Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-4 Wie de HEERE voor David is 5-7 De nood bij God gebracht 8-16 God grijpt in 17-20 De grote redding 21-27 Gods rechtvaardige vergelding 28-37 God is en doet alles voor de rechtvaardige 38-46 God geeft de overwinning 47-51 Lofzang voor God
Inleiding

Deze psalm staat ook in nagenoeg gelijke bewoordingen in 2 Samuel 22. David getuigt in deze psalm van Wie de HEERE voor hem is en wat Hij voor hem heeft gedaan. Het is tevens de vertolking van de gevoelens van hen die in soortgelijke omstandigheden zijn geweest en uit de benauwdheid zijn gered en God daarvoor willen loven.

Er zijn vier manieren waarop we naar deze psalm – en dit geldt voor veel andere psalmen – kunnen kijken. Het is op een andere manier ook al in de inleiding gezegd, maar het is goed daar juist bij deze psalm nog een keer de aandacht op te vestigen:

1. In deze psalm vertelt David zijn persoonlijke ervaringen. We hebben hier een historische beschrijving, want het gaat over de geschiedenis van David.
2. Delen van deze psalm zijn in vervulling gegaan in het leven van de Heer Jezus op aarde en in Zijn dood en opstanding. Andere delen zullen vervuld worden als Hij terugkeert naar de aarde om Zijn rijk van gerechtigheid en vrede op te richten. De hele psalm gaat over Hem. David is hier een beeld van Hem. Deze psalm geeft uiting aan de gevoelens van Christus. De Geest van Christus is werkzaam in David als hij deze psalm dicht.
3. In direct verband daarmee zien we hier ook de gevoelens van het gelovig overblijfsel van Israël in de toekomst. Met hen verbindt de Heer Jezus, de Messias, dat is de Gezalfde, Zich op innige wijze.
4. Ten slotte is er nog de toepassing voor ons als nieuwtestamentische gelovigen persoonlijk. De Heer Jezus heeft ons ook met Zich verbonden, en wel op een nog innigere wijze. Wel moeten we bedenken dat wij met Hem verbonden zijn in de hemel, terwijl het overblijfsel met Hem op aarde verbonden is. Wij hebben te maken met geestelijke vijanden, terwijl het overblijfsel te maken heeft met vijanden van vlees en bloed. De redding uit de macht van de vijand gebeurt voor het aardse volk door de komst van de Heer naar de aarde om die vijanden te oordelen, terwijl Hij ons van onze vijanden bevrijdt door ons uit de wereld tot Zich op te nemen in de lucht.

David herdenkt alles wat God voor hem is geweest, wat hij in zijn noden en gevaren in Hem heeft gevonden. Hij kijkt terug op de macht van God die ten behoeve van hem werkzaam is geweest en wat het gezegende resultaat van die macht is. Dit wordt allemaal tot uitdrukking gebracht in dit lied, een uitdrukking van gevoelens die in Christus hun volle vervulling vinden.

De psalm begint en eindigt met een lofzang. Het is een psalm van dankbaarheid. We horen een verhaal van verdriet en lijden dat eindigt in vreugde en triomf. De psalm kan beginnen met een lofprijzing aan de HEERE omdat hij eerder opgedane ervaringen weergeeft en niet een actuele situatie beschrijft.

David beschrijft wat hij heeft doorgemaakt, zijn lijden en nood, zijn roep om hulp, gevolgd door verlossing en overwinning, en ten slotte zijn kroning. Daarin is hij een type van de volmaakte Knecht van de HEERE uit het boek Jesaja: de Heer Jezus. Hij is door God verlost is uit de dood. Hij zal vijanden verslaan en gekroond worden tot Koning van de koningen en Heer de heren. David is tevens een type van het gelovig overblijfsel dat verlost zal worden uit de handen van de valse koning van Israël, de antichrist.


Opschrift

1Voor de koorleider, een psalm van de dienaar van de HEERE, van David, die de woorden van dit lied tot de HEERE gesproken heeft, op de dag waarop de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.

Deze psalm is weer een psalm waar in het opschrift de aanleiding voor het dichten ervan wordt genoemd, wat ook zo is in Psalm 3 en Psalm 7 (Ps 3:11Een psalm van David, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalom.; 7:11Sjiggajon van David, dat hij voor de HEERE gezongen heeft, vanwege de woorden van Cusj, de Benjaminiet.). Het opschrift begint met de vermelding dat de psalm “voor de koorleider” is, een vermelding die we al enkele keren zijn tegengekomen. De psalm begint ermee – en legt er daardoor nadruk op – dat hij is bedoeld voor anderen die in vergelijkbare omstandigheden zijn geweest als de dichter. Zie verder de uitleg bij Psalm 4:1.

Het is “[een psalm] van de dienaar van de HEERE, van David”. Voordat David zijn naam noemt, spreekt hij eerst over zichzelf als ‘de dienaar van de HEERE’ (vgl. Ps 36:11Een psalm van David, de dienaar van de HEERE, voor de koorleider.; Dt 34:55Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEERE, daar in het land van Moab, overeenkomstig het woord van de HEERE.; Jz 24:2929Het gebeurde na deze dingen dat Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEERE, stierf, honderdtien jaar oud.). De hele psalm ademt de grootheid van God. Tegenover Hem noemt David zich niet ‘koning’ maar ‘dienaar’. Hij beseft dat het een grote eer is in zijn koningschap God te mogen dienen. In Jesaja wordt ‘dienaar’ (Hebr. ebed) vertaald met ‘Knecht’. Het bevestigt wat in de inleiding is opgemerkt dat David een type is van de volmaakte Knecht van de HEERE, de Heer Jezus.

Dit geldt ook voor ons, die ook een koningschap geworden zijn (Op 1:66en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen.). Wij oefenen dat koningschap nog niet uit, maar bezitten wel de waardigheid ervan. Die waardigheid komt tot uiting in het dienen van Hem Die onze Heer is. Het is een bijzonder voorrecht Hem te mogen dienen Die alle gezag heeft in de hemel en op de aarde. Wie enigszins onder de indruk van Gods majesteit is, zal graag Zijn dienaar zijn en zich zo noemen.

David heeft “de woorden van dit lied tot de HEERE gesproken”. Hier staat dat dit lied tot de HEERE wordt “gesproken”. Dit houdt een belangrijk les in. We zien hier dat liederen zingen betekent dat we tot God spreken. Dat laat deze psalm zien. Liederen zingen is ook spreken tot mensen. Dat zegt Paulus tegen ons in de brief aan de Kolossenzen (Ko 3:1616Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.). Een en ander onderstreept dat het primair om de woorden gaat.

Dat er sprake is van een “lied”, doet denken aan de inleiding van het lied van Mozes na de bevrijding van Israël uit Egypte (Ex 15:11Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
Ik zal zingen voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
en het lied dat Barak en Debora hebben gezongen na hun overwinning op de vijand (Ri 5:11Toen zong Debora met Barak, de zoon van Abinoam, op die dag:
)
. De overeenkomst tussen deze drie liederen is dat het liederen van bevrijding zijn waarin God wordt geprezen voor de bevrijding die Hij heeft bewerkt. Zingen is het voorrecht van een verlost volk. De eerste keer dat er in de Bijbel een lied wordt gezongen, is in Exodus 15 (Ex 15:11Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
Ik zal zingen voor de HEERE,
want Hij is hoogverheven!
Het paard en zijn ruiter
heeft Hij in de zee geworpen.
)
en de laatste keer in Openbaring 14 (Op 14:33En zij zingen <als> een nieuw lied vóór de troon en vóór de vier levende wezens en de oudsten; en niemand kon het lied leren dan de honderdvierenveertigduizend die van de aarde gekocht waren.).

David heeft dit lied tot de HEERE gesproken “op de dag waarop de HEERE hem gered had”, dat wil zeggen direct na zijn uitredding. Zo moeten wij God ook direct prijzen nadat we Zijn hulp hebben ervaren. David noemt niet alleen het tijdstip van de bevrijding, “de dag waarop”, maar ook de aanleiding ervan. De HEERE heeft hem namelijk “gered” uit de hand meedogenloze vijanden. Redden wil zeggen dat de HEERE David aan de hand van zijn vijanden heeft ontrukt, eruit heeft weggetrokken. Deze redding is de aanleiding voor zijn lied.

De vijanden zijn niet gering in aantal. David spreekt over “de hand van al zijn vijanden”. Dit zijn vijanden van vijandige volken die hem hebben willen verhinderen dat hij zijn koningschap zou aanvaarden. Het zijn ook vijanden die hem van de troon hebben willen stoten nadat hij koning is geworden.

David noemt één vijand bij name, Saul. De HEERE heeft hem ook gered “uit de hand van Saul”. Hij noemt deze vijand het laatst, hoewel Saul zijn eerste vijand is. Van Saul heeft hij het langst en hevigst vijandschap ervaren. Saul is voor het gelovig overblijfsel een type van de antichrist, de valse koning die vijandig is tegen de grote Zoon van David.

Als we de Heer in getrouwheid willen dienen, hoeven we ons er niet over te verwonderen dat we vijanden hebben (Jh 15:18-1918Als de wereld u haat, weet dat zij Mij eerder dan u heeft gehaat.19Als u van de wereld was, zou de wereld het hare liefhebben; maar omdat u niet van de wereld bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat de wereld u.). We zullen er des te meer Zijn hulp en uitredding in ervaren, waardoor we des te meer reden hebben Hem te prijzen.


Wie de HEERE voor David is

2Hij zei:
Ik heb U hartelijk lief, HEERE, mijn sterkte.
3De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
4Ik riep de HEERE aan, Die te prijzen is,
en werd verlost van mijn vijanden.

Al de uitreddingen uit de greep van allerlei vijanden, en uit de hand van Saul in het bijzonder, brengen in David een loflied, een psalm naar boven. Zijn eerste reactie op zijn bevrijding is dat hij tegen de HEERE zegt: “Ik heb U hartelijk lief” (vers 22Hij zei:
Ik heb U hartelijk lief, HEERE, mijn sterkte.
)
. Dit is een bijzondere ‘liefdesverklaring’ aan de HEERE Persoonlijk. Zoiets komt nog slechts één keer, in andere bewoordingen, in Psalmen voor (Ps 116:11Ik heb de HEERE lief,
want Hij hoort mijn stem, mijn smeekbeden.
)
. Het is een liefdesverklaring waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat de intimiteit van de verhouding is gebaseerd op ervaring.

Het woord voor ‘hartelijk lief’ is hier een spontane, emotionele liefde op grond van wat David heeft meegemaakt en gezien. Het is niet liefde op het eerste gezicht, maar een liefde omdat Hij ons eerst heeft liefgehad (vgl. 1Jh 4:1919Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.). Dat blijkt uit de ervaringen van David. Daarover spreekt hij in vers 2020Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.
.

We kunnen dat afleiden uit het grote aantal namen waarmee David de HEERE noemt. Hij geeft daarmee aan wat Hij allemaal voor hem betekent. Daarmee onderbouwt hij als het ware zijn liefdesverklaring. Zo heeft hij God leren kennen en Hem daardoor steeds meer lief gekregen. De HEERE heeft nog veel meer namen dan David noemt. Dat David specifiek deze namen noemt, is omdat ze op speciale wijze passen in het kader van dit lied waarin het gaat over vluchten, strijd en overwinning.

Zoals hij Hem noemt, zo heeft hij Hem in die situaties ervaren. Daarin heeft hij ook op een bijzondere wijze de heel persoonlijke relatie met God beleefd. Dat blijkt uit het telkens gebruikte bezittelijke voornaamwoord “mijn”. Hij beleefde en beleeft God zoals hij Hem weergeeft in elke naam waarmee hij God noemt. Zo spreekt Paulus ook over God als “mijn God” (Fp 4:1919Maar mijn God zal in al uw behoefte voorzien naar Zijn rijkdom in heerlijkheid in Christus Jezus.). De Heer Jezus spreekt ook over “Mijn God” en “Mijn Vader” (Jh 20:1717Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.).

De eerste naam die David noemt, spreekt hij uit tot God. Hij noemt Hem niet ‘mijn Geliefde, maar “mijn sterkte”. Dit toont aan dat de liefde van David voor de HEERE is gebaseerd op Wie Hij voor hem is in de strijd. De volgende namen sluiten hierop aan. Alleen spreekt hij daarmee niet God aan, maar getuigt daardoor tegen anderen van Wie de HEERE voor Hem is.

De naam “mijn sterkte” sluit direct aan op zijn liefdesverklaring. Dit is wat God voor hem is geweest tegenover zijn tegenstanders. David heeft al zijn tegenstanders overwonnen omdat God zijn sterkte is geweest en dat nog steeds is. Hij heeft zijn veiligheid alleen aan Hem te danken. Daarvan getuigt hij in de namen die hij vervolgens noemt.

1. In de eerste ‘getuigenisnaam’ zegt hij: “De HEERE is mijn rots” (vers 33De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
)
. Daarmee zegt hij dat de HEERE zijn onwankelbaar fundament is (vgl. Js 17:1010Want u bent de God van uw heil vergeten,
aan uw sterke Rots hebt u niet gedacht.
Daarom poot u wel lieflijke planten
en zet uitheemse stekjes –
; Mt 16:1818En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.; 1Ko 10:44en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.))
. Het Hebreeuwse woord voor rots is hier sela. Het is een woord voor hoge, door bezinksel gelaagde rotsen. De rots is hier een type van de verhoogde Christus. Op die rots staat David. Hij heeft die hoge positie aan God te danken.
2. Dan noemt hij Hem “mijn burcht” (Hebr. mesuda, vgl. Masada). Een burcht is een bergvesting. Het is een locatie die zozeer versterkt is, dat een vijand deze niet kan benaderen. Dat is God voor David geworden. Hij is bij God als het ware ‘in verzekerde bewaring’. Hij is bij Hem veilig en geborgen voor al zijn vervolgers.
3. Tegelijk kan hij de HEERE “Mijn Bevrijder” noemen. Hij wordt goed bewaakt in de burcht en is daarom vrij van zijn vervolgers.
4. Hij is, zegt David, “mijn God”, dat wil zeggen Degene in Wie ik alles heb gevonden wat ik mij van Wie God is, kan voorstellen: de Almachtige, Alomtegenwoordige, Alwetende, Die mij kent en de gevaren die mij bedreigen ver de baas is. Hij is altijd bij mij. De christen spreekt dit uit als hij “Abba, Vader” zegt.
5. Dan noemt David Hem nog een keer “mijn rots” (zie 1.). Het Hebreeuwse woord voor rots is hier tsur. Dit is een woord voor lage rotsen van massief zwarte basaltstenen. De rots kunnen we hier zien als een beeld van Christus in vernedering.
David laat erop volgen dat hij tot Hem “de toevlucht neemt”. Hier zien we een actie van David. We kunnen weten dat we in God een onwankelbare rots hebben, maar we moeten er wel de toevlucht toe nemen. David zegt niet dat hij tot Hem de toevlucht ‘nam’, maar “neemt”. Hij heeft het gedaan in het verleden en blijft het doen. Hij zoekt continu veiligheid en bescherming bij Hem.
6. “Mijn schild” (vgl. Ps 3:44U echter, HEERE, bent een schild voor mij,
mijn eer; U heft mijn hoofd omhoog.
; Gn 15:11Na deze dingen kwam het woord van de HEERE tot Abram in een visioen: Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot.)
betekent bescherming tegen de pijlen die de vijand op hem afvuurt (vgl. Ef 6:1616terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.). Pijlen dringen in het lichaam en verlammen of doden. Maar welke pijl kan door de HEERE heen komen? Wie kan Hem raken? Hij is Zelf onaantastbaar en daarom is elke aanval op een van de Zijnen tot volkomen mislukken gedoemd.
7 “De hoorn van mijn heil” wil zeggen dat Gods kracht – de hoorn is een beeld van kracht, daarmee verdedigt een dier zich – voor het heil of de behoudenis van de Zijnen garant staat. Het idee is dat God voor de psalmist is wat de hoorn is voor dieren, het middel tot verdediging. Welke vijand is tegen God opgewassen?
8. “Mijn veilige vesting” (vgl. Ps 9:9-109Hij Zelf zal de wereld oordelen in gerechtigheid
en over de volken op billijke [wijze] rechtspreken.
10De HEERE is een veilige vesting voor de verdrukte,
een veilige vesting in tijden van benauwdheid.
; 46:22God is ons een toevlucht en kracht;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
)
is een hooggelegen plek, waarvandaan David de vijand kan observeren. Het is een natuurlijke wachtpost die tegelijk onbereikbaar is voor een vijandelijke aanval en daardoor volkomen veiligheid biedt (vgl. Js 33:1616die zal wonen op de hoogten;
bergvestingen [op] de rotsen zullen zijn veilige vesting zijn,
zijn brood wordt [hem] gegeven, van water is hij verzekerd.
; Sp 18:1010De Naam van de HEERE is een sterke toren,
een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet.
)
. De HEERE is zijn gegarandeerde veiligheid.

De hiervoor genoemde ‘militaire eigenschappen’ van God kunnen we de volgende omschrijving geven: geborgenheid, onwankelbaarheid, bewaring, bevrijding, bescherming, kracht, onaantastbaarheid, veiligheid. Dit ligt allemaal opgesloten in de naam ‘sterkte’.

David heeft deze Persoon, Die hij zo uitvoerig als zijn sterkte heeft beschreven, aangeroepen (vers 44Ik riep de HEERE aan, Die te prijzen is,
en werd verlost van mijn vijanden.
)
. Na al zijn ervaringen met Hem kan hij niet anders dan eerst weer erop wijzen dat Hij het waard is om geprezen te worden. Zijn hart is vol lofprijzing voor Hem Die Zich zo heeft doen kennen als hij in de namen tot uitdrukking heeft gebracht. Tegelijk roept hij allen tot wie hij getuigt op om Hem ook te prijzen.

De HEERE heeft zijn roepen gehoord. Hij is voor David opgekomen en heeft hem verlost van zijn vijanden. In de volgende verzen gaat David spreken over de grote nood waarin hij is geweest en waaruit God hem heeft gered. Daardoor wordt des te duidelijker hoezeer de HEERE de namen waard is waarmee David Hem heeft genoemd. Het helpt ieder die in nood is en door de HEERE daaruit is verlost met dieper inzicht Hem voor Zijn bevrijding te loven. Het is immers een psalm ‘voor de koorleider’.


De nood bij God gebracht

5Banden van de dood hadden mij omvangen,
beken van verderf joegen mij angst aan.
6Banden van het graf omringden mij,
valstrikken van de dood bedreigden mij.
7In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

De verzen 5-75Banden van de dood hadden mij omvangen,
beken van verderf joegen mij angst aan.
6Banden van het graf omringden mij,
valstrikken van de dood bedreigden mij.
7In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
beschrijven de gevoelens van David in de tijd dat de vijand erop uit was hem te doden. Het zijn ook de gevoelens van het gelovig overblijfsel van Israël tijdens de grote verdrukking. We zien iets dergelijks bij Jona als hij in de buik van de vis is (Jn 2:3-103Want U wierp mij de diepte in, in het hart van de zeeën,
een watervloed omringde mij;
al Uw baren en Uw golven
sloegen over mij heen.4En ík zei:
Verstoten ben ik van voor Uw ogen;
toch zal ik opnieuw aanschouwen
Uw heilige tempel.5Water omving mij, bedreigde mijn leven,
de watervloed omving mij.
Zeewier was om mijn hoofd gebonden.6Naar de diepste gronden van de bergen
daalde ik af [in] de aarde;
haar grendels [sloten zich] voor eeuwig achter mij.
Maar uit het verderf trok U mijn leven omhoog,
HEERE, mijn God!7Toen mijn ziel in mij bezweek,
dacht ik aan de HEERE;
mijn gebed kwam tot U,
in Uw heilige tempel.8Wie nietige afgoden vereren,
verlaten [Hem Die] hun goedertieren is.9Maar ik, met dankzegging zal ik U offers brengen;
wat ik beloofd heb, zal ik nakomen.
Het heil is van de HEERE!10Toen sprak de HEERE tot de vis, en hij spuwde Jona uit op het droge.
)
. Daarbovenuit beschrijven deze verzen in het bijzonder de gevoelens van de Heer Jezus in Gethsémané, waar Hij het lijden van de dood voorgesteld heeft gekregen in de beker van het lijden die de Vader Hem daar laat zien. Van Hem lezen we dat Hij “tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen” (Hb 5:7a7Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),). Dit is Gethsémané.

In wat David ervaart – hij beschrijft zijn ervaring als die van iemand die bezig is te verdrinken (vers 55Banden van de dood hadden mij omvangen,
beken van verderf joegen mij angst aan.
)
–, zien we wat Christus in volmaaktheid en veel dieper dan David heeft ervaren. Niemand als Hij weet wat “banden van de dood” zijn. David heeft deze banden gevoeld met betrekking tot de lichamelijke dood. In 2 Samuel 22 spreekt hij over “golven van de dood” (2Sm 22:55Want golven van de dood hadden mij omvangen,
beken van verderf joegen mij angst aan.
)
. Het gaat dus om sterke machten die David naar de diepte van het dodenrijk wilden trekken.

Christus heeft deze banden en golven in de volste betekenis van het woord gevoeld: het van God gescheiden zijn. Voor de “beken van verderf” die David “angst” aanjoegen, geldt hetzelfde. In letterlijke zin gaat het om de plotseling snelstromende wateren in de wadi’s in de woestijn die alles meesleuren en verwoesten. De beken van het verderf – letterlijk staat er “beken van Belial” – zien op de eindeloze stroom boze mensen die onder aanvoering van de satan jacht op hem maakten om hem om te brengen.

Christus is niet bang geweest voor alle lichamelijke lijden en de lichamelijke dood. Anders zou Hij nooit de Zijnen hebben kunnen bemoedigen niet bang te zijn “voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden” (Mt 10:2828En weest niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden, maar weest veeleer bang voor Hem Die zowel ziel als lichaam kan verderven in [de] hel.). Hij had geen angst voor wat mensen Hem zouden aandoen. Wat Hem angstig maakte, was de toorn van God die op Hem zou neerkomen in de drie uren van duisternis waarin Hij tot zonde gemaakt zou worden. De “banden van het graf”, – het graf is de sheol, het dodenrijk – omringden Hem op veel intensere wijze dan David ooit kon beleven (vers 66Banden van het graf omringden mij,
valstrikken van de dood bedreigden mij.
)
.

Hetzelfde geldt voor de “valstrikken van de dood”. David voelde zich als een vogel die in een strik gevangen is. Hoe meer hij probeerde om zich los te rukken, des strakker werd de valstrik gespannen. De dood kon elk moment zijn intrede doen. De valstrikken van de dood hebben ook de Heiland bedreigd en benauwd (vgl. Lk 12:5050Ik moet echter met een doop worden gedoopt, en hoe benauwt het Mij, totdat het is volbracht.). Daarom riep Hij in Gethsémané in Zijn nood Zijn God aan. En Die verhoorde Hem en verloste Hem – niet van de dood, maar – uit de dood, en wel vanwege Zijn Godsvrucht (Hb 5:7b7Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),), dat is vanwege Zijn volle toewijding aan God

David spreekt na de beschrijving van zijn nood over het aanroepen van de HEERE in zijn nood en het roepen “tot mijn God” (vers 77In mijn nood riep ik de HEERE aan,
ik riep tot mijn God;
Hij hoorde mijn stem vanuit Zijn paleis,
mijn hulpgeroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
)
. Zijn nood was zo groot, dat hij aan het leven wanhoopte, want de dood dreigde. De enorme machten die hij tegenover zich zag, gingen de menselijke controle te boven. Het enige wat hij kon doen, was roepen tot God, want hij had een God tot Wie hij kon roepen.

Na het hulpgeroep komt onmiddellijk, zonder pauze of aarzeling het antwoord van God (vgl. Mt 14:30-3130Toen hij echter de <sterke> wind zag, werd hij bang, en hij begon te zinken en riep de woorden: Heer, behoud mij!31En terstond strekte Jezus Zijn hand uit, greep hem en zei tot hem: Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?). Dit antwoord is het bewustzijn dat God zijn stem, die riep vanuit de diepten van het dodenrijk (verzen 5-65Banden van de dood hadden mij omvangen,
beken van verderf joegen mij angst aan.
6Banden van het graf omringden mij,
valstrikken van de dood bedreigden mij.
)
, “hoorde … vanuit Zijn paleis”, het huis van Zijn regering in de hoge hemel. God was niet te druk met andere dingen. Het hulpgeroep had Zijn volle aandacht. David wist dat hij zijn hulpgeroep deed voor Gods aangezicht, dat wil zeggen in Zijn tegenwoordigheid. Daarom kwam het ook in Zijn oren die open waren voor de noodkreet van Zijn uitverkoren koning.


God grijpt in

8Toen daverde en beefde de aarde,
de fundamenten van de bergen sidderden en daverden,
omdat Hij [in toorn] ontstoken was.
9Rook steeg op uit Zijn neus
en vuur uit Zijn mond verteerde.
Kolen werden daardoor aangestoken.
10Hij boog de hemel en daalde neer,
een donkere [wolk] was onder Zijn voeten.
11Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij zweefde snel op de vleugels van de wind.
12Hij maakte duisternis tot Zijn schuilplaats,
om Hem heen was Zijn tent: duistere wateren, donkere wolken.
13Door de lichtglans, die vóór Hem was, dreven Zijn wolken weg.
Hagel en vurige kolen!
14De HEERE deed het in de hemel donderen,
de Allerhoogste liet Zijn stem klinken: hagel en vurige kolen.
15Hij schoot Zijn pijlen af en verspreidde hen,
Hij slingerde de bliksemflitsen en bracht hen in verwarring.
16De waterstromen werden zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door Uw bestraffing, HEERE,
door het blazen van de adem uit Uw neus.

[Tip voor de lezer: Om een indruk te krijgen van het antwoord van de HEERE is het goed om het geheel van al deze verzen in één keer te lezen. Dus niet zozeer vers voor vers gedetailleerd bestuderen, maar eerst het geheel in rust achter elkaar te lezen. Dan wordt de ervaring opgedaan die Elia heeft opgedaan: de HEERE verscheen niet aan hem in de storm, vuur of aardbeving, maar uiteindelijk in de zachte stille wind (1Kn 19:11-1311Maar Hij zei: Ga naar buiten en ga op de berg staan, voor het aangezicht van de HEERE. En zie, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, die bergen spleet en rotsen in stukken brak, voor het aangezicht van de HEERE uit. [Maar] de HEERE was niet in de wind. Na deze wind kwam er een aardbeving, [maar] de HEERE was [ook] niet in de aardbeving.12Op de aardbeving [volgde] een vuur, [maar] de HEERE was [ook] niet in het vuur. En na het vuur [kwam] het suizen van een zachte stilte.13En het gebeurde, toen Elia [dat] hoorde, dat hij zijn gezicht met zijn mantel omwikkelde, naar buiten ging en in de ingang van de grot bleef staan. En zie, een stem [kwam] tot hem, die zei: Wat doet u hier, Elia?).]

In deze verzen vertelt David dat de HEERE heeft geluisterd naar zijn roep om hulp (vgl. Ps 17:1313Sta op, HEERE, treed hem tegemoet, vel hem neer;
bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van de goddeloze,
)
en hoe Hij daarop heeft geantwoord. Gods antwoord tot bevrijding van David en Zijn volk is Zijn machtige verschijning. Hij beschrijft wat er van God zichtbaar werd, toen Hij ging handelen ten gunste van hem. Het maakte David niet benauwd, maar vervulde hem met ontzag. Die God trad voor hem op! Rook en vuur, wind en waterstromen, donder en bliksem, al deze natuurverschijnselen zette God in voor zijn bevrijding.

Het optreden van God begint met het laten daveren en beven van de aarde (vers 88Toen daverde en beefde de aarde,
de fundamenten van de bergen sidderden en daverden,
omdat Hij [in toorn] ontstoken was.
)
. “De fundamenten van bergen”, die de onbeweeglijkheid en stabiliteit van de aarde symboliseren, ”sidderden en daverden”. God hoeft ze maar met een vinger aan te raken en de aarde verliest alles waaraan een mens meent houvast te hebben. Het gaat niet om een lichte schommeling, maar om een niet controleerbaar hevig heen en weer schudden, zodat alles wankelt en omvalt. Dat gebeurt “omdat Hij [in toorn] ontstoken was”. Het toont Zijn verheven majesteit waarbij de mens in zijn hoogmoed verschrompelt tot niets.

Het is goed mogelijk dat God David door dergelijke natuurverschijnselen heeft geholpen om zijn vijanden te verslaan of hun te ontvluchten. David ziet daarin Gods hand, wat ook zo is, terwijl de vijanden, en alle mensen zonder God, alleen spreken van opmerkelijke verschijnselen in de natuur. Allerlei plagen en rampen die de mensheid zullen treffen als de gelovigen zijn opgenomen en die worden beschreven in het boek Openbaring, zullen door de ongelovigen op deze manier verklaard worden. Het gelovig overblijfsel ziet daar duidelijk de hand van God in. Hetzelfde zien we bij de plagen die over Egypte zijn gekomen. Die zijn gebruikt als oordeel over Egypte, terwijl ze voor de Israëlieten tekenen en wonderen van God waren.

Aan Zijn toorn wordt nog meer nadruk gegeven door de rook die uit Zijn neus opsteeg en het vuur dat uit Zijn mond kwam (vers 99Rook steeg op uit Zijn neus
en vuur uit Zijn mond verteerde.
Kolen werden daardoor aangestoken.
; vgl. Js 65:55Zij zeggen: Blijf waar u bent,
nader niet tot mij, want ik ben heiliger dan u.
Dezen zijn rook in Mijn neus,
een vuur dat de hele dag brandt.
)
. Het vuur deed een verterend werk, wat wordt bewezen door de kolen die erdoor werden aangestoken. De rook en het verterende vuur maken duidelijk dat Hij de vijanden oordeelt. Vuur is onveranderlijk een beeld van het oordeel van God dat alles verteert wat zich tegen Hem verzet. Ook “onze God is een verterend vuur” (Hb 12:2929Immers, onze God is een verterend vuur.).

Door de hemel te buigen brengt Hij die dichter bij de aarde (vers 1010Hij boog de hemel en daalde neer,
een donkere [wolk] was onder Zijn voeten.
)
. Het is een poëtische en menselijke beschrijving van Zijn neerdalen op aarde om ten gunste van Zijn gunsteling op te treden. In Hem kwam de hemel op aarde. Dat betekende oordeel voor de goddeloze vervolgers en bevrijding voor de rechtvaardige. De donkere wolk onder Zijn voeten benadrukt dat Hij kwam om te oordelen.

Nog een aanwijzing dat Hij kwam om te oordelen, is dat “Hij reed op een cherub” (vers 1111Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij zweefde snel op de vleugels van de wind.
)
. Ezechiël ziet dat cherubs aan de troonwagen van Zijn regering zijn verbonden (Ez 1:5-145Uit het midden daarvan [kwam] een gedaante van vier levende wezens. Dit was hun uiterlijk: zij hadden de gedaante van een mens.6Ieder afzonderlijk had vier gezichten en ieder afzonderlijk van hen had vier vleugels.7Hun voeten waren rechte voeten en hun voetzolen waren als de voetzolen van een kalf, glinsterend als de schittering van gepolijst koper.8Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, waren mensenhanden. Wat betreft hun gezichten en hun vleugels [gold] van alle vier:9Hun vleugels raakten elkaar. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen, zij gingen ieder recht voor zich uit.10Hun gezicht leek op het gezicht van een mens, bij alle vier van rechts op de kop van een leeuw, bij alle vier van links op de kop van een rund, en alle vier hadden zij de kop van een arend.11Hun gezichten en hun vleugels waren naar boven uitgestrekt. Ieder had twee vleugels die elkaar raakten, en ieder had twee [vleugels] die hun lichaam bedekten.12Zij gingen ieder recht voor zich uit. Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen.13Wat de gedaante van de levende wezens betreft: hun uiterlijk was als brandende kolen in het vuur, als het uiterlijk van fakkels. Dat [vuur] ging heen en weer tussen de levende wezens. Het vuur had lichtglans en uit het vuur schoot een bliksem.14En de levende wezens schoten heen en weer als een bliksemschicht.; 10:11Daarna zag ik, en zie, boven het gewelf dat boven het hoofd van de cherubs was, was [iets] als een saffiersteen, met het uiterlijk van wat leek op een troon, [en] Hij verscheen boven hen.). Deze hemelse wezens hebben grote kracht en zijn verbonden aan de uitvoering van Gods regering en de handhaving van Zijn gerechtigheid. We zien dat bijzonder weergegeven in de cherubs die neerkijken op het verzoendeksel op ark waarin de wet ligt (Ex 25:2222Dan zal Ik u daar ontmoeten en van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs, die zich op de ark van de getuigenis zullen bevinden, zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.).

Cherubs hebben vleugels waardoor ze zich snel kunnen verplaatsen. Ze staan daardoor ook in verbinding met de hemel, terwijl ze hun werk op aarde doen. God is snel in de uitvoering van het oordeel als daarvoor de bestemde tijd is aangebroken. Hij gaat met de snelheid en onnavolgbaarheid van de wind naar Zijn doel (vgl. Ps 104:3-43Hij maakt de zoldering van Zijn hemelzalen op de wateren,
maakt van de wolken Zijn wagen,
wandelt op de vleugels van de wind.
4Hij maakt Zijn engelen [tot hulpvaardige] geesten,
Zijn dienaren [tot] vlammend vuur.
)
.

David vervolgt zijn indrukwekkende beschrijving van God in Zijn optreden tot bevrijding van Zijn gezalfde in beeldende taal. God heeft Zich in de duisternis van de nacht gewikkeld om Zich daarin te verbergen (vers 1212Hij maakte duisternis tot Zijn schuilplaats,
om Hem heen was Zijn tent: duistere wateren, donkere wolken.
)
. Die verberging is als een tent. Die tent bestaat uit “duistere wateren, donkere wolken”. Alles spreekt van de dreiging van het oordeel.

God kondigt Zijn optreden aan in “de lichtglans, die vóór Hem was” (vers 1313Door de lichtglans, die vóór Hem was, dreven Zijn wolken weg.
Hagel en vurige kolen!
)
. God kan Zich in duisternis hullen. De dreiging die daarvan uitgaat, kan ontzag inboezemen en bekering bewerken. Als de mens die dreiging niet serieus neemt, komt God in oordeel tevoorschijn. Dan verschijnt Hij als een verblindend licht. Uit de lichtglans van Zijn heiligheid komen “hagel en vurige kolen”. Een dergelijke combinatie zien we ook bij de zevende plaag over Egypte (Ex 9:22-2322Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel en er zal in heel het land Egypte hagel vallen: op de mensen en de dieren en op al het veldgewas in het land Egypte.23Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel, en de HEERE gaf donder en hagel. Vuur schoot naar de aarde, en de HEERE liet hagel neerkomen op het land Egypte.).

De donkere, duistere wolken begonnen majestueus, oorverdovend, te spreken: “De HEERE deed het in de hemel donderen” (vers 1414De HEERE deed het in de hemel donderen,
de Allerhoogste liet Zijn stem klinken: hagel en vurige kolen.
)
. Vanuit de hemel liet Hij Zijn stem klinken door middel van “hagel en vurige kolen” die in het vorige vers ook al genoemd zijn. De herhaling wijst erop dat het regelmatig gebeurde. Hij is “de Allerhoogste”, Hij is boven het universum verheven. God spreekt door Zijn oordelen, daarin klinkt Zijn stem (Ps 29:3-93De stem van de HEERE [klinkt] over de wateren,
de God der ere dondert;
de HEERE is op de grote wateren.
4De stem van de HEERE is [vol] kracht,
de stem van de HEERE is [vol] glorie.
5De stem van de HEERE breekt de ceders,
ja, de HEERE verbreekt de ceders van de Libanon.
6Hij doet de Libanon huppelen als een kalf
en de Sirjon als een jonge, wilde os.
7De stem van de HEERE hakt vurige vlammen uit [de wolken].
8De stem van de HEERE doet de woestijn beven,
de HEERE doet de woestijn Kades beven.
9De stem van de HEERE doet de hinden jongen werpen
en ontschorst de wouden;
maar in Zijn tempel zegt eenieder: [Hem zij] de eer!
)
. Tijdens de donderslagen schiet Hij zijn pijlen in de vorm van bliksem naar alle kanten af (vers 1515Hij schoot Zijn pijlen af en verspreidde hen,
Hij slingerde de bliksemflitsen en bracht hen in verwarring.
; vgl. Ps 77:1818De wolken goten water uit,
de hemel gaf geluid,
ook vlogen Uw pijlen overal heen.
; 144:66Slinger Uw bliksem en verspreid hen,
schiet Uw pijlen af en breng hen in verwarring.
; Hk 3:1111Zon en maan stonden stil in [hun] woning;
met het licht bewogen Uw pijlen zich voort,
met de gloed Uw glinsterende speer.
)
. Zo verspreidde Hij de vijanden, Hij verstoorde hun orde en bracht hen in verwarring, waardoor ze krachteloos werden.

Als laatste handeling beschrijft David dat door het optreden van God de waterstromen zichtbaar werden en dat “de fundamenten van de wereld werden blootgelegd” (vers 1616De waterstromen werden zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door Uw bestraffing, HEERE,
door het blazen van de adem uit Uw neus.
)
. Het is als het ware een donderend slotakkoord, waarin God aantoont dat er in de hele natuur geen gebied is dat tegenstand kan bieden als Hij ermee handelt. Het is een beeld van Zijn handelen met vijandige machten. Zoals Hij de waterstromen zichtbaar maakt, zo brengt Hij alle vijandige machten tevoorschijn. Hij heerst over de fundamenten, de grondslagen van de wereld. Hij is de glorieuze en overwinnende Koning boven alle machten in de hemel, op de aarde en in de zee. Aan Zijn heerschappij is door niets en niemand te tornen.

Alle voorgaande handelingen heeft God verricht als “bestraffing” van de tegenstanders van de rechtvaardige voor wie Hij het opneemt. Voor die bestraffing gebruikt Hij uit het universum wat Hij nodig heeft, want het hele universum staat onder Zijn gezag en staat Hem ter beschikking. Hij hoeft maar tegen een enkel element te blazen met de adem uit Zijn neus en het wordt aangejaagd tot een alles verwoestende storm waartegen geen beschutting bestand is.


De grote redding

17Hij stak [Zijn hand] uit van omhoog, Hij greep mij,
Hij trok mij op uit grote wateren.
18Hij redde mij van mijn sterke vijand
en van wie mij haatten, omdat zij machtiger waren dan ik.
19Zij hadden mij bedreigd op de dag van mijn ondergang,
maar de HEERE was mij tot steun.
20Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.

Na de indrukwekkende beschrijving van de tussenkomst van God in Zijn almacht (verzen 8-168Toen daverde en beefde de aarde,
de fundamenten van de bergen sidderden en daverden,
omdat Hij [in toorn] ontstoken was.
9Rook steeg op uit Zijn neus
en vuur uit Zijn mond verteerde.
Kolen werden daardoor aangestoken.
10Hij boog de hemel en daalde neer,
een donkere [wolk] was onder Zijn voeten.
11Hij reed op een cherub en vloog,
ja, Hij zweefde snel op de vleugels van de wind.
12Hij maakte duisternis tot Zijn schuilplaats,
om Hem heen was Zijn tent: duistere wateren, donkere wolken.
13Door de lichtglans, die vóór Hem was, dreven Zijn wolken weg.
Hagel en vurige kolen!
14De HEERE deed het in de hemel donderen,
de Allerhoogste liet Zijn stem klinken: hagel en vurige kolen.
15Hij schoot Zijn pijlen af en verspreidde hen,
Hij slingerde de bliksemflitsen en bracht hen in verwarring.
16De waterstromen werden zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door Uw bestraffing, HEERE,
door het blazen van de adem uit Uw neus.
)
beschrijft David in deze verzen op even indrukwekkende wijze zijn bevrijding door God uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul. Die bevrijding wordt in dit gedeelte door verschillende werkwoorden tot uitdrukking gebracht: “stak [Zijn hand] uit”, “greep mij”, “trok mij op”, “redde mij”, “leidde mij uit”. In al deze handelingen bewijst God Zijn trouw. David ervaart de uitredding op bijna tastbare wijze.

De woorden “trok mij op” komen ook in Exodus 2 voor. Daar is het in verband met Mozes die door de dochter van de farao uit de wateren van de dood werd getrokken (Ex 2:1010En toen het jongetje groot geworden was, bracht zij hem bij de dochter van de farao, en hij werd haar tot zoon. Zij gaf hem de naam Mozes. Want, zei ze, ik heb hem uit het water getrokken.).

Het vreesaanjagende optreden van de HEERE dat hij in de vorige verzen heeft beschreven, heeft hem niet angstig gemaakt. Het is een ‘bevrijdingsoperatie’ geweest waarbij zijn vijanden zijn uitgeschakeld en hij is bevrijd. In vers 1717Hij stak [Zijn hand] uit van omhoog, Hij greep mij,
Hij trok mij op uit grote wateren.
herkennen we de redding van Israël uit Egypte. Het trekken van Israël door de Rode Zee is als het optrekken van het volk uit grote wateren. Het wordt beeldend zo voorgesteld, dat God vanuit de hoogte, vanuit Zijn heilig paleis, Zijn machtige hand uitstak, het volk greep en het uit de Rode Zee optrok en in de vrijheid van het beloofde land plaatste. Zo ervoer David zijn bevrijding.

De “grote wateren” zijn een beeld van grote moeiten en gevaren. Het was dan ook een “sterke vijand” met wie hij te maken had (vers 1818Hij redde mij van mijn sterke vijand
en van wie mij haatten, omdat zij machtiger waren dan ik.
)
. Daarbij kwamen nog anderen, die hem “haatten”. Het waren mensen “die machtiger waren” dan hij. Hun bedreiging was zo hevig, dat hij wist dat de dag van zijn ondergang was aangebroken als de HEERE niet zou ingrijpen (vers 1919Zij hadden mij bedreigd op de dag van mijn ondergang,
maar de HEERE was mij tot steun.
)
. De nood was tot een hoogtepunt gestegen. “Maar” toen was daar de HEERE, Hij was hem tot steun, Hij hield hem overeind, zodat hij niet viel en in de hand van de vijand zou vallen. Dit Goddelijke ‘maar’ geeft een keer aan die God bewerkt in een situatie waar een mens niets meer kan doen (vgl. Ef 2:1-41En u [heeft God opgewekt], toen u dood was in uw overtredingen en zonden,2waarin u vroeger hebt gewandeld overeenkomstig de tijdgeest van deze wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest die nu werkt in de zonen van de ongehoorzaamheid,3onder wie ook wij allen vroeger verkeerden in de begeerten van ons vlees, toen wij de wil deden van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van [de] toorn, evenals de overigen.4Maar God, Die rijk is aan barmhartigheid, heeft ons vanwege Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad,).

In plaats van zijn ondergang heeft David de steun van de HEERE ervaren. In plaats van omsingeld te zijn door zijn vijanden heeft de HEERE hem in de ruimte geplaatst (vers 2020Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.
)
. In plaats van in de hand van zijn vijanden te vallen heeft hij de redding van God beleefd. Hij heeft alles aan God te danken en niets aan zichzelf. En wat is de aanleiding voor God geweest om op deze verheven wijze tussenbeide te komen en hem te redden? David erkent het met grote dankbaar en verbazing: “Hij was mij genegen.” David wist zich het voorwerp van Gods liefde.

Wat David vertelt over zijn bevrijding uit de banden van de dood door de kracht van God, is een duidelijk beeld van de verlossing van de Heer Jezus uit de dood door de kracht van God. Paulus schrijft daarover als hij zegt dat wij zouden weten wat de uitnemende grootte van Zijn kracht is jegens ons die geloven, naar de werking van de macht van Zijn sterkte, die Hij heeft gewerkt in Christus door Hem uit [de] doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te zetten in de hemelse [gewesten], boven alle overheid, gezag, kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomstige eeuw” (Ef 1:19-2119en wat de uitnemende grootte van Zijn kracht is jegens ons die geloven, naar de werking van de macht van Zijn sterkte,20die Hij heeft gewerkt in Christus door Hem uit [de] doden op te wekken en Hem aan Zijn rechterhand te zetten in de hemelse [gewesten],21boven alle overheid, gezag, kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze, maar ook in de toekomstige eeuw.).

Door het kruis heeft de Heer Jezus alle machten verslagen (Ko 2:14-1514de schuldbrief die tegen ons [getuigde] door zijn inzettingen [en] die onze tegenstander was, heeft Hij uitgewist en die uit de weg geruimd door deze aan het kruis te nagelen.15En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het [kruis] over hen getriomfeerd.). God antwoordt op die overwinning door Christus uit de doden op te wekken. Het was Zijn vreugde dat te doen. Niet alleen de kracht van God, maar ook de heerlijkheid van de Vader heeft Christus opgewekt uit de doden (Rm 6:44Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit [de] doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.). Omdat Christus Hem heeft verheerlijkt op de aarde, heeft de Vader als antwoord daarop Hem verheerlijkt en dat direct gedaan door Hem in de hemel op te nemen (Jh 13:31-3231Toen hij dan naar buiten was gegaan, zei Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt.32<Als God in Hem verheerlijkt is,> zal God Hem ook in Zichzelf verheerlijken en Hij zal Hem terstond verheerlijken.). Zijn verheerlijking op aarde komt nog. Daarvan zien we verder een beeld in deze psalm in wat God met David doet.


Gods rechtvaardige vergelding

21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid;
Hij gaf mij [loon] naar de reinheid van mijn handen.
22Want ik heb mij aan de wegen van de HEERE gehouden,
ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.
23Want al Zijn bepalingen [hield] ik voor ogen,
Zijn verordeningen deed ik niet van mij weg,
24maar ik was oprecht voor Hem,
ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid.
25Daarom gaf de HEERE mij naar mijn gerechtigheid,
naar de reinheid van mijn handen vóór Zijn ogen.
26Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren,
tegenover de oprechte man oprecht.
27Tegenover de reine toont U Zich rein,
maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.

Dit gedeelte gaat over de volkomenheid van de Heer Jezus. David was de HEERE oprecht toegewijd en is Hem trouw gebleven, maar hij was niet volmaakt. Als een zwak voorbeeld van Christus spreekt hij als profeet over Hem Die waarlijk en alleen volmaakt is. Wat David in volkomenheid is, dankt hij aan de HEERE; wat de Heer Jezus in volmaaktheid is, is Hij Persoonlijk. Op grond daarvan is Hij Koning.

Het slot van vers 2020Hij leidde mij uit in de ruimte, Hij redde mij,
want Hij was mij genegen.
is de inleiding op de verzen 21-2521De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid;
Hij gaf mij [loon] naar de reinheid van mijn handen.
22Want ik heb mij aan de wegen van de HEERE gehouden,
ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.
23Want al Zijn bepalingen [hield] ik voor ogen,
Zijn verordeningen deed ik niet van mij weg,
24maar ik was oprecht voor Hem,
ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid.
25Daarom gaf de HEERE mij naar mijn gerechtigheid,
naar de reinheid van mijn handen vóór Zijn ogen.
. In deze verzen zegt David waarom God een welgevallen aan hem had en voor hem opkwam. Zoals gezegd, is deze beschrijving in zijn volheid alleen waar voor de Heer Jezus. Van Hem geldt ten volle wat David in deze verzen van zichzelf zegt. Hij was absoluut vlekkeloos en heeft Zich volmaakt aan Gods wegen en bepalingen gehouden.

David kan in zeker opzicht zonder aanmatiging zeggen: “De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij [loon] naar de reinheid van mijn handen” (vers 2121De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid;
Hij gaf mij [loon] naar de reinheid van mijn handen.
)
. We moeten dan bedenken dat hij daarmee doelt op de manier waarop hij met zijn grootste vijand, Saul, is omgegaan. Zolang David niet op de troon zat, heeft hij Saul altijd als de door God aangestelde koning erkend.

Hij heeft op deze wijze gerechtigheid gedaan, dat wil zeggen dat hij heeft gehandeld in overeenstemming met het recht van God, en daarbij aan Saul het verschuldigde respect heeft gegeven. Hij heeft zijn handen altijd rein gehouden, ook al is hij er twee keer toe aangezet om het recht in eigen hand te nemen (1Sm 24:5,11-145Toen zeiden de mannen van David tegen hem: Zie de dag waarvan de HEERE u gezegd heeft: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u kunt met hem doen zoals het goed is in uw ogen. Toen stond David op en sneed stilletjes een punt van Sauls mantel af.11Zie, deze dag hebben uw ogen gezien dat de HEERE u vandaag in mijn hand gegeven heeft in de grot. Men zei dat ik u doden moest, maar [ik] heb u gespaard, want ik zei: Ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer; hij is immers de gezalfde van de HEERE.12Zie toch, mijn vader, ja zie, een punt van uw mantel in mijn hand! Toen ik namelijk die punt van uw mantel afsneed, heb ik u niet gedood. Erken en zie, dat er in mijn hand geen kwaad of overtreding is, en dat ik tegen u niet gezondigd heb. Toch jaagt u op mijn leven om dat weg te nemen.13De HEERE zal rechtspreken tussen mij en u. De HEERE zal Zich vanwege mij op u wreken, maar mijn hand zal niet tegen u zijn.14Zoals het oude spreekwoord zegt: Uit de goddelozen komt goddeloosheid voort. Mijn hand zal echter niet tegen u zijn.; 1Sm 26:9-11,189David zei echter tegen Abisai: Breng hem niet om; want wie sloeg zijn hand aan de gezalfde van de HEERE en is onschuldig gebleven?10Verder zei David: [Zo waar] de HEERE leeft, voorzeker, de HEERE zal hem treffen: óf zijn dag komt, dat hij sterft, óf hij wordt weggevaagd als hij ten strijde trekt.11Moge de HEERE er geen sprake van laten zijn dat ik mijn hand sla aan de gezalfde van de HEERE. Neem echter wel de speer mee, die bij zijn hoofdeinde staat, en de waterkruik, en laten wij gaan.18Hij zei verder: Waarom achtervolgt mijn heer zijn dienaar zo? Wat heb ik toch gedaan, wat voor kwaad heb ik bedreven?). Als loon daarvoor heeft God hem gered.

We zien in David een zwak schaduwbeeld van Christus. Wat bij David wel waar, maar niet altijd waar is, is bij de Heer Jezus altijd, onder alle omstandigheden en volmaakt, waar. Daarom zien we in deze verzen vooral Hem. Hij is, zoals hierboven al is aangehaald, verhoord om de Godsvrucht die Hij in Zijn leven op aarde ononderbroken heeft getoond. Dat was Zijn gerechtigheid en die is Hem door God vergolden.

Christus heeft loon van God gekregen naar de reinheid van Zijn handen die altijd alleen hebben gedaan wat God Hem had opgedragen. Nooit hebben Zijn handen iets onreins gedaan. Zijn handen waren zo rein, dat Hij een onreine melaatse kon aanraken waardoor deze melaatse van zijn melaatsheid werd genezen en rein werd (Mt 8:33En Hij strekte Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd [hij van] zijn melaatsheid gereinigd.).

David heeft zich in zijn houding tegenover Saul “aan de wegen van de HEERE gehouden” en hij is van zijn God “niet goddeloos afgeweken” (vers 2222Want ik heb mij aan de wegen van de HEERE gehouden,
ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.
)
. Dat heeft hij gedaan omdat hij al Gods bepalingen voor ogen heeft gehouden en Zijn verordeningen niet van zich wegdeed (vers 2323Want al Zijn bepalingen [hield] ik voor ogen,
Zijn verordeningen deed ik niet van mij weg,
)
. Hij is niet altijd volmaakt geweest in het gaan van de weg van de HEERE en hij heeft zich ook niet altijd aan Gods bepalingen gehouden, maar het gaat hier weer over zijn houding tegenover Saul.

In het gaan van de wegen van de HEERE en het zich houden aan Gods bepalingen was hij “oprecht voor Hem” (vers 2424maar ik was oprecht voor Hem,
ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid.
)
. Het is nooit in hem opgekomen iets tegen Saul te doen omdat hij oprecht voor God was. Hij leefde in gemeenschap met God, waardoor hij het kwaad uit de weg bleef. Dat geldt in het bijzonder voor het kwaad om het recht in eigen hand te nemen en Saul uit de weg te ruimen. Dit laatste geeft aan dat hij zich bewust is van de mogelijkheid tot het begaan van ongerechtigheid.

Hier zien we dat het gaan van de weg van de Heer door een gelovige zonder daarvan af te wijken onlosmakelijk verbonden is aan gehoorzaamheid aan het Woord van God. We blijven in de weg van de Heer als we Zijn Woord voortdurend voor onze aandacht hebben (vgl. Dt 8:66en neem de geboden van de HEERE, uw God, in acht door in Zijn wegen te gaan en door Hem te vrezen.).

Ook dit is in volmaaktheid door onze Heiland in praktijk gebracht. Hij heeft altijd, ononderbroken, in de wegen van Zijn God gewandeld en Diens wet tijdens Zijn hele leven op aarde voor ogen gehad. Bij Hem was dat niet om het begaan van een ongerechtigheid geen kans te geven. Hij was en is zonder zonde en had en heeft de neiging tot zondigen niet in Zich.

David spreekt in vers 2525Daarom gaf de HEERE mij naar mijn gerechtigheid,
naar de reinheid van mijn handen vóór Zijn ogen.
weer over de reinheid van zijn handen als zijn gerechtigheid en dat God hem op grond daarvan “gaf”, dat wil zeggen de uitredding gaf. Hij heeft dat ook in vers 2121De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid;
Hij gaf mij [loon] naar de reinheid van mijn handen.
gedaan. Dat hij het nu opnieuw doet, is misschien omdat hij twee keer Saul heeft kunnen doden, maar het beide keren niet heeft gedaan. Beide keren heeft hij bewezen dat hij reine handen heeft. Hij is geen moordenaar en heeft geen moordenaarsbloed aan zijn handen. God heeft dat gezien, het was “vóór Zijn ogen”. Daarom heeft God hem naar zijn gerechtigheid gegeven.

De verzen 26-2726Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren,
tegenover de oprechte man oprecht.
27Tegenover de reine toont U Zich rein,
maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.
geven het algemene beginsel waarnaar God handelt. God heeft dat in het leven van David gedaan en doet dat altijd bij ieder mens. Zoals wij ons gedragen tegenover andere mensen, zo zal God met ons handelen. De Heer Jezus zegt met andere woorden hetzelfde: “Met dezelfde maat waarmee u meet, zal er bij u ook gemeten worden” (Lk 6:3838geeft en u zal worden gegeven; een goede, ingedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met de <zelfde> maat waarmee u meet, zal u ook worden gemeten.).

Als wij anderen goedertierenheid bewijzen, zal God ons goedertierenheid bewijzen. We zullen maaien wat we zaaien (Gl 6:7b-87Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.8Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie voor de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.). Hier gaat het om een houding tegenover iemand die ons kwaad heeft gedaan of gekwetst heeft. Goedertieren is hier het Hebreeuwse woord dat trouw aan de bepalingen van het verbond betekent. De HEERE zegt dat Hij Zich zeker aan de bepalingen van dat verbond zal houden als Zijn volk dat ook doet. Hij is de trouwe God van het verbond.

God is oprecht tegenover iemand die oprecht is, dat wil zeggen innerlijk op God gericht is en dat in zijn omgang met zijn medemensen toont. Het wil zeggen dat God het voor zo iemand opneemt als hij wordt belasterd of vervolgd. De reine is iemand die zuiver, onvermengd is in zijn gedachten, motieven en gedrag; hij houdt zich afgezonderd van de wereld. God deelt Zijn eigen reinheid met hem, er is gemeenschap met Hem, zonder dat iets van zonde die gemeenschap kan verstoren.

Wie slinks is, letterlijk ‘verdorven’, in de zin van pervers, volgt verkeerde, verdraaide wegen en probeert op slinkse wijze anderen op zijn wegen mee te slepen. Hij is niet recht, hij is een draaier. Een dergelijke persoon krijgt met God te maken als Iemand Die tegen hem ten strijde trekt. Hij zal met hem handelen naar wat hij is: verdorven, verdraaid, goddeloos. Wat hij heeft gezaaid, zal hij maaien (Gl 6:7b7Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.).


God is en doet alles voor de rechtvaardige

28Want Ú verlost het ellendige volk,
maar de hoogmoedige ogen vernedert U.
29Want Ú doet mijn lamp schijnen, HEERE;
mijn God doet mijn duisternis opklaren.
30Want met U ren ik door een [leger]bende,
met mijn God spring ik over een muur.
31Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEERE is gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
32Want wie is God, behalve de HEERE?
Wie is een rots dan alleen onze God?
33Het is God Die mij met kracht omgordt;
Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
34Hij maakt mijn voeten als die van hinden
en doet mij op mijn hoogten staan.
35Hij oefent mijn handen voor de strijd
en [leert] mijn armen een bronzen boog spannen.
36Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw rechterhand heeft mij ondersteund,
Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
37U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven,
mijn enkels hebben niet gewankeld.

Vers 2828Want Ú verlost het ellendige volk,
maar de hoogmoedige ogen vernedert U.
kan worden gezien als de slotconclusie van de verzen 21-2721De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid;
Hij gaf mij [loon] naar de reinheid van mijn handen.
22Want ik heb mij aan de wegen van de HEERE gehouden,
ik ben van mijn God niet goddeloos afgeweken.
23Want al Zijn bepalingen [hield] ik voor ogen,
Zijn verordeningen deed ik niet van mij weg,
24maar ik was oprecht voor Hem,
ik was op mijn hoede voor mijn ongerechtigheid.
25Daarom gaf de HEERE mij naar mijn gerechtigheid,
naar de reinheid van mijn handen vóór Zijn ogen.
26Tegenover de goedertierene toont U Zich goedertieren,
tegenover de oprechte man oprecht.
27Tegenover de reine toont U Zich rein,
maar tegenover de slinkse toont U Zich een Strijder.
. Het vers is ook de overgang naar het volgende gedeelte. Vanaf vers 2828Want Ú verlost het ellendige volk,
maar de hoogmoedige ogen vernedert U.
wordt verteld over de heerlijke gevolgen van het werk van de Heer Jezus. In het vorige gedeelte is Hij bevrijd, in het komende gedeelte is Hij de Bevrijder. We horen in deze verzen ook een prachtig getuigenis van de Geest van Christus in het gelovig overblijfsel van Israël in de eindtijd. Dit overblijfsel ontvangt van Christus, Die Zich in de Geest met hen verenigt, kracht om in de grote verdrukking tegen alle vijandschap stand te houden en te overwinnen.

Nadat David heeft verteld Wie God is en hoe Hij heeft gehandeld in de uitreddingen, bezingt hij in de verzen 28-3728Want Ú verlost het ellendige volk,
maar de hoogmoedige ogen vernedert U.
29Want Ú doet mijn lamp schijnen, HEERE;
mijn God doet mijn duisternis opklaren.
30Want met U ren ik door een [leger]bende,
met mijn God spring ik over een muur.
31Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEERE is gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
32Want wie is God, behalve de HEERE?
Wie is een rots dan alleen onze God?
33Het is God Die mij met kracht omgordt;
Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
34Hij maakt mijn voeten als die van hinden
en doet mij op mijn hoogten staan.
35Hij oefent mijn handen voor de strijd
en [leert] mijn armen een bronzen boog spannen.
36Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw rechterhand heeft mij ondersteund,
Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
37U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven,
mijn enkels hebben niet gewankeld.
Wie God voor hém is. In vers 2828Want Ú verlost het ellendige volk,
maar de hoogmoedige ogen vernedert U.
horen we hoe David de verlossing aan God toeschrijft en niet aan zijn eigen militaire kwaliteiten. De nadruk ligt op “Ú”, dat is God. Hij zegt van zichzelf en hen die bij hem zijn dat zij “het ellendige volk” zijn. Er is geen enkele roem, maar het besef van grote hulpeloosheid. Hij was een zwak mens die helemaal afhankelijk was van Gods hulp om van zijn vijanden gered te worden. Tegenover zijn ellende staat de hoogmoed van zijn vijanden. Hij weet dat God hen daarom vernedert.

Dat zijn lamp schijnt, heeft hij aan God te danken (vers 2929Want Ú doet mijn lamp schijnen, HEERE;
mijn God doet mijn duisternis opklaren.
)
. Ook hier ligt de klemtoon op “Ú”. Gód heeft het gedaan, niet hij. Met zijn ‘lamp’ kan hij zijn levenslicht bedoelen. God heeft ervoor gezorgd dat het nog, of weer, licht in zijn leven is. Door Hem, Die hij “mijn God” noemt, is de duisternis verdwenen en de lucht opgeklaard. God is in duisternis ten oordeel voor zijn vijanden gekomen, met als gevolg dat de duisternis die zijn vijanden veroorzaakten, is opgeklaard.

Het gaat niet meer om de redding van David, maar om een tegenaanval. De bordjes zijn verhangen. Nu gaat David zijn vijand achtervolgen en vernietigen. Profetisch gaat het om een situatie vlak voor het vrederijk als het gelovig overblijfsel eerst gered wordt en daarna gebruikt wordt om de laatste vijanden te vernietigen (Mi 5:4-84Hij zal Vrede zijn.
Wanneer Assur in ons land zal komen
en wanneer hij onze paleizen zal betreden,
zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan
en acht vorsten uit de mensen.5Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard,
het land van Nimrod met getrokken zwaarden.
Zo zal Hij [ons] redden van Assur,
wanneer die in ons land zal komen
en wanneer die ons gebied zal betreden.6Het overblijfsel van Jakob zal zijn
te midden van vele volken
als dauw van de HEERE,
als regendruppels op het gewas,
dat niet uitziet naar iemand
en niet hoopt op mensenkinderen.7Ja, het overblijfsel van Jakob zal onder de heidenvolken zijn,
te midden van veel volken,
als een leeuw onder de dieren van het woud,
als een jonge leeuw onder de schaapskudden,
die, wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt,
en er is niemand die redt.8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders
en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
)
.

Omdat God gekomen is en met hem is geweest, heeft hij door de vijandige legerbende die hem had omsingeld, heen kunnen breken (vers 3030Want met U ren ik door een [leger]bende,
met mijn God spring ik over een muur.
)
. Hij heeft kunnen strijden en overwinnen omdat God met hem was. Hij zegt ook “met U”. Met Hem, Die hij weer ”mijn God” noemt, is hij ook over een muur heen gesprongen. Als God met je is, is geen hindernis te hoog. We kunnen hierbij denken aan een verschansing die zijn vijanden hadden gebouwd om zich te beschermen en een verdere doorbraak te voorkomen als hij door de eerste linies zou zijn heen gebroken. Zo voert elke overwinning terug tot God. Hij krijgt alle eer en die komt ook alleen Hem toe.

De weg van vervolging en strijd is niet de weg die hij zelf heeft uitgekozen. God heeft die weg voor hem bepaald, want die diende tot zijn opvoeding. Nu hij achter die weg staat en terugkijkt, kan hij niet anders zeggen dan: “Gods weg is volmaakt” (vers 3131Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEERE is gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
)
. Gods weg volmaakt verklaren is het geheim van rust in Hem. Als we dit met ons hart kunnen zeggen, zijn we er zeker van dat het God niet uit de hand loopt.

Daarbij mogen we eraan denken dat Gods weg altijd parallel loopt met Zijn Woord. Dat zegt de tweede regel van vers 3131Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEERE is gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.
. Zijn woorden zijn “gelouterd”, volkomen zuiver. Bij zilver en goud gebeurt loutering door deze metalen meerdere keren in het vuur te verhitten, te louteren. Elke keer worden verontreinigingen verwijderd. Bij Gods Woord is het vuur er alleen om te bewijzen en aan te tonen dat het volkomen zuiver is.

De zuiverheid van Gods Woord is door de eeuwen heen op vele manieren getest, maar altijd volmaakt zuiver bevonden. Het is door en door betrouwbaar. Het is nooit anders geweest, maar elke test op zuiverheid, elke aanval erop, levert elke keer een extra bewijs op van de betrouwbaarheid ervan. We kunnen erop vertrouwen. God wijkt nooit van Zijn Woord af. Hij handelt altijd, of dat nu met de enkeling of met Zijn volk als geheel is, in overeenstemming met wat Hij heeft gezegd.

Het kan gebeuren dat wij voor verrassingen komen te staan in de weg die we gaan. Dikwijls is de oorzaak daarvan dat we Gods Woord, waarin Hij ons vertelt hoe Hij de dingen ziet, niet kennen of vergeten zijn wat Hij daarin tegen ons zegt. Als we ons aan God overgeven in de weg die Hij met ons gaat als de beste weg en we op Zijn Woord vertrouwen, schuilen we bij Hem en bewijst Hij Zich als “een schild”.

We zien in dit vers dat God ons enkele bijzondere hulpmiddelen geeft, waarmee Hij ons bemoedigt. Zijn weg is een weg waarop je nooit dwaalt; Zijn Woord staat vol met Zijn beloften die nooit falen; Hijzelf is als een schild waardoor we geen vijand hoeven te vrezen (vgl. Gn 15:11Na deze dingen kwam het woord van de HEERE tot Abram in een visioen: Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot.). Laten we telkens weer van deze hulpmiddelen gebruikmaken.

De beschrijvingen van de goedheid van God brengen de psalmist ertoe om uit te roepen: “Wie is God, behalve de HEERE?” (vers 3232Want wie is God, behalve de HEERE?
Wie is een rots dan alleen onze God?
)
. Dit is meer dan een retorische vraag. Het is een Hebreeuwse vorm van een plechtige verzekering, wat wil zeggen dat er absoluut geen god naast de HEERE is. Het antwoord op de vraag “wie is een rots dan alleen onze God?” is van gelijke strekking: ‘Er is absoluut geen andere rots dan alleen onze God’ (Ex 15:1111Wie is als U
onder de goden, HEERE?
Wie is als U,
verheerlijkt in heiligheid,
ontzagwekkend in lofzangen,
[U] Die wonderen doet?
; Dt 33:2626Niemand is er als God, Jesjurun!
Hij rijdt op de hemel om u te helpen,
en in Zijn majesteit op de wolken.
; 1Sm 2:22Er is niemand zo heilig als de HEERE,
want er is niemand buiten U,
en er is geen rotssteen als onze God.
; Js 45:5a5Ik ben de HEERE, en niemand anders,
buiten Mij is er geen God.
Ik zal u omgorden, hoewel u Mij niet kende,
)
.

In de verzen 33-3733Het is God Die mij met kracht omgordt;
Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
34Hij maakt mijn voeten als die van hinden
en doet mij op mijn hoogten staan.
35Hij oefent mijn handen voor de strijd
en [leert] mijn armen een bronzen boog spannen.
36Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw rechterhand heeft mij ondersteund,
Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
37U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven,
mijn enkels hebben niet gewankeld.
legt de psalmist uit waarom God onvergelijkbaar is, met niemand te vergelijken. God is het Die hem “met kracht omgordt” (vers 3333Het is God Die mij met kracht omgordt;
Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
; vgl. Jb 40:77Zie elke hoogmoedige [en] onderwerp hem,
en verpletter de goddelozen op hun plaats.
)
. Hij hoeft niet in eigen kracht zich een weg uit de nood te banen. God heeft zijn “weg volkomen gemaakt”. Hij hoeft niet zelf uit te zoeken welke weg hij moet kiezen. God helpt bij het uitvoeren van zijn plannen, zodat ze zullen slagen.

God maakt het zo, dat zijn “voeten als die van hinden” zijn (vers 3434Hij maakt mijn voeten als die van hinden
en doet mij op mijn hoogten staan.
)
. Hinden hebben de vaardigheid om in onbegaanbare rotsformaties hun weg met speels gemak te vinden. Daarbij zijn ze zijn snel en beweeglijk met een bijzondere intuïtie voor gevaar. In het verlengde daarvan zegt David dat God hem op zijn “hoogten” doet staan. Daar is hij veilig, want daar is hij onbereikbaar voor vervolgers. Dit betekent niet dat hij niet hoeft te strijden. God “oefent” zijn handen “voor de strijd” (vgl. Ps 144:11[Een psalm] van David.
Geloofd zij de HEERE, mijn rots,
Die mijn handen leert om te strijden,
mijn vingers om oorlog te voeren;
)
en leert zijn armen “een bronzen boog spannen” (vers 3535Hij oefent mijn handen voor de strijd
en [leert] mijn armen een bronzen boog spannen.
)
.

God strijdt voor de Zijnen. Soms doet Hij dat voor hen, in hun plaats (Ex 14:1414De HEERE zal voor u strijden, en ú moet stil zijn.), maar vaak doet Hij dat door hen, dat wil zeggen door hen in hun strijd te helpen of gebruikt Hij hen voor het strijden van Zijn oorlogen. Hij oefent hun handen daarvoor. Niet alleen de kracht om te strijden komt van God, maar ook alle bekwaamheid. Dat geldt ook voor de geestelijke strijd (2Ko 10:4-5a4want de wapens van onze strijd zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God, tot afbreking van bolwerken;5daar wij [de] overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, afbreken en elke gedachte gevangennemen tot de gehoorzaamheid van Christus,).

Voor het spannen van een bronzen boog is extra kracht nodig. Een boog is het symbool voor een gevecht met een tegenstander die ver van je vandaan is. Om hem uit te schakelen heb je bijzondere kracht nodig. Dan komt God David te hulp en zorgt er met Zijn kracht voor dat hij de boog gespannen kan houden (vgl. Gn 49:23-2423[Boog]schutters hebben hem verbitterd,
beschoten en hem gehaat,
24maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
)
.

In de strijd heeft hij kunnen rekenen op Gods heil of behoudenis (vers 3636Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw rechterhand heeft mij ondersteund,
Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
)
. God heeft hem Zijn behoudenis als een schild gegeven. Zijn behoudenis stond als een huis en was de garantie voor de overwinning. Hij heeft de ondersteuning van Gods rechterhand ervaren. Daardoor is hij staande gebleven.

David realiseert zich dat God met hem in “zachtmoedigheid” heeft gehandeld. Alleen hierdoor had hij al zijn voorspoed in het leven. Hij had er geen enkele aanspraak op bij God. Er was geen enkele verdienste bij hem, geen eigen kracht of dapperheid waardoor hij zo verheven was. Het was allemaal alleen omdat God vriendelijk met hem had gehandeld. Dit betekent voor ons dat we al het succes in ons leven moeten terugbrengen naar de oorsprong ervan: de zachtmoedige gunst van God.

In zijn verheven positie heeft God hem ruimte gegeven om te lopen, zonder dat er iets lag waarover hij kon struikelen (vers 3737U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven,
mijn enkels hebben niet gewankeld.
)
. Alle vroegere benauwdheid was verdwenen, alle obstakels die het moeilijk maakten om zijn weg te gaan, zijn uit de weg geruimd. Hij kon nu vrij rondlopen. Zijn enkels hebben niet gewankeld, terwijl hij krachtig kon lopen. Het was alsof hij een verlamde was die van God kracht had gekregen om te wandelen.


God geeft de overwinning

38Ik vervolgde mijn vijanden en haalde hen in;
ik keerde niet terug, totdat ik hen vernietigd had.
39Ik verpletterde hen, zodat zij niet [meer] konden opstaan;
zij vielen onder mijn voeten.
40Want U omgordde mij met kracht voor de strijd;
U deed hen die tegen mij opstonden, onder mij neerbukken.
41Mijn vijanden, die deed U voor mij op de vlucht slaan;
wie mij haatten, die bracht ik om.
42Zij riepen, maar er was geen verlosser;
tot de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
43Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind,
ik ruimde hen weg als slijk van de straat.
44U hebt mij bevrijd van de aanklachten van het volk;
U hebt mij aangesteld tot hoofd van de heidenvolken;
het volk [dat] ik niet kende, heeft mij gediend.
45Zodra [hun] oor [van mij] hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
Vreemdelingen veinsden zich aan mij te onderwerpen.
46Vreemdelingen zijn bezweken
en kwamen sidderend uit hun burchten.

In de verzen 33-3733Het is God Die mij met kracht omgordt;
Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
34Hij maakt mijn voeten als die van hinden
en doet mij op mijn hoogten staan.
35Hij oefent mijn handen voor de strijd
en [leert] mijn armen een bronzen boog spannen.
36Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven,
Uw rechterhand heeft mij ondersteund,
Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
37U hebt mijn voetstappen onder mij ruimte gegeven,
mijn enkels hebben niet gewankeld.
zien we in het beeld van David Christus, de opgestane en verheerlijkte Heer als tot de strijd toegerust door God. In de verzen die we nu voor de aandacht krijgen, zien we in het beeld van David dat Christus Zijn vijanden volkomen verslaat en vernietigt (verzen 38-4338Ik vervolgde mijn vijanden en haalde hen in;
ik keerde niet terug, totdat ik hen vernietigd had.
39Ik verpletterde hen, zodat zij niet [meer] konden opstaan;
zij vielen onder mijn voeten.
40Want U omgordde mij met kracht voor de strijd;
U deed hen die tegen mij opstonden, onder mij neerbukken.
41Mijn vijanden, die deed U voor mij op de vlucht slaan;
wie mij haatten, die bracht ik om.
42Zij riepen, maar er was geen verlosser;
tot de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
43Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind,
ik ruimde hen weg als slijk van de straat.
)
. Daarna vestigt Hij Zijn koninkrijk op aarde en regeert als Koning van de Koningen en Heer van de heren (verzen 44-4644U hebt mij bevrijd van de aanklachten van het volk;
U hebt mij aangesteld tot hoofd van de heidenvolken;
het volk [dat] ik niet kende, heeft mij gediend.
45Zodra [hun] oor [van mij] hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
Vreemdelingen veinsden zich aan mij te onderwerpen.
46Vreemdelingen zijn bezweken
en kwamen sidderend uit hun burchten.
; 1Ko 15:2525Want Hij moet regeren, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd.; Op 19:11-1611En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.; 20:7-107En wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten,8en hij zal uitgaan om de naties te misleiden die aan de vier hoeken van de aarde zijn, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen, en hun getal is als het zand van de zee.9En zij kwamen op over de breedte van de aarde en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad; en er daalde vuur neer <van God> uit de hemel en verteerde hen.10En de duivel die hen misleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel waar zowel het beest als de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid.)
. Hij is Hoofd van Zijn volk en van alle heidenvolken. Alle volken onderwerpen zich aan Zijn heerschappij, ook al gebeurt dat door velen slechts geveinsd, onoprecht, huichelachtig.

Door de oefening tot de strijd, de ondersteunende kracht van God en ruimte voor zijn voetstappen is David toe aan het bezingen van de overwinning over zijn vijanden. Met grote snelheid en kracht had hij zijn vijanden achtervolgd en ingehaald (vers 3838Ik vervolgde mijn vijanden en haalde hen in;
ik keerde niet terug, totdat ik hen vernietigd had.
)
. Hij keerde pas terug als hij al zijn vijanden had vernietigd. Er was geen enkele twijfel over de uitkomst van de strijd. Er bleef geen vijand over die nog enige kracht had om tegenstand te bieden, laat staan hem te verslaan, want hij “verpletterde hen, zodat zij niet meer konden opstaan” (vers 3939Ik verpletterde hen, zodat zij niet [meer] konden opstaan;
zij vielen onder mijn voeten.
)
. Ze vielen onder zijn voeten, wat wil zeggen dat hij hen volkomen aan zich onderwierp. Het was een volkomen overwinning.

Die volkomen overwinning had hij aan God te danken. Dat zegt hij in de verzen 40-4140Want U omgordde mij met kracht voor de strijd;
U deed hen die tegen mij opstonden, onder mij neerbukken.
41Mijn vijanden, die deed U voor mij op de vlucht slaan;
wie mij haatten, die bracht ik om.
. God had hem met kracht omgord voor de strijd (vers 4040Want U omgordde mij met kracht voor de strijd;
U deed hen die tegen mij opstonden, onder mij neerbukken.
)
. Tegen ons wordt gezegd dat we de goede strijd van het geloof moeten strijden (1Tm 6:1212Strijd de goede strijd van het geloof; grijp het eeuwige leven, waartoe je geroepen bent en de goede belijdenis hebt afgelegd voor vele getuigen.). Wij kunnen in de geestelijke strijd ook alleen maar overwinningen behalen als we ons sterken met de kracht van Zijn sterkte (Ef 6:1010Overigens, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte.; vgl. 2Tm 2:11Jij dan, mijn kind, sterk je in de genade die in Christus Jezus is;).

God had hen, die tegen David opstonden, onder hem doen neerbukken. Hij had de vijand tot overgave gedwongen. Hij had ervoor gezorgd dat zijn vijanden voor hem op de vlucht sloegen. De voetnoot in de HSV zegt dat er van Gods handelen met de vijanden letterlijk staat ‘gaf U voor mij de nek’. De vertalers van de HSV hebben dat uitgelegd als ‘de nek laten zien’ ofwel op de vlucht slaan. Maar de vertaling ‘geven van de nek’ lijkt de betekenis beter weer te geven. Het betekent dat David zijn voet op de nek van zijn tegenstanders kon zetten als een bewijs dat hij hen volkomen onderworpen had (vgl. Jz 10:2424En het gebeurde, toen zij die koningen naar buiten gebracht hadden naar Jozua, dat Jozua al de mannen van Israël riep. Hij zei tegen de aanvoerders van de strijdbare mannen die met hem meegegaan waren: Kom naar voren, zet uw voet op de nek van deze koningen. En zij kwamen naar voren en zetten hun voet op hun nek.; Gn 49:88Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
)
.

Deze betekenis past beter in het verband van deze twee verzen. Ook de tweede regel van vers 4141Mijn vijanden, die deed U voor mij op de vlucht slaan;
wie mij haatten, die bracht ik om.
sluit daarop aan. David heeft zijn vijanden volledig onderworpen. Hij heeft niet iedereen gedood op wie hij zijn voet had gezet. Hij heeft onderscheid gemaakt tussen leiders en meelopers. De leiders waren degenen die hem haatten. Hen heeft hij gedood en daarmee een einde gemaakt aan hun macht en de mogelijkheid een nieuwe opstand tegen hem te organiseren.

In vers 4242Zij riepen, maar er was geen verlosser;
tot de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
brengt David de totale hulpeloosheid en hopeloosheid van de overwonnen vijanden tot uitdrukking. Ze hebben om hulp geroepen, om genade, om te mogen blijven leven. Maar er was niemand die hen kon helpen zodat hun leven gespaard zou kunnen blijven. Zelfs toen zij ten slotte, als een laatste strohalm voor redding, tot de HEERE riepen, kregen zij van Hem geen antwoord. God weet dat zij, zodra Hij hen had gered, Hem weer zouden verwerpen. Er was geen oprechtheid in hun roepen.

Hij antwoordt en redt altijd iemand die in nood is en oprecht tot Hem roept. Dat zien we bij David, die Hij heeft geantwoord en gered. God heeft deze vijanden niet geantwoord omdat zij alleen gespaard wilden blijven voor het zwaard. Ze wilden in leven blijven. Ze riepen niet tot God vanwege hun zondige daden met de erkenning dat zij het verdienden niet in leven te blijven. Mensen die hun recht op leven opgeven, terwijl ze erkennen de dood te verdienen, vinden het leven.

De vijanden van David hebben gekregen wat ze verdienden. Hij “vergruisde … hen als stof voor de wind” (vers 4343Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind,
ik ruimde hen weg als slijk van de straat.
; vgl. Dn 2:35,4435Toen werden het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud tegelijk verbrijzeld. Ze werden als kaf op een zomerdorsvloer. De wind voerde ze weg, zodat er geen spoor van [terug]gevonden werd. Maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg en vulde de hele aarde.44In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.)
. Zijn vijanden werden tot gruis gemaakt, krachteloos, als stof dat door de wind in alle richtingen wordt weggeblazen. Zo krachteloos als ze waren, zo waardeloos en verachtelijk waren ze ook. Hij “ruimde hen weg als slijk van de straat”. Slijk is iets dat je wegruimt. Je wordt er vuil van en je neemt het mee waardoor je anderen bevuilt en ook nog een spoor van bevuiling achterlaat. Daarom ruim je slijk weg. Slijk biedt ook geen enkel houvast. David heeft zijn vijanden als slijk behandeld (vgl. Js 10:66Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.
)
.

David is door de HEERE ook “bevrijd van de aanklachten van het volk” (vers 4444U hebt mij bevrijd van de aanklachten van het volk;
U hebt mij aangesteld tot hoofd van de heidenvolken;
het volk [dat] ik niet kende, heeft mij gediend.
)
. Behalve hem daadwerkelijke bestrijden hebben zijn vijanden ook geprobeerd hem aan te klagen. Aanklachten zijn een krachtig middel om iemands geestelijke kracht te slopen. God heeft niet toegelaten dat dit gebeurde. Hij heeft de aanklachten van hun kracht ontdaan door David Zijn onvoorwaardelijke steun te geven. Als God vóór iemand is, wie zal tegen hem zijn en beschuldigingen kunnen inbrengen (Rm 8:31,3331Wat zullen wij dan hierop zeggen? Als God voor ons is, wie zou tegen ons zijn?33Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt;)?

In plaats van de aanklachten hun boos werk te laten doen heeft God David “aangesteld tot hoofd van de heidenvolken”. God had hem niet alleen in zijn koningschap over Israël bevestigd, maar ook de heidenvolken om Israël heen onder zijn gezag gegeven (2Sm 8:1-141Daarna gebeurde het dat David de Filistijnen versloeg en hen onderwierp; David nam Meteg-Amma uit de macht van de Filistijnen.2Ook versloeg hij Moab. Hij mat hen af met een meetsnoer, waarbij hij hen op de grond deed neerliggen. Hij mat met twee snoeren om te doden en met één snoer in zijn volle lengte om in leven te laten. Zo werden de Moabieten Davids dienaren [en] zij moesten schatting afdragen.3Verder versloeg David Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen die heentrok om zijn gezag aan de rivier de Eufraat te herstellen.4David nam van hem duizend [wagens af] en [nam] zevenhonderd ruiters en twintigduizend man voetvolk [gevangen]. Ook sneed David de hielpezen van alle wagen[paarden] door, maar hield er honderd wagen[paarden] van over.5De Syriërs van Damascus kwamen om Hadadezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man.6David legde garnizoenen in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David [en] moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.7David nam de gouden schilden die van Hadadezers dienaren geweest waren, en bracht ze naar Jeruzalem.8En uit Betach en uit Berothai, steden van Hadadezer, nam koning David zeer veel koper mee.9Toen [nu] Toï, de koning van Hamath, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer verslagen had,10stuurde Toï zijn zoon Joram naar koning David om hem naar [zijn] welstand te vragen en hem geluk te wensen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had – Hadadezer voerde namelijk steeds strijd tegen Toï – en hij had zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen en koperen voorwerpen bij zich.11Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij geheiligd had van alle heidenvolken die hij [aan zich] had onderworpen:12van Syrië, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen, van Amalek, en van de buit van Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba.13Ook maakte David naam, toen hij terugkwam nadat hij de Syriërs verslagen had in het Zoutdal, achttienduizend [man].14Hij legde garnizoenen in Edom; in heel Edom legde hij garnizoenen, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.). Het is profetisch de vervulling van wat in Psalm 2 staat (Ps 2:88Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
)
. Zijn naam en faam zijn daardoor tot ver over de grenzen van Israël uitgegaan, en elk volk afzonderlijk waarmee hij eerder niet in verbinding stond, heeft hem gediend.

De schrik voor hem zat er zo in (vgl. Ps 2:8-108Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
9U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter,
U zult hen in stukken slaan als aardewerk.10Nu dan, koningen, handel verstandig.
Laat u onderwijzen, rechters van de aarde
)
, dat er onmiddellijke gehoorzaamheid bij die volken was, zodra hun oor maar van hem hoorde (vers 4545Zodra [hun] oor [van mij] hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.
Vreemdelingen veinsden zich aan mij te onderwerpen.
)
. Er was geen enkele gedachte aan verzet tegen hem. Ze zochten zijn gunst. De “vreemdelingen”, zij die niet tot Gods volk behoorden, “veinsden zich … te onderwerpen” aan David. Ze bogen zich wel met hun hoofd, maar niet met hun hart. Het was een berekende, huichelachtige onderwerping. Ze huiverden voor zijn kracht en macht. Het was eerbetoon uit lijfsbehoud, uit eigen liefde, en niet uit liefde voor David. David accepteerde het, hoewel hij hun huichelarij kende. Hij liet zich niet misleiden.

In de profetische toepassing zien we hier een aanwijzing dat niet alle mensen die vrederijk binnengaan, ook opnieuw geboren zijn. Velen zullen zich alleen uiterlijk onderwerpen aan de regering van de Heer Jezus (vgl. Ps 66:33Zeg tegen God: Hoe ontzagwekkend bent U [in] Uw werken!
Om de grootheid van Uw macht veinzen Uw vijanden dat zij zich aan U onderwerpen.
)
.

Deze vreemdelingen zullen uiteindelijk door de mand vallen (vers 4646Vreemdelingen zijn bezweken
en kwamen sidderend uit hun burchten.
)
. Er kan lang in huichelarij worden volhard, maar het uur van de waarheid komt. Ze zullen bezwijken onder de druk van de waarheid en “sidderend uit hun burchten”, de plaatsen van eigen bezigheden en veiligheid, komen. Omdat er geen liefdesverhouding met David is, zullen ze geen blijvende relatie met hem hebben en de uiteindelijke zegen missen.


Lofzang voor God

47De HEERE leeft, en geloofd zij mijn rots,
geroemd zij de God van mijn heil!
48U bent de God Die mij volkomen wraak geeft
en volken aan mij onderwerpt,
49Die mij bevrijdt van mijn vijanden;
ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan,
U redt mij van de man van geweld.
50Daarom zal ik U, HEERE, loven onder de heidenvolken,
voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.
51Hij schenkt Zijn koning grote overwinningen
en bewijst goedertierenheid aan Zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid.

David besluit zijn lied met een lofzang voor God. Omdat God hem de kracht heeft gegeven voor de overwinningen, geeft David Hem daarvoor alle eer. Dat “de HEERE leeft” (vers 4747De HEERE leeft, en geloofd zij mijn rots,
geroemd zij de God van mijn heil!
)
, heeft Hij wel duidelijk laten zien in al Zijn handelingen ten gunste van David.

Wat is het geweldig te mogen weten, en dat als een realiteit dagelijks in ons hart te beseffen, dat we een Heer hebben Die leeft! Hij is de levende God (Dt 5:2626Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God heeft horen spreken vanuit het midden van het vuur, zoals wij, en in leven is gebleven?; Jz 3:1010Vervolgens zei Jozua: Hierdoor zult u weten dat de levende God in uw midden is en dat Hij de Kanaänieten, de Hethieten, de Hevieten, de Ferezieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten geheel en al van voor uw [ogen] zal verdrijven.; 2Kn 19:44Misschien zal de HEERE, uw God, al de woorden horen van de commandant, die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er [nog] te vinden is?; Ps 42:33Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
;
Mt 16:1616Simon Petrus nu antwoordde en zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God.; 1Th 1:99want zelf vertellen zij van ons welke ingang wij bij u hadden, en hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om [de] levende en waarachtige God te dienen). Dat staat tegenover de dode afgoden van de volken. De goden van de volken hebben hun aanbidders niet kunnen helpen. Natuurlijk niet, want ze leven niet. Ze bestaan niet eens, ze zijn ijdelheid, leegheid.

Nog eens looft David de HEERE als “mijn rots”. Met die naam voor God is hij zijn lied begonnen (vers 33De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
)
. In de psalm heeft David aangetoond dat God die naam ten volle waard is. Hij noemt die naam daarom nog eens. God heeft hem uit alle nood gered, hem geholpen om zijn vijanden te verslaan en hem een hoge positie gegeven. Gód heeft alles gedaan als de onwankelbare rots. Tegelijk staat daarmee het eindresultaat onwankelbaar vast. Niemand zal daar ooit iets aan kunnen veranderen.

Door te zeggen “geloofd zij” roept hij ook anderen op God ervoor te loven dat Hij zijn rots is. Hetzelfde geldt voor “geroemd zij de God van mijn heil”. Hier betreft het zijn heil of behoudenis die God voor hem heeft bewerkt. Wat God voor en met hem heeft gedaan, is ook voor anderen aanleiding Hem te roemen. David richt de aandacht op Hem Die zo goed voor hem is geweest. Het is werkelijk zo, dat God alles heeft gedaan. Daarom komt Hem alleen alle eer toe.

In vers 4848U bent de God Die mij volkomen wraak geeft
en volken aan mij onderwerpt,
spreekt hij God direct aan als “de God Die mij volkomen wraak geeft”. David heeft nooit het recht in eigen hand genomen. Hij heeft de wraak, ofwel de rechtvaardige vergelding, over het kwaad dat hem is aangedaan aan God overgelaten (Dt 32:3535Aan Mij komt de wraak en de vergelding toe,
op het tijdstip dat hun voet wankelt.
Voorzeker, de dag van hun ondergang is dichtbij,
en spoedig komen de dingen die hen te wachten staan.
)
. Dit beginsel wordt ook aan ons, nieuwtestamentische gelovigen, voorgehouden (Rm 12:1919Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: ‘Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt [de] Heer’.). God heeft volken aan hem onderworpen. God heeft dat gedaan door David er de kracht voor te geven die volken te onderwerpen. Dat is David zich goed bewust. Hij neemt geen enkele eer voor zichzelf, maar geeft God alle eer.

Hetzelfde geldt voor de bevrijding van zijn vijanden en de verheven plaats die hij inneemt boven hen die tegen hem opstaan (vers 4949Die mij bevrijdt van mijn vijanden;
ja, U verheft mij boven hen die tegen mij opstaan,
U redt mij van de man van geweld.
)
. In plaats van door hen te worden overheerst, heerst hij over hen. Hij is verhoogd, zij zijn vernederd. Een speciaal woord wijdt David aan “de man van veel geweld” van wie God hem heeft bevrijd. Het kan zijn dat David hierbij denkt aan Saul. Het is ook mogelijk dat aan zijn eigen zoon Absalom denkt. In profetisch opzicht kunnen we dit toepassen op de antichrist of de koning van het noorden, de Assyriër. Allebei zijn het mannen van veel geweld.

Vanwege de bevrijding die hij in de vorige verzen heeft bezongen, zegt David in vers 5050Daarom zal ik U, HEERE, loven onder de heidenvolken,
voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.
tegen de HEERE: “Daarom zal ik U, HEERE, loven onder de heidenvolken, voor Uw Naam zal ik psalmen zingen.” Paulus citeert dit vers om daarmee duidelijk te maken dat de komst van de Heer Jezus – van Wie David in deze psalm in zoveel opzichten een opmerkelijk beeld is – niet alleen zegen inhoudt voor Israël, maar ook voor de volken (Rm 15:99en opdat de volken God verheerlijken wegens [de] barmhartigheid, zoals geschreven staat: ‘Daarom zal ik U belijden onder [de] volken en Uw Naam lofzingen’.).

Voor God is het werk van Zijn Zoon zo groot, dat Hij de gevolgen daarvan niet tot Israël kan beperken (Js 49:66Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
)
. Hij wil dat alle volken delen in de barmhartigheid die door Christus tot de mensen is gekomen en aan alle mensen wordt aangeboden. Het resultaat is dat God overal wordt verheerlijkt en groot gemaakt. Dat is nu precies wat dit vers zegt en waarom Paulus het citeert. Het gaat over de bevrijding van het overblijfsel door God uit de hand van de vijand. Deze bevrijding is voor hen de aanleiding om Gods Naam onder de volken te belijden.

David is zich bewust dat zijn “grote overwinningen” hem door God geschonken zijn en dat ze het gevolg zijn van de “goedertierenheid aan Zijn gezalfde” (vers 5151Hij schenkt Zijn koning grote overwinningen
en bewijst goedertierenheid aan Zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid.
)
. ‘Goedertierenheid is hier weer de vertaling van het Hebreeuwse woord chesed dat ‘verbondstrouw’ betekent.

Wij begrijpen vanuit het Nieuwe Testament dat de HEERE Zijn zegen kan geven overeenkomstig het verbond omdat de Middelaar van dat verbond alles heeft vervuld. Het is niet alleen tot Hem, het is ook door Hem. Deze goedertierenheid zal nooit falen omdat het in feite om de Gezalfde, de Heer Jezus, de Christus, de Man van Gods welgevallen gaat. In Hem zijn alle beloften van God ja en amen (2Ko 1:2020Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons.).

Vanwege “Zijn Gezalfde”, Christus, zal God ook “goedertierenheid” bewijzen “aan David en zijn nageslacht tot in eeuwigheid”. Wat een geweldig vooruitzicht. De trouw van God aan Zijn Gezalfde is ook voor ons de basis dat God ten gunste van ons zal optreden. Er is niets in en van onszelf, alles is uit Hem en door Hem. Hem zij daarvoor tot in eeuwigheid alle lof en roem gebracht!


Lees verder