Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-7 De boodschap van de schepping 8-12 De boodschap van de wet 13-15 Gebed voor een heilig leven
Inleiding

Nu Christus in Psalm 18 is verhoogd, zien we in de hierop volgende zes psalmen, de veelvoudige heerlijkheden van Christus. In Psalm 18 openbaart God zich in het leven van David. In Psalm 19 openbaart God Zich op twee andere wijzen. In deze psalm gaan twee boeken voor ons open: het boek van de schepping (verzen 2-72De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
3Dag op dag spreekt overvloedig,
nacht op nacht geeft kennis door.
4Geen spreken is er, geen woorden zijn er,
hun stem wordt niet gehoord.
5Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
6En die is als een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat;
hij is vrolijk als een held om snel het pad te lopen.
7Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang,
zijn omloop is tot het andere einde;
niets is verborgen voor zijn gloed.
)
en het boek van de wet (verzen 8-128De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
9De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
10De vreze des HEEREN is rein,
zij houdt voor eeuwig stand;
de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig,
met elkaar zijn zij rechtvaardig.
11Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
12Ook wordt Uw dienaar daardoor gewaarschuwd,
in het houden ervan ligt groot loon.
)
.

De wet is hier niet de weg tot rechtvaardiging bij gehoorzaamheid eraan, maar de wet als onderwijs (torah betekent onderwijs). De wet is hier synoniem met het Woord van God.

In het boek van de schepping lezen we één keer over God, dat is God de Schepper (vers 22De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
; vgl. Gn 1:1-311In het begin schiep God de hemel en de aarde.2De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.3En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.4En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.5En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.6En God zei: Laat er een gewelf zijn in het midden van het water, en laat dat scheiding maken tussen water en water!7En God maakte dat gewelf en maakte scheiding tussen het water dat onder het gewelf is, en het water dat boven het gewelf is. En het was zo.8En God noemde het gewelf hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.9En God zei: Laat het water dat onder de hemel is, in één plaats samenvloeien en laat het droge zichtbaar worden! En het was zo.10En God noemde het droge aarde en het samengevloeide water noemde Hij zeeën; en God zag dat het goed was.11En God zei: Laat de aarde groen doen opkomen, zaaddragend gewas, vruchtbomen, die naar hun soort vrucht dragen, waarin hun zaad is op de aarde! En het was zo.12En de aarde bracht groen voort, zaaddragend gewas naar zijn soort en bomen die vrucht dragen waarin hun zaad is, naar hun soort. En God zag dat het goed was.13Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag.14En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!15En laten zij tot lichten zijn aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde! En het was zo.16En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.17En God plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde,18om de dag en de nacht te beheersen en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.19Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vierde dag.20En God zei: Laat het water wemelen van wemelende levende wezens; en laten er vogels boven de aarde vliegen, langs het hemelgewelf!21En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was.22En God zegende ze en zei: Wees vruchtbaar, word talrijk, en vervul het water van de zeeën; en laten de vogels talrijk worden op de aarde!23Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag.24En God zei: Laat de aarde levende wezens naar hun soort voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren van de aarde, naar zijn soort! En het was zo.25En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun soort, het vee naar hun soort, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort. En God zag dat het goed was.26En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!27En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.28En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!29En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen.30Maar aan al de dieren van de aarde, aan alle vogels in de lucht en aan al wat over de aarde kruipt, waarin leven is, [heb Ik] al het groene gewas tot voedsel [gegeven]. En het was zo.31En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.; 2:1-31Zo zijn de hemel en de aarde voltooid, en heel hun legermacht.2Toen God op de zevende dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had, voltooid had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.3En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.)
. In het boek van de wet lezen we zeven keer over de HEERE, dat is de God van het verbond Die tot de mens spreekt en met hem een relatie wil hebben (vgl. Gn 2:4-254Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam, toen zij geschapen werden. Op de dag dat de HEERE God aarde en hemel maakte –5er was nog geen enkele veldstruik op de aarde en er was nog geen enkel veldgewas opgekomen, want de HEERE God had het niet laten regenen op de aarde; en er was geen mens om de aardbodem te bewerken,6maar een damp steeg uit de aarde op en bevochtigde heel de aardbodem –7toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.8Ook plantte de HEERE God een hof in Eden, in het oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij gevormd had.9En de HEERE God liet allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, begerenswaardig om te zien en goed om van te eten; ook de boom des levens, in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad.10Een rivier kwam voort uit Eden om de hof te bevochtigen. En vandaar splitste hij zich en vormde vier hoofd[stromen].11De naam van de eerste [rivier] is Pison; die is het die rond heel het land van Havila stroomt, waar het goud is.12En het goud van dit land is goed; [ook] is er balsemhars en de [edel]steen onyx.13En de naam van de tweede rivier is Gihon; die is het die rond heel het land Cusj stroomt.14En de naam van de derde rivier is Tigris; die loopt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat.15De HEERE God nam de mens, en zette hem in de hof van Eden om die te bewerken en te onderhouden.16En de HEERE God gebood de mens: Van alle bomen van de hof mag u vrij eten,17maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.18Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als [iemand] tegenover hem.19De HEERE God vormde uit de aardbodem alle dieren van het veld en alle vogels in de lucht, en bracht die bij Adam, om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam elk levend wezen noemen zou, zo zou zijn naam zijn.20Zo gaf Adam namen aan al het vee en aan de vogels in de lucht en aan alle dieren van het veld; maar voor de mens vond hij geen hulp als [iemand] tegenover hem.21Toen liet de HEERE God een diepe slaap op Adam vallen, zodat hij in slaap viel; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats ervan toe met vlees.22En de HEERE God bouwde de rib die Hij uit Adam genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar bij Adam.23Toen zei Adam:
Deze is ditmaal
been van mijn beenderen,
en vlees van mijn vlees!
Deze zal mannin genoemd worden,
want uit de man
is zij genomen.
24Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.25En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw, maar zij schaamden zich niet.
)
.

In beide boeken openbaart God Zich en kan de mens Hem leren kennen. Het zijn twee verschillende manieren waarop God Zich openbaart. Aan de geschapen hemel volgen we het pad van de zon; in het geïnspireerde Woord volgen we het pad van de Zoon, die “de Zon der gerechtigheid” wordt genoemd (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. We kunnen spreken van een openbaring in ‘werk’ en een openbaring in ’het Woord’. In beide openbaringen zien we de openbaring van de Zoon. Over Hem gaat het met name in de twee volgende psalmen.

De ‘werkopenbaring’ van God gebeurt door de Zoon. De Schrift is er duidelijk over dat Zoon de Schepper is (Jh 1:1-31In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.2Dit was in [het] begin bij God.3Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.; Ko 1:12-1612terwijl u de Vader dankt, Die u bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht;13Die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde,14in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving van de zonden.15Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,16want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.; Hb 1:1-21Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,2Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.). De schepping weerspiegelt de heerlijkheid van de Zoon van God, “Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid” (Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,). Ook de ‘Woordopenbaring’ gebeurt door de Zoon. Hij is het Woord dat in het begin was, dat bij God was en dat God was. Dat “Woord is vlees geworden” (Jh 1:1,141In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.14En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.). De Zoon Zelf is daarom ook de volkomen openbaring van God, want in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk (Ko 1:1919Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen; 2:99Want in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk,). Hij is God “geopenbaard in [het] vlees” (1Tm 3:1616En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de Godsvrucht: Hij Die geopenbaard is in [het] vlees, gerechtvaardigd in [de] Geest, gezien door [de] engelen, gepredikt onder [de] volken, geloofd in [de] wereld, opgenomen in heerlijkheid.) en kan daarom zeggen: “Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien” (Jh 14:99Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader?).

Het is ook goed een onderscheid aan te brengen tussen aan de ene kant de schepping en aan de andere kant het Woord en de Zoon. Dit onderscheid is van belang omdat we in een schepping leven waarop door de zonde een vloek is komen te liggen (Rm 8:19-2219Want de schepping verwacht reikhalzend de openbaring van de zonen van God.20Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),21in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.22Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe.). Uit de schepping blijkt wel de eer, de kracht en Goddelijkheid van de Schepper (Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,), maar is geen volkomen openbaring van God. Het Woord en de Zoon zijn wel een volkomen openbaring van God. Ze zijn beide op geen enkele wijze met de zonde verbonden. Door beide, zowel door het Woord als door de Zoon, leren we de verschillende eigenschappen God kennen, zoals Zijn liefde en genade en Zijn heiligheid en gerechtigheid.

Profetisch gaat om de periode dat de gemeente is opgenomen en dat door de tijd van de boodschap van het evangelie van Gods genade voorbij is. Toch geeft God ook dan nog een dubbele getuigenis door
1. het eeuwig evangelie – dat God de Schepper is (Op 14:6-76En ik zag een andere engel vliegen in [het] midden van de hemel, die [het] eeuwig evangelie had, om het te verkondigen aan hen die op de aarde wonen en aan elke natie en geslacht en taal en volk,7en hij zei met luider stem: Vreest God en geeft Hem heerlijkheid, want het uur van Zijn oordeel is gekomen; en aanbidt Hem Die de hemel en de aarde en [de] zee en [de] waterbronnen heeft gemaakt.) en
2. het evangelie van het koninkrijk – dat is het onderwijs van God uit het Oude Testament.

De psalmist kijkt naar de openbaring van God in de wereld van de natuur. Deze openbaring wordt aan God ontzegd door mensen die de evolutietheorie hebben verzonnen als een vervanging voor de schepping en het ontstaan van het leven. Aan dit verzinsel gaat de psalmist in zijn loflied volkomen voorbij. Hij kent en erkent God als de Schepper (Hb 11:33Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.).

De openbaring van God in de schepping wordt gekenmerkt door schoonheid. Dit wordt weerspiegelt in de taal van Psalm 19. Het is een van de schoonste gedichten ooit geschreven, waarvan de schoonheid vooral zichtbaar is in de oorspronkelijke taal, het Hebreeuws.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider.

Het is “een psalm van David”. Zie bij Psalm 3:1. Hij is ook “voor de koorleider”. Zie bij Psalm 4:1.


De boodschap van de schepping

2De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
3Dag op dag spreekt overvloedig,
nacht op nacht geeft kennis door.
4Geen spreken is er, geen woorden zijn er,
hun stem wordt niet gehoord.
5Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
6En die is als een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat;
hij is vrolijk als een held om snel het pad te lopen.
7Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang,
zijn omloop is tot het andere einde;
niets is verborgen voor zijn gloed.

Het eerste deel van het lied, dat over Gods openbaring in de schepping gaat, bestaat uit twee delen: de hemel (verzen 2-5a2De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
3Dag op dag spreekt overvloedig,
nacht op nacht geeft kennis door.
4Geen spreken is er, geen woorden zijn er,
hun stem wordt niet gehoord.
5Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
)
en de zon (verzen 5b-75Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
6En die is als een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat;
hij is vrolijk als een held om snel het pad te lopen.
7Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang,
zijn omloop is tot het andere einde;
niets is verborgen voor zijn gloed.
)
. De zon is het belangrijkste hemellichaam. In het tweede deel van het lied gaat het om het Woord en de Zoon. De Zoon is het Voorwerp van Gods welbehagen, de kern en inhoud van het Woord.

De psalmist behandelt het onderwerp schepping niet als een technische verhandeling, maar als de openbaring van Gods macht en majesteit. Het brengt ons in de tegenwoordigheid van de grote God en leidt ons tot lof en aanbidding.

Het getuigenis van God in de schepping is speciaal dat van de hemel. De aarde heeft door de zonde van de mens veel van zijn oorspronkelijke schoonheid verloren, waardoor Gods werk minder duidelijk zichtbaar is. Zeker is het zo, dat vanaf en door de schepping Gods “eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien” worden (Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,). Daardoor kan de mens Hem leren kennen, dat wil zeggen in Zijn bestaan (Hd 14:15-1715en schreeuwden aldus: Mannen, waarom doet u dit? Ook wij zijn mensen van gelijke natuur als u en verkondigen u dat u zich van deze nietige [goden] moet bekeren tot [de] levende God, Die de hemel, de aarde, de zee en alles wat daarin is, heeft gemaakt.16Hij heeft in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan,17hoewel Hij Zich niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde.; 17:24-3124De God Die de wereld heeft gemaakt en alles wat daarin is, Hij Die Heer is van hemel en aarde, woont niet in met handen gemaakte tempels,25en wordt ook niet door mensenhanden verzorgd alsof Hij nog iets nodig heeft, daar Hijzelf aan allen leven en adem en alles geeft.26En Hij heeft uit één <bloed> [het] hele mensengeslacht gemaakt om op [het] hele aardoppervlak te wonen, terwijl Hij de bepaalde tijden en de grenzen van hun woonplaats heeft vastgesteld,27opdat zij God zouden zoeken, of zij misschien naar Hem mochten tasten en Hem vinden, hoewel Hij niet ver is van ieder van ons.28Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, zoals ook enigen van de dichters onder u hebben gezegd: ‘Want wij zijn ook Zijn geslacht’.29Daar wij dus Gods geslacht zijn, behoren wij niet te menen dat de Godheid gelijk is aan goud, zilver of steen, aan beeldwerk van menselijke kunst en vinding.30Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren,31omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een Man Die Hij [daartoe] heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit [de] doden op te wekken.). De schepping is als een raam waar doorheen de mens het Wezen en handelen van God in de tijd kan waarnemen.

We kunnen zeggen dat Gods majesteit in de schepping het meest duidelijk wordt door de hemel als Zijn scheppingswerk. David leefde als schaapsherder onder de open hemel, dag en nacht. De hemel is niet zichtbaar door de zonde van de mens aangetast, wat bij de aarde wel het geval is, waardoor deze niet meer zijn volle opbrengst geeft en veel van zijn oorspronkelijke glans is kwijtgeraakt (Gn 3:17-1917En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten,
is de aardbodem omwille van u vervloekt;
met zwoegen zult u daarvan eten,
al de dagen van uw leven;
18dorens en distels zal hij voor u laten opkomen
en u zult het gewas van het veld eten.
19In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
; 4:1212Als u de aardbodem bewerkt, zal die u zijn volle opbrengst niet meer geven; u zult dolend en dwalend over de aarde [gaan].)
. Daarbij komt dat Gods eer door de hemel als verteller over de hele aarde gaat en niet beperkt is tot Israël. De volken horen hierdoor ook Gods stem. Daarover horen we in vers 55Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
meer.

Door de “hemel” en “het gewelf” (vers 22De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
)
krijgen we een indruk van de onbegrensdheid van God, Die werkelijk onbegrensd is, terwijl de hemel en het gewelf dat niet zijn. We krijgen daardoor ook een indruk van de bron van licht, en daardoor van leven. We krijgen ook een indruk van de orde en regelmaat die God kenmerkt, en daardoor van de tekenen die de tijd kenmerken: door de zon van het jaar, door de maan van de maand, en van de omwenteling van de aarde door het dag en nacht ritme.

De hemel en het geweld zijn het gebied waar God de zon, de maan en de sterren hun plaats heeft gegeven (Gn 1:14-1914En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!15En laten zij tot lichten zijn aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde! En het was zo.16En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.17En God plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde,18om de dag en de nacht te beheersen en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.19Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vierde dag.). Als we naar de hemel kijken, op welk tijdstip van de dag of van de nacht ook, vertellen deze lichten aan de hemel Gods eer, ze tonen Zijn glorie. Ze staan aan het hemelgewelf, waardoor dat gewelf “het werk van Zijn handen” verkondigt. Zijn vingers hebben ze daar geplaatst (Ps 8:44Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U [hun] plaats gegeven hebt,
)
. Ze zijn als het ware Zijn handtekening op Zijn werkstuk. De tijdsvormen van de werkwoorden ‘vertelt’ en ‘verkondigt’ geven aan dat ze dit voortdurend, onophoudelijk doen.

Dat die verkondiging er “dag op dag” en “nacht op nacht” is, bevestigt dat het altijd, zonder onderbreking doorgaat (vers 33Dag op dag spreekt overvloedig,
nacht op nacht geeft kennis door.
)
. Er is wel afwisseling. De cyclus van dag en nacht draagt bij aan de regelmatigheid van de seizoenen en daardoor aan de regelmatigheid van de agrarische kalender (Gn 8:2222Voortaan, al de dagen van de aarde,
zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte,
zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.
)
. Vanwege de snelle wisseling van de dagen, is er een overvloedig spreken. Het is een dag op dag spreken van God. Elke nieuwe dag voegt een nieuw spreken van God aan het vorige spreken door de vorige dag toe.

Mensen hebben in het verleden de zon verafgood. Vandaag de dag verklaren ze de Schepper weg door de evolutieleer. Maar in Psalm 19 laat de psalmist de schepping Gods eer als Schepper verkondigen. Mensen proberen Hem de mond te snoeren door de zogenaamd wetenschappelijk bewezen evolutietheorie, maar daarmee kunnen ze God het zwijgen niet opleggen. Als de mens goed kijkt, ziet hij dat er kennis wordt doorgegeven. Zeker is dat ook kennis van God, maar dan vooral kennis van Zijn wijsheid die Hij in Zijn schepping laat zien (Sp 8:22-3122De HEERE bezat Mij [aan] het begin van Zijn weg,
[al] vóór Zijn werken, van oudsher.
23Van eeuwigheid af ben Ik gezalfd geweest,
vanaf het begin, vanaf de tijden voordat de aarde [er was].
24Toen er [nog] geen diepe wateren waren, werd Ik geboren,
toen er [nog] geen bronnen waren, zwaar van water.
25Voordat de bergen waren verzonken,
vóór de heuvels, werd Ik geboren.
26Hij had de aarde en de velden nog niet gemaakt,
evenmin het begin van de stofjes van de wereld.
27Toen Hij de hemel gereedmaakte, was Ik daar,
toen Hij een cirkel trok over het oppervlak van de watervloed,
28toen Hij de wolken daarboven sterk maakte,
Hij de bronnen van de watervloed versterkte,
29toen Hij voor de zee zijn plaats bepaalde,
zodat het water Zijn bevel niet zou overtreden,
toen Hij de fundamenten van de aarde verordende,
30was Ik bij Hem, [Zijn] Lievelingskind,
Ik was dag aan dag [Zijn] bron van blijdschap,
te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht,
31al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap [vond Ik] bij de mensenkinderen.
)
.

De openbaring van God in de natuur gebeurt in een taal zonder woorden (vers 44Geen spreken is er, geen woorden zijn er,
hun stem wordt niet gehoord.
)
. Het is een universele taal, die door iedereen kan worden verstaan. Deze taal overstijgt de spraakverwarring die door de hoogmoed van de mens in de wereld is gekomen (Gn 11:1-91Heel de aarde had één taal en eendere woorden.2En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.3En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!5Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,6en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.7Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.8Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.9Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.). Deze universele taal gaat dwars door alle taalbarrières heen naar alle uiteinden van de wereld (vers 55Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
)
.

Zoals al is opgemerkt, is het getuigenis van God in de schepping en in het bijzonder door de hemel en het gewelf een algemeen getuigenis dat over de hele wereld gaat. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat Paulus dit vers citeert in verband met de prediking van het Woord van God (Rm 10:1818Maar ik zeg: Hebben zij niet gehoord? Zeker wel: ‘Hun geluid is uitgegaan over de hele aarde en hun woorden tot de einden van het aardrijk’.). Hij bewijst daarmee dat God ook in het Oude Testament een prediking heeft gehad voor de heidenen, zodat ze kennis hebben kunnen nemen van God en in Hem zouden kunnen gaan geloven. Het laat ook zien dat het getuigenis van God dat van de schepping uitgaat, zich niet tot Israël beperkt, maar dat het over de hele wereld is waar te nemen.

Het laatste deel van vers 55Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
en de verzen 6-76En die is als een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat;
hij is vrolijk als een held om snel het pad te lopen.
7Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang,
zijn omloop is tot het andere einde;
niets is verborgen voor zijn gloed.
gaan over de zon, terwijl David in Psalm 8, waar hij ook onder de indruk van de schepping is, spreekt over de maan en de sterren (Ps 8:44Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U [hun] plaats gegeven hebt,
)
. De zon is van vitaal belang voor het leven op aarde. De zon wordt overdrachtelijk voorgesteld als een persoon. De Heer Jezus wordt “de Zon der gerechtigheid” genoemd (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. De zon is een bijzondere verwijzing naar Christus. Het gaat in de schepping dan ook ten diepste over de heerlijkheid van Christus, de Zoon van God.

God heeft “daar”, dat is “aan het einde van de wereld” (vers 5a5Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
)
, “een tent opgezet” (vers 5b5Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
)”
. De tent stelt symbolisch het nachtverblijf van de zon voor. Daaruit komt de zon tevoorschijn. Elke dag dat de zon opkomt, geeft zijn verschijning getuigenis van de aanwezigheid van Christus. Onaantastbaar voor iets op aarde gaat Hij de dag door en verkondigt dat Hij er is. Er is geloof voor nodig om dat te zien.

Op schitterende wijze stelt David de opgang van de zon voor als hij vanuit zijn ‘tent’ verschijnt. Hij vergelijkt de zon met “een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat” en met “een held” die vrolijk opstaat “om snel het pad te lopen” (vers 66En die is als een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat;
hij is vrolijk als een held om snel het pad te lopen.
)
. De “bruidegom” staat op uit zijn vertrek om naar zijn bruid te gaan, wat een grote vreugde voor hem is. Hij wordt toegezongen door de genodigden. De “held” is vrolijk. Krachtig en vol zelfvertrouwen gaat hij zijn wedstrijd lopen.

In vers 77Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang,
zijn omloop is tot het andere einde;
niets is verborgen voor zijn gloed.
beschrijft David het pad dat de zon snel loopt. Het pad begint “aan het ene einde van de hemel”. Daar “is zijn opgang”. Hij zet “zijn omloop”, zijn snelle wandeling langs het gewelf, voort tot hij “het andere einde” heeft bereikt en achter de horizon weer in de tent gaat die God voor hem heeft opgezet. Tijdens zijn omloop schijnt hij overal met de gloed van zijn zonnestralen, waarmee hij ook de aarde verwarmt.

Zoals niets verborgen is voor zijn gloed, zo is ook niemand verborgen voor het getuigenis van het eeuwig evangelie dat uit de schepping spreekt (vgl. Op 14:6-76En ik zag een andere engel vliegen in [het] midden van de hemel, die [het] eeuwig evangelie had, om het te verkondigen aan hen die op de aarde wonen en aan elke natie en geslacht en taal en volk,7en hij zei met luider stem: Vreest God en geeft Hem heerlijkheid, want het uur van Zijn oordeel is gekomen; en aanbidt Hem Die de hemel en de aarde en [de] zee en [de] waterbronnen heeft gemaakt.). Iedereen kan weten dat God er is en zich realiseren dat hij zich voor Hem zal moeten verantwoorden (vgl. Ko 1:23b23als u namelijk blijft in het geloof, gegrond en vast, en zich niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in [de] hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.).

De omloop van de zon wordt niet in wetenschappelijke, maar in poëtische taal beschreven. Zo spreekt de mens er ook over in zijn dagelijkse taalgebruik. We weten dat de zon stilstaat en dat de aarde eromheen draait, maar voor onze waarneming staat de aarde stil en draait de zon. Zo beschrijft David hier het opgaan en ondergaan van de zon en zijn omloop langs de hemel.


De boodschap van de wet

8De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
9De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
10De vreze des HEEREN is rein,
zij houdt voor eeuwig stand;
de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig,
met elkaar zijn zij rechtvaardig.
11Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
12Ook wordt Uw dienaar daardoor gewaarschuwd,
in het houden ervan ligt groot loon.

Na de stem van de natuur volgt de stem van de Schrift. Het tweede getuigenis dat God van Zichzelf geeft, is de wet (torah), Zijn Woord dat onderwijs betekent. Ook hierin zien we des te meer en des te helderder de heerlijkheid van Christus. Hij is het Woord van God dat bij God was (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.). “Het Woord is vlees geworden” (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.), dat is Christus als Hij op aarde komt. Dan horen we Hem spreken en maakt Hij God bekend.

In verbinding met de wet spreekt David over God als “de HEERE”, terwijl in verbinding met de schepping hij over Hem spreekt als God (vers 22De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
)
. Als de HEERE (Jahweh) staat Hij in trouw aan Zijn verbond in verbinding met de mens; als God (Elohim) staat Hij in verbinding met Zijn hele schepping. De naam Elohim spreekt van Gods macht als Schepper. We zien dit ook in Genesis 1 en Genesis 2. In Genesis 1 wordt gesproken over God; in Genesis 2, waar de mens in de schepping zijn plaats krijgt en God met Hem aan het werk is, is het steeds HEERE God.

De wet is aan één volk gegeven, aan Israël. God heeft Zich aan Zijn volk bekendgemaakt als de HEERE, de God van het verbond speciaal met dat volk, met de bedoeling dat dit volk tot zegen zal zijn voor alle volken. Zoals hiervoor al is gezegd, wordt de naam HEERE God gebruikt zodra er sprake is van de relatie van God met de mens. Dat houdt in dat we de wet hier zien in verbinding met het geweten van ieder mens, Jood of heiden. De heidenen zijn niet onder de wet. Toch is het werk van de wet in hun geweten geschreven. We hebben in Romeinen 1 Gods getuigenis in de schepping (Rm 1:19-2019omdat wat van God gekend kan worden, onder hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard20– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,) en in Romeinen 2 het werk van de wet in het geweten (Rm 2:14-1514want wanneer [de] volken, die geen wet hebben, van nature de [geboden] van de wet doen, dan zijn dezen die geen wet hebben, zichzelf tot wet,15en zij tonen dat het werk van de wet in hun harten geschreven staat, terwijl hun geweten meegetuigt en hun gedachten elkaar onderling beschuldigen of ook verontschuldigen),). Dat is dezelfde volgorde als hier in Psalm 19.

De schepping toont wel aan dat de Schepper er is, maar verklaart niet hoe zij is ontstaan, evenmin als de reden van haar bestaan. De wet, of de Schrift, doet wat de hemel, het gewelf en de zon niet kunnen doen. De Schrift verklaart het ontstaan van alle dingen en ook waarom ze gemaakt zijn.

David beschrijft de wet met verschillende namen die synoniemen zijn. Deze synoniemen komen weer terug in de lofzang op Gods Woord in Psalm 119, maar we vinden ze ook verspreid in heel het boek Psalmen. Uit deze synoniemen blijkt dat de wet meer van God openbaart dan wat de schepping van God openbaart.

David spreekt niet technisch en afstandelijk over het Woord. Dat kan hij niet. Hij spreekt erover in een lofzang. In zes uitspraken wordt het Woord uitgelegd en zijn uitwerking op de mens besproken (verzen 8-108De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
9De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
10De vreze des HEEREN is rein,
zij houdt voor eeuwig stand;
de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig,
met elkaar zijn zij rechtvaardig.
)
. Hij spreekt over
1. “de wet”,
2. “de getuigenis”,
3. “de bevelen”,
4. “het gebod”,
5. “de vreze des HEEREN” en
6. “de bepalingen”.
Daaraan koppelt hij diverse kenmerken, die voor het hele Woord van God gelden en voor God Zelf van Wie de wet komt en over Wie het in de wet gaat.

Hij spreekt eerst over “de wet van de HEERE” als het geheel van aanwijzingen, onderwijzingen en leringen die de HEERE op allerlei wijze, speciaal door Mozes, aan Israël heeft gegeven (vers 88De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
)
. Het doel van dit onderwijs is dat het onderwijs (torah) van het Woord eigen wordt gemaakt, in het hart (Ps 37:3131De wet van zijn God is in zijn hart;
zijn schreden wankelen niet.
)
.

“De wet” is het geheel van de geschreven openbaring van God in het Oude Testament. Hij zegt daarvan dat die “volmaakt” is, dat wil zeggen dat er niets aan ontbreekt en dat ze feilloos is, vrij van elke dwaling. De wet in deze hoedanigheid “bekeert de ziel”. Dit heeft de betekenis van herstellen, verkwikken (Ps 23:33Hij verkwikt mijn ziel,
Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid,
omwille van Zijn Naam.
)
, nieuwe levenskracht geven. Het houdt in dat mensen erdoor op het rechte pad worden gebracht.

Dan wordt de wet, ofwel het Woord, “de getuigenis van de HEERE” genoemd. Dat spreekt van het spreken van God zoals een getuige dat in een rechtszaak doet. Het gaat om het ernstig betuigen van de waarheid. Als mijn hart uitgaat naar het Woord van God als Zijn getuigenis, zal ik daardoor bewaard worden voor verkeerde motieven, bijvoorbeeld voor winstbejag (Ps 119:3636Neig mijn hart naar Uw getuigenissen
en niet naar winstbejag.
)
. Daaraan heb ik dan geen behoefte meer.

Hieraan wordt het kenmerk “betrouwbaar” verbonden. Dat de wet betrouwbaar is, blijkt daaruit dat hij “de eenvoudige wijsheid” geeft. “De eenvoudige” is de jonge, onervaren mens, iemand zonder levenservaring. Wat hij nodig heeft om zijn leven tot eer van God te leven, is wijsheid. Die wordt hem in ‘de getuigenis van de HEERE’ met indringende plechtigheid aangereikt. Om er nut van te hebben zal hij erin moeten lezen.

De wet bestaat uit “de bevelen van de HEERE” (vers 99De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
)
. Het woord ‘bevelen’ komt uitsluitend in Psalmen voor (vierentwintig keer). God geeft Zijn bevelen opdat die “ten zeerste in acht” worden genomen (Ps 119:44[HEERE,] Ú hebt geboden
om Uw bevelen ten zeerste in acht te nemen.
)
. Het is niet zwaar om ze in acht te nemen, want deze bevelen verheugen het hart, zegt David hier in vers 99De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
, zij geven blijdschap.

Het woord ‘bevelen’ staat in het meervoud omdat het gebiedende aanwijzingen voor de vele terreinen van het leven betreft. Bij alle beslissingen en daden moeten wij ons daardoor laten gezeggen. Het heeft met onze verantwoordelijkheid te maken om aan al Gods bevelen te gehoorzamen. Als we dat doen, weten we dat we op Gods weg zijn, waardoor we in gemeenschap met Hem leven, wat blijdschap in het hart geeft.

Bij “het gebod van de HEERE” kunnen we denken aan iets wat God uitdrukkelijk geboden heeft om te doen. Hier heeft Zijn gezag de nadruk. Het Hebreeuwse woord mitsvat betekent de Goddelijke regels en geestelijke wetmatigheid op vele terreinen van het leven. In Psalm 18 is het vertaald met ‘verordeningen’ (Ps 18:2323Want al Zijn bepalingen [hield] ik voor ogen,
Zijn verordeningen deed ik niet van mij weg,
)
. Het is het geheel van Gods wil in ons leven. Deze verordeningen geven licht in onze ogen, waardoor wij de dingen zien zoals God die ziet.

Altijd is wat Hij gebiedt “zuiver”. Het is altijd zonder enige bijbedoeling. Hij bedoelt wat Hij zegt. Zuiver betekent ook dat het zuiverend werkt en daarom de ogen verlicht. Als we doen wat Hij ons opdraagt, “verlicht” het onze “ogen”. We zullen inzicht krijgen in de weg die wij te gaan hebben.

David noemt de wet ook “de vreze des HEEREN” (vers 1010De vreze des HEEREN is rein,
zij houdt voor eeuwig stand;
de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig,
met elkaar zijn zij rechtvaardig.
)
. Het gaat daarbij niet om angst, maar om eerbied, ontzag. Die vrees “is rein”, gelouterd (Ps 12:77De woorden van de HEERE zijn reine woorden,
[als] zilver gelouterd in een aarden smeltkroes,
gezuiverd zevenmaal.
)
, zonder bijbedoeling en daarom oprecht. Het is geen huichelachtig ontzag, of ontzag alleen bij een bepaalde gelegenheid. Er verandert ook niets aan die vrees, de vrees blijft altijd gelijk, “zij houdt voor eeuwig stand”. Het ontzag, de eerbied voor God en wat Hij heeft gezegd, zal altijd blijven omdat Hij nooit verandert (Jk 1:1717Elke goede gave en elk volmaakt geschenk daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering.).

Ten slotte zegt David van de wet dat “de bepalingen van de HEERE … waarachtig” zijn. Het gaat hier om rechterlijke uitspraken die Hij over ieder mens en zijn hele doen en laten doet. Zijn bepalingen zijn geboden met de kracht van een rechterlijke uitspraak. De gelovige die Hem liefheeft, zal Zijn geboden snel en met liefde onderhouden (Ps 119:6060Ik heb mij gehaast en niet geaarzeld
Uw geboden in acht te nemen.
)
.

Gods geboden zijn ‘waarachtig’, zonder enige leugenachtigheid of vergissing. Ze zijn ‘waar’, en daarom ‘rechtvaardig’. Ze zijn volkomen in overeenstemming met de gedachten van God. Alle bepalingen vormen een eenheid, “met elkaar zijn zij rechtvaardig”. Ze zijn eerlijk, ieder krijgt wat hem toekomt.

De uitwerking van de bepalingen maakt dat ze “begerenswaardiger dan goud, ja, dan veel zuiver goud” zijn (vers 1111Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
)
. De wet geeft een rijkdom die de waarde van goud ver te boven gaat (Ps 119:127127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud,
ja, meer dan zuiver goud.
)
. De wet geeft ook een genot dat veel “zoeter dan honing en honing uit de raat” is. Honing uit de raat is honing die vanzelf uit de raat druipt. Het is de zuiverste en verste honing. Goud is het meest begeerlijke edelmetaal van de oudheid, en honing het zoetste van alle toen bekende voedsel. Hier gaat het om de overtreffende trap, gelouterd goud en verse honing. De wet stijgt ver boven beide uit.

Nadat David zo de waarde van de wet in diverse bewoordingen heeft bezongen, spreekt hij tot de HEERE over Zijn wet (vers 1212Ook wordt Uw dienaar daardoor gewaarschuwd,
in het houden ervan ligt groot loon.
)
. Hij getuigt van de uitwerking van het Woord in zijn eigen leven doordat hij zich door het Woord laat onderwijzen. Hij zegt tegen de HEERE wat de wet voor hem betekent.

Het is veelzeggend dat hij, die koning is, zich daarbij “Uw dienaar” noemt. Hij doet dat nog een keer in vers 1414Weerhoud Uw dienaar ook van hoogmoed.
Laat die over mij niet heersen;
dan zal ik oprecht zijn
en vrij van grote overtreding.
. Het is voor hem een eretitel, een titel die door Jesaja in zijn boek ook voor de Zoon van David wordt gebruikt: de Knecht van de HEERE. Dat David zich zo noemt, geeft de gezindheid aan die nodig is om het volle nut van de wet in te zien en het verlangen te hebben ernaar te leven.

Een dienaar is zich bewust van zijn plaats tegenover zijn heer. Hij moet gehoorzamen. Vanuit dit besef van onderdanigheid is de wet voor hem vol waarschuwingen om er niet van af te wijken. Tegelijk is er bij hem het besef dat er “groot loon” ligt “in het houden ervan”. Er is geen sprake van gedwongen gehoorzaamheid, maar van gehoorzaamheid uit liefde en met vreugde.

Het loon daarvan ligt niet in de toekomst, aan het einde van de weg, maar wordt nu genoten. Het grote loon ligt in het luisteren en handelen naar de wet, dat is luisteren en handelen naar het Woord van God. Dat geeft de vreugde van de gemeenschap met de Gever van het Woord. Voor ons geeft het bewaren van de geboden en de woorden van de Heer Jezus een nog rijkere beloning (Jh 14:21,2321Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.23Jezus antwoordde en zei tot hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken.).


Gebed voor een heilig leven

13Wie zou [al zijn] afdwalingen opmerken?
Reinig mij van verborgen [afdwalingen].
14Weerhoud Uw dienaar ook van hoogmoed.
Laat die over mij niet heersen;
dan zal ik oprecht zijn
en vrij van grote overtreding.
15Laat de woorden van mijn mond en de overdenking van mijn hart
welgevallig zijn voor Uw aangezicht,
HEERE, mijn rots en mijn Verlosser!

De psalmist heeft nagedacht over Gods grootheid in de schepping en in Zijn Woord. Dat brengt hem tot uitspraken over zichzelf in zijn relatie tot God en Gods openbaring. In Psalm 8, waar hij ook naar de hemel kijkt en daarvan onder de indruk komt, is het gevolg dat hij ziet hoe nietig de mens is (Ps 8:55wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
)
. Hier, in Psalm 19, leidt de grootheid van God in de schepping en in de Schrift tot de erkenning van de zondigheid van de mens. Een ontmoeting met de HEERE bracht Job tot zelfkennis (Jb 42:5-65[Alleen] door het luisteren met het oor had ik U gehoord,
maar nu heeft mijn oog U gezien.
6Daarom veracht ik [mijzelf] en ik heb berouw,
in stof en as.
)
. Een ontmoeting met de Heer Jezus bracht Petrus tot zelfkennis (Lk 5:4-84Toen Hij nu ophield met spreken, zei Hij tot Simon: Vaar uit naar de diepte en werpt uw netten uit voor een vangst.5En Simon antwoordde en zei: Meester, de hele nacht dóór hebben wij ons ingespannen en niets gevangen; op Uw woord echter zal ik de netten uitwerpen.6En toen zij dit hadden gedaan, omsloten zij een grote massa vissen, en hun netten scheurden.7En zij wenkten hun metgezellen die in het andere schip waren, om hen te komen helpen, en zij kwamen; en zij vulden beide schepen zodat zij bijna zonken.8Toen nu Simon Petrus dit zag, viel hij aan de knieën van Jezus neer en zei: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Heer.).

Deze uitwerking heeft ook het onderwijs van Gods Woord bij David en ook bij ons. Zoals er niets op aarde verborgen is voor de gloed van de zon (vers 77Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang,
zijn omloop is tot het andere einde;
niets is verborgen voor zijn gloed.
)
, zo is er niemand verborgen voor het Woord van God, dat alles aan het licht brengen. Voor Hem zijn “alle dingen … naakt en geopend” (Hb 4:12-1312Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.13En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.). Het gaat hier niet om angst voor straf, maar om bang zijn de vreugdevolle gemeenschap met God te moeten missen door de aanwezigheid van een zonde. Hij wil niet dat er iets komt tussen hem en God (vgl. Ps 139:23-2423Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
24Zie of er bij mij een schadelijke weg is
en leid mij op de eeuwige weg.
)
.

David beseft door het onderwijs van het Woord van God dat God hem tot op de bodem van zijn hart kent. Daarom voegt hij enkele belangrijke aspecten toe die te maken hebben met zijn eigen verhouding tot God. Hij spreekt over verborgen zonden, belijdenis, reiniging en vrij zijn van grote overtredingen (verzen 13-1413Wie zou [al zijn] afdwalingen opmerken?
Reinig mij van verborgen [afdwalingen].
14Weerhoud Uw dienaar ook van hoogmoed.
Laat die over mij niet heersen;
dan zal ik oprecht zijn
en vrij van grote overtreding.
)
.

Hij beziet de zonde vanuit twee oogpunten. In de eerste plaats is hij zich ervan bewust dat hij niet in staat is om zijn zonden allemaal te noemen. Daarvoor onderkent hij ze te weinig (vers 1313Wie zou [al zijn] afdwalingen opmerken?
Reinig mij van verborgen [afdwalingen].
)
. Wie zal durven beweren dat hij geen onbewuste zonden heeft gedaan als hij, net als David, onder de indruk is gekomen van de majesteit van God in de schepping en van Zijn alwetendheid door Zijn Woord dat harten doorzoekt? Wie zich dit bewust is, zal geen grote mond opzetten over zijn zondeloosheid, zoals dat in de extreme heiligingsleer wordt geleerd.

Het is belangrijk dat we ons van niets bewust zijn, maar dat betekent niet dat we daardoor gerechtvaardigd zijn (1Ko 4:44Want ik ben van mij niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij Die mij beoordeelt, is [de] Heer.). Het besef van Gods majesteit en alwetendheid zal ons nederig houden. Tegelijk zal er het verlangen zijn van verborgen zonden gereinigd te worden. Daar vraagt David dan ook om. Voor onopzettelijke zonden biedt de wet verzoening en vergeving (Lv 4:2,132Spreek tot de Israëlieten en zeg: Als een persoon zondigt door een onopzettelijke overtreding van enig gebod van de HEERE, [iets] wat niet gedaan mag worden, maar wat hij [toch] doet tegen één van de [geboden]13Als echter heel de gemeenschap van Israël zonder opzet gezondigd heeft en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is gebleven, en zij iets gedaan hebben [tegen] enig gebod van de HEERE, wat niet gedaan mag worden, en [dus] schuldig zijn geworden,; Nm 15:22-3122En wanneer u zonder opzet gezondigd hebt, en niet al deze geboden gedaan hebt, die de HEERE tot Mozes gesproken heeft23– alles wat de HEERE u door de dienst van Mozes geboden heeft, vanaf de dag dat de HEERE het geboden heeft en daarna, [al] uw generaties door –24wanneer het zal zijn dat iets zonder opzet gedaan is, iets wat voor de ogen van de gemeenschap [verborgen was], dan moet heel de gemeenschap volgens de bepaling één jonge stier, het jong van een rund, als brandoffer bereiden, als een aangename geur voor de HEERE, met het bijbehorende graanoffer en het bijbehorende plengoffer, en één geitenbok als zondoffer.25Dan moet de priester verzoening doen voor heel de gemeenschap van de Israëlieten, en het zal hun vergeven worden, want het was zonder opzet. Zij hebben zelf hun offergave gebracht, een vuuroffer voor de HEERE, en hun zondoffer, voor het aangezicht van de HEERE, vanwege hun [zonde] zonder opzet.26Dan zal het heel de gemeenschap van de Israëlieten vergeven worden, en [ook] de vreemdeling die in hun midden verblijft, want het is heel het volk zonder opzet [overkomen].27Als nu één persoon zonder opzet gezondigd heeft, moet hij een geit van een jaar oud als zondoffer aanbieden.28Dan moet de priester verzoening doen voor die persoon die zonder opzet [gezondigd heeft], met een onopzettelijke zonde, voor het aangezicht van de HEERE, om verzoening voor hem te doen, en het zal hem vergeven worden.29Voor de ingezetene onder de Israëlieten, en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft: één wet geldt voor u, voor hem die zonder opzet [zonde] doet.30Maar de persoon die iets met opgeheven hand doet, van de ingezetenen of van de vreemdelingen, die lastert de HEERE: die persoon moet uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden,31want hij heeft het woord van de HEERE veracht en Zijn gebod verbroken. Die persoon moet beslist uitgeroeid worden, zijn ongerechtigheid is op hem.).

In de tweede plaats ziet David het verschrikkelijke van de zonde van hoogmoed (vers 1414Weerhoud Uw dienaar ook van hoogmoed.
Laat die over mij niet heersen;
dan zal ik oprecht zijn
en vrij van grote overtreding.
)
. Hij verlangt ernaar daarvoor bewaard te worden. Hoogmoed is de oerzonde. Hoogmoed wil zeggen het willen zijn als God. David gruwt van de gedachte dat hij die zonde zou begaan. Het getuigt van zelfkennis dat hij beseft dat hij ertoe in staat is en ervoor bidt dat de HEERE hem daarvan weerhoudt, zodat die niet over hem zal heersen.

Als hij voor die zonde bewaard blijft, zal hij oprecht zijn en “vrij van grote overtreding”. Hoogmoed is niet zomaar een zonde, het is een verschrikkelijk grote zonde, het is een opzettelijke zonde. Zijn gebed om daar vrij van te blijven betekent dat hij zich niet aan die zonde schuldig heeft gemaakt.

David besluit de psalm met het verlangen dat de woorden die uit zijn mond komen en de overdenkingen die hij in zijn hart heeft, welgevallig zullen zijn voor het aangezicht van de HEERE (vers 1515Laat de woorden van mijn mond en de overdenking van mijn hart
welgevallig zijn voor Uw aangezicht,
HEERE, mijn rots en mijn Verlosser!
)
. Het gaat hem niet alleen om zijn uiterlijke woorden of alleen om zijn innerlijke vroomheid, maar om beide aspecten van zijn persoon. Om dat waar te maken spreekt hij God aan als zijn rots, zijn vaste fundament, en zijn Verlosser, Die hem in Zijn genade van zijn zonden heeft verlost. De rots verwijst naar Christus (1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.)) Die geslagen moest worden opdat het water van het leven vrij kan stromen naar ieder die dorst heeft.

David keert hier terug naar zijn uitgangspunt in Psalm 18, waar hij over de rots heeft gesproken (Ps 18:33De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
)
. Hij heeft de HEERE lief (Ps 18:22Hij zei:
Ik heb U hartelijk lief, HEERE, mijn sterkte.
)
en verlangt ernaar om Hem welgevallig te zijn (Ps 19:1515Laat de woorden van mijn mond en de overdenking van mijn hart
welgevallig zijn voor Uw aangezicht,
HEERE, mijn rots en mijn Verlosser!
)
.

Het Hebreeuwse woord voor ‘Losser’ is hier go’el. Dit is een aanwijzing dat God mens moest worden, want go’el is een familielid, dat wil zeggen een ‘mens’. God de Schepper (verzen 2-72De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
3Dag op dag spreekt overvloedig,
nacht op nacht geeft kennis door.
4Geen spreken is er, geen woorden zijn er,
hun stem wordt niet gehoord.
5Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde,
hun boodschap tot aan het einde van de wereld.
Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon.
6En die is als een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat;
hij is vrolijk als een held om snel het pad te lopen.
7Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang,
zijn omloop is tot het andere einde;
niets is verborgen voor zijn gloed.
)
moest God de Verlosser (verzen 8-158De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
9De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
10De vreze des HEEREN is rein,
zij houdt voor eeuwig stand;
de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig,
met elkaar zijn zij rechtvaardig.
11Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
12Ook wordt Uw dienaar daardoor gewaarschuwd,
in het houden ervan ligt groot loon.13Wie zou [al zijn] afdwalingen opmerken?
Reinig mij van verborgen [afdwalingen].
14Weerhoud Uw dienaar ook van hoogmoed.
Laat die over mij niet heersen;
dan zal ik oprecht zijn
en vrij van grote overtreding.
15Laat de woorden van mijn mond en de overdenking van mijn hart
welgevallig zijn voor Uw aangezicht,
HEERE, mijn rots en mijn Verlosser!
)
worden. Hoe dat laatste plaats heeft kunnen vinden, wordt uitgelegd in Psalm 32.


Lees verder