap geweest.

En die God, met Wie Hij in een zo nauwe gemeenschap heeft geleefd, heeft Hem verlaten. Hij stelde Zijn vraag naar het ‘waarom’ niet omdat Hij dat niet wist. Hij wist als geen ander dat God geen gemeenschap met de zonde kan hebben. God moest Hem verlaten omdat Hij Hem tot zonde maakte (2Ko 5:2121Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.).

Christus was in deze drie uren van verlatenheid het ware zondoffer. Het zwaard van Gods oordeel was ontwaakt tegen Zijn Herder, Zijn Metgezel, met Wie Hij volmaakte gemeenschap had in Zijn leven op aarde (Zc 13:77Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder
en tegen de Man Die Mijn Metgezel is,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Sla die Herder
en de schapen zullen overal verspreid worden.
[Maar] Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.
)
. Het voor ons onbevattelijke gebeurde in die drie uren: Het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen (Js 53:1010Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft [Hem] ziek gemaakt.
Als Zijn ziel Zich [tot] een schuldoffer gesteld zal hebben,
zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen;
het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn.
)
. Dit gebeurde als straf over de zonde, niet Zijn eigen zonde, maar plaatsvervangend voor de zonde van anderen die Zijn offer hebben aangenomen.

Mensen in de hel zullen nooit kunnen vragen ‘waarom’ God hen heeft verlaten, want zij hebben nooit gemeenschap met God gehad. Zij weten ook waarom zij daar zijn. De Rechtvaardige vraagt ‘waarom’ God Hem had verlaten, opdat ieder die Hem kent als het ware zondoffer, het antwoord zou geven: ‘Het is om mij.’ Christus wist het, maar de vraag moet ons aanspreken.

Het is van belang eraan te denken dat de Heer Jezus als Mens door Zijn God werd verlaten. Als de eeuwige Zoon is Hij niet door Zijn Vader verlaten. Negens lezen we in Gods Woord dat de Vader Hem heeft verlaten. We lezen integendeel dat de Vader met Hem was (Jh 8:2929En Hij Die Mij heeft gezonden, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem welbehaaglijk is.; 16:3232Zie, er komt een uur en het is gekomen, dat u verstrooid zult worden, ieder naar het zijne, en u Mij alleen zult laten; en [toch] ben Ik niet alleen, omdat de Vader met Mij is.; vgl. Gn 22:6,86Daarop nam Abraham het hout voor het brandoffer en legde dat op zijn zoon Izak. Hijzelf nam het vuur en het mes in zijn hand. Zo gingen zij beiden samen verder.8Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon. Zo gingen zij beiden samen verder.). Nooit kan de eeuwige Zoon door de eeuwige Vader verlaten worden. Ook in de drie uren van duisternis, toen God Zijn Zoon als in het vlees gekomen, dat is de Mens Christus, verliet, had de eeuwige Zoon volmaakte gemeenschap met de eeuwige Vader. We hebben hier met een geheimenis te doen dat wij niet kunnen begrijpen, maar dat door het geloof wordt aanvaard en bewonderd.

Dat het gaat om de Heer Jezus als Mens, zien we ook aan de zeven kruiswoorden die Hij heeft gesproken. Het eerste en het laatste kruiswoord leidt Hij in met ‘Vader’. Hier, in Psalm 22, staat het vierde kruiswoord, het middelste van de zeven. Daarin spreekt Hij niet tot Zijn Vader, maar tot Zijn God.

Het is een bijzondere uitroep. Dit vers wordt hier in het Hebreeuws door David uitgesproken. In de aanhaling in Mattheüs en Markus staat het in het Aramees, met daarbij de vertaling in het Grieks (Mt 27:4646Omstreeks het negende uur nu riep Jezus met luider stem de woorden: Eli, Eli, lemá sabachtháni? Dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?; Mk 15:3434En op het negende uur riep Jezus met luider stem: Eloï, Eloï, lemá sabachtháni? – dat is vertaald: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?). Dit wil zeggen dat dit vers in alle drie talen die gebruikt zijn voor het schrijven van de Bijbel, in de Bijbel voorkomt. Dit is het enige vers in de Bijbel waarmee dit is gebeurd. Het onderstreept het belang van deze uitroep. Ook dat deze psalm ermee begint, maakt het belang duidelijk.

Na Zijn vraag waarom God Hem heeft verlaten, stelt Hij een tweede vraag. Die vraag is waarom God ver van Zijn verlossing is. Dat God “ver” van Zijn “verlossing” was, betekende voor de Heer een peilloos diep lijden. Als er altijd een nauwe gemeenschap met iemand is, wordt het direct gevoeld als er enige verwijdering in die gemeenschap ontstaat. Tussen de Heer Jezus en Zijn God was niet slechts enige verwijdering gekomen, maar een diepe breuk waardoor de afstand ver en onoverbrugbaar was geworden. De woorden van Zijn jammerklacht klinken als het brullen van een leeuw. Deze, de uitingen van iemand die in diepe nood en diep lijden is, werden door de onoverbrugbare afstand niet gehoord. Er was geen hand om te verlossen en geen oor om te horen.

De Heer Jezus heeft “overdag” geroepen, maar God antwoordde niet (vers 33Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.
)
. Hij heeft “’s nachts” geroepen, maar Hij kwam niet tot stilte. Hij bleef roepen. Hij zei dit tijdens Zijn lijden aan het kruis. We kunnen bij ‘overdag’ denken aan de eerste drie uren aan het kruis, dat is van 9-12 uur, en bij ’s nachts’ aan de drie uren van duisternis aan het kruis, dat is van 12-15 uur. In deze uren aan het kruis wordt een eeuwigheid samengebald.

Ondanks het feit dat God ver van de Heer was en Hem niet verloste en niet hoorde, was er bij de Heer geen enkele twijfel over de heiligheid van God (vers 44Maar U bent heilig,
U troont [op] de lofzangen van Israël.
)
. Hij bevestigde die juist. Hij rechtvaardigde God in Zijn verlaten van Hem juist omdat God heilig is en daarom niets met Hem, Die Hij tot zonde heeft gemaakt, te doen kon hebben.

God troonde, dat wil zeggen vestigde Zijn regering, op de lofzangen van Israël. De lofzangen van Israël werden in de tempel gezongen, in de voorhof bij het altaar. De lofzangen kwamen uit de mond van hen die Hem prijzen voor Wie Hij voor Zijn volk is. Zij waren op de plaats waar Hij met hen gemeenschap had. De Heer Jezus was buiten de stad, buiten het heiligdom waar Hij tot zonde werd gemaakt.

De Heer herinnert God drie keer aan het vertrouwen dat de vaderen op Hem hadden en dat zij door Hem werden bevrijd (vers 55Op U hebben onze vaderen vertrouwd,
zij hebben vertrouwd en U hebt hen bevrijd.
)
. Dat bewijst dat God altijd trouw is geweest en altijd in staat is geweest om te bevrijden! Nooit had iemand tevergeefs een beroep op de trouw en de hulp van God gedaan, ook David niet (Ps 9:1010De HEERE is een veilige vesting voor de verdrukte,
een veilige vesting in tijden van benauwdheid.
)
. God stelt nooit iemand teleur die in oprechtheid een beroep op Hem doet.

Bij de vaderen – en ook bij ons – betekent het van God verlaten zijn alleen dat wij in de nood van het lijden en vervolging geen uitzicht hebben op verlossing, waardoor wij ons door God verlaten voelen. We roepen desondanks tot God, en God op Zijn tijd en Zijn wijze, verhoort altijd zulk roepen om hulp. Een gelovige zal altijd de nabijheid van God te midden van het lijden kunnen ervaren. Zo niet bij de Heer Jezus.

Wat de Heer Jezus ervoer, was uniek. De Heer heeft altijd opgeroepen om op God te vertrouwen en heeft dat Zelf ook altijd gedaan. En nu werd Hij Zelf verlaten. Dat was omdat Hij in die uren het voorwerp van de toorn van God was, vanwege het feit dat God Hem tot zonde had gemaakt. Daarom kon God Zijn roep om hulp toen niet beantwoorden.

Met deze verzen, die gaan over de drie uren duisternis waarin de Heer Jezus tot zonde werd gemaakt en Hem niet verlost van Zijn vijanden, begint de psalm. De gevoelens van het lijden dat Hem door mensen is aangedaan, volgt hierna, hoewel dat feitelijk aan het lijden dat Hem door God is aangedaan vooraf is gegaan.


Bespot en uitgedaagd

7Maar ik ben een worm en geen man,
een smaad van mensen en veracht door het volk.
8Allen die mij zien, bespotten mij;
zij trekken de lippen op, zij schudden het hoofd [en zeggen]:
9Hij heeft [zijn zaak] op de HEERE gewenteld – laat Die hem bevrijden!
Laat Die hem redden, als Hij hem genegen is.
10U bent het toch Die mij uit de buik hebt getrokken,
Die mij vertrouwen gaf, toen ik aan mijn moeders borst lag.
11Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af,
vanaf de moederschoot bent U mijn God.

In Zijn klacht vergelijkt de Heer Jezus Zich met een worm (vers 77Maar ik ben een worm en geen man,
een smaad van mensen en veracht door het volk.
; vgl. Jb 25:66Hoeveel te minder een sterveling, [die] een made is,
en een mensenkind, [dat] een worm is!
; Js 41:1414Wees niet bevreesd, wormpje Jakob,
volkje Israël,
Ík help u, spreekt de HEERE,
uw Verlosser is de Heilige van Israël.
)
. Hij voelt Zich “geen man”, iemand waar men niet naar omkijkt. Er is niets in Hem waardoor Hij op enig respect als Mens zou kunnen rekenen. Daarbij is een worm de diepste uitdrukking van weerloosheid. Een worm heeft geen benen om te vluchten, geen tanden of horens om Zich mee te verdedigen. Hij heeft ook geen dikke huid of stekels als bescherming.

Opmerkelijk is ook dat het Hebreeuwse woord voor worm verwant is aan karmozijn, de bloedrode kleur, die van deze worm wordt gemaakt. Om deze kleurstof te krijgen en om de jonge larven te voeden en in leven te houden moet de moeder karmozijn worm (een soort schildluis) sterven. Het doet denken aan het bloed voor de verzoening dat Hij heeft gestort.

De Heer Jezus werd aan het kruis bespot, veracht en uitgejouwd vanwege Zijn vertrouwen op God (verzen 8-98Allen die mij zien, bespotten mij;
zij trekken de lippen op, zij schudden het hoofd [en zeggen]:
9Hij heeft [zijn zaak] op de HEERE gewenteld – laat Die hem bevrijden!
Laat Die hem redden, als Hij hem genegen is.
)
. Hij werd veracht door het volk, Zijn volk. Wat Hij hier zegt, vinden we terug in het verslag dat van Zijn kruisiging in de evangeliën wordt gedaan (Mt 27:39,4339De voorbijgangers nu lasterden Hem, terwijl zij hun hoofden schudden43Hij vertrouwt op God – laat Hij <Hem> nu redden als Hij behagen in Hem heeft! Want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.; Lk 23:3535En het volk stond toe te zien. Ook de oversten beschimpten Hem en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, laat Hij Zichzelf verlossen als Deze de Christus van God is, de Uitverkorene.). Aan de bespotting is door woorden en gebaren uiting gegeven. In de eerste helft van de psalm horen wij slechts het vergeefse geroep van de Rechtvaardige, de hoon en spot van de boze mensen, terwijl God zwijgt. In de tweede helft horen wij lofzangen.

De evangeliën tonen aan dat de Joden goed hebben begrepen waar de Heer altijd op heeft gewezen en wat Hijzelf altijd heeft gedaan. Hij heeft er altijd op gewezen dat ze op God moesten vertrouwen, of, zoals het hier is vertaald, hun zaak op God moesten wentelen. Dat heeft Hij ook in Zijn eigen leven laten zien. Dit gebruikten de omstanders bij het kruis nu tegen Hem, wat Zijn lijden zoveel zwaarder maakte. God leek te staan aan de zijde van de zondige mens. De Heer herhaalde de spotwoorden. Hij deed dat niet om God daarover verwijten te maken, maar als bevestiging dat het waar is, ondanks de schijn die Hij tegen Zich had.

In de verzen 10-1110U bent het toch Die mij uit de buik hebt getrokken,
Die mij vertrouwen gaf, toen ik aan mijn moeders borst lag.
11Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af,
vanaf de moederschoot bent U mijn God.
wendt de Heer Zich van Zijn spotters af en richt Zich tot Zijn God. Hij spreekt over Zijn vroegste Kindheid en over Maria. Vanaf Zijn prilste bestaan als Mens was Hij op God “geworpen”, Hij was volledig afhankelijk van Hem, van Zijn zorg en bescherming. Direct na Zijn geboorte werden er al pogingen gedaan om Hem om te brengen. Ook de armoedige omstandigheden waarin Hij opgroeide, versterkte deze positie van afhankelijkheid. Al die zorg en bescherming, die Hij steeds had genoten, was volledig verdwenen.

Hij noemt God “vanaf de moederschoot … Mijn God”. Hiermee zegt de Heer Jezus dat Hij vanaf Zijn geboorte op aarde een relatie met God heeft gehad en dat er om deze reden geen reden was om Hem te verlaten.

Tevens zien we hier dat Hij God pas ‘Mijn God’ noemt vanaf het ogenblik dat Hij Mens is geworden. Eerder was dat ook niet zo. Voordat Hij Mens werd, was Hij Zelf God (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.), wat Hij uiteraard ook bleef toen Hij Mens was geworden. Maar sinds Hij Mens is geworden, heeft Hij als Mens een positie van onderdanigheid ten opzichte van God ingenomen. Als we lezen dat God het Hoofd is van Christus, is dat van Christus als Mens (1Ko 11:33Maar ik wil dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man [het] hoofd van [de] vrouw, en God [het] Hoofd van Christus.).

Hij lag aan de borst van Zijn moeder, een plaats die in vers 1010U bent het toch Die mij uit de buik hebt getrokken,
Die mij vertrouwen gaf, toen ik aan mijn moeders borst lag.
wordt aangemerkt als een plaats van vertrouwen. Deze plaats is van groot belang voor een kind vanaf zijn prilste bestaan. De borst geven is niet alleen van belang voor de voeding, maar ook, zoals hier blijkt, voor het geven van het gevoel van geborgenheid, vertrouwen en aanvaarding.


De nood

12Blijf [dan] niet ver van mij, want de nood is nabij;
er is immers geen helper.
13Vele stieren hebben mij omringd,
sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld.
14Zij hebben hun muil tegen mij opengesperd
[als] een verscheurende en brullende leeuw.
15Als water ben ik uitgestort,
ontwricht zijn al mijn beenderen;
mijn hart is als was,
het is gesmolten diep in mijn binnenste.
16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
17Want honden hebben mij omsingeld,
een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven;
zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.
18Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen;
en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij.
19Zij verdelen mijn kleding onder elkaar
en werpen het lot om mijn gewaad.

In deze verzen horen we uitingen van de nood van de Heer. Hij bevond Zich daarin omdat God Hem had verlaten, hoewel daarvoor volgens de verzen 10-1110U bent het toch Die mij uit de buik hebt getrokken,
Die mij vertrouwen gaf, toen ik aan mijn moeders borst lag.
11Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af,
vanaf de moederschoot bent U mijn God.
geen reden voor was. In plaats van in de tegenwoordigheid van Zijn God te zijn, was God ver van Hem, want Hij had Hem verlaten (vers 1212Blijf [dan] niet ver van mij, want de nood is nabij;
er is immers geen helper.
; vgl. vers 22Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
[bent U] ver van mijn verlossing, [van] de woorden van mijn jammerklacht?
)
. Daartegenover is de nood nabij, de nood van de dood, het gescheiden zijn van God.

Hij is helemaal alleen in het lijden, zonder uitzicht, “er is immers geen helper”. Deze eenzaamheid is voor ons niet te peilen. Wij weten niet wat de enorme tegenstelling is tussen volmaakte, ongestoorde, ononderbroken gemeenschap met God en van God verlaten zijn, geen gemeenschap met God, en in plaats daarvan de slagen van Gods zwaard te moeten ondergaan.

Daarbij is Hij omringd door “vele stieren” (vers 1313Vele stieren hebben mij omringd,
sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld.
)
. Stieren zijn reine dieren en kunnen we zien als een beeld van de Joden, die zichzelf als rein beschouwden (vgl. Jh 18:2828Zij dan leidden Jezus van Kajafas naar het pretorium; en het was ‘s morgens vroeg. En zij gingen niet in het pretorium, opdat zij niet zouden worden verontreinigd maar het Pascha zouden eten.). Van deze dieren wordt nog gezegd dat ze “sterke stieren van Basan” zijn. Basan was een zeer vruchtbaar gebied. De Joden worden hier vergeleken met doorvoede, gevoelloze dieren. De welvarende, aanzienlijke godsdienstige leiders hebben Hem verworpen. Ze beriepen zich erop Gods volk te zijn, maar waren als deze dieren, die ook geen verbinding hebben met God.

Dan horen we de klacht uit Zijn mond dat zij “hun muil” in vijandschap tegen Hem hadden “opengesperd [als] een verscheurende en brullende leeuw” (vers 1414Zij hebben hun muil tegen mij opengesperd
[als] een verscheurende en brullende leeuw.
)
. Dit betekent dat ze het karakter vertoonden van hun vader, de duivel (Jh 8:4444U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.), die rondgaat “als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden” (1Pt 5:88Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, [de] duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden.). Satan stond achter de mensen die als stieren worden beschreven.

In vers 1515Als water ben ik uitgestort,
ontwricht zijn al mijn beenderen;
mijn hart is als was,
het is gesmolten diep in mijn binnenste.
gaat de lijdende Messias over Zichzelf spreken. Hij voelt hoe Zijn leven is weggevloeid. Hij vergelijkt Zich met water en Zijn hart met was. Water en gesmolten was zijn zonder vorm en hebben geen enkele kracht en bieden geen enkele steun. Het zijn beelden van angst en de dood (Ez 7:1717Alle handen zullen slap worden,
en water loopt [langs] alle knieën.
; 1Sm 7:66Zij kwamen in Mizpa bijeen, schepten water en goten het uit voor het aangezicht van de HEERE. Zij vastten op die dag en zeiden daar: Wij hebben tegen de HEERE gezondigd. Zo gaf Samuel leiding aan de Israëlieten in Mizpa.; 2Sm 14:1414Wij zullen immers zeker sterven en als water zijn dat op de aarde wordt uitgegoten [en] dat niet [meer] verzameld kan worden. God neemt het leven echter niet weg, maar denkt plannen uit zodat de verstotene niet van Hem verstoten blijft.)
. Vijanden worden als was door de toorn van God (Ps 68:33U verdrijft [hen], zoals rook verdreven wordt;
zoals was smelt voor vuur
komen de goddelozen om voor Gods aangezicht.
)
. Dat is hier ook de gedachte, want de Heer Jezus was in de hitte van Gods toorn. Was smelt in de hitte (vgl. Jz 2:1111Toen wij [dat] hoorden, smolt ons hart weg [van angst], en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.). Het is opnieuw duidelijk dat we boven David uit de Heer Jezus horen.

Zijn kracht was door verdroging aan stukken gebroken als de scherf van een gebroken pot (vers 1616Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
)
. Een verdroogde scherf kan gemakkelijk tot gruis worden vermalen. Een ander gevolg van verdroging was Zijn onuitsprekelijke dorst, waardoor Zijn tong aan Zijn gehemelte kleefde.

In het laatste deel van vers 1616Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
richt de Heer Zich tot Zijn God en spreekt zonder omweg over Zijn dood. Hij neemt Zijn dood aan uit de hand van God. Hij zegt tegen God: “U legt Mij in het stof van de dood.” Zijn lichamelijke dood was een handeling van Hemzelf na de drie uren van duisternis, toen Hij zei: “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dit gezegd had, stierf Hij” (Lk 23:4646En Jezus riep met luider stem de woorden: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dit gezegd had, stierf Hij.). Zeker, Zijn eigen volk heeft Hem vermoord (Hd 2:23b23Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt u door [de] hand van wettelozen aan [het kruis] gehecht en gedood.), maar Hij is gestorven op het moment dat God had bepaald, waarbij Hij Zijn Geest overgaf in de handen van de Vader.

Maar niet alleen de Joden staan schuldig aan de dood van Christus. Ook de heidenen hebben hun aandeel daarin. Dat zien we in vers 1717Want honden hebben mij omsingeld,
een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven;
zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.
, waar de Heiland over “honden” spreekt die Hem hadden omsingeld. Honden zijn onreine dieren die we kunnen zien als een beeld van de heidenen, die bij de kruisiging vertegenwoordigd waren in de Romeinen (vgl. Mt 15:21-2821En Jezus ging vandaar weg en vertrok naar de streken van Tyrus en Sidon.22En zie, een Kananese vrouw die uit dat gebied kwam, riep de woorden: Erbarm U over mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is ernstig bezeten.23Hij antwoordde haar echter geen woord. En Zijn discipelen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem aldus: Stuur haar weg, want zij roept ons na.24Hij antwoordde echter en zei: Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.25Zij nu kwam en huldigde Hem en zei: Heer, help mij!26Hij echter antwoordde en zei: Het is niet juist het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.27Zij echter zei: Jawel, Heer, want ook de honden eten van de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.28Toen antwoordde Jezus en zei tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; moge u gebeuren zoals u wilt. En haar dochter werd gezond van dat uur af.).

De Romeinen waren de baas in Israël en hadden in dat land Zijn handen en Zijn voeten doorboord. Wanneer de Heer Jezus terugkomt, zal het overblijfsel vragen: “Wat betekenen deze wonden aan Uw handen? Dan zal Hij zeggen: Dat Ik geslagen ben [in] het huis van hen die Mij liefhebben” (Zc 13:66Als men tegen hem zegt: Wat betekenen deze wonden aan uw handen? Dan zal hij zeggen: Dat ik geslagen ben [in] het huis van hen die mij liefhebben.). Het huis van Zijn liefhebbers is het land waar Israël woonde. Wanneer Hij terugkomt, zal elk oog – van Joden en heidenen – Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben (Op 1:77Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen.).

Dat de Heer Jezus Zijn beenderen zou kunnen tellen (vers 1818Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen;
en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij.
)
, betekent dat Hij in elk geval met ontbloot bovenlichaam aan het kruis hing. Het betekent ook dat zijn lichaam uitgemergeld was en dat het was uitgerekt door het hangen aan het kruis. Het wekte geen medelijden op bij hen die er rondom stonden of er voorbijliepen. Voor hen allen was Hij een schouwspel, ze zagen het aan en keken naar Hem, Die zo stukgebroken, zo ellendig was (vgl. Js 52:1414Zoals velen zich over U ontzet hebben
– zo geschonden was Zijn gezicht, meer dan van iemand [anders],
en Zijn gestalte, meer dan van [andere] mensenkinderen –
)
.

Zijn kleding was Hem afgenomen, zoals dat gebruikelijk werd gedaan met mensen die de doodstraf aan het kruis krijgen (vers 1919Zij verdelen mijn kleding onder elkaar
en werpen het lot om mijn gewaad.
)
. De soldaten die Hem Zijn kleding hadden afgenomen, verdeelden die onder elkaar. Over één kledingstuk wierpen ze het lot. Dat was de rok die in zijn geheel van boven zonder naad was geweven. Dat we hier een tafereel hebben dat zich bij het kruis van Christus heeft afgespeeld en dat het om Zijn kleding gaat, vertelt de evangelist Johannes ons, want hij citeert in zijn verhaal over het kruis dit vers (Jh 19:23-2423Toen dan de soldaten Jezus hadden gekruisigd, namen zij Zijn kleren en maakten er vier delen van, voor elke soldaat een deel, en het onderkleed. Het onderkleed nu was zonder naad, van boven af in zijn geheel geweven.24Zij dan zeiden tot elkaar: Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten van wie dit zal zijn; opdat de Schrift vervuld werd die zegt: ‘Zij hebben Mijn kleren onder elkaar verdeeld en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen’. De soldaten dan hebben dit gedaan;).


Roep om verlossing

20Maar U, HEERE, blijf niet ver weg;
mijn sterkte, kom mij spoedig te hulp.
21Red mijn ziel van het zwaard,
mijn eenzame [ziel] van het geweld van de hond.
22Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
[Ja,] U hebt mij verhoord.

Nog één keer richt de Heer Zich met al Zijn nood tot God, Zijn God. God, Zijn enige Steun en Toeverlaat, heeft Hem verlaten. Alle mensen, opgehitst door de satan, zijn vol spot en haat tegen Hem. In Zijn nood roept Hij het uit en vraagt of God, Die nu zo ver weg is, toch niet ver weg blijft (vers 2020Maar U, HEERE, blijf niet ver weg;
mijn sterkte, kom mij spoedig te hulp.
)
. Hij vraagt of God als Zijn sterkte Hem toch spoedig, met haast, te hulp zal komen om Hem te redden en te verlossen. Hier spreekt geloof in God Die Hem heeft verlaten. Ondanks de realiteit van de verlatenheid blijft Hij vertrouwen op Zijn God.

Hij vraagt God om “Mijn ziel”, dat is Hij Zelf in Zijn diepste gevoelens, “van het zwaard” te redden (vers 2121Red mijn ziel van het zwaard,
mijn eenzame [ziel] van het geweld van de hond.
)
. Dat zwaard drukt zwaar op Hem. Zijn nameloze eenzaamheid brengt Hij tot uitdrukking door Zich aan God voor te stellen als “Mijn eenzame”. Door die eenzaamheid voelt Hij “het geweld van de hond”, de heidense machten, des te sterker.

Hij voelt Zich in “de muil van de leeuw” (vers 21a21Red mijn ziel van het zwaard,
mijn eenzame [ziel] van het geweld van de hond.
)
. De satan, hij is die leeuw, en al Zijn demonen hebben de goddeloze massa van godsdienstige volk opgezweept en hen tot de grofste uitingen van spot en smaad gebracht. Christus ziet het volk als “wilde ossen” die Hem op de hoorns hebben genomen.

De vraag van Christus om verlossing is niet de vraag om niet te sterven. Hij was gekomen om de wil van God te doen en Hij wist ten volle wat dat inhield. Zijn vraag is niet om van de dood te worden verlost, maar om uit de dood te worden verlost, dat wil zeggen dat Hij zou worden opgewekt (Hb 5:77Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),). Die vraag is verhoord, zoals we in de laatste regel van vers 2222Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
[Ja,] U hebt mij verhoord.
horen. Hier komt de grote wending in deze psalm.

Het gebed van de Heer is verhoord in de opstanding (vers 22b22Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
[Ja,] U hebt mij verhoord.
; Ps 21:55Leven heeft hij van U verlangd en U hebt het hem gegeven,
lengte van dagen, eeuwig en altijd.
)
. In wat volgt, is alles verdwenen wat van de zonde van de mens is, want het is geoordeeld in de drie uren van duisternis. De klacht is veranderd in een lofzang. De klaagpsalm is veranderd in een lofpsalm. Het lijden ligt voorgoed achter Hem. Wat in de volgende verzen volgt, laat zien dat God woont op de lofzangen van Israël. Het is één grote lofzang op God te midden van een steeds wijder wordende kring, tot er van de hele aarde één grote lofzang tot God opstijgt. De tarwekorrel die in de aarde is gevallen en is gestorven, gaat nu veel vrucht dragen (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.).

Het lijden dat de Heer is aangedaan door mensen, heeft oordeel voor de mensen tot gevolg. Het lijden dat Hem is aangedaan door God heeft verzoening en zegen voor de mens tot gevolg. Christus is in deze psalm het zondoffer, het offer voor de zonde. Hij is tot zonde gemaakt, wat wil zeggen dat God Hem tot de bron van de zonde maakte en die in Hem oordeelde (2Ko 5:2121Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.). Wat daaruit voortvloeit, is niets anders dan pure genade en zegen voor de mens. Hij heeft het werk helemaal alleen volbracht, maar de resultaten worden gedeeld door ontelbaar miljoenen (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.).

Na de overwinning van Christus over zonde, wereld en dood volgt geen oordeel over de vijanden, maar zegen voor de Zijnen. Het uiteindelijke resultaat van het werk van de verzoening is zegen voor de hele mensheid in het vrederijk en voor alle gelovigen in de eeuwigheid (Ko 1:20-2220en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, <door Hem,> hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.21En u, die er vroeger vreemd aan was en vijandig gezind was door uw boze werken, heeft Hij echter nu verzoend22in het lichaam van Zijn vlees door de dood, om u heilig, onberispelijk en onstraffelijk voor Zich te stellen;). Hij is het Lam van God Dat op grond van Zijn verzoeningswerk de zonde van de wereld zal wegnemen (Jh 1:2929De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.).

We moeten eraan denken dat tussen de overgang van klacht naar lofzang een periode van nu ongeveer 2000 jaar ligt. Wat tot en met vers 22a22Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
[Ja,] U hebt mij verhoord.
wordt beschreven, heeft plaatsgevonden bij de eerste komst van Christus. Wat vanaf vers 22b22Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
[Ja,] U hebt mij verhoord.
wordt beschreven verplaatst ons naar Zijn opstanding en de gevolgen daarvan bij Zijn tweede komst. We gaan om zo te zeggen van de heuvel Golgotha naar de Olijfberg.


Verhoord en lofgezang

23Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
24U die de HEERE vreest, loof Hem;
alle nakomelingen van Jakob, vereer Hem;
wees bevreesd voor Hem, alle nakomelingen van Israël.
25Want Hij heeft de ellendige in zijn ellende
niet veracht en niet verafschuwd;
Hij heeft Zijn aangezicht niet voor hem verborgen,
maar Hij heeft gehoord, toen hij tot Hem riep.
26Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente,
mijn geloften zal ik nakomen in bijzijn van wie Hem vrezen.
27De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden;
wie de HEERE zoeken, zullen Hem loven.
Uw hart zal voor eeuwig leven.
28Alle einden der aarde
zullen eraan denken en zich tot de HEERE bekeren:
alle geslachten van de heidenvolken
zullen zich voor Uw aangezicht neerbuigen.

Na Zijn opstanding is Zijn eerste gedachte de Naam van Zijn God aan Zijn broeders te vertellen om vervolgens samen met hen bij wie Hij in het midden is, God te prijzen (vers 2323Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
)
. Hij is de Zoon Die de Vader kent en Hem openbaart en verklaart (Mt 11:2727Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon [Hem] wil openbaren.; Jh 1:1818Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon Die in de schoot van de Vader is, Die heeft [Hem] verklaard.). Zijn broeders zijn Zijn discipelen aan wie Hij door Maria hun nieuwe verhouding tot Zijn Vader en Zijn God bekend laat maken (Jh 20:1717Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.).

Omdat Hij is opgestaan, kan Hij Zijn discipelen Zijn opstandingsleven geven (Jh 20:2222En toen Hij dit had gezegd, blies Hij in hen en zei tot hen: Ontvangt [de] Heilige Geest.), waardoor Hij hen in dezelfde verhouding tot Zijn Vader plaats als Hijzelf heeft. Toch maakt Hij hen niet volledig één met Zich in Zijn positie voor de Vader, maar handhaaft Hij daarin een onderscheid. Hij spreekt niet tot hen over ‘onze’ Vader, maar over “Mijn Vader en uw Vader” en “Mijn God en uw God” (Jh 20:1717Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.). Op de opstandingsmorgen zien we Hem te midden van hen verschijnen (Jh 20:1919Toen het dan avond was op die eerste dag van [de] week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus, ging in het midden staan en zei tot hen: Vrede zij u!) en een week later nog een keer (Jh 20:2626En na acht dagen waren Zijn discipelen weer binnen en Thomas bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, ging in het midden staan en zei: Vrede zij u!).

Zijn discipelen zijn profetisch het overblijfsel van Israël, het ware Israël in de toekomst. In onze tijd vormen zij de kern van de gemeente die op de Pinksterdag ontstaat. De gemeente is in het Oude Testament een verborgenheid. Door het citaat van dit vers in het Nieuwe Testament krijgt ‘de gemeente’ de hogere betekenis van de nieuwtestamentische gemeente (Hb 2:1212‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.). ‘In het midden van de gemeente’ is dan de nieuwtestamentische gemeente (vgl. Mt 16:1818En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.; 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.). Hij openbaart Zijn tegenwoordigheid waar de gemeente samenkomt. Hij stemt de lofzang aan in de harten van de Zijnen. Daarom is het ook zo belangrijk dat iedere gelovige aanwezig is, want Hij is daar.

Dan horen we over “alle nakomelingen van Jakob” en “alle nakomelingen van Israël” (vers 2424U die de HEERE vreest, loof Hem;
alle nakomelingen van Jakob, vereer Hem;
wees bevreesd voor Hem, alle nakomelingen van Israël.
)
. Hier zegt de Heer Jezus tegen de gelovigen uit Israël dat ze de HEERE zullen eren en vrezen. Zij zijn niet slechts toehoorders van de lofzang van David, maar worden opgeroepen om mee te doen met deze lofzang. Wie Hem eert, vreest Hem. Eerbied en ontzag gaan samen.

De Heer Jezus spreekt over Jakob en Israël. De naam Jakob herinnert aan het falen, de naam Israël spreekt van wat God van Jakob heeft gemaakt. Wij zullen ook nooit vergeten wat we waren en Hem altijd vol ontzag eren voor wat Hij voor ons heeft gedaan en van ons heeft gemaakt.

In vers 2525Want Hij heeft de ellendige in zijn ellende
niet veracht en niet verafschuwd;
Hij heeft Zijn aangezicht niet voor hem verborgen,
maar Hij heeft gehoord, toen hij tot Hem riep.
spreekt het overblijfsel. Wat zij zeggen, bewijst dat ze zich ervan bewust dat ze alle zegen aan Hem te danken hebben, Die zij hier “de Ellendige” noemen. Ze hebben er inzicht in dat God “de Ellendige in Zijn ellende niet veracht en verafschuwd heeft”, wat Zijn volk wel heeft gedaan. God heeft Zijn aangezicht wel voor Hem moeten verbergen, maar het niet verborgen gehouden. Hij heeft de Ellendige verhoord, toen Hij tot Hem riep en Hem uit de doden opgewekt (Hb 5:7-87Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),8heeft, hoewel Hij Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij geleden heeft;).

In vers 2626Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente,
mijn geloften zal ik nakomen in bijzijn van wie Hem vrezen.
spreekt Hij Die de Ellendige was. Alle lof die Hij uitspreekt met de Zijnen tot eer van God, komt van God, zo zegt Hij. Ook na Zijn opstanding geeft Hij alle eer aan God, zoals Hij altijd in Zijn leven heeft gedaan (Jh 7:1818Wie vanuit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen heerlijkheid; maar Wie de heerlijkheid zoekt van Hem Die Hem heeft gezonden, Die is waarachtig en er is geen ongerechtigheid in Hem.; 17:44Ik heb U verheerlijkt op de aarde, terwijl Ik het werk heb voleindigd dat U Mij te doen hebt gegeven;). De “grote gemeente” is het aardse volk van God in het vrederijk na de periode van de nieuwtestamentische gemeente. In die grote gemeente zal Christus alle geloften nakomen die Hij in Zijn nood gedaan heeft.

Zijn geloften hielden in dat Hij God zou prijzen na Zijn verlossing uit Zijn ellende. Deze geloften van lofprijzing van God komt Hij na “in bijzijn van wie Hem vrezen”. Zijn gelofte is een dank- of vredeoffer in de vorm van een gelofteoffer. Het mag in tegenstelling tot het gewone dank- of vredeoffer ook op de tweede dag worden gegeten (Lv 7:15-1615En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de [volgende] morgen overlaten.16Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is, dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden.). Daarvoor worden de ootmoedigen uitgenodigd (zie vers 2727De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden;
wie de HEERE zoeken, zullen Hem loven.
Uw hart zal voor eeuwig leven.
)
.

Zij die God vrezen, zijn “de zachtmoedigen” of beter ‘ootmoedigen’ (vers 2727De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden;
wie de HEERE zoeken, zullen Hem loven.
Uw hart zal voor eeuwig leven.
)
. Het zijn gelovigen die in de moeilijke tijden gebukt zijn gegaan onder het onrecht, maar hun verwachting op God hebben gesteld. Het woord ‘ootmoedigen’ heeft de betekenis van ‘nederig van geest’ zijn (Js 57:1515Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
)
omdat zij beven voor Gods Woord (Js 66:22Want Mijn hand heeft al die dingen gemaakt,
en [daardoor] bestaan al die dingen, spreekt de HEERE.
Maar Ik zal zien op deze, op de ellendige
en verslagene van geest, en wie voor Mijn woord beeft.
)
. Juist zij, die vanwege hun trouw aan de Verlosser, veel ontbering hebben geleden, krijgen nu overvloed aan eten, tot verzadiging toe. Zij beërven met Hem de aarde (Mt 5:55Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.) en mogen, net als Mefiboseth, eten van de tafel van de Koning (2Sm 9:1313Zo woonde Mefiboseth in Jeruzalem, omdat hij voortdurend aan de tafel van de koning at. Hij was kreupel aan zijn beide voeten.).

Dit is het gezelschap van “wie de HEERE zoeken”. Er is voor hen alle aanleiding Hem uitbundig te loven. Ze hebben veel tot Hem gebeden in hun nood en ook zij zijn verhoord. Nu loven ze Hem aan Wie ze alle zegen te danken hebben. Dat doen ze niet slechts een ogenblik of een wat langere periode, waarna hun lofprijzing weer verzwakt en verdwijnt. Nee, hun harten, die vol zijn van lofprijzing, zullen “eeuwig leven”. Dit betekent dat zij eeuwig in gemeenschap zullen zijn met Hem, Die “levend tot in alle eeuwigheid” is (Op 1:1818en de Levende; en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid, en Ik heb de sleutels van de dood en de hades.) en Die alles zo wonderlijk ten goede heeft doen keren.

Nadat het overblijfsel en het hele volk hebben ingestemd met de lofzang die in vers 2323Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
door de Heer Jezus in het midden van de gemeente is begonnen, wordt de kring nog weidser: alle einden van de aarde worden er nu in betrokken (vers 2828Alle einden der aarde
zullen eraan denken en zich tot de HEERE bekeren:
alle geslachten van de heidenvolken
zullen zich voor Uw aangezicht neerbuigen.
)
. Hier wordt de belofte van Genesis 22 vervuld (Gn 22:1818En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.). De vervulling vindt plaats doordat de Heer Jezus Koning wordt over de hele aarde. Het gelofteoffer blijkt tevens een dank- of vredeoffer voor de volken ter inwijding van de Koning der koningen en Heer der heren.

Ook onder de volken heeft Christus vrucht op Zijn werk, ook daar zullen mensen zich tot God bekeren. Zij “zullen eraan denken” dat de HEERE de Allerhoogste is “en zich tot Hem bekeren”. De “geslachten van de heidenvolken” hadden God vergeten en hebben hun afgoden gediend. Daarom heeft God “in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan” (Hd 14:1616Hij heeft in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan,). Maar daaraan is een einde gekomen. Het overblijfsel zegt van hen tegen God dat zij zich voor Zijn aangezicht in aanbidding “zullen neerbuigen”. Dan is de belofte vervuld die aan Abraham is gedaan, dat in hem alle geslachten van de aarde gezegend zullen worden (Gn 12:3b3Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.; 18:1818Immers, Abraham zal zeker tot een groot en machtig volk worden, en alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.; 22:1818En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.; 26:33Verblijf als vreemdeling in dit land. Ik zal dan met u zijn en u zegenen, want aan u en uw nageslacht zal Ik al deze landen geven. Ik zal de eed gestand doen die Ik Abraham, uw vader, gezworen heb.).


Het Messiaanse rijk

29Want het koningschap is van de HEERE,
Hij heerst over de heidenvolken.
30Alle groten der aarde
zullen eten en zich neerbuigen.
Allen die in het stof neerdalen
en hun ziel niet in het leven kunnen behouden,
zullen voor Zijn aangezicht neerbukken.
31Het nageslacht zal Hem dienen,
en aan de Heere toegeschreven worden tot in generaties.
32Zij zullen komen en Zijn gerechtigheid verkondigen
aan het volk dat geboren zal worden,
want Hij heeft het gedaan.

De laatste verzen van de psalm beschrijven de algemene heerschappij van de Messias, “want het koningschap is van de HEERE” (vers 2929Want het koningschap is van de HEERE,
Hij heerst over de heidenvolken.
)
. Na het lijden en de diepe vernedering komt de verheerlijking in het vrederijk. We zien hier weer het wonder dat de Messias en Jahweh dezelfde Persoon zijn. Het koningschap wordt aan de HEERE toegeschreven, terwijl de Heer Jezus, de Messias, de Koning is. Christus oefent het koningschap niet namens God uit, want Hij is Zelf de waarachtige God (Hb 1:88maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is [de] scepter van Uw koningschap.). Hij laat Zijn absolute recht op de heidenvolken gelden, want “Hij heerst over de heidenvolken” (vgl. Dn 7:13-14,2713[Verder] zag ik in de nachtvisioenen,
en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand
als een Mensenzoon.
Hij kwam tot de Oude van dagen
en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbijkomen.
14Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap,
en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren.
Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die [Hem] niet ontnomen zal worden,
en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.27Maar het koningschap en de heerschappij
en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel
zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste.
Zijn koninkrijk zal een eeuwig koninkrijk zijn,
en alles wat heerschappij heeft, zal Hem eren en gehoorzamen.
)
.

In vers 3030Alle groten der aarde
zullen eten en zich neerbuigen.
Allen die in het stof neerdalen
en hun ziel niet in het leven kunnen behouden,
zullen voor Zijn aangezicht neerbukken.
worden drie categorieën mensen genoemd die alle klassen van personen bevatten.
1. “Alle groten der aarde” zijn de rijke en voorspoedige mensen, de mensen in aanzien. Hoewel het voor hen moeilijk is om behouden te worden, is het niet onmogelijk, want bij God zijn alle dingen mogelijk (Lk 18:25-2725Want het is gemakkelijker dat een kameel door [het] oog van een naald binnengaat, dan dat een rijke het koninkrijk van God binnengaat.26Zij nu die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan behouden worden?27Hij echter zei: De dingen die onmogelijk zijn bij mensen, zijn mogelijk bij God.; vgl. Mt 27:5757Toen het nu avond was geworden, kwam een rijk man van Arimathéa, Jozef geheten, die ook zelf een discipel van Jezus was geworden.; 1Ko 1:2626Want kijkt naar uw roeping, broeders, dat er niet vele wijzen zijn naar [het] vlees, niet vele machtigen, niet vele aanzienlijken;). “Zij zullen eten en zich neerbuigen.” Dit verwijst lijkt te verwijzen naar het eten van het dank- of vredeoffer, de gemeenschapsmaaltijd van Gods volk, waarvan allen die rein waren, mochten eten (Lv 7:11-2111Dit nu is de wet voor het dankoffer dat men aan de HEERE moet aanbieden.12Als [iemand] het als lofoffer aanbiedt, dan moet hij naast het lofoffer ongezuurde koeken aanbieden, met olie gemengd, ongezuurde platte koeken met olie bestreken en koeken van door elkaar gemengd meelbloem met olie gemengd.13Bij de koeken moet hij als zijn offergave gezuurd brood aanbieden, samen met zijn lof- en dankoffer.14En van elke offergave moet hij één [koek] als een hefoffer aan de HEERE aanbieden. Het is voor de priester die het bloed van het dankoffer sprenkelt.15En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de [volgende] morgen overlaten.16Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is, dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden.17Wat er dan [nog] van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, moet op de derde dag in het vuur verbrand worden,18want als er op de derde dag ook maar [een deel] van het vlees van zijn dankoffer gegeten wordt, dan komt het hem die het aangeboden heeft, niet ten goede; het wordt [hem] niet toegerekend. Het is onrein vlees: de persoon die daarvan eet, moet zijn ongerechtigheid dragen.19Ook het vlees dat met iets onreins in aanraking is gekomen, mag niet gegeten worden. Het moet in het vuur verbrand worden. Maar wat het [andere] vlees betreft, ieder die rein is, mag [dat] vlees eten.20De persoon echter die vlees eet van het dankoffer, dat voor de HEERE is, terwijl hij onrein is, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.21En wanneer een persoon met iets onreins in aanraking komt, [zoals] de onreinheid van een mens, of onreine dieren of een of ander onrein [en] afschuwelijk iets, en [toch] eet van het vlees van het dankoffer, dat voor de HEERE is, dan moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.; vgl. Js 25:66De HEERE van de legermachten zal
op deze berg voor alle volken
een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten,
een feestmaal met gerijpte wijnen,
met uitgelezen gerechten vol merg,
met gezuiverde gerijpte wijnen.
)
. Het is een maaltijd waarbij God gedankt werd en men zich voor Hem neerboog.
2. De tweede categorie is die van “allen die in het stof neerdalen”. Dit zijn zij die verdrukt zijn geweest, die in nood en verdriet zijn geweest. Zij hebben aan het leven gewanhoopt, waarvan het ‘in het stof neerdalen’ spreekt. Ze voelden ‘het stof van de dood’ als heel dichtbij.
3. De derde categorie, die veel overeenkomst heeft met de tweede, zijn zij die “hun ziel niet in het leven kunnen behouden”. Zij hebben gebrek gehad aan de meest noodzakelijke levensbehoeften en hadden niets waarmee ze zichzelf in leven konden houden. Het zijn de armen, de zwakken, de zieken, de hulpelozen.
De tweede en derde categorie zullen evenals de eerste categorie deel hebben aan de zegen van het vrederijk als gevolg van het werk van de Heer Jezus. Daarvoor zullen zij “voor Zijn aangezicht” in aanbidding “neerbukken”.

De zegen van het vrederijk, waarin alle geslachten delen die hiervoor zijn beschreven, zal aan “het nageslacht” worden doorgegeven (vers 3131Het nageslacht zal Hem dienen,
en aan de Heere toegeschreven worden tot in generaties.
)
. Dat nageslacht “zal Hem dienen” (vgl. Js 59:2121Wat Mij betreft, dit is Mijn verbond met hen, zegt de HEERE: Mijn Geest, Die op U is, en Mijn woorden die Ik U in de mond gelegd heb, zullen uit Uw mond niet wijken, ook niet uit de mond van Uw nakomelingen, evenmin uit de mond van de nakomelingen van Uw nakomelingen, zegt de HEERE, van nu aan tot in eeuwigheid.). Het zal “aan de Heere worden toegeschreven tot in generaties”. Elke komende generatie die in het vrederijk geboren wordt, is van Hem. Dat maakt de naam waarmee God hier wordt genoemd duidelijk. De naam ‘Heere’ is ‘Adonai’, dat betekent de Gebieder, de soevereine Heerser. Het nageslacht waarover hier wordt gesproken, behoort Hem toe en zal niet worden geofferd aan de afgoden, zoals dat in vroegere geslachten is gedaan (Lv 18:2121U mag niemand uit uw nageslacht overgeven om aan de Molech geofferd te worden. De Naam van uw God mag u niet ontheiligen. Ik ben de HEERE.; 20:2-32U moet vervolgens tegen de Israëlieten zeggen: Iedereen uit de Israëlieten en uit de vreemdelingen die in Israël verblijven, die [iemand] uit zijn nageslacht aan de Molech overgegeven heeft, moet zeker gedood worden: de bevolking van het land moet hem met stenen stenigen.3En Ikzelf zal Mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien. Hij heeft immers [iemand] uit zijn nageslacht aan de Molech overgegeven, waardoor Mijn heiligdom verontreinigd en Mijn heilige Naam ontheiligd is.; 2Kn 16:33maar hij ging in de weg van de koningen van Israël; ja, zelfs deed hij zijn zoon door het vuur gaan, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had.; 2Kn 21:66Hij liet zijn zoon door het vuur gaan, duidde wolken en deed aan wichelarij. Ook stelde hij dodenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed zeer veel kwaad in de ogen van de HEERE, om [Hem] tot toorn te verwekken.; Jr 7:3131En zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters in het vuur te verbranden. Dat heb Ik niet geboden en is niet in Mijn hart opgekomen.).

Allen die door de verschrikkelijke tijd van de grote verdrukking heen zijn gegaan, zullen over de indrukwekkende redding van God en Zijn gerechtigheid vertellen aan hen die in de tijd van het vrederijk worden geboren (vers 3232Zij zullen komen en Zijn gerechtigheid verkondigen
aan het volk dat geboren zal worden,
want Hij heeft het gedaan.
)
. Zij zullen spreken over wat de Heer Jezus heeft volbracht. Wij mogen het ook aan onze kinderen vertellen.

Elke generatie “zal komen en Zijn gerechtigheid verkondigen aan het volk dat geboren zal worden”, dat is de volgende generatie. Het vrederijk is gegrond op de gerechtigheid van God waaraan door de Heer Jezus op het kruis is voldaan. De verkondiging die wordt doorgegeven, is: “Hij heeft het gedaan.” Het herinnert aan het laatste kruiswoord van de Heiland: “Het is volbracht!” (Jh 19:3030Toen Jezus dan de zure wijn had genomen, zei Hij: Het is volbracht! En Hij boog Zijn hoofd en gaf Zijn geest over.). Dit kruiswoord zal de hele eeuwigheid door schallen (vgl. Op 21:6a6En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.).


Lees verder