Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-5 Wensen voor de koning 6-9 Zekerheid van verhoring 10 De roep om verlossing
Inleiding

Deze psalm is de uitwerking van de laatste oproep van de vorige psalm: de “HEERE, mijn rots en mijn Verlosser” (Ps 19:1515Laat de woorden van mijn mond en de overdenking van mijn hart
welgevallig zijn voor Uw aangezicht,
HEERE, mijn rots en mijn Verlosser!
)
. Deze psalm geeft ons, na de getuigenissen van God in het leven van een gelovige in Psalm 18 en in de schepping en de wet ofwel het Woord van God in Psalm 19, nog een getuigenis dat God van Zichzelf geeft. We hebben hier Gods getuigenis aangaande Zijn Zoon.

Dit getuigenis komt uit de mond van de onderdanen van Gods gezalfde koning, David, in wie we een beeld zien van de Heer Jezus. Zij wensen David alle hulp en zegen van de HEERE, Jahweh, toe om te overwinnen in de oorlogen die hij moet voeren. Net als Psalm 2 zijn Psalm 20 en Psalm 21 koninklijke psalmen.

Psalm 20 en Psalm 21 zijn nauw met elkaar verbonden. In Psalm 20 is de koning de vertegenwoordiger van de HEERE en in Psalm 21 is hij de vertegenwoordiger van het volk. Psalm 20 is een voorbede, Psalm 21 is een lofzang van dank. Psalm 20 is vol verwachting en Psalm 21 is vol blijdschap.

Psalm 20 brengt de solidariteit tussen het volk en hun koning op een prachtige wijze tot uitdrukking. De reden is dat ze beiden zijn betrokken bij het zoeken van de gunst van God. Het volk herkent in de gezalfde koning de gezant van God door wie Hij Zijn gunst aan Zijn volk wil geven. Hij vertegenwoordigt God naar het volk toe. Tegelijk vertegenwoordigt hij het volk voor God, wat in de volgende psalm nader wordt belicht. Wat de koning voor God doet, wordt het hele volk toegerekend.

De historische aanleiding voor dit gebed is niet duidelijk. Deze psalm is door de Heilige Geest aangepast om profetisch zoveel mogelijk op de Heer Jezus van toepassing te zijn (vgl. Hd 2:25-3225Want David zegt van Hem: ‘Ik zag de Heer altijd voor Mij, want Hij is aan Mijn rechterhand, opdat Ik niet wankel.26Daarom heeft Mijn hart zich verblijd en Mijn tong zich verheugd, ja, ook Mijn vlees zal rusten in hoop,27want U zult Mijn ziel niet aan [de] hades overlaten en Uw Heilige geen ontbinding te zien geven.28U hebt Mij [de] wegen van [het] leven bekendgemaakt; U zult Mij met blijdschap vervullen bij Uw aangezicht’.29Mannen broeders, het is geoorloofd met vrijmoedigheid tot u te spreken over de aartsvader David, dat hij én gestorven én begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.30Daar hij dan een profeet was en wist, dat God hem met een eed had gezworen [Eén] uit [de] vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten,31heeft hij vooruitgezien en gesproken over de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan [de] hades is overgelaten en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.32Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.; Ps 16:8-98Ik stel mij de HEERE voortdurend voor [ogen];
omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.9Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich,
ook zal mijn lichaam veilig wonen.
)
. Het beeld is hier niet van een koning met een machtig leger, maar een koning die net als David tegen Goliath, alleen tegen de vijand optrekt. Zo zal de Heer Jezus de strijd tegen de vijand alleen voeren (Op 19:1515En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.; Js 63:33Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
)
en de overwinning behalen. Deze overwinning is gebaseerd op het offer dat Hij gebracht heeft op het kruis. Hij is de Koning-Priester Die zowel de overwinning behaalt als de offers aan God heeft gebracht.

In David zien we hier weer een beeld van Gods gezalfde Koning, de Messias Jezus, die tevens Jahweh Zelf is. Niemand anders dan Hij is in staat om Gods koningschap uit te oefenen op een manier dat het koningschap volledig beantwoordt aan Wie God is. Het is een koningschap dat volkomen rechtvaardig wordt uitgeoefend. Daarbij wordt alle goddeloosheid, de ongelovige massa, geoordeeld. Het resultaat is dat de rechtvaardigen, het gelovig overblijfsel, verlost worden en de zegen van het vrederijk genieten.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider.

Het is “een psalm van David”. Zie bij Psalm 3:1. Hij is ook “voor de koorleider”. Zie bij Psalm 4:1.


Wensen voor de koning

2Moge de HEERE u verhoren in de dag van benauwdheid,
de Naam van de God van Jakob u in een veilige vesting zetten.
3Moge Hij u hulp zenden uit het heiligdom
en u ondersteunen uit Sion.
4Moge Hij aan al uw graanoffers denken
en uw brandoffer tot as verteren. /Sela/
5Moge Hij u overeenkomstig [de wens van] uw hart geven
en al uw voornemens in vervulling doen gaan.

De psalm begint met ‘verhoren’ en ‘de dag van benauwdheid’ (vers 22Moge de HEERE u verhoren in de dag van benauwdheid,
de Naam van de God van Jakob u in een veilige vesting zetten.
)
en eindigt met ‘verhoren’ en ‘de dag dat wij roepen’ (vers 1010HEERE, verlos;
moge die Koning ons verhoren op de dag dat wij roepen.
)
. We kunnen deze psalm zien als een gebed van het volk voor de koning als hij ten strijde trekt. Het is een gebed dat in de vorm van een wens voor de koning – wat we zien aan het woord “moge”, dat keer op keer wordt gebruikt – wordt gedaan. De koning wordt hier door zijn volk aangesproken.

In de profetische betekenis horen we hier het gelovig overblijfsel tot de Messias spreken. Ze vragen verhoring voor Hem “in de dag van benauwdheid” (vers 22Moge de HEERE u verhoren in de dag van benauwdheid,
de Naam van de God van Jakob u in een veilige vesting zetten.
)
. Het laat de diepe belangstelling zien die er in het hart van de Godvrezende is met betrekking tot de smart en het lijden van Christus op aarde. Dit gebed, deze voorbede, wordt door de Geest van Christus in het hart van David gelegd als de vertegenwoordiger van allen die op de verlossing hebben gewacht, ofwel het gelovige overblijfsel.

Alle dagen van Christus op aarde waren dagen van benauwdheid. Hij was een Man van smarten (Js 53:33Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen,
een Man van smarten, bekend met ziekte,
en als [iemand] voor wie men het gezicht verbergt;
Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.
)
. Hij had Zijn eigen smarten en Hij droeg de smarten van anderen (Js 53:44Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
)
. Hij werd verzocht door de satan in de woestijn. Hij werd voortdurend lastiggevallen door de schriftgeleerden en farizeeën en was bedroefd over de verharding van hun hart (Mk 3:55En Hij keek hen rondom met toorn aan, bedroefd over de verharding van hun hart, en zei tot de mens: Strek uw hand uit. En hij strekte die uit en zijn hand werd hersteld.). Hij vergoot tranen bij het graf van Lazarus vanwege de gevolgen van de zonde (Jh 11:3535Jezus weende.). Zijn ziel werd zeer bedroefd in Gethsémané door het vooruitzicht dat Hij tot zonde zou worden gemaakt (Mk 14:33b-3433En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee. En Hij begon ontsteld en zeer beangst te worden,34en Hij zei tot hen: Mijn ziel is zeer bedroefd tot [de] dood toe; blijft hier en waakt.).

Als het overblijfsel in verdrukking is, weten ze dat de Messias bij hen is en voor hen uitgaat. Hij heeft Zich met hen verbonden en kent hun gevoelens en deelt daarin: “In al hun benauwdheid was Hij benauwd” (Js 63:99In al hun benauwdheid
was Hij benauwd;
de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost.
Door Zijn liefde en door Zijn genade
heeft Híj hen bevrijd;
Hij hief hen op en droeg hen
al de dagen van weleer.
)
. Daarom wensen ze Hem toe wat tot hun bevrijding dient. Als zij bidden om verhoring, is dat door de Geest van Christus Die in hen bidt.

Hun wens en gebed is dat “de Naam van de God van Jakob” Hem “in een veilige vesting zetten” zal. ‘In een veilige vesting’ is letterlijk ‘op een hoge plaats’, een plaats die onbereikbaar is voor de vijand, een plaats waar iemand ‘onaantastbaar’ is. Het is de hoge Rots van Psalm 19 (Ps 19:1515Laat de woorden van mijn mond en de overdenking van mijn hart
welgevallig zijn voor Uw aangezicht,
HEERE, mijn rots en mijn Verlosser!
)
. De “Naam” van God (Nm 6:2727Zo moeten zij Mijn Naam op de Israëlieten leggen; en Ík zal hen zegenen.) is verbonden met de zegen en de vrede van God (Nm 6:24-2624De HEERE zegene u
en behoede u!
25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten
en zij u genadig!
26De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u
en geve u vrede!
)
. De “Naam van de God van Jakob” is HEERE, Jahweh, “Ik BEN DIE IK BEN” (Ex 3:13-1413En Mozes zei tegen God: Zie, wanneer ik bij de Israëlieten kom en tegen hen zeg: De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden, en zij mij zeggen: Wat is Zijn naam? Wat moet ik [dan] tegen hen zeggen?14En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.), de God van de beloften.

Drie keer doet het overblijfsel in deze psalm een beroep op “de Naam” (verzen 2,6,82Moge de HEERE u verhoren in de dag van benauwdheid,
de Naam van de God van Jakob u in een veilige vesting zetten.
6Wij zullen juichen over uw heil
en de vaandels opheffen in de Naam van onze God.
Moge de HEERE al uw verlangens vervullen.
8Dezen [vertrouwen] op strijdwagens en die op paarden,
maar wíj zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen.
)
. Hier is het de eerste keer. Dat God “de God van Jakob” is, wijst erop dat Hij alle beloften die Hij aan Jakob heeft gedaan, zal vervullen, ondanks de vele malen dat Jakob ontrouw is geweest. Dit is een grote bemoediging voor het overblijfsel dat ook zijn eigen ontrouw kent. Het is ook een grote bemoediging voor ons, die ook zo vaak ontrouw zijn, dat God al Zijn beloften zal vervullen. De veilige vesting geeft de zekerheid dat niemand Zijn koning of iemand van de Zijnen de vervulling van Zijn beloften kan laten missen.

De wens of het gebed voor Zijn bescherming geeft aan dat de Heer Jezus als Mens wordt gezien. Alleen als Mens kan Hij met mensen verbonden zijn. Tegelijk is en blijft Hij in Zijn Persoon ook de eeuwige God. Hij Die Mens is geworden, is tevens de God van Jakob. Wij kunnen dit geheimenis van Zijn Persoon niet doorgronden (Mt 11:27a27Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon [Hem] wil openbaren.), maar wel in het geloof aanvaarden, bewonderen en aanbidden. We komen dit geheimenis, dat we ook al eerder in Psalmen hebben gezien, keer op keer tegen. Als Mens is Hij volkomen afhankelijk van de hulp van God. Op die hulp rekent Hij ook in vertrouwen. Het overblijfsel weet dat door de Geest van Christus Die in hen werkt.

Dit geldt ook voor de wens dat Hem hulp zal worden gezonden “uit het heiligdom” en dat God Hem zal “ondersteunen uit Sion” (vers 33Moge Hij u hulp zenden uit het heiligdom
en u ondersteunen uit Sion.
)
. Zijn hulp komt niet van mensen, maar uit Sion, waar Hij Zijn Naam heeft laten wonen als aardse uitbeelding van Zijn hemelse woonplaats (Dt 12:55Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.; 14:2323Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen.). God laat door Zijn hulp en ondersteuning Zijn aanwezigheid ten gunste van Zijn Gezalfde, Zijn uitverkoren Koning, zien. Daarmee toont Hij tegelijk Zijn gunst voor Zijn volk. Jahweh, de HEERE, gaat voor Zijn volk uit als in de dagen van vroeger (Ex 15:13,1713       U leidde in Uw goedertierenheid
                        dit volk, dat U verlost hebt.
            U leidde [hen] zachtjes door Uw kracht
                        naar Uw heilige woning.17       U zult hen brengen en hen planten
                        op de berg [die] Uw eigendom is,
            Uw vaste woonplaats,
                        die U gemaakt hebt, HEERE,
            het heiligdom, Heere,
                        dat Uw handen gesticht hebben.
)
.

Het overblijfsel herinnert God aan al de offers die Zijn Koning Hem heeft gebracht (vers 44Moge Hij aan al uw graanoffers denken
en uw brandoffer tot as verteren. /Sela/
)
. Offers zijn de basis voor de overwinning. In de offers krijgt de HEERE eerst Zijn deel en dan geeft Hij de overwinning (1Sm 7:1010En het gebeurde, toen Samuel dat brandoffer bracht, dat de Filistijnen de strijd aanbonden met Israël. Maar de HEERE deed op die dag een machtige donder rollen over de Filistijnen. Hij bracht hen in verwarring, zodat zij door Israël verslagen werden.). De Heer Jezus heeft geen letterlijke offers gebracht. Dat heeft David wel gedaan. Met betrekking tot de Heer Jezus spreken deze offers van Hemzelf. Deze offers zijn in Hem vervuld (Hb 10:5-95Daarom zegt Hij bij Zijn komen in de wereld: ‘Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij een lichaam toebereid;6in brandoffers en zondoffers hebt U geen behagen gehad.7Toen zei Ik: zie, Ik kom (in [de] boekrol is over Mij geschreven) om Uw wil te doen, o God!’8Terwijl Hij vooraf zei: ‘Slachtoffers en offeranden, brandoffers en zondoffers hebt U niet gewild en U hebt er geen behagen in gehad’ (die naar [de] wet geofferd worden),9zei Hij daarna: ‘Zie, Ik kom om Uw wil te doen’. Hij neemt het eerste weg om het tweede te stellen.).

Het graan- of spijsoffer, een niet-bloedig, vrijwillig offer (Lv 2:1-161‘Now when anyone presents a grain offering as an offering to the LORD, his offering shall be of fine flour, and he shall pour oil on it and put frankincense on it.2He shall then bring it to Aaron’s sons the priests; and shall take from it his handful of its fine flour and of its oil with all of its frankincense. And the priest shall offer [it] up in smoke [as] its memorial portion on the altar, an offering by fire of a soothing aroma to the LORD.3The remainder of the grain offering belongs to Aaron and his sons: a thing most holy, of the offerings to the LORD by fire.4‘Now when you bring an offering of a grain offering baked in an oven, [it shall be] unleavened cakes of fine flour mixed with oil, or unleavened wafers spread with oil.5If your offering is a grain offering [made] on the griddle, [it shall be] of fine flour, unleavened, mixed with oil;6you shall break it into bits and pour oil on it; it is a grain offering.7Now if your offering is a grain offering [made] in a pan, it shall be made of fine flour with oil.8When you bring in the grain offering which is made of these things to the LORD, it shall be presented to the priest and he shall bring it to the altar.9The priest then shall take up from the grain offering its memorial portion, and shall offer [it] up in smoke on the altar [as] an offering by fire of a soothing aroma to the LORD.10The remainder of the grain offering belongs to Aaron and his sons: a thing most holy of the offerings to the LORD by fire.11‘No grain offering, which you bring to the LORD, shall be made with leaven, for you shall not offer up in smoke any leaven or any honey as an offering by fire to the LORD.12As an offering of first fruits you shall bring them to the LORD, but they shall not ascend for a soothing aroma on the altar.13Every grain offering of yours, moreover, you shall season with salt, so that the salt of the covenant of your God shall not be lacking from your grain offering; with all your offerings you shall offer salt.14‘Also if you bring a grain offering of early ripened things to the LORD, you shall bring fresh heads of grain roasted in the fire, grits of new growth, for the grain offering of your early ripened things.15You shall then put oil on it and lay incense on it; it is a grain offering.16The priest shall offer up in smoke its memorial portion, part of its grits and its oil with all its incense as an offering by fire to the LORD.), stelt Zijn volkomen aan God toegewijde leven voor. Het brandoffer, een bloedig, vrijwillig offer (Lv 1:1-171Then the LORD called to Moses and spoke to him from the tent of meeting, saying,2“Speak to the sons of Israel and say to them, ‘When any man of you brings an offering to the LORD, you shall bring your offering of animals from the herd or the flock.3If his offering is a burnt offering from the herd, he shall offer it, a male without defect; he shall offer it at the doorway of the tent of meeting, that he may be accepted before the LORD.4He shall lay his hand on the head of the burnt offering, that it may be accepted for him to make atonement on his behalf.5He shall slay the young bull before the LORD; and Aaron’s sons the priests shall offer up the blood and sprinkle the blood around on the altar that is at the doorway of the tent of meeting.6He shall then skin the burnt offering and cut it into its pieces.7The sons of Aaron the priest shall put fire on the altar and arrange wood on the fire.8Then Aaron’s sons the priests shall arrange the pieces, the head and the suet over the wood which is on the fire that is on the altar.9Its entrails, however, and its legs he shall wash with water. And the priest shall offer up in smoke all of it on the altar for a burnt offering, an offering by fire of a soothing aroma to the LORD.10‘But if his offering is from the flock, of the sheep or of the goats, for a burnt offering, he shall offer it a male without defect.11He shall slay it on the side of the altar northward before the LORD, and Aaron’s sons the priests shall sprinkle its blood around on the altar.12He shall then cut it into its pieces with its head and its suet, and the priest shall arrange them on the wood which is on the fire that is on the altar.13The entrails, however, and the legs he shall wash with water. And the priest shall offer all of it, and offer it up in smoke on the altar; it is a burnt offering, an offering by fire of a soothing aroma to the LORD.14‘But if his offering to the LORD is a burnt offering of birds, then he shall bring his offering from the turtledoves or from young pigeons.15The priest shall bring it to the altar, and wring off its head and offer it up in smoke on the altar; and its blood is to be drained out on the side of the altar.16He shall also take away its crop with its feathers and cast it beside the altar eastward, to the place of the ashes.17Then he shall tear it by its wings, [but] shall not sever [it]. And the priest shall offer it up in smoke on the altar on the wood which is on the fire; it is a burnt offering, an offering by fire of a soothing aroma to the LORD.), stelt Zijn volmaakte overgave op het kruis aan God voor. Zijn offer is in al zijn aspecten de grondslag voor de verhoring van het gebed.

Er staat “graanoffers”, meervoud. Dat wijst erop dat elke afzonderlijke handeling, elk afzonderlijk woord, elke afzonderlijke gedachte van de Heer Jezus volkomen aan God toegewijd is. Hij kan op twaalfjarige leeftijd zeggen dat Hij altijd in de dingen van Zijn Vader is (Lk 2:4949En Hij zei tot hen: Waarom hebt u Mij gezocht? Wist u niet dat Ik in de dingen van Mijn Vader moet zijn?). De “brandoffers” – ook ‘brandoffers’ staat letterlijk in het meervoud – wijzen erop dat ook alle aspecten van Zijn werk op het kruis volmaakt voor God zijn. Hij heeft het offer van Zijn leven eens voor altijd gebracht, zodat wij eens voor altijd geheiligd zijn (Hb 10:1010Door die wil zijn wij geheiligd door middel van de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eens voor altijd.).

Het overblijfsel kent de wens van het hart van de Messias en wenst dat die Hem zal worden gegeven (vers 55Moge Hij u overeenkomstig [de wens van] uw hart geven
en al uw voornemens in vervulling doen gaan.
)
. In Psalm 21 zien we de verhoring van dit gebed (Ps 21:33De wens van zijn hart hebt U hem gegeven;
het verzoek van zijn lippen hebt U [hem] niet onthouden. /Sela/
)
. Zij kunnen dat vragen omdat zij weten dat de enige wens die Zijn hart vervult de verheerlijking van God is. Ze bidden ervoor dat God alle voornemens die de Messias daarvoor heeft, in vervulling doet gaan. Alles wat de Heer Jezus heeft gedaan en zal doen, is vervuld. Hij heeft God verheerlijkt en zal dat blijven doen tot de hele wil van God is uitgevoerd en ook altijd daarna.


Zekerheid van verhoring

6Wij zullen juichen over uw heil
en de vaandels opheffen in de Naam van onze God.
Moge de HEERE al uw verlangens vervullen.
7Nu weet ik dat de HEERE Zijn gezalfde verlost!
Hij zal hem verhoren uit Zijn heilige hemel,
met machtige daden van heil door Zijn rechterhand.
8Dezen [vertrouwen] op strijdwagens en die op paarden,
maar wíj zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen.
9Zíj kromden zich en vielen,
maar wíj zijn opgestaan en staande gebleven.

In vers 66Wij zullen juichen over uw heil
en de vaandels opheffen in de Naam van onze God.
Moge de HEERE al uw verlangens vervullen.
blijkt dat het gelovig overblijfsel niet twijfelt aan de verhoring van hun gebed, wat hun door de Geest van Christus is ingegeven. Ze zien in het geloof dat de Messias behouden van Zijn strijd terugkeert (vgl. Js 63:1-61Wie is Deze Die uit Edom komt,
in helrode kleding uit Bozra,
Die luisterrijk is in Zijn gewaad,
Die voorttrekt in Zijn grote kracht?
Ik ben het, Die spreek in gerechtigheid,
Die machtig ben om te verlossen.
2Waarom is dat rood aan Uw gewaad,
en is Uw kleding als [die] van iemand die de wijnpers treedt?
3Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
4Want de dag van de wraak was in Mijn hart,
het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
5Ik keek rond, maar er was niemand die hielp;
Ik ontzette Mij, want er was niemand die ondersteunde.
Daarom heeft Mijn arm Mij heil verschaft,
en Mijn grimmigheid, die heeft Mij ondersteund.
6Ik heb de volken vertrapt in Mijn toorn,
Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid,
Ik heb hun bloed ter aarde doen neerdalen.
)
. Daarom heffen ze de vaandels op als teken van de overwinning. Een vlag wordt op een overwonnen gebied geplaatst. Hier zijn het vele vaandels, want de overwinningen zullen talrijk zijn. De heerschappij van Gods Koning zal overal worden gevestigd.

De vaandels worden opgeheven “in de Naam van onze God”. Het overblijfsel zegt daarmee dat de God van hun Koning ook hun God is. Ze geven God alle eer voor al de overwinningen van hun Koning. Dit betekent dat zij ook hun Koning die eer zullen geven, want Hij is hun God (vgl. Ps 44:55Ú bent mijn Koning, o God;
gebied volkomen verlossing voor Jakob!
)
. In aansluiting daarop vragen ze de HEERE niet om de overwinning voor Zijn uitverkoren Koning, maar dat Hij al Zijn verlangens zal vervullen. Al Zijn verlangens hebben de verheerlijking van God tot doel.

In vers 77Nu weet ik dat de HEERE Zijn gezalfde verlost!
Hij zal hem verhoren uit Zijn heilige hemel,
met machtige daden van heil door Zijn rechterhand.
spreekt de psalmist als de mond van het gelovig overblijfsel. Op grond van het gebed en de verlangens in zijn hart spreekt hij zijn vertrouwen uit dat de HEERE Zijn Gezalfde verlost. De uitdrukking “nu weet ik” betekent ‘ik ben tot de conclusie gekomen dat’ (vgl. Ex 18:1111Nu weet ik dat de HEERE groter is dan alle goden, want in de zaak waarin zij overmoedig handelden, [stond Hij] boven hen.; 1Kn 17:2424Toen zei die vrouw tegen Elia: Nu weet ik dat u een man Gods bent en dat het woord van de HEERE in uw mond waarheid is.). Het woord ‘verlossen’ is nauw verwant aan het woord voor overwinning. Het betekent dat David ofwel het gelovig overblijfsel ervan overtuigd is dat de HEERE Zijn Gezalfde de overwinning geeft.

De Gezalfde krijgt de overwinning op grond van Zijn gebed tot God in “Zijn heilige hemel”. Zijn HEERE zal Hem verhoren door “met machtige daden van heil door Zijn rechterhand” voor Zijn Koning te strijden. Zo heeft God Zijn Gezalfde verhoord door Hem uit de doden op te wekken door de macht van “Zijn rechterhand”. Dit is Zijn eerste machtige daad van heil of behoudenis. Er zullen nog talloze machtige daden van behoudenis volgen als Hij allen die bij Christus horen door de macht van Zijn rechterhand uit de doden opwekt (1Ko 15:20-2320(Maar nu, Christus is opgewekt uit [de] doden, als Eersteling van hen die ontslapen zijn.21Want waar [de] dood is door een mens, is ook [de] opstanding van [de] doden door een mens.22Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.23Maar ieder in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna die van Christus zijn, bij Zijn komst.).

In vers 88Dezen [vertrouwen] op strijdwagens en die op paarden,
maar wíj zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen.
spreekt het overblijfsel weer. Zij spreken dezelfde geloofstaal als de Messias en sluiten zich aan bij wat Hij zojuist heeft gezegd. Eerst wijzen ze op de middelen waarop de tegenstanders vertrouwen. De Israëlitische koningen mogen niet veel paarden bezitten (Dt 17:1616Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar Egypte om veel paarden aan te schaffen, omdat de HEERE tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren.). Ze moeten leren op Gods kracht te vertrouwen, want in zichzelf zijn ze zwak. Gods kracht wordt in zwakheid volbracht (2Ko 12:99en Hij zei tegen mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont.). De getrouwen roepen in herinnering en vermelden dat God met hen is (Ps 121:22Mijn hulp is van de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
)
. Het woord ‘vertrouwen’ staat niet in de originele tekst, maar is omwille van de leesbaarheid toegevoegd, wat wordt aangegeven door de vierkante haken. Het is afgeleid van vers 8b8Dezen [vertrouwen] op strijdwagens en die op paarden,
maar wíj zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen.
‘in herinnering roepen’.

Er zijn er die “op strijdwagens” vertrouwen, terwijl anderen “op paarden” hun vertrouwen stellen (vgl. Js 31:1-31Wee hun die afdalen naar Egypte om hulp,
die steunen op paarden,
vertrouwen op strijdwagens, omdat er zoveel zijn,
op ruiters, omdat die zeer machtig zijn,
maar die geen acht slaan op de Heilige van Israël
en de HEERE niet zoeken.
2Echter, ook Hij is wijs, Hij doet het kwaad komen
en neemt Zijn woorden niet terug.
Hij zal opstaan tegen het huis van de kwaaddoeners
en tegen de hulp van hen die onrecht bedrijven,
3want de Egyptenaren zijn mensen en geen God,
en hun paarden zijn vlees en geen geest.
De HEERE zal Zijn hand uitstrekken,
zodat de helper zal struikelen,
en wie geholpen wordt, zal neervallen,
tezamen zullen zij allen omkomen.
)
. Het zijn armzalige, om niet te zeggen belachelijke middelen in vergelijking met Degene op Wie zij vertrouwen. De farao heeft dat ondervonden (Ex 15:1,3-41Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
            Ik zal zingen voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.3         De HEERE is een Strijder,
                        HEERE is Zijn Naam.4         De wagens van de farao en zijn leger
                        heeft Hij in de zee geworpen.
            De besten van zijn officieren
                        zijn verdronken in de Schelfzee.
)
.

Maar “wíj”, zo zegt het overblijfsel met nadruk, “zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen” (vgl. 1Sm 17:4545Maar David zei tegen de Filistijn: U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een werpspies, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.). ‘In herinnering roepen’ wil zeggen er weer aan denken Wie God is. Het gaat om de herinnering aan of het nadenken over “de Naam”, dat is alles wat die Naam bevat.

Het tegengestelde resultaat van het vertrouwen wordt in vers 99Zíj kromden zich en vielen,
maar wíj zijn opgestaan en staande gebleven.
beschreven. De beide partijen worden door een nadrukkelijk “zíj” en een nadrukkelijk “wíj” scherp tegenover elkaar geplaatst. ‘Zíj’, dat zijn zij die op strijdwagens en paarden vertrouwen, zijn gedwongen om zich te krommen, dat wil zeggen hun knieën te buigen, voor Hem Die hen heeft overwonnen (Fp 2:9-119Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is,10opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,11en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God [de] Vader.). Daarna vallen ze neer, zonder ooit weer op te staan. Het staat hier in de profetisch verleden tijd, dat wil zeggen dat het als een voldongen feit wordt gesteld, terwijl het in werkelijkheid nog moet gebeuren. Zo zeker is de uitkomst.

Hetzelfde geldt voor ‘wíj’, dat is het gelovig overblijfsel, maar in een volledige tegenstelling met de vijanden. Zij leken de knie voor de vijand te moeten buigen en neer te vallen. Ze hebben zich ook als ten dode gedoemd gevoeld, maar zij “zijn opgestaan en staande gebleven”. Het geeft het beeld van een opstanding uit de doden en het ingaan in het leven.


De roep om verlossing

10HEERE, verlos;
moge die Koning ons verhoren op de dag dat wij roepen.

Zoals dit laatste vers hier staat, is een mogelijke vertaling. Toch is het wellicht beter om het te vertalen met: “HEERE, verlos de koning. Antwoord ons op de dag dat wij roepen” (zo heeft de Septuaginta dit vers vertaald). We horen hier het overblijfsel roepen tot de HEERE. Ze vragen de HEERE Hem, hun Messias, te verlossen door Hem de overwinning te schenken (vers 77Nu weet ik dat de HEERE Zijn gezalfde verlost!
Hij zal hem verhoren uit Zijn heilige hemel,
met machtige daden van heil door Zijn rechterhand.
)
. Dit brengt ons terug naar de verzen 2-52Moge de HEERE u verhoren in de dag van benauwdheid,
de Naam van de God van Jakob u in een veilige vesting zetten.
3Moge Hij u hulp zenden uit het heiligdom
en u ondersteunen uit Sion.
4Moge Hij aan al uw graanoffers denken
en uw brandoffer tot as verteren. /Sela/
5Moge Hij u overeenkomstig [de wens van] uw hart geven
en al uw voornemens in vervulling doen gaan.
, waar het volk voorbede doet dat de HEERE de Koning zal helpen in Zijn strijd.


Lees verder