Psalmen
1-5 Gods gunstelingen zingen 6-9 Gods gunstelingen regeren
Gods gunstelingen zingen

1Halleluja!
Zing voor de HEERE een nieuw lied,
Zijn lof zij in de gemeente van [Zijn] gunstelingen.
2Laat Israël zich verblijden in zijn Maker,
laten de kinderen van Sion zich verheugen over hun Koning.
3Laten zij Zijn Naam loven in reidans,
voor Hem psalmen zingen met tamboerijn en harp.
4Want de HEERE is Zijn volk goedgezind,
Hij zal de zachtmoedigen aanzien geven met heil.
5Laten [Zijn] gunstelingen om [die] eer opspringen van vreugde,
laten zij vrolijk zingen op hun slaapplaatsen.

De psalm begint met “halleluja”, het kenmerk van de laatste vijf psalmen (vers 11Halleluja!
Zing voor de HEERE een nieuw lied,
Zijn lof zij in de gemeente van [Zijn] gunstelingen.
)
. Dan volgt de oproep om “voor de HEERE een nieuw lied” te zingen. Dit nieuwe lied past bij de nieuwe periode die voor Gods volk is aangebroken, een periode van ongestoorde vrede en vreugde met nieuwe, niet eerder genoten zegeningen. De HEERE is het voorwerp van het nieuwe lied, want Hij heeft al deze zegeningen voor Zijn volk bewerkt. De gemeente zingt straks ook een nieuw lied, maar doet dat in de hemel (Op 5:99En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,). Israël zingt het nieuwe lied op aarde.

Het nieuwe lied wordt hier niet door de enkeling gezongen, maar “in de gemeente van [Zijn] gunstelingen”. Zij zijn de verlosten die God als Zijn volk heeft bewaard. Door hen als gemeente van Zijn gunstelingen wordt Zijn lof gezongen. Zij zijn het verbondsvolk, de gemeente van de rechtvaardigen. Dat zij hier Gods ‘gunstelingen’ worden genoemd, onderstreept dat hun lied wordt ingegeven door het besef dat alles wat ze aan zegeningen hebben gekregen op grond van genade is.

“Israël”, het volk dat uit gunstelingen bestaat, wordt opgeroepen zich te “verblijden in zijn Maker” (vers 22Laat Israël zich verblijden in zijn Maker,
laten de kinderen van Sion zich verheugen over hun Koning.
)
. Dit legt er opnieuw de nadruk op dat de HEERE de oorsprong van Zijn volk is. Hij heeft het gemaakt (Ps 95:66Kom, laten wij ons neerbuigen en neerbukken,
laten wij knielen voor de HEERE, Die ons gemaakt heeft.
; 100:33Weet dat de HEERE God is;
Híj heeft ons gemaakt – en niet wij –
Zijn volk en de schapen van Zijn weide.
; Js 44:22Zo zegt de HEERE, uw Maker
en uw Formeerder van de [moeder]schoot af, Die u helpt:
Wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob,
Jesjurun, die Ik verkozen heb.
)
. Ze hebben hun ontstaan en bestaan en Hem te danken.

Ze worden ook “de kinderen van Sion” genoemd. Dat herinnert eraan dat ze niet meer met de Sinaï, de berg van de wet, zijn verbonden, maar met de berg Sion, de berg van de genade. Ze zijn genaderd tot de berg Sion (Hb 12:19-2519bazuingeschal en een geluid van woorden waarvan zij die ze gehoord hadden, smeekten dat [het] woord niet tot hen zou worden gericht20(want zij konden niet verdragen wat geboden werd: ‘Zelfs als een dier de berg aanraakt, zal het worden gestenigd’;21en zo vreselijk was het gezicht, dat Mozes zei: ‘Ik ben vol vrees en ik beef zeer’),22maar u bent genaderd tot [de] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen,23[de] algemene vergadering; en tot [de] gemeente van [de] eerstgeborenen, die in [de] hemelen staan opgeschreven, en tot God, [de] Rechter van allen; en tot [de] geesten van [de] tot volmaaktheid gekomen rechtvaardigen;24en tot Jezus, [de] Middelaar van een nieuw verbond; en tot [het] bloed van [de] besprenkeling, dat beter spreekt dan Abel.25Kijkt u uit dat u Hem Die spreekt, niet afwijst. Want als zij niet ontkomen zijn, die Hem afwezen Die op aarde Goddelijke aanwijzingen gaf, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem Die van [de] hemelen [spreekt].), wat betekent dat ze door genade zijn wat ze zijn. Met de berg Sion is ook het koningschap van de Heer Jezus verbonden (Ps 2:66Ik heb Mijn Koning toch gezalfd
over Sion, Mijn heilige berg.
)
. Daarom worden ze opgeroepen zich te “verheugen over hun Koning” Die in weldadigheid over hen regeert. Hij woont in hun midden, Hij leidt hen en beschermt hen en zegent hen met een overvloedige zegen.

Het kan niet anders of ze zullen “Zijn Naam loven in reidans” en “voor Hem psalmen zingen met tamboerijn en harp” (vers 33Laten zij Zijn Naam loven in reidans,
voor Hem psalmen zingen met tamboerijn en harp.
)
. Een reidans is een dans die door een rei (groep van personen) wordt uitgevoerd, met name een rondedans. Het benadrukt de gemeenschappelijke vreugde. De reidans, de tamboerijn en het zingen zien we ook na de eerdere verlossing van Gods volk, die uit de slavernij in Egypte (Ex 15:1,20-211Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
            Ik zal zingen voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.20Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand, en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.21Toen [zong] Mirjam hun ten antwoord:
            Zing voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.
)
. Het onderstreept de sterke verwantschap tussen die gebeurtenis en de bevrijding van Gods volk in de eindtijd.

Deze Koning, hun Messias, is de HEERE Zelf (vers 44Want de HEERE is Zijn volk goedgezind,
Hij zal de zachtmoedigen aanzien geven met heil.
)
. Hij woont bij Zijn volk en is hun “goedgezind”. Hij vindt Zijn vreugde in hen, want zij zijn in de juiste gesteldheid van hart. Zij zijn ”de zachtmoedigen”. Dat zijn ze geworden door Zijn werk in en aan hen in de grote verdrukking. Die tijd van benauwdheid, waarin ze vertrapt zijn door de volken, is voorbij. De HEERE heeft hen tot hoofd van de volken gemaakt (Dt 26:1919en dat Hij u [een plaats] zal geven, hoog boven alle volken die Hij gemaakt heeft, tot lof, tot een naam en tot sieraad; en dat u een heilig volk zult zijn voor de HEERE, uw God, zoals Hij gesproken heeft.). Daardoor genieten ze nu “aanzien … met heil”.

Als “[Zijn] gunstelingen” mogen ze “om [die] eer opspringen van vreugde” (vers 55Laten [Zijn] gunstelingen om [die] eer opspringen van vreugde,
laten zij vrolijk zingen op hun slaapplaatsen.
)
. Als de voorwerpen van Zijn gunst of genade, rust Gods eer (Hebr. kabod), Gods heerlijkheid, als een kroon op hen. De tijd van ikabod is voorbij, de tijd dat de eer van Gods volk weg was (vgl. 1Sm 4:2121En zij noemde het jongetje Ikabod, en zei: De eer is weggevoerd uit Israël. [Dit zei ze], omdat de ark van God [als buit] meegenomen was, en vanwege haar schoonvader en haar man.). De HEERE heeft Zijn volk “genade en eer” gegeven (Ps 84:1212Want God, de HEERE,
is een zon en een schild,
de HEERE zal genade en eer geven,
Hij zal het goede niet onthouden
aan hen die in oprechtheid [hun weg] gaan.
)
. Zij zijn door Hem verheerlijkt, heerlijk gemaakt, voor het oog van de volken (Js 55:55Zie, U zult een volk roepen dat U niet kende,
en het volk dat U niet kende, zal naar U toe snellen,
omwille van de HEERE, Uw God,
voor de Heilige van Israël, want Hij heeft U verheerlijkt.
; 60:99Voorzeker, de kustlanden zullen Mij verwachten,
en de schepen van Tarsis zullen de eerste zijn
om uw kinderen van verre te brengen,
hun zilver en hun goud met hen,
naar de Naam van de HEERE, uw God,
naar de Heilige van Israël, want Hij heeft u verheerlijkt.
)
. Er is alle reden tot “vrolijk zingen” (Js 61:1010Ik ben zeer vrolijk in de HEERE,
mijn ziel verheugt zich in mijn God,
want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil,
de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan,
zoals een bruidegom zich bekleedt met priesterlijk [hoofd]sieraad,
en een bruid zich tooit met haar sieraden.
)
.

Dat kan gebeuren “op hun slaapplaatsen”. Dit spreekt van de rust waarin God, naar Zijn belofte, Zijn volk heeft gebracht. Eerder is het volk wel in het land gekomen, maar niet in de rust (Hb 4:1-91Laten wij dan vrezen, dat niet misschien iemand van u, terwijl een belofte om in Zijn rust in te gaan overblijft, schijnt achter te blijven.2Immers, aan ons is een blijde boodschap verkondigd, evenals ook aan hen; maar het woord van de prediking bracht hun geen nut, daar zij niet verbonden waren met hen die het in het geloof hoorden.3Want wij die geloofd hebben, gaan in <de> rust, zoals Hij gezegd heeft: ‘Zodat Ik zwoer in Mijn toorn: Nooit zullen zij in Mijn rust ingaan’. En toch waren Zijn werken van [de] grondlegging van [de] wereld af volbracht.4Want Hij heeft ergens van de zevende [dag] aldus gezegd: ‘En God rustte op de zevende dag van al Zijn werken’.5En op deze [plaats] weer: ‘Nooit zullen zij in Mijn rust ingaan’.6Daar dus overblijft dat sommigen haar ingaan, en zij aan wie eerst de blijde boodschap verkondigd was, niet ingegaan zijn wegens ongehoorzaamheid,7stelt Hij opnieuw een bepaalde dag vast: ‘Heden’, als Hij in David zo lange tijd daarna zegt, zoals tevoren gezegd is: ‘Heden, als u Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet’.8Want als Jozua hen in de rust gebracht had, zou Hij daarna niet over een andere dag gesproken hebben.9Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God.). Telkens hebben ze de beloofde rust door hun ontrouw aan God verspeeld. Maar de Messias, de Man van de ware rust (vgl. 1Kr 22:99Zie, een zoon zal u geboren worden; díe zal een man van rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden van rondom. Ja, Salomo zal zijn naam zijn, want Ik zal in zijn dagen vrede en stilte over Israël geven.), heeft door Zijn werk op het kruis eerst rust voor hun geweten gegeven. En nu zijn ze ook uiterlijk in de rust ingegaan.


Gods gunstelingen regeren

6Gods lofzangen klinken uit hun mond,
een tweesnijdend zwaard is in hun hand,
7om wraak te oefenen over de heidenvolken,
bestraffingen over de natiën,
8om hun koningen te binden met ketenen
en hun aanzienlijken met ijzeren boeien,
9om het beschreven recht aan hen te voltrekken.
Dát zal de glorie van al Zijn gunstelingen zijn.
Halleluja!

De gunstelingen van God zijn ook zingende en overwinnende strijders (vers 66Gods lofzangen klinken uit hun mond,
een tweesnijdend zwaard is in hun hand,
)
. “Uit hun mond” klinken “Gods lofzangen”, terwijl er “een tweesnijdend zwaard … in hun hand” is. Het eerste is een getuigenis van vertrouwen op God, terwijl in dat vertrouwen het zwaard wordt opgenomen om de tegenstanders te verslaan, waarbij er geen twijfel over de uitslag van de strijd bestaat. Deze twee aspecten zien we in de strijd van Josafat: Hij stelt zangers voorop, waarna de gewapende mannen volgen, waarna de HEERE de overwinning geeft (2Kr 20:21-2221Hij pleegde overleg met het volk en stelde voor de HEERE zangers aan en [mensen] die de heilige Majesteit prijzen zouden, terwijl zij voor de gewapende [mannen] uit trokken en zeiden:
Loof de HEERE,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig!
22Juist op de tijd dat zij met gejuich en lofzang begonnen, legde de HEERE hinderlagen tegen de Ammonieten, Moab en [de bewoners] van het Seïrgebergte die op Juda waren afgekomen, en zij werden verslagen.
)
.

De strijd van ons, christenen, is niet tegen vlees en bloed (Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].). Daarom voeren wij geen strijd met een tweesnijdend zwaard van ijzer in de hand, met vleselijke wapens, maar met geestelijke wapens die krachtig zijn voor God (2Ko 10:44want de wapens van onze strijd zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God, tot afbreking van bolwerken;). Ons zwaard is “het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God” (Ef 6:1717En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,; Hb 4:1212Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.; vgl. Js 49:22Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard,
in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen.
Hij heeft Mij gemaakt tot een puntige pijl,
Hij heeft Mij in Zijn pijlkoker gestoken.
)
.

De lof van God is niet te verenigen met het kwaad waarmee de heidenen over Gods volk hebben geheerst. De strijd is nodig “om wraak te oefenen over de heidenvolken” (vers 77om wraak te oefenen over de heidenvolken,
bestraffingen over de natiën,
)
. Het is de wraak van God die Hij over de heidenvolken brengt door middel van Zijn volk vanwege de vijandschap van die de heidenvolken tegen Zijn volk (Js 41:14-1614Wees niet bevreesd, wormpje Jakob,
volkje Israël,
Ík help u, spreekt de HEERE,
uw Verlosser is de Heilige van Israël.
15Zie, Ik maak u tot een scherpe dorsslede,
een nieuwe, met puntige pinnen.
U zult bergen dorsen en verpulveren,
en heuvels maken als kaf.
16U zult ze wannen, de wind zal ze opnemen,
en de storm zal ze verspreiden.
Maar ú zult zich verheugen in de HEERE,
in de Heilige van Israël zult u zich beroemen.
; Jr 51:2020U bent voor Mij een strijdhamer,
wapenrusting.
Met u zal Ik volken stukslaan,
met u zal Ik koninkrijken te gronde richten.
; Mi 4:1313Sta op en dors, dochter van Sion,
want Ik zal uw hoorn van ijzer maken
en Ik zal uw hoeven van brons maken,
en u zult vele volken verpletteren
en Ik zal hun winstbejag met de ban slaan: [het is] voor de HEERE,
hun vermogen is voor de Heere van heel de aarde.
; 5:7-87Ja, het overblijfsel van Jakob zal onder de heidenvolken zijn,
te midden van veel volken,
als een leeuw onder de dieren van het woud,
als een jonge leeuw onder de schaapskudden,
die, wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt,
en er is niemand die redt.8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders
en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
; Zc 9:1313als Ik Mij Juda zal hebben gespannen,
[en] Ik Efraïm [op] de boog zal hebben gelegd,
en Ik uw zonen, Sion, zal hebben opgezet
tegen uw zonen, Griekenland,
en Ik u gemaakt zal hebben als het zwaard van een held.
)
. Zijn volk is het overblijfsel voor wie de voorzegde tijd om te regeren is aangebroken.

Het is over en uit met de heerschappij van de koningen van die heidenvolken die Gods volk steeds weer hebben belaagd, vernederd, opgejaagd en gedood (vers 88om hun koningen te binden met ketenen
en hun aanzienlijken met ijzeren boeien,
)
. De koningen wordt alle vrijheid van handelen ontnomen door hen “te binden met ketenen”. Ook “hun aanzienlijken”, die zich schuldig hebben gemaakt aan het beroven van Zijn volk, verliezen hun vrijheid en daarmee hun aanzien. Zij worden “met ijzeren boeien” gebonden.

De wraak is geen plotselinge vergeldingsactie van iemand die het gevoel heeft dat hem onrecht is gedaan, maar vindt plaats “om het geschreven recht aan hen te voltrekken” (vers 99om het beschreven recht aan hen te voltrekken.
Dát zal de glorie van al Zijn gunstelingen zijn.
Halleluja!
; Dt 7:1-21Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw [ogen] verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,2en [wanneer] de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn.; 31:55Wanneer de HEERE hen aan u gegeven heeft, moet u met hen doen overeenkomstig alle geboden die ik u gegeven heb.; 32:41-4341Als Ik Mijn glinsterend zwaard wet,
Mijn hand [het] grijpt voor het oordeel,
zal Ik de wraak laten terugkomen op Mijn tegenstanders,
en het hun die Mij haten, vergelden.
42Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed,
en Mijn zwaard zal vlees eten
van het bloed van de gesneuvelde en de gevangene,
van het hoofd van de vijand [met zijn] loshangende haar.
43Juich, heidenen, [met] Zijn volk!
Want Hij zal het bloed van Zijn dienaren wreken.
Hij zal de wraak laten terugkomen op Zijn tegenstanders,
en Zijn land [en] Zijn volk verzoenen!
)
. Het is een volstrekt rechtvaardig vonnis dat wordt uitgevoerd in overeenstemming met wat lang van tevoren geschreven staat. De misdadigers zullen niet anders kunnen dan de rechtmatigheid ervan erkennen. Deze rechtvaardige vergelding “zal de glorie van al Zijn gunstelingen” zijn.

Alle Gods handelingen in oordeel, ook de oordelen die Hij door middel van de Zijnen uitvoert, verzekeren de Zijnen van Zijn liefde. Daarom past aan het slot van deze psalm een nieuw “halleluja”, ‘loof de HEERE!’.


Lees verder