Psalmen
Inleiding 1-3 Los van God 4-6 Gods reactie 7-9 Gods Zoon, de Messias 10-12 De uitnodiging tot verzoening
Inleiding

Psalm 1 en Psalm 2 horen bij elkaar. Psalm 1 begint met ‘welzalig’ (Ps 1:11Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
)
en Psalm 2 eindigt met ‘welzalig’ (Ps 2:1212Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.
Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!
)
. Psalm 1 gaat over het Woord van God en Psalm 2 over het vlees geworden Woord van God (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.), Christus, de Zoon van God, de Koning van Israël (Jh 1:5050Nathanaël antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent [de] Koning van Israël.).

Psalm 1 gaat over het onderwijs van God over de Schrift dat de overdenking is van het gelovig overblijfsel en in het bijzonder van de Heer Jezus. Psalm 2 gaat over de Messias, de Koning van God, de Persoon om Wie het in de Schrift draait (Jh 5:3939U onderzoekt de Schriften, omdat u meent daarin eeuwig leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen;) en op Wie de hoop van het gelovig overblijfsel is gesteld. De wet van God en de Koning van God horen bij elkaar. De mens moet zich in het geloof aan allebei onderwerpen. Hij vindt zijn vreugde in het Woord (Ps 1:22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
)
en stelt zijn hoop op Christus, de Zoon van God, de Koning (Ps 2:1212Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.
Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!
)
.

Evenals in Psalm 1 ontbreekt in Psalm 2 de naam van de dichter. Uit Handelingen 4 weten we dat deze psalm van David is, en dat in verbinding met Gods belofte (2Sm 7:13-1413Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.14Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat [wil zeggen]: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen en met slagen [als] van mensenkinderen.). Psalm 2 wordt door de eerste christenen in hun gebed aangehaald dat zij bidden naar aanleiding van de arrestatie van Petrus en Johannes die na hun vrijlating hun ervaringen met de medegelovigen delen. In hun gebed na het verslag van Petrus en Johannes citeren zij de verzen 1-21Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
van deze psalm (Hd 4:25-2625Die <door [de] Heilige Geest> bij monde van <onze vader> David, Uw knecht, hebt gezegd: ‘Waarom hebben [de] naties gewoed en [de] volken ijdele dingen bedacht?26De koningen van de aarde zijn opgestaan en de oversten zijn samen bijeenverzameld tegen de Heer en tegen Zijn Gezalfde’.).

Direct in aansluiting op het citaat zeggen zij tegen God: Want in waarheid zijn in deze stad verzameld tegen Uw heilige Knecht Jezus, Die U hebt gezalfd, zowel Herodes als Pontius Pilatus met [de] naties en volken van Israël” (Hd 4:2727Want in waarheid zijn in deze stad verzameld tegen Uw heilige Knecht Jezus, Die U hebt gezalfd, zowel Herodes als Pontius Pilatus met [de] naties en volken van Israël,). De gelovigen zijn wel het doelwit van de vijandschap van de wereld, maar de vijandschap is ten diepste gericht op God en Zijn Christus.

God regeert de heidenvolken en in het bijzonder Israël door de wet en Hij oefent Zijn regering uit door Zijn Koning, de Messias van Israël. In Psalm 2 zijn de heidenen het hoofdonderwerp in die regering die wordt uitgeoefend door Gods Koning vanuit Sion. De rechten van de Gezalfde betreffen niet alleen Israël, maar gaan tot de einden der aarde (vers 88Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
)
. In Psalm 8 zien we dat het hele aardrijk aan de Zoon des mensen is onderworpen. Uit het Nieuwe Testament weten we dat Zijn regering ook de hemel omvat (Ef 1:1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;).

De psalm wijst profetisch op zowel de eerste als de tweede komst van Christus. We kunnen wel zeggen dat wij vlak voor de tweede komst van Christus leven. Het gaat echter vooral over de tijd van de grote verdrukking die nog moet aanbreken. De opstandigheid van de volken, waarover David in de verzen 1-31Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
3Laten wij Hun banden verscheuren
en Hun touwen van ons werpen!
spreekt, bereikt dan haar hoogtepunt (Op 19:1919En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.). Dat is het moment dat de Heer Jezus weer naar de aarde komt. Dan zal Hij de opstandelingen oordelen en vanuit Sion gaan regeren. Dat zien we in de verzen 6-96Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.7Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
8Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
9U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter,
U zult hen in stukken slaan als aardewerk.
.

Deze psalm is ook het eerste voorbeeld van wat de messiaanse psalmen wordt genoemd (Psalmen 2; 8; 16; 22; 24; 40; 41; 45; 68; 69; 91; 97; 102; 110; 118). Messiaanse psalmen zijn psalmen die niet op Hem worden toegepast, maar waarin we Hem persoonlijk horen spreken. Het bewijs daarvoor vinden we in het Nieuwe Testament, waar van deze psalmen wordt gezegd dat de Heer Jezus daarin spreekt.

De dichter van zo’n psalm is een profeet die door de Geest woorden spreekt die alleen de Heer Jezus heeft gesproken. Ze komen uit de mond van de volmaakte Koning, Christus, Messias, Gods Gezalfde (Ps 2:22De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
)
. Hij is dé Koning, met hoofdletter, Die in Psalm 2 de titel Zoon van God krijgt (Ps 2:77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
; vgl. Jh 1:5050Nathanaël antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent [de] Koning van Israël.)
. Daarna kunnen we delen uit die psalmen ook toepassen op het gelovig overblijfsel en op ons.

We kunnen deze psalm indelen in vier delen van drie verzen:
1. Verzen 1-31Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
3Laten wij Hun banden verscheuren
en Hun touwen van ons werpen!
de wereldwijde opstand tegen de HEERE en de gezalfde Koning.
2. Verzen 4-64Die in de hemel woont, zal lachen,
de Heere zal hen bespotten.
5Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn,
in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.
6Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
Gods reactie daarop.
3. Verzen 7-97Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
8Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
9U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter,
U zult hen in stukken slaan als aardewerk.
God kondigt de komst van de Zoon aan.
4. Verzen 10-1210Nu dan, koningen, handel verstandig.
Laat u onderwijzen, rechters van de aarde
11Dien de HEERE met vreze,
verheug u met huiver.
12Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.
Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!
Gods advies aan de volken van de wereld.


Los van God

1Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
2De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
3Laten wij Hun banden verscheuren
en Hun touwen van ons werpen!

De waaromvraag in vers 11Waarom woeden de heidenvolken
en bedenken de volken wat zonder inhoud is?
waarmee de psalm begint, is geen vraag waarop een antwoord wordt verwacht. Het is een vraag van verbazing in de zin van ‘hoe háált iemand het in zijn hoofd?’ De opstandigheid van de volken is dwaas, ongegrond, zinloos. Het staat immers van tevoren vast dat al hun druktemakerij op helemaal niets uitloopt, of erger nog, die op hun ondergang uitloopt (vgl. Jb 9:44Hij is wijs van hart en sterk van kracht;
wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad?
)
. Hun woeden is allemaal verspilde moeite. En wat zij bedenken – dit is hetzelfde woord als ‘overdenken’ in Psalm 1 (Ps 1:22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
)
– is “zonder inhoud”.

Met één enkele zin weerlegt God alle samenzweringen van de volken en hun opstand tegen Hem. Ze komen met voorstellen die inhoudsloos zijn omdat ze zich in werkelijkheid “tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde” keren (vers 22De koningen van de aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen
tegen de HEERE en tegen Zijn Gezalfde:
)
. In de bespreking van de vraagstukken door de volken en hun aangedragen oplossingen is voor God en Zijn Gezalfde geen plaats, want de koningen willen zich niet aan Hen onderwerpen.

Wat de ‘knappe koppen’ uitbroeden, zijn wapens die zij tegen de hemel opstellen. Het wordt allemaal goed verpakt en in aangename woorden voorgesteld, zodat hun onderdanen gemakkelijk meegaan. Maar wie ogen heeft om te zien, ziet dat ze samenspannen, dat ze de krachten bundelen, om alles wat aan God en Zijn Christus herinnert, uit de maatschappij en het denken van de mensen te bannen.

Alles wat God zegt, voelt voor hen als “banden” en “touwen” (vers 33Laten wij Hun banden verscheuren
en Hun touwen van ons werpen!
)
. Ze willen geen beperkingen opgelegd krijgen. Ze weten goed dat God en Christus leefregels hebben gegeven. Dat ze zich dat bewust zijn, blijkt uit wat ze zeggen, want ze spreken over “Hun” banden en touwen. De mens voelt zich autonoom en wil los zijn van God. Daarom: Weg met het knellende juk van het huwelijk als alleen geldig tussen één man en één vrouw. Weg met het knellende juk van het gezin waar een kind alleen wordt opgevoed door de vader en moeder door wie hij in liefde is verwekt en gebaard.

Hun opstand is ook niet alleen tegen de HEERE door Zijn wet – die in Psalm 1 wordt genoemd (Ps 1:22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
)
– te weerstaan. Hun opstand komt ten diepste tot uiting door Zijn Gezalfde te weerstaan. Dit geldt zowel voor Zijn eerste komst (Jh 1:10-1110Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend.11Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.) als voor Zijn wederkomst in heerlijkheid (Op 17:1414Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, en het Lam zal hen overwinnen – want Hij is Heer van [de] heren en Koning van [de] koningen – en zij die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen.). De koningen en de heren van deze wereld weigeren om het gezag van de Koning der koningen en de Heer der heren te erkennen.

Bij Zijn eerste komst zien we een Herodes en een Pontius Pilatus hun geschillen opzijzetten en samenspannen om de Heer Jezus te weerstaan. Zij zijn een type van de twee beesten die in Openbaring 13 worden beschreven. Herodes is een type van het tweede beest, de antichrist, de toekomstige valse koning van Israël (Op 13:11-1811En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.16En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;17<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.18Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.). Pontius Pilatus is een type van het eerste beest, de toekomstige leider van het herstelde Romeinse Rijk, de Verenigde Staten van Europa (Op 13:1-101En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.). Zij zullen allebei strijd voeren tegen de Heer Jezus bij Zijn wederkomst, een strijd die zal plaatsvinden in de vlakte van Megiddo, dat is in Harmagedon (Op 16:1616En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.).

Wat het vlees bedenkt, is vijandschap tegen God (Rm 8:77omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.). De vijandschap zien we bij de komst van de Heer, zowel bij Zijn eerste als bij zijn tweede komst. Deze vijandschap is echter niet alleen het gevolg van het verdorven hart van de mens, maar ook en vooral het gevolg van de macht van de satan, die door de Bijbel “de overste van deze wereld” wordt genoemd (Jh 12:3131Nu is [het] oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld worden buiten geworpen.).


Gods reactie

4Die in de hemel woont, zal lachen,
de Heere zal hen bespotten.
5Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn,
in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.
6Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.

Het is lachwekkend om Gods gezag te tarten en te verwerpen, om tegen God in opstand te komen en te trachten onafhankelijkheid van Hem te verwerven. De reactie van “de Heere” – dat is Adonai ofwel de Gebieder, de Gezaghebber – daarop is een spottend lachen (vers 44Die in de hemel woont, zal lachen,
de Heere zal hen bespotten.
; vgl. Ps 37:12-1312De goddeloze bedenkt [snode] plannen tegen de rechtvaardige,/zain/
hij knarsetandt over hem.
13De Heere lacht hem uit,
want Hij ziet dat zijn dag komt.
; 59:8-98Zie, hun mond vloeit over;
zwaarden komen van hun lippen.
Want, [denken zij,] wie hoort het?9Maar U, HEERE, U lacht om hen,
U bespot alle heidenvolken.
; Sp 1:24-2724Omdat Ik riep, maar u weigerde,
Mijn hand uitstrekte, maar niemand er acht op sloeg,
25omdat u al Mijn raad verwierp,
Mijn bestraffing niet hebt gewild,
26daarom zal Ik ook lachen om uw ondergang,
u bespotten wanneer uw angst komt,
27wanneer uw angst komt als een verwoesting,
uw ondergang eraan komt als een wervelwind,
wanneer benauwdheid en nood over u komen.
)
. God lacht niet om mensen die zich voor Hem buigen, maar om mensen die tegen Hem in opstand komen. Hij kan hun pogingen niet serieus nemen. Hij woont (of: troont) immers in de hemel, onaantastbaar voor de opstandigheid van de volken.

Dat Hij er niet door is aan te tasten, wil niet zeggen dat Hij er onverschillig onder is. Waar Hij ver boven is verheven, gaat daarom nog niet aan Hem voorbij. Hij weet precies wat de mensen willen en doen. Hij zal daar op gepaste, volstrekt rechtvaardige wijze op Zijn tijd op reageren. Zijn troon staat in de hemel, wat wil zeggen dat Hij het opperbestuur over het heelal heeft. Hij regeert en niet de koningen en vorsten.

Dan treedt Hij handelend op door te spreken (vers 55Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn,
in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.
)
. Als Hij spreekt, handelt Hij. God handelt door Zijn Woord. Hij hoeft maar een woord uit te spreken, en het gebeurt. Hij zal dan ook oorlog voeren met het zwaard dat uit Zijn mond komt: Zijn Woord. Hij maakt bekend wat Hij gaat doen.

De toon waarop Hij spreekt, is schrikaanjagend. De inhoud van wat Hij zegt, betekent het einde van alle opstand. God kijkt niet liefdevol naar mensen die hun vuist naar Hem ballen in bewuste opstand tegen Hem en die met gespierde taal naar Hem brallen. Hij spreekt in Zijn toorn tot hen over wat Hij van plan is. Zijn toorn is een “brandende [toorn], wat spreekt van verterend oordeel. De toorn van Adonai is als een vuur dat alles verteert.

Zijn brandende toorn zal worden uitgevoerd door Zijn Koning, Zijn Gezalfde, Zijn Messias (vers 66Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
)
. De Messias is Adonai Zelf. Hij is niemand anders dan de Heer Jezus, de verheerlijkte Heer. Bijna elk woord van dit vers geeft aan waarom het verzet van de volken zo dwaas is en de aanstelling van Gods Koning zo vanzelfsprekend is. God zegt: “Ik heb … toch.” Als God iets heeft gedaan, wat zal een mens daaraan veranderen? Het idee alleen als is bespottelijk, volkomen waanzin.

En wat heeft God gedaan? Hij zegt: “Ik heb Mijn Koning … gezalfd.” Daarmee is alles bepaald en ligt de toekomst vast. Christus is de Koning der koningen en de Heer der heren. Zijn gezag staat vast, evenals de onderwerping daaraan van iedereen en alles, hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen. Voor Hem zal elke knie zich buigen (Fp 2:1010opdat in de Naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,). Niemand ontkomt daaraan. Als God Zijn Koning heeft gezalfd, is dat het einde van alle opstand. Nu zien we dat nog niet, maar we zien Hem aan Wie alles onderworpen is, en Hij is de garantie dat het gebeurt (Hb 2:8b-98alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door <Hem> alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen;9maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte.).

Dat het gaat over de regering van Gods Messias – “Gezalfde” is de vertaling van het Hebreeuwse woord Messias en van het Griekse woord Christus – blijkt uit het centrum van Zijn regering: Sion, dat is Jeruzalem, en de heilige berg, dat is de tempelberg. Dat maakt ook duidelijk dat die regering nog moet komen, want Zijn troon staat nog niet in Jeruzalem.


Gods Zoon, de Messias

7Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
8Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
9U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter,
U zult hen in stukken slaan als aardewerk.

In vers 77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
is de Heer Jezus aan het woord. Hij maakt het besluit bekend dat God in het vorige vers heeft uitgesproken. Dit betekent dat geen mens te verontschuldigen is als hij dit besluit niet kent. Wie het niet weet, heeft dat aan zichzelf te wijten. Hij heeft het kunnen weten, maar hij heeft het niet willen weten. Het is een bewuste en daardoor schuldige onwetendheid.

De Heer Jezus zegt wat de HEERE tegen Hem heeft gezegd. In de eerste plaats is daar die persoonlijke betrekking: “U bent Mijn Zoon.” We horen hier Gods persoonlijke welgevallen in Hem uitspreken, een welgevallen waarvan de Zoon Zich volledig bewust is (Lk 3:2222en de Heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neerdaalde, en er kwam een stem uit [de] hemel: U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik welbehagen gevonden.; vgl. Hb 1:55Want tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’?; 5:55Zo heeft ook Christus niet Zichzelf verheerlijkt om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem gesproken heeft: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’.).

De HEERE heeft aan David beloofd dat de Koning-Messias, de Zoon van David, tegelijkertijd de Zoon van God zal zijn: “Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn” (2Sm 7:1414Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat [wil zeggen]: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen en met slagen [als] van mensenkinderen.). Dit betekent dat de Koning zal regeren als vertegenwoordiger van Zijn Vader. De hoop van Israël is onlosmakelijk verbonden met de Persoon van de Koning.

Het doel van de hele geschiedenis van de wereld is Gods plan met Hem. Dat mensen de wereld sinds de zondeval als hun eigendom zien en er ook zo mee omgaan, verandert daar niets aan. Het verhoogt integendeel hun verantwoordelijkheid tegenover God. Zij misbruiken wat God bestemd heeft voor Zijn Zoon door alles voor zichzelf te gebruiken zonder enige erkenning van Christus als de rechtmatige Eigenaar.

Christus is als Schepper de Eigenaar van de schepping. Door de zonde van de mens is de schepping onder het gezag van de satan gekomen. Maar de Heer Jezus heeft als Losser door Zijn werk op het kruis het recht op de schepping teruggenomen. Hij oefent dat recht nog niet openlijk uit, maar Hij heeft het wel. Om het noodzakelijke werk voor het vrijkopen van de schepping te kunnen doen is Hij, Die de eeuwige Zoon is, Mens geworden. Dat is gebeurd doordat God de Heilige Geest Hem heeft verwekt in Maria (Lk 1:3535En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.).

Dit betekent dat de Heer Jezus in tweeërlei opzicht Zoon van God is. Hij is in de eerste plaats de eeuwige Zoon. Hij is eeuwig, net als de Vader (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.; 16:2828Ik ben van de Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weer en ga heen naar de Vader.; 17:4,244Ik heb U verheerlijkt op de aarde, terwijl Ik het werk heb voleindigd dat U Mij te doen hebt gegeven;24Vader, wat U Mij hebt gegeven – Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij Mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven, omdat U Mij hebt liefgehad voor [de] grondlegging van [de] wereld.; Hb 7:1-31Want deze Melchizédek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende,2aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg [van zijn naam]: koning van [de] gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van [de] vrede,3en terwijl hij zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van leven is, maar op de Zoon van God lijkt, blijft hij priester voor altijd.). Het is duidelijk dat de Vader eeuwig Vader is omdat de Zoon eeuwig Zoon is. Hij is in de tweede plaats Zoon van God als Mens. Dat is Hij niet eeuwig geweest, maar dat is Hij geworden en zal dat ook eeuwig blijven. Hij, Die altijd de eeuwige Zoon is geweest en dat ook altijd blijft, is in het vlees gekomen. Hij is niet verwekt door een zondige vader, maar door God de Heilige Geest. Dit betekent dat Hij ook als Mens de Zoon van God is.

Er is al gewezen op de toespraak van Paulus in het Pisidische Antiochië, waarin Paulus deze psalm, en speciaal dit vers 77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
, aanhaalt (Hd 13:32-3332En wij verkondigen u de belofte, tot de vaderen gekomen, dat God deze heeft vervuld aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken,33zoals ook in de tweede Psalm geschreven staat: ‘U bent Mijn Zoon, heden heb ik U verwekt’.). Uit het citaat blijkt dat de Heer Jezus meer is dan alleen de Zoon van David. Hij is door Zijn geboorte ook de Zoon van God, het wijst op de oorsprong van Zijn leven als Mens op aarde. Na het citaat dat Zijn verwekking aangeeft, gaat Paulus direct door naar Zijn opwekking uit de doden (Hd 13:34-3534En dat Hij Hem uit [de] doden heeft opgewekt om niet meer tot ontbinding terug te keren, heeft Hij zo gezegd: ’Ik zal u de betrouwbare weldadigheden van David geven’.35Daarom zegt Hij ook in een andere [Psalm]: ‘U zult Uw Heilige geen ontbinding te zien geven’.).

Christus heeft als de opgestane Heer alle macht gekregen in hemel en op aarde (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.). God zegt hier tegen Hem dat Hij erom mag vragen die macht ook daadwerkelijk uit te oefenen (vers 88Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
)
. Maar ook dat doet Hij niet eigenmachtig. De verachte, verworpen en gestorven, maar nu opgestane en verheerlijkte Messias wacht daarvoor op de tijd van de Vader. Hij blijft de afhankelijke Mens, Die pas tot handelen overgaat als de Vader Hem de opdracht daartoe geeft. Dan zal Hij Zich Zijn rechtmatige eigendom en bezit ook daadwerkelijk toe-eigenen.

In Zijn gebed tot de Vader zegt de Heer Jezus dat Hij niet voor de wereld vraagt, maar voor hen die de Vader Hem heeft gegeven (Jh 17:99Ik vraag voor hen; niet voor de wereld vraag Ik, maar voor hen die U Mij hebt gegeven; want zij zijn de Uwen). Daarna zal Hij vragen naar de einden van de aarde. Dat zal Hij doen als de gemeente voltallig is. Daarom eist Hij Zijn eigendom en bezit nog niet op. Nadat de gemeente is opgenomen, zal Hij dat doen en gaan regeren.

Dat zullen de volken over de hele aarde merken. Als Hij “met een ijzeren scepter” regeert, zal Hij alle vijanden van God en Zijn volk verpletteren (Op 19:15b15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.). Wat Hij met hen doet, lijkt op het stukslaan van “aardewerk”. Dit symboliseert de broosheid van de mens. Hij is niet meer dan gemakkelijk stuk te slaan pottenbakkerswerk (vgl. Jr 19:1111en tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad stukbreken, zoals men een pot van een pottenbakker stukbreekt, zodat die niet meer hersteld kan worden. Men zal hen in Tofet begraven, omdat er geen [andere] plaats om te begraven is.). De mens is immers gemaakt uit het stof van de aardbodem (Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.), waarnaar het woord ‘aardewerk’ verwijst.

De uitoefening van het oordeel wordt hier aan de Heer Jezus toegeschreven. Deze uitoefening van het oordeel wordt ook van toepassing verklaard op de overwinnaars in de gemeente in Thyatira. Zij mogen als beloning voor hun trouw met Christus regeren (Op 2:2727en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf; als pottenbakkersvaten worden zij verbrijzeld, zoals ook Ik [die macht] van Mijn Vader heb ontvangen;). Elke verlening van macht door de Heer Jezus aan anderen is de verlening van een macht die Hij Zelf van Zijn Vader heeft ontvangen (vgl. Mt 11:27a27Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon [Hem] wil openbaren.; 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.; Jh 3:3535De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in Zijn hand gegeven.; 5:22,2722Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven,27en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.; 13:33stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op).


De uitnodiging tot verzoening

10Nu dan, koningen, handel verstandig.
Laat u onderwijzen, rechters van de aarde
11Dien de HEERE met vreze,
verheug u met huiver.
12Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.
Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!

Na het spreken van de Vader tot de Zoon (vers 66Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
)
en het spreken van de Zoon over Zichzelf (verzen 7-87Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
8Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
)
spreekt in de verzen 10-1210Nu dan, koningen, handel verstandig.
Laat u onderwijzen, rechters van de aarde
11Dien de HEERE met vreze,
verheug u met huiver.
12Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.
Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!
de Heilige Geest. De toorn van God is nog niet ontbrandt en de Heer Jezus regeert nog niet met een ijzeren scepter op aarde. Met de aansporing “nu dan” worden de leiders, “koningen” en “rechters van de aarde”, tot actie aangemaand (vers 1010Nu dan, koningen, handel verstandig.
Laat u onderwijzen, rechters van de aarde
)
.

Het is “nu” de welaangename tijd, het is “nu” de dag van de behoudenis (2Ko 6:2b2(want Hij zegt: ‘In [de] aangename tijd heb Ik U verhoord en op [de] dag van [de] behoudenis heb Ik U geholpen’: zie, nu is het [de] welaangename tijd, zie, nu is het [de] dag van [de] behoudenis),). “Nu dan”, snel, verander je houding tegenover God. Koningen moeten verstandig gaan handelen. Dat kan alleen als ze met hun zonden breken (vgl. Dn 4:2727Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn: breek met uw zonden door gerechtigheid [te betrachten] en met uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen. Misschien zal er [dan] verlenging van uw voorspoed zijn.). Rechters moeten niet meer op eigen voordeel uit zijn, maar eerlijk recht gaan spreken. Daarvoor moeten ze gewillig zijn zich te laten onderwijzen en het onderwijs van Gods Woord aanvaarden. Misschien wordt ook bedoeld dat ze zich door de tucht die God over hen brengt, laten onderwijzen en zich bekeren.

Een waarachtige bekering blijkt uit het dienen van “de HEERE met vreze”. Het gaat in een mensenleven om het dienen van God. Daarvoor heeft God de mens geschapen en daarin ligt ook de werkelijke betekenis van zijn mens-zijn, waardoor Hij zijn diepste verlangens vervult. God dienen is het enige wat voldoening en zin aan zijn bestaan geeft. Vrezen wil zeggen eerbied hebben. We mogen God dienen met ontzag voor Wie Hij is. Het is dienen van Hem Die ver boven ons verheven is en recht heeft op onze dienst omdat Hij ons heeft geschapen en ons onderhoudt.

Aan het dienen van God is vreugde verbonden. Dat betekent dat het geen gedwongen, slaafse dienst is. Toch mogen we nooit vergeten dat Degene Die we dienen “de grote en ontzagwekkende Heere” is (Ne 4:1414Ik zag [erop] toe en stond op en zei tegen de edelen, de machthebbers en de rest van het volk: Wees niet bevreesd voor hen. Denk aan de grote en ontzagwekkende Heere, en strijd voor uw broeders, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen.). Daar hoort een gepaste “huiver” bij. Ook hier gaat het niet om angst, maar om ontzag. Het erkennen van de majesteit van Hem Die we mogen dienen, zal ons bewaren voor een lichtzinnige, arrogante houding tegenover Hem.

Het laatste vers bevat een genadige uitnodiging en een ernstige waarschuwing (vers 1212Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt,
wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.
Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!
)
. Om de HEERE te kunnen dienen op een Hem welgevallige wijze is het nodig dat de mens in de juiste verhouding tot de Zoon staat. Daarmee staat of valt het hele leven van welk mens dan ook. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet (Jh 5:23b23opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet Die Hem heeft gezonden.), wat hij ook mag beweren over zijn eigen dienst aan God. God eren betekent de Zoon eren. Daarom klinkt tot slot de oproep om de Zoon te kussen, dat wil zeggen Zich in eerbied voor Hem te buigen (vgl. 1Sm 10:11Toen nam Samuel een oliekruik, goot die leeg op zijn hoofd, kuste hem en zei: Is het niet zo, dat de HEERE u tot een vorst over Zijn eigendom gezalfd heeft?; 1Kn 19:1818Maar Ik zal er in Israël zevenduizend overlaten, allen die de knieën niet gebogen hebben voor de Baäl, en allen van wie de mond hem niet gekust heeft.; Hs 13:22En nu zijn zij doorgegaan met zondigen:
zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt
van hun zilver, en afgods[beelden] naar hun inzicht,
allemaal werk van vaklieden.
Zij zeggen van hen:
Mensen die offeren,
kussen kalveren.
; Lk 7:38,44-4538ging wenend achter Hem staan, bij Zijn voeten, en begon Zijn voeten met haar tranen nat te maken en droogde ze af met de haren van haar hoofd, en zij kuste Zijn voeten innig en zalfde ze met de balsem.44En terwijl Hij Zich omkeerde naar de vrouw, zei Hij tot Simon: Ziet u deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water voor [Mijn] voeten hebt u Mij niet gegeven, maar zij heeft Mijn voeten met haar tranen nat gemaakt en met haar haren afgedroogd.45Een kus hebt u Mij niet gegeven, maar zij heeft vanaf dat Ik binnengekomen ben niet opgehouden Mijn voeten innig te kussen.)
, en zich met Hem verzoenen.

De keerzijde is het ontbranden van Zijn toorn. Zijn toorn hangt dreigend boven ieder mens die “onderweg” is en voor zichzelf leeft zonder rekening te houden met het gezag van de Zoon. Wie de Zoon niet kust, komt om door het ontbranden van de toorn van de Zoon. Slechts een moment van toorn, “even”, betekent het einde van de mens die Hem niet heeft gekust. “Vreselijk is het te vallen in [de] handen van [de] levende God” (Hb 10:3131Vreselijk is het te vallen in [de] handen van [de] levende God!). “Immers, onze God is een verterend vuur” (Hb 12:2929Immers, onze God is een verterend vuur.).

De psalm eindigt met het woord “welzalig”, hetzelfde woord waarmee Psalm 1 begint. Dit ‘welzalig’ wordt iedereen aangeboden die de Zoon nog niet heeft gekust. Het is een laatste uitnodiging. Daarin wordt een veilige schuilplaats tegen Gods toorn aangeboden. Die schuilplaats is niemand anders dan Hij Die het oordeel uitoefent. Hij is ook Degene Die ieder tegen het oordeel beschermt die tot Hem de toevlucht neemt. Hij wijst niemand af die met oprecht berouw over en belijdenis van zijn zonden bij Hem komt.

Profetisch is dit vers tevens een inleiding voor de volgende psalmen, Psalmen 3-7. Voordat het geweld van de grote verdrukking over de hoofden van het gelovig overblijfsel losbarst, wordt hier verkondigd waar de behoudenis te vinden is: alleen bij de HEERE. We kunnen dit vergelijken met de ark die als middel van redding wordt gebouwd vóór en met het oog op de aanstaande zondvloed. De ark is een beeld van Christus en de zondvloed is een beeld van de grote verdrukking.


Lees verder