Psalmen
Inleiding 1 Gebed om bewaring 2-3 U bent de Heer 4 Geen eerbetoon aan afgoden 5-6 Mijn deel 7-8 Raad en ondersteuning 9-11 Het pad ten leven
Inleiding

In Psalm 14 ziet God niemand die goeddoet. In Psalm 15 rijst de vraag of er iemand is die bij God kan verblijven, iemand die aan de voorwaarden daarvoor voldoet, dat wil zeggen iemand die goeddoet. In Psalm 16 zien we dat er Iemand is. We zien tevens dat er ook de heiligen zijn, de Godvrezenden die op aarde zijn, dat is het gelovig overblijfsel van Israël in de eindtijd. Deze heiligen zijn verbonden met de ware David, de Messias. Iedere heilige bezit Zijn kenmerken.

Psalm 16 beschrijft de enkele gelovige die in gemeenschap met God leeft. Dat is volmaakt het geval bij die ene Mens: Christus. Dat het in deze psalm toch wel speciaal over Hem gaat, kunnen opmaken uit wat zowel Petrus als Paulus ieder in een toespraak zegt die van hen in het boek Handelingen opgetekend staat.

Petrus spreekt over het leven, de dood en de opstanding van de Heer Jezus en haalt daarvoor deze psalm als toelichting aan (Hd 2:25-3125Want David zegt van Hem: ‘Ik zag de Heer altijd voor Mij, want Hij is aan Mijn rechterhand, opdat Ik niet wankel.26Daarom heeft Mijn hart zich verblijd en Mijn tong zich verheugd, ja, ook Mijn vlees zal rusten in hoop,27want U zult Mijn ziel niet aan [de] hades overlaten en Uw Heilige geen ontbinding te zien geven.28U hebt Mij [de] wegen van [het] leven bekendgemaakt; U zult Mij met blijdschap vervullen bij Uw aangezicht’.29Mannen broeders, het is geoorloofd met vrijmoedigheid tot u te spreken over de aartsvader David, dat hij én gestorven én begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.30Daar hij dan een profeet was en wist, dat God hem met een eed had gezworen [Eén] uit [de] vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten,31heeft hij vooruitgezien en gesproken over de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan [de] hades is overgelaten en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.). Hij maakt geen toepassing van de psalm op de Heer Jezus, alsof deze over iemand anders zou gaan, maar zegt nadrukkelijk “David zegt van Hem” (Hd 2:2525Want David zegt van Hem: ‘Ik zag de Heer altijd voor Mij, want Hij is aan Mijn rechterhand, opdat Ik niet wankel.), wat betekent dat hij over de Heer Jezus spreekt. De psalm gaat dan ook niet in de eerste plaats over David, maar over de Heer Jezus (Hd 2:30-31a30Daar hij dan een profeet was en wist, dat God hem met een eed had gezworen [Eén] uit [de] vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten,31heeft hij vooruitgezien en gesproken over de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan [de] hades is overgelaten en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.). Paulus verwijst op dezelfde wijze naar deze psalm als hij spreekt over de opstanding van de Heer Jezus (Hd 13:35-3735Daarom zegt Hij ook in een andere [Psalm]: ‘U zult Uw Heilige geen ontbinding te zien geven’.36Want nadat David in zijn eigen geslacht de raad van God had gediend, is hij wel ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet en heeft ontbinding gezien,37maar Hij Die God heeft opgewekt, heeft geen ontbinding gezien.).

Deze psalm sluit dan ook prachtig als derde messiaanse psalm aan op de vorige twee messiaanse psalmen, Psalm 2 en Psalm 8. Psalm 2 spreekt over de geboorte van de Heer Jezus (Ps 2:77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
)
. Psalm 8 spreekt over Zijn vernedering en dood (Ps 8:5b-6a5wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
6Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen
en hem met eer en glorie gekroond.
)
. Psalm 16 spreekt over Zijn opstanding.

Psalm 16 heeft twee onderwerpen: geloofsvertrouwen (verzen 1-4,7-81Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God,
want ik heb tot U de toevlucht genomen.2[Mijn ziel,] u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;
mijn goedheid is niet voor U,
3[maar] voor de heiligen die op de aarde zijn,
en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.4Groot wordt het leed van hen die andere [goden] geschenken geven;
ik [echter] giet geen plengoffers van bloed voor ze uit
en neem de namen ervan niet op mijn lippen.7Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;
zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.
8Ik stel mij de HEERE voortdurend voor [ogen];
omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.
)
en geloofservaring en zegen daarvan (verzen 5-6,9-115De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt [wat] het lot mij toewees.
6De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke [plaatsen] gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.9Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich,
ook zal mijn lichaam veilig wonen.
10Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten,
U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.
11U maakt mij het pad ten leven bekend;
overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht,
lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.
)
. Wat de inhoud betreft lijkt hij op Psalm 23, want ook die psalm gaat over geloofsvertrouwen. Door het lijden komt het innerlijke vertrouwen op God openbaar. In Psalm 17 zien we dat door hetzelfde lijden de uiterlijke houding tot de mensen openbaar komt.


Gebed om bewaring

1Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God,
want ik heb tot U de toevlucht genomen.

Ook deze psalm is “van David” (vers 1a1Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God,
want ik heb tot U de toevlucht genomen.
)
. Omdat David hier als profeet spreekt (Hd 2:29-3129Mannen broeders, het is geoorloofd met vrijmoedigheid tot u te spreken over de aartsvader David, dat hij én gestorven én begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.30Daar hij dan een profeet was en wist, dat God hem met een eed had gezworen [Eén] uit [de] vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten,31heeft hij vooruitgezien en gesproken over de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan [de] hades is overgelaten en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.), horen we in hem de Heer Jezus spreken tijdens Zijn leven op aarde. De psalm wordt niet ‘een psalm’ genoemd, maar “een gouden kleinood”. Deze uitdrukking komt hier voor de eerste keer voor en verder nog in Psalmen 56-60, in totaal zes keer. Het is de vertaling van het Hebreeuwse woord miktam. Volgens sommigen is het afgeleid van een woord voor ‘goud’, wat heeft geleid tot de hier gegeven vertaling.

Het eerste woord van de psalm is een gebed tot God om bewaring (vers 1b1Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God,
want ik heb tot U de toevlucht genomen.
)
. De pleitgrond daarvoor is dat de dichter tot Hem de toevlucht heeft genomen. Dit is in volmaaktheid en altijd waar van de Heer Jezus (Hb 2:13a13En opnieuw: ‘Ik zal in Hem vertrouwen hebben’. En opnieuw: ‘Zie, Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft’.) Die we door David heen als Mens op aarde zien en horen spreken. Op aarde heeft Hij een beroep op Gods bewaring gedaan. Dat mag iedere gelovig in navolging van Hem ook doen. De Heer Jezus heeft als Mens met alle verzoekingen te maken gehad waarmee een mens maar te maken kan krijgen. Zo heeft Hij honger en dorst geleden en is Hij vermoeid geweest.

De Heer Jezus is altijd de eeuwige God geweest. Dat is bij Zijn komst op aarde niet veranderd. God kan niet ophouden God te zijn. De Zoon is Mens geworden om mensen tot behoudenis te kunnen leiden, om de Leidsman te zijn van hen die Hij door Zijn werk heeft verlost.

Als Mens is Hij gelijk aan ons, “met uitzondering van [de] zonde” (Hb 4:1515Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.). Hij weet uit ervaring wat het betekent om door een vijandige wereld te gaan. Dat heeft Hem als Mens tot een voortdurend gebed om bewaring gebracht. Zijn enige toevlucht op aarde is Zijn God. Hierin is Hij een indrukwekkend voorbeeld voor ons en voor al de Zijnen in alle tijden. Hij laat zien hoe iemand waarachtig mens is, de mens zoals God hem heeft bedoeld.

Dit gebed om bewaring zal ook het gebed zijn van het gelovig overblijfsel te midden van goddeloze mensen in de grote verdrukking.


U bent de Heer

2[Mijn ziel,] u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;
mijn goedheid is niet voor U,
3[maar] voor de heiligen die op de aarde zijn,
en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.

In vers 22[Mijn ziel,] u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;
mijn goedheid is niet voor U,
spreekt David verder over zijn verhouding tot zijn God. Zoals gezegd, is David in de eerste plaats een type van Christus. Als Mens belijdt Christus de HEERE (Jahweh) als de Heere (Adonai), dat is Heer of Gebieder. Hij laat zien dat Hij Zich als Mens aan de Heere heeft onderworpen en de gehoorzame Dienaar is geworden (Fp 2:6-86Die in [de] gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn,7maar Zichzelf ontledigd heeft, [de] gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend.8En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot [de] dood, ja, [tot de] kruisdood.). Hij heeft alles gedaan wat God tegen Hem heeft gezegd. Deze onderdanigheid heeft Hij eenmaal, bij Zijn komen in de wereld, uitgesproken (Hb 10:5-75Daarom zegt Hij bij Zijn komen in de wereld: ‘Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij een lichaam toebereid;6in brandoffers en zondoffers hebt U geen behagen gehad.7Toen zei Ik: zie, Ik kom (in [de] boekrol is over Mij geschreven) om Uw wil te doen, o God!’) en dat heeft Zijn hele weg op aarde bepaald.

Dit is ook het kenmerk van het gelovig overblijfsel in de toekomst. Zij willen niets anders dan de wil van God doen. Het is tevens het kenmerk van ieder die in onze tijd, de tijd van de gemeente op aarde, tot bekering komt. Dat zien we bij Paulus die direct na zijn bekering vraagt: “Wat moet ik doen, Heer?” (Hd 22:1010En ik zei: Wat moet ik doen, Heer? En de Heer zei tot mij: Sta op en ga naar Damaskus, en daar zal met je worden gesproken over alles wat over je is bepaald om te doen.).

De letterlijke vertaling van de tweede regel van vers 22[Mijn ziel,] u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;
mijn goedheid is niet voor U,
is: “Ik heb geen goed buiten U.” De betekenis is: ‘Ik heb niets in deze wereld wat ik anders bezit dan U. Er is niets wat mij geluk geeft dan U alleen.’ Wat David zegt, is weer ten volle waar van de Heer Jezus en is ook de belijdenis van het gelovig overblijfsel. De Heer Jezus zegt hier dat de Vader voor Hem alles is. Zijn leven op aarde is gekenmerkt door Zijn verhouding tot Zijn Vader. Hij heeft alles met en voor Hem gedaan.

God verwacht van alle verlosten dat zij dit met hun hart belijden, zowel ten aanzien van Hem als ten aanzien van de Heer Jezus. De Zoon moet “in alle dingen de eerste plaats … innemen” (Ko 1:1818En Hij is het Hoofd van het lichaam, de gemeente, Hij Die [het] begin is, [de] Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alle dingen de eerste plaats zou innemen.). Hij heeft recht op onze “eerste liefde” (Op 2:44Maar Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten.), dat is onze volledige liefde.

De zin, die in vers 22[Mijn ziel,] u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;
mijn goedheid is niet voor U,
is begonnen, voegt in vers 33[maar] voor de heiligen die op de aarde zijn,
en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.
iets toe. De Heer Jezus zegt in vers 22[Mijn ziel,] u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;
mijn goedheid is niet voor U,
dat Hij geen goed heeft buiten God. In vers 33[maar] voor de heiligen die op de aarde zijn,
en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.
voegt Hij daaraan toe dat Hij al Zijn vreugde vindt in “de heiligen die op de aarde zijn”. Na Zijn liefde tot God volgt onlosmakelijk Zijn liefde voor de gelovigen (vgl. Sp 8:31b31al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap [vond Ik] bij de mensenkinderen.
)
.

Het gaat niet over de heilige engelen, want die zijn in de hemel. Engelen worden soms ‘heilige engelen’ genoemd, maar ze worden nergens ‘heiligen’ genoemd. Het gaat ook niet over de heiligen van de gemeente, want de gemeente hoort naar haar positie bij de hemel en is in Christus al in de hemel (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,).

Het gaat over het gelovig, trouw overblijfsel van Israël, Gods aardse volk. Op hen zijn de ogen van de HEERE gericht (Ps 101:66Mijn ogen zijn gericht op de trouwe [mensen] in het land,
opdat zij bij mij zullen zitten.
Wie op de volmaakte weg gaat,
die zal mij dienen.
)
. Zij wijden zich aan God toe en heiligen zich voor Hem, in navolging van Christus Die dat ook doet. Deze heiligen worden ook “de machtigen” of beter “de heerlijken” genoemd. De ‘heiligen’ zijn ‘heerlijken’ omdat ze verbonden zijn met de Heerlijke, dat is Christus. Voor ons geldt dat God ons ziet in de heerlijkheid van Christus die wij van en in Hem hebben ontvangen (Jh 17:2222En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven, opdat zij een zijn zoals Wij een zijn:; vgl. Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,).

Christus is met deze heiligen verbonden. Met hen neemt Hij dezelfde positie voor God in, zoals geschreven staat: “Want én Hij Die heiligt [dat is Christus] én zij die geheiligd worden [dat zijn de heiligen, de gelovigen], zijn allen uit één” (Hb 2:1111Want én Hij Die heiligt én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt:). Van de heiligen zegt Christus hier: “In wie Ik al Mijn vreugde vindt.” We zien dit op een opmerkelijke wijze tot uitdrukking komen als Hij Zich laat dopen door Johannes de doper. Door Zich te laten dopen maakt Hij Zich een met de Zijnen (vgl. Sp 8:31b31al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap [vond Ik] bij de mensenkinderen.
)
.

Door Zich te laten dopen voegt Christus Zich bij hen die zich “terwijl zij hun zonden beleden” door Johannes hebben laten dopen (Mt 3:5-6,13-165Toen liepen Jeruzalem en heel Judéa en de hele omstreek van de Jordaan uit naar hem toe6en zij werden door hem gedoopt in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden.13Toen kwam Jezus uit Galiléa naar de Jordaan tot Johannes om door hem gedoopt te worden.14Johannes hield Hem echter tegen en zei: Ik heb nodig door U gedoopt te worden, en U komt tot mij?15Jezus antwoordde echter en zei tot hem: Laat [Mij] nu [begaan]; want zo past het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem [begaan].16Nadat nu Jezus was gedoopt, steeg Hij terstond op uit het water; en zie, de hemelen werden <Hem> geopend, en Hij zag <de> Geest van God neerdalen als een duif <en> op Zich komen;). Dat Hij Zich wel bij hen voegt, maar tegelijk ver boven hen verheven is, blijkt uit wat de Vader direct na Zijn doop tegen alle aanwezigen zegt: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen gevonden heb” (Mt 3:1717en zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden.). De Vader maakt duidelijk dat Hij te midden van hen de unieke Zoon van God is. Hij heeft geen zonden te belijden, want Hij is de Zondeloze.

We zien hier de illustratie van wat Gods Woord tegen ons, nieuwtestamentische gelovigen, zegt over het liefhebben van God en het liefhebben van hen die bij Hem horen. Wie zegt dat Hij God liefheeft, zal ook Gods volk liefhebben. Die twee aspecten zijn in de nieuwe natuur van de gelovige onlosmakelijk aan elkaar verbonden (1Jh 5:1-21Ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren; en ieder die liefheeft Hem Die deed geboren worden, heeft <ook> lief hem die uit Hem geboren is.2Hieraan weten wij dat wij de kinderen van God liefhebben, wanneer wij God liefhebben en Zijn geboden doen.). Je liegt als je zegt dat je God liefhebt, terwijl je je broeder haat.


Geen eerbetoon aan afgoden

4Groot wordt het leed van hen die andere [goden] geschenken geven;
ik [echter] giet geen plengoffers van bloed voor ze uit
en neem de namen ervan niet op mijn lippen.

In vers 44Groot wordt het leed van hen die andere [goden] geschenken geven;
ik [echter] giet geen plengoffers van bloed voor ze uit
en neem de namen ervan niet op mijn lippen.
spreekt David over het grote “leed van hen die andere [goden] geschenken geven”. Wie niet zijn enig goed in God vindt en daarom ook geen gemeenschap met gelovigen heeft, is ten diepste gericht op afgoden. Hij gaat achter die afgoden aan en geeft daaraan geschenken, daaraan schenkt hij een overvloed aan tijd en inspanning. Dit geldt voor de afvallige massa van Gods volk in de toekomst.

In de tijd van de Heer Jezus zijn dat de farizeeën en de schriftgeleerden die alleen op hun eigen eer uit zijn. Zij zijn hun eigen afgod. Toegepast op onze tijd zien we het in het eerbetoon aan bijvoorbeeld filmsterren, sporters, uiterlijk, rijkdom of waar iemand ook maar afgodische bewondering voor heeft. Het leed dat iemand treft die andere goden vereert, doet hij zichzelf aan (vgl. 1Tm 6:9-109Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in vele onverstandige en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.10Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.).

Voor David, en ook voor de heiligen, het gelovig overblijfsel, is het duidelijk. Hij besteedt daaraan geen enkele aandacht. Een pleng- of drankoffer is een offer dat over het hoofdoffer heen wordt gegoten. Het is in de Israëlitische eredienst een offer van wijn (vgl. 2Tm 4:66Want ik word al als een drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken.). Hier is sprake van een offer van bloed, dat wil zeggen dat het een afgodisch offer is. Offers aan afgoden, ook in de geringste vorm ervan, zal hij nooit brengen (vgl. Mt 4:9-109en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.). Zelfs de namen van de afgoden neemt David niet op de lippen om er iets positiefs over te zeggen.

In de eindtijd zal de ongelovige massa van het Joodse volk de antichrist vereren en tot afgoderij vervallen (Jh 5:4343Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.; Mt 12:43-4543Wanneer nu de onreine geest van de mens is uitgegaan, gaat hij door dorre plaatsen, op zoek naar rust, en vindt die niet.44Dan zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis waar ik ben uitgegaan. En als hij komt, vindt hij het leegstaan, geveegd en geordend.45Dan gaat hij heen en neemt zeven andere geesten met zich mee, bozer dan hijzelf, en zij komen binnen en wonen daar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Zo zal het ook zijn met dit boos geslacht.). Dat zal te zien zijn aan het merkteken van het beest dat zij hebben laten aanbrengen op hun rechterhand of op hun voorhoofd. De getrouwen, de heiligen, zullen de naam van het beest en van andere afgoden zelfs niet op hun lippen nemen om die uit te spreken (vgl. Ex 20:3-53U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.4U zult voor uzelf geen beeld maken, [geen] enkele afbeelding [van] wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.5U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,; 23:1313Bij alles wat Ik tegen u gezegd heb, moet u op uw hoede zijn. U mag niet aan de naam van andere goden denken, die mag niet uit uw mond gehoord worden!; Hs 2:1616Dan zal Ik de namen van de Baäls uit haar mond wegdoen
en aan hun namen zal niet meer gedacht worden.
; Zc 13:22Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik uit het land de namen van de afgoden zal uitroeien, zodat aan hen niet meer gedacht zal worden. Ja, ook de profeten en de onreine geest zal Ik uit het land wegdoen.)
. Hun trouw aan God zal hun de haat en vervolging van de antichrist bezorgen.

Als wij trouw willen zijn aan God en niet meedoen met welke van de talloze vormen van moderne afgoderij dan ook, vooral die vormen die uit het heersende materialisme voortkomen, zullen wij hetzelfde ervaren (2Tm 3:1212En ook allen die Godvruchtig willen leven in Christus Jezus zullen vervolgd worden.).


Mijn deel

5De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt [wat] het lot mij toewees.
6De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke [plaatsen] gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.

In de verzen 5-65De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt [wat] het lot mij toewees.
6De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke [plaatsen] gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.
volgt het grote contrast met de afgodendienaars. David spreekt eerst over de HEERE Zelf (vers 55De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt [wat] het lot mij toewees.
)
en daarna wat hij allemaal heeft gekregen (vers 66De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke [plaatsen] gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.
)
. Hij – en iedere Godvrezende van het gelovig overblijfsel in de toekomst – neemt op de duidelijkste wijze afstand van elke afgod omdat hij in de HEERE Zelf alles heeft wat zijn hart vult.

Een afgod, welke dan ook, krijgt geen enkele aandacht, zelfs niet in de geringste mate zoals het uitspreken van de naam ervan. Zijn onverdeelde aandacht gaat naar de HEERE, Die is zijn “enig deel”. We zien dit ook bij de Levieten, van wie ook de HEERE hun enig deel is (Dt 10:99Daarom heeft Levi geen aandeel of erfelijk bezit met zijn broeders; de HEERE Zelf is zijn erfelijk bezit, zoals de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft.; 18:1-21De Levitische priesters, de hele stam Levi, mogen geen aandeel of erfbezit hebben [samen] met Israël; de vuuroffers van de HEERE en Zijn erfelijk bezit mogen zij eten.2Daarom mag hij geen erfelijk bezit hebben te midden van zijn broeders; de HEERE, Die is zijn erfelijk bezit, zoals Hij tot hem gesproken heeft.; Jz 13:3333Maar aan de stam van Levi gaf Mozes geen erfelijk bezit; de HEERE, de God van Israël, is Zelf hun erfelijk bezit, zoals Hij tegen hen gezegd heeft.; Ez 44:2828Dit zal voor hen tot erfelijk bezit zijn: Ik ben hun erfelijk bezit. [Daarom] mag u hun in Israël geen bezit geven: Ik ben hun erfelijk bezit.). De uitdrukking wordt ook gebruikt voor het toegemeten deel van een offerdier (Lv 6:1717Het mag niet met zuurdeeg gebakken worden. [Het is] hun aandeel, dat Ik [hun] gegeven heb van Mijn vuuroffers. Het is allerheiligst, zoals het zondoffer en zoals het schuldoffer.).

De HEERE is ook zijn beker, wat spreekt van alle zegeningen die hij ontvangt als vervulling van alle beloften die hem zijn gedaan. Daardoor wordt hij bemoedigd, verkwikt en ondersteund. De beker mag dan spreken van de vele zegeningen die hem zijn gegeven, wat hij zegt, is dat de HEERE zijn beker is. Het gaat hem niet in de eerste plaats om de gave, maar om de Gever.

Daarin is David ook een voorbeeld voor ons. Wij kunnen dat toepassen op onze geestelijke zegeningen. Het zal ons in grote bewondering voor de Gever ervan brengen. De Gever van de zegeningen is altijd veel groter dan de zegeningen. Dat brengt tot aanbidding.

Dat de HEERE zijn enig deel en zijn beker is, ziet hij niet als eigen verdienste, maar als aan hem door “het lot” toegewezen, dat wil zeggen dat het door God is bepaald (vgl. Jh 15:16a16U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld dat u zou heengaan en vrucht dragen en dat uw vrucht zou blijven, opdat alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, Hij u dat geeft.). Jozua heeft het lot gebruikt voor de verdeling van het land onder de stammen die nog geen erfdeel hadden. Op deze manier is het deel voor elke stam door God bepaald (Jz 18:66Ú moet het land beschrijven in zeven delen, en [die beschrijving] naar mij toe brengen, zodat ik voor u hier het lot werp voor het aangezicht van de HEERE, onze God.).

David zegt ook dat God het hem toegewezen deel “onderhoudt”. Daarmee staat onwankelbaar vast dat hij het ook zal krijgen. Dit staat in schril contrast met wat de dwazen bezitten. Dat zal hun allemaal ontvallen, misschien al tijdens hun leven en in elk geval bij hun dood.

In vers 11Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God,
want ik heb tot U de toevlucht genomen.
vraagt David of God hem wil bewaren. In vers 55De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt [wat] het lot mij toewees.
zegt hij dat God zal onderhouden of bewaren wat hem is toegewezen. Hetzelfde geldt voor ons en het erfdeel dat wij hebben gekregen. Op grond van de opstanding van de Heer Jezus is de erfenis voor ons weggelegd in de hemelen, terwijl wij zelf door de kracht van God worden bewaard voor de erfenis (1Pt 1:3-53Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren doen worden tot een levende hoop door [de] opstanding van Jezus Christus uit [de] doden,4tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in [de] hemelen weggelegd voor u,5die in [de] kracht van God door [het] geloof bewaard wordt tot [de] behoudenis, die gereed is om in [de] laatste tijd geopenbaard te worden.).

Na het toewijzen van het erfdeel door het lot, volgt nog het meten ervan met “meetsnoeren” (vgl. Am 7:1717Daarom, zo zegt de HEERE:
Uw vrouw zal in de stad hoererij bedrijven,
uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen,
en uw land zal met een meetsnoer verdeeld worden;
en ú zult sterven op onreine bodem,
en Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd,
weg uit zijn land.
; Zc 2:11[Opnieuw] sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand.)
. Daardoor wordt het erfdeel afgegrensd van de erfdelen van anderen en kan het erfdeel worden bekeken. Dat brengt tot verrukking over de lieflijkheid van het erfdeel, waaraan uiting wordt gegeven door het instemmend uit te jubelen: “Ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.” De zegeningen zijn overweldigend omdat de HEERE het erfdeel is. Dat houdt is dat de Godvrezende deelt in alles wat van God is.

Als we dit toepassen op de Heer Jezus, bestaat Zijn erfdeel uit alles wat Hij heeft geschapen. Dit erfdeel krijgt Hij op grond van Zijn werk op het kruis waar Hij het erfdeel voor God heeft teruggekocht (Op 5:1-91En ik zag op de rechterhand van Hem Die op de troon zat een boek, van binnen en van achteren beschreven, met zeven zegels verzegeld.2En ik zag een sterke engel, die met luider stem uitriep: Wie is waard het boek te openen en zijn zegels te verbreken?3En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde kon het boek openen of het bezien.4En ik weende zeer, omdat niemand waard bevonden was het boek te openen of het te bezien.5En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.6En ik zag in [het] midden van de troon en van de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam staan als geslacht; Het had zeven horens en zeven ogen, welke zijn de <zeven> Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.7En Het kwam en nam [het boek] uit de rechterhand van Hem Die op de troon zat.8En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.9En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,).


Raad en ondersteuning

7Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;
zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.
8Ik stel mij de HEERE voortdurend voor [ogen];
omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.

Hier begint de tweede helft van de psalm die net als de eerste helft met een verklaring van geloofsvertrouwen begint. Het geloofsvertrouwen is inmiddels zo zeker geworden, dat David dit tweede deel kan beginnen met een lofprijzing. Hij prijst God voor de raad die Hij heeft gegeven (vers 77Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;
zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.
)
. Hij leidt hem door Zijn raad als hij overdag door het land gaat.

Dit zien we ook in volmaaktheid bij de Heer Jezus. Omdat Hij Zich liet leiden door de raad van God, is Hij bijvoorbeeld op de juiste tijd bij de bron van Jakob om daar een vrouw te ontmoeten en haar de Gave van God aan te bieden (Jh 4:4-104En Hij moest door Samaria gaan.5Hij kwam dan bij een stad in Samaria, Sichar geheten, dicht bij het veld dat Jakob zijn zoon Jozef had gegeven. En daar was [de] bron van Jakob.6Jezus dan was vermoeid van de reis en ging zo bij de bron zitten. Het was ongeveer [het] zesde uur.7Er kwam een vrouw uit Samaria water putten. Jezus zei tot haar: Geef Mij te drinken.8(Want Zijn discipelen waren weggegaan naar de stad om voedsel te kopen.)9De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem: Hoe vraagt U Die een Jood bent, van mij te drinken die een Samaritaanse vrouw ben? <Want Joden hebben geen omgang met Samaritanen.>10Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de Gave van God kende en Wie Hij is Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, dan zou u aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.). God is de altijd Aanwezige in Zijn leven. Hij leefde op aarde in nauwe gemeenschap met Hem. God noemt Hem “Mijn metgezel” (Zc 13:77Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder
en tegen de Man Die Mijn Metgezel is,
spreekt de HEERE van de legermachten.
Sla die Herder
en de schapen zullen overal verspreid worden.
[Maar] Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.
)
. Nooit is er een moment geweest dat Hij Zijn ogen van Hem heeft afgewend.

David staat niet alleen overdag open voor de raad van God, maar ook in de nacht. Ook dan staat hij stil bij het onderwijs dat de HEERE hem geeft waardoor hij inzicht ontvangt om te onderscheiden waarop het aankomt. In de nacht onderwijzen zijn nieren hem. Nieren zien op het innerlijk, het binnenste van de mens, waar de wijsheid zetelt (Jb 38:3636Wie heeft de wijsheid in het binnenste gelegd?
Of wie heeft aan het hart het inzicht gegeven?
)
. Ze symboliseren wijsheid om te kunnen onderscheiden wat nuttig en wat onnuttig of zelfs schadelijk is. De Heilige Geest gebruikt het Woord van God om inzicht te geven en Gods wil te kunnen onderscheiden.

De nieren in het lichaam zijn een bijzondere zuiveringsinstallatie. Ze scheiden in het lichaam af wat niet goed is en behouden wat goed is. Dat is wijsheid. In de geestelijke betekenis stellen ze de zuiverheid van innerlijke gevoelens voor. De Heer Jezus is volkomen zuiver in Zijn diepste, meest innerlijke gevoelens. Dat blijkt als Hij in de nacht luistert naar Zijn God. Alles in Hem is op God gericht.

In Zijn overdenking heeft Hij voortdurend het oog op de HEERE, Zijn God, gericht (vers 88Ik stel mij de HEERE voortdurend voor [ogen];
omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.
)
. Dat zien we in de hele weg die Hij gaat en waarover we in de evangeliën lezen (Jh 14:3131maar opdat de wereld weet dat Ik de Vader liefheb, doe Ik ook zo als de Vader Mij heeft geboden. Staat op, laten wij hier vandaan gaan.). Dit is een belangrijke aanwijzing voor ons. Als wij bezig zijn met Gods Woord om daaruit raad en onderwijzing te ontvangen voor de weg die we moeten gaan, zullen we die weg alleen leren kennen als wij daarbij steeds naar de Heer Jezus kijken.

David heeft de HEERE “voortdurend voor [ogen]” gesteld. Voor ons is het belangrijk altijd naar de Heer Jezus te kijken. Daardoor leren we Hem beter kennen waardoor we met des te meer vertrouwen onze weg op aarde gaan. Daardoor zullen we ook zien dat Hij aan onze rechterhand is. De rechterhand stelt kracht voor. Hij geeft ons de kracht om te wandelen tot Gods eer en zorgt er met Zijn kracht voor dat wij niet wankelen.

De rechterhand stelt ook de ereplaats voor. De Heer Jezus heeft God altijd de ereplaats, de hoogste plaats in Zijn leven gegeven. Dat God aan onze rechterhand is, wil voor ons zeggen dat we Hem de ereplaats, de hoogste plaats in ons leven geven. Die afhankelijkheid geeft een ongekende blijdschap in het hart en bewaring van het lichaam, zelfs als het lichaam in de dood is. Dat horen we in de slotverzen van deze psalm.


Het pad ten leven

9Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich,
ook zal mijn lichaam veilig wonen.
10Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten,
U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.
11U maakt mij het pad ten leven bekend;
overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht,
lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.

Het woord “daarom” geeft aan dat er een conclusie volgt die op het voorgaande is gebaseerd (vers 99Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich,
ook zal mijn lichaam veilig wonen.
)
. David heeft God als zijn soevereine Heer (Adonai) erkend en tot Hem de toevlucht genomen (verzen 1-21Een gouden kleinood van David.
Bewaar mij, o God,
want ik heb tot U de toevlucht genomen.2[Mijn ziel,] u hebt tegen de HEERE gezegd: U bent de Heere;
mijn goedheid is niet voor U,
)
. Terwijl hij alle afgoderij afwijst, heeft hij de goedheid van God ervaren (verzen 3-83[maar] voor de heiligen die op de aarde zijn,
en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.4Groot wordt het leed van hen die andere [goden] geschenken geven;
ik [echter] giet geen plengoffers van bloed voor ze uit
en neem de namen ervan niet op mijn lippen.5De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt [wat] het lot mij toewees.
6De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke [plaatsen] gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.7Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;
zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.
8Ik stel mij de HEERE voortdurend voor [ogen];
omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.
)
.

“Daarom” heeft hij blijdschap in zijn hart en verheugt zijn eer zich (vers 99Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich,
ook zal mijn lichaam veilig wonen.
; Lk 10:2121Op dat ogenblik verheugde <Jezus> Zich in de <Heilige> Geest en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard. Ja Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U.; Hb 12:22terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.)
. Zijn “hart” is het centrum van zijn bestaan. Van daaruit wordt zijn leven bestuurd. Zijn hart is voortdurend in gemeenschap met God. Het woord “eer” heeft de betekenis van al de waarde van zijn innerlijke wezen, al zijn gevoelens voor God. Ook voelt hij zich wat betreft zijn “lichaam” veilig. Mijn hart”, “mijn eer” en “mijn lichaam” vormen de hele mens, zoals in het Nieuwe Testament wordt gesproken over “geest en ziel en lichaam” (1Th 5:2323Moge nu de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen en moge geheel uw geest en ziel en lichaam onberispelijk worden bewaard bij de komst van onze Heer Jezus Christus.).

Petrus haalt in zijn toespraak in Handelingen 2 dit vers aan als Schriftbewijs voor de opstanding van Christus (Hd 2:25-3125Want David zegt van Hem: ‘Ik zag de Heer altijd voor Mij, want Hij is aan Mijn rechterhand, opdat Ik niet wankel.26Daarom heeft Mijn hart zich verblijd en Mijn tong zich verheugd, ja, ook Mijn vlees zal rusten in hoop,27want U zult Mijn ziel niet aan [de] hades overlaten en Uw Heilige geen ontbinding te zien geven.28U hebt Mij [de] wegen van [het] leven bekendgemaakt; U zult Mij met blijdschap vervullen bij Uw aangezicht’.29Mannen broeders, het is geoorloofd met vrijmoedigheid tot u te spreken over de aartsvader David, dat hij én gestorven én begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.30Daar hij dan een profeet was en wist, dat God hem met een eed had gezworen [Eén] uit [de] vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten,31heeft hij vooruitgezien en gesproken over de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan [de] hades is overgelaten en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.). Dit is geen bedenksel van de auteurs van dit commentaar, maar het is het commentaar van de Schrift, geïnspireerd door de Heilige Geest, over wat in deze psalm staat. Daarom is het nodig om de verzen uit Handelingen 2 hier aan te halen.

David schrijft deze psalm tien eeuwen eerder dan de tijd van de toespraak van Petrus. Hij schrijft in de ik-vorm. Toch kan hij niet over zichzelf schrijven. Hij is immers gestorven, begraven en, als Petrus dit Schriftwoord aanhaalt, nog steeds niet opgestaan. David is hier dan ook een profeet die over een Ander, de Heer Jezus, schrijft.

Niemand anders dan de Heer Jezus is Zijn weg gegaan zonder een moment Zijn oog van God, Zijn Vader af te wenden. Altijd zag Hij God, Zijn Vader voor Zich. Altijd ook wist Hij Hem naast Zich (Jh 8:2929En Hij Die Mij heeft gezonden, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem welbehaaglijk is.). Zijn gemeenschap met Zijn God gaf Hem blijdschap in Zijn hart, waaraan Hij met Zijn mond uiting gaf, zelfs in de tijd dat Hij verwerping ervoer (Mt 11:2525In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard.).

Door Zijn gemeenschap met Zijn God had Hij hoop met betrekking tot de rust voor Zijn lichaam. Hij wist dat Hij de dood van de zondaar zou sterven, maar Hij ging die dood tegemoet met de Vader voor en naast Zich, terwijl Hij zag op de vreugde die daarna zou komen (Hb 12:22terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.). Hij wist dat God Zijn ziel niet aan het graf zou overgeven.

Het woord ‘graf’ kan een verkeerde indruk wekken. Onder een graf verstaan wij een plaats waarin het lichaam van een gestorvene wordt gelegd. Dat wordt hier echter niet bedoeld. Het woord ‘graf’ is niet de juiste vertaling van het Hebreeuwse woord sheol. Dat woord heeft niet te maken met het lichaam, maar met de ziel. De sheol is de plaats waar de zielen van de gestorvenen direct na hun dood heen gaan, het dodenrijk. In het citaat van Petrus, dat uit de Septuaginta – de Griekse vertaling van het Oude Testament – wordt genomen, staat het woord hades, de Griekse vertaling van sheol.

Vervolgens staat in het citaat dat God de ziel van Christus niet aan de hades zal “overlaten”. Dit wil zeggen dat God de ziel van Christus niet aan het dodenrijk zou prijsgeven. Christus was “de Heilige” van God Die in volkomen trouw aan het verbond als Gods gunstgenoot tot Zijn eer heeft geleefd. Hij heeft voor ieder die in Hem gelooft, de pijnen van de dood in Zijn ziel geleden in de drie uren van duisternis op het kruis onder Gods oordeel. Na Zijn sterven is Zijn ziel is naar het paradijs gegaan (Lk 23:4343En Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn.). Iedere ongelovige zal in de hades en uiteindelijk eeuwig in de hel lijden.

Nadat Christus was gestorven, is Hij in het graf gelegd, maar Zijn lichaam heeft geen “ontbinding” gezien. Dat wil zeggen dat Zijn lichaam niet is aangetast door het verderf van de dood. Ook in Zijn dood was Hij ‘de Heilige’ van God. Daarom is Hij, na een kort verblijf in het graf – "een korte tijd" (Hb 2:99maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte.) –, opgewekt. Als resultaat van Zijn werk weet de nieuwtestamentische gelovige dat zijn geest en ziel direct na zijn sterven bij de Heer zijn (2Ko 5:88maar wij hebben goede moed en willen liever ons verblijf in het lichaam verlaten en bij de Heer inwonen.; Fp 1:2323maar ik word van beide kanten gedrongen: ik verlang ernaar heen te gaan en met Christus te zijn, <want> dit is verreweg het beste;), terwijl zijn lichaam in het graf is. Zijn lichaam zal bij de komst van de Heer Jezus voor de Zijnen weer uit het graf tevoorschijn komen, maar dan vernieuwd, en worden verenigd met zijn geest en zijn ziel (1Th 4:1616Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;; 1Ko 15:5252in een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.).

Nadat we in het citaat Christus hebben horen spreken over Zijn dood en de zekere bewaring daarin door God, horen we vervolgens hoe Hij spreekt over leven en blijdschap (vers 1111U maakt mij het pad ten leven bekend;
overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht,
lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.
)
. Hier spreekt Hij over Zijn opstanding. Dit is leven en blijdschap nadat Hij door de dood is heengegaan. Na de opstanding worden er wegen van leven geopend en bekendgemaakt. Het leven in de opstanding is een leven vol blijdschap, het is leven met het oog gericht op het aangezicht van God. In de geestelijke betekenis geldt dit vandaag voor iedere gelovige die zijn oog op Christus gericht houdt. Zo iemand gaat altijd op de weg van het leven, ook al voert die mogelijk door de dood heen.

Deze weg van het leven wordt door God aan de Heer Jezus en daardoor aan de Zijnen bekendgemaakt. Het pad van het leven is altijd het pad door de dood heen. God wekt op uit de doden. Hij is de oorsprong van die weg, want Hij is het leven, Hij is de levende God, het leven is alleen in Hem. Het is niet zozeer de weg die naar het leven voert, als wel de weg waarop het leven wordt genoten. Het is de weg die wordt gekenmerkt door het leven (vgl. Ps 25:9-109Hij leidt zachtmoedigen in het recht, /jod/
Hij leert zachtmoedigen Zijn weg.
10Alle paden van de HEERE zijn goedertierenheid en trouw /kaph/
voor wie Zijn verbond en Zijn getuigenissen in acht nemen.
)
.

Leven in de volle zin van het woord en vreugde horen bij elkaar. Op de weg van het leven is “overvloed van blijdschap” omdat het een weg is voor het “aangezicht” van God, wat wijst op Zijn voortdurende aanwezigheid. Alleen op die weg, alleen in een leven van gemeenschap met Hem, is een overvloed van blijdschap. Dat is zowel in dit leven het geval als in het leven na dit leven.

Dit is ook het geval met de “lieflijkheden” die in Zijn “rechterhand” zijn. Die zijn daar “voor altijd”. Met ‘lieflijkheden’ wordt een enorme hoeveelheid aangename dingen bedoeld die ons hart steeds weer, zonder onderbreking, zullen verblijden. Er is geen ogenblik dat dit niet zo is. Zowel in het heden als in de toekomst is Hij machtig – de rechterhand spreekt van kracht – die lieflijkheden te geven aan ieder die met Hem verbonden is in de opstandingswereld. Zijn aangezicht en Zijn rechterhand staan voor Zijn Persoon en Zijn daden, wat Hij geeft en wat Hij doet.


Lees verder