Psalmen
1-4 Loof de HEERE 5-9 De HEERE bewaart de trouw 10 De HEERE regeert voor eeuwig
Loof de HEERE

1Halleluja!
Mijn ziel, loof de HEERE.
2Ik zal de HEERE loven in mijn leven,
ik zal voor mijn God psalmen zingen zolang ik er nog ben.
3Vertrouw niet op edelen,
op het mensenkind, bij wie geen heil is.
4Zijn geest gaat uit [hem] weg, hij keert terug tot zijn aardbodem;
op die dag vergaan zijn plannen.

De psalm begint met de uitroep “halleluja”, dat is ‘loof de HEERE’ (vers 11Halleluja!
Mijn ziel, loof de HEERE.
)
. Het is de eerste psalm van de laatste vijf psalmen die allemaal met ‘halleluja’ beginnen. Ze eindigen ook allemaal met ‘halleluja’. Deze psalmen vormen het machtige slotakkoord van het boek, een slotakkoord boordevol lofprijzing. In deze psalm volgt op het ‘halleluja’, als het ware in een tweegesprek met zichzelf, de reactie van de psalmist. Hij zegt tegen zijn ziel, dat is tegen zichzelf, dat hij aan die oproep gehoor moet geven en de HEERE moet loven.

Daarop reageert hij met twee toezeggingen. Eerst zegt hij dat hij de HEERE zal loven in zijn leven (vers 22Ik zal de HEERE loven in mijn leven,
ik zal voor mijn God psalmen zingen zolang ik er nog ben.
)
. Zijn leven is vol van bewijzen van de goedertierenheid van de HEERE. Al die gunstbewijzen zijn een aanleiding om de HEERE te loven. Daaraan voegt hij toe dat hij voor zijn God psalmen zal zingen zolang hij er is. Hebben ook wij niet veel redenen om liederen van lofprijzing te zingen? Waarom doen we het dan zo weinig?

Er zal geen ‘loof de HEERE’ zijn als er op mensen wordt vertrouwd, wat behalve dwaasheid ook zonde is (Jr 17:55Zo zegt de HEERE:
Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,
en [die] een schepsel tot zijn arm stelt,
terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt.
)
. De neiging van de mens, ook van de gelovige, om op “edelen” te vertrouwen is altijd aanwezig (vers 33Vertrouw niet op edelen,
op het mensenkind, bij wie geen heil is.
)
. Edelen zijn mensen met aanzien en invloed. De psalmist waarschuwt ervoor niet op zulke mensen te vertrouwen (Ps 118:8-98Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op de mensen te vertrouwen.
9Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op edelen te vertrouwen.
; Js 2:2222Zie voor uzelf [dan] af van de mens
– in zijn neus heeft hij [slechts] adem –
want als wat is hij [eigenlijk] te beschouwen?
)
.

Hoe voornaam iemand ook is en hoeveel invloed hij ook heeft, hij is en blijft een “mensenkind, bij wie geen heil is”. Dat de psalmist het woord ‘mensenkind’ gebruikt, onderstreept zijn vergankelijkheid (vgl. Ps 8:55wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
)
, wat tegelijk de mogelijkheid uitsluit dat hij heil of redding zou kunnen geven.

Vertrouwen op welk mens dan ook is vertrouwen op onzekerheid (vers 44Zijn geest gaat uit [hem] weg, hij keert terug tot zijn aardbodem;
op die dag vergaan zijn plannen.
)
. De mens, ook al zou hij goedwillend zijn, is vergankelijk. Plotseling sterft hij, “zijn geest gaat uit [hem] weg”. Hij wordt begraven, “hij keert terug tot zijn aardbodem”. Hij is uit het stof gemaakt en keert daarnaar terug (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
; Ps 90:33U doet de sterveling terugkeren tot stof
en zegt: Keer terug, mensenkinderen.
; 104:2929Verbergt U Uw aangezicht, zij worden door schrik overmand,
neemt U hun adem weg, zij geven de geest
en keren terug tot hun stof.
; Pr 3:2020Zij gaan allen naar één plaats:
zij zijn allen uit het stof
en zij keren allen terug tot het stof.
)
. Al zijn plannen waarop iemand heeft vertrouwd, vergaan met hem. Er komt niets van terecht. Wat een dwaasheid om op zoiets onzekers als een mens te vertrouwen. Wie op mensen vertrouwt, heeft geen enkele aanleiding hem te loven.


De HEERE bewaart de trouw

5Welzalig is hij die de God van Jakob tot zijn hulp heeft,
die zijn verwachting stelt op de HEERE, zijn God,
6Die hemel en aarde gemaakt heeft,
de zee en al wat daarin is;
Die voor eeuwig de trouw bewaart,
7Die de onderdrukten recht doet,
Die de hongerigen brood geeft.
De HEERE maakt de gevangenen los,
8de HEERE opent [de ogen] van de blinden.
De HEERE richt de gebogenen op,
de HEERE heeft de rechtvaardigen lief.
9De HEERE bewaart de vreemdelingen,
Hij houdt wees en weduwe staande,
maar de weg van de goddelozen maakt Hij krom.

In tegenstelling tot de mens die stof is, is God almachtig. Vertrouwen op de mens is dom, vertrouwen op God is wijsheid (vers 55Welzalig is hij die de God van Jakob tot zijn hulp heeft,
die zijn verwachting stelt op de HEERE, zijn God,
)
. Iemand “die de God van Jakob tot zijn hulp heeft”, is “welzalig”. Een beroep op ‘de God van Jakob’ doet iemand die zich als Jakob voelt, een steeds weer falende, tekortschietende gelovige. Van zo iemand wil God zijn God zijn.

Zo iemand heeft geen hoge dunk van zichzelf en verwacht ook niets meer van zichzelf. Hij is iemand “die zijn verwachting stelt op de HEERE, zijn God”. Hulp en verwachting horen bij elkaar. Ze zijn beide aanwezig bij iemand die een persoonlijke relatie met God heeft. Dat is bij de psalmist het geval. Hij spreekt over “zijn God”, Die “de HEERE” is, dat is de God Die trouw is aan Zijn beloften. Hij is zijn vertrouwen ten volle waard.

En Wie is die God? Het is de God “Die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is” (vers 66Die hemel en aarde gemaakt heeft,
de zee en al wat daarin is;
Die voor eeuwig de trouw bewaart,
)
. Hij is de almachtige Schepper. Daarom is alles van Hem afhankelijk. Hij heeft alles tot stand gebracht, maar Zich daarna niet heeft teruggetrokken van het werk van Zijn handen. Dat blijkt wel daaruit dat Hij “voor eeuwig de trouw bewaart”. Wat Hij heeft gemaakt, onderhoudt Hij in Zijn trouw ook. Dat zal Hij altijd doen, want Hij is de eeuwig Onveranderlijke (vgl. Jk 1:1717Elke goede gave en elk volmaakt geschenk daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering.).

God is niet alleen almachtig, Hij is ook goed. Zijn speciale zorg gaat uit naar diverse groepen mensen die lijden onder de gevolgen van de zonde die in Zijn schepping is binnengedrongen. Het eerste gevolg is de verstoring van de relaties tussen mensen (vers 77Die de onderdrukten recht doet,
Die de hongerigen brood geeft.
De HEERE maakt de gevangenen los,
)
. Er zijn onderdrukten. Zij worden onderdrukt door mensen die het recht van hun medemensen verachten. De onderdrukten worden uitgebuit. Zij hebben geen mens die het voor hen opneemt. Maar zij roepen tot God en Hij neemt het voor hen op (vgl. Jk 5:4-64Zie, het loon van de arbeiders die uw akkers geoogst hebben, dat door u is ingehouden, roept, en de kreten van de maaiers zijn gekomen tot de oren van [de] Heer Zebaoth.5U hebt in weelde en genotzucht geleefd op aarde; u hebt uw harten te goed gedaan op een slachtdag.6Veroordeeld, gedood hebt u de rechtvaardige; hij weerstaat u niet.). Hij zal de onderdrukten recht doen (Ps 103:66De HEERE doet rechtvaardige daden
en recht aan alle onderdrukten.
)
.

Een volgend gevolg van de zonde is honger. Dat kan het gevolg zijn van droogte die door God is gezonden om de mens tot Hem terug te laten keren. De hongerigen roepen tot God en belijden hun ontrouw. God antwoordt daarop met het geven van brood. Dit geldt zowel in materieel als in geestelijk opzicht (vgl. Ps 107:99Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd
en de hongerige ziel met het goede vervuld.
; Mt 5:66Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.; Lk 1:5353hongerigen heeft Hij met goede dingen vervuld en rijken leeg weggezonden;)
.

Dan zijn daar “de gevangenen”. Door zijn keus voor de zonde is de mens een gevangene van de zonde geworden. Hij kan zichzelf niet uit deze gevangenschap bevrijden. Maar wie zich tot God wendt met belijdenis van zijn zonden, wordt door Hem losgemaakt van de zonde. Het is ook van toepassing op Gods volk dat in gevangenschap is weggevoerd naar Assyrië en Babel. Allen die zich bekeren, maakt hij los uit de landen waarin zij gevangen zijn.

Blindheid is ook een gevolg van de zonde (vers 88de HEERE opent [de ogen] van de blinden.
De HEERE richt de gebogenen op,
de HEERE heeft de rechtvaardigen lief.
)
. Dit geldt voor de mens in zijn zondige toestand (2Ko 4:3-43Als dan ons evangelie al bedekt is, is het bedekt in hen die verloren gaan;4in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die [het] beeld van God is, [hen] niet zou bestralen.). Het geldt ook voor iemand die belijdt tot Gods volk te behoren – zowel Israël als de gemeente –, maar geen leven uit God heeft (Js 42:18-2018Doven, hoor!
Blinden, kijk en zie!
19Wie is er zo blind als Mijn dienaar,
doof zoals Mijn bode [die] Ik zend?
Wie is blind zoals de volmaakte,
blind zoals de knecht van de HEERE?20U ziet [wel] veel dingen, maar u let er niet op.
Hij doet [zijn] oren [wel] open, toch luistert hij niet.
; Op 3:1717Omdat u zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent,)
. Maar “de HEERE opent [de ogen] van de blinden” die hun blindheid erkennen.

Zij die gebogen zijn onder de last van hun zonden en daarmee naar de HEERE gaan, worden door Hem opgericht (vgl. Lk 13:10-1710Hij nu leerde in een van de synagogen op de sabbat.11En zie, er was een vrouw die achttien jaar een geest van ziekte had gehad, en zij was kromgebogen en kon zich in het geheel niet oprichten.12Toen nu Jezus haar zag, riep Hij haar bij Zich en zei tot haar: Vrouw, u bent verlost van uw ziekte.13En Hij legde haar de handen op en onmiddellijk richtte zij zich op en zij verheerlijkte God.14De overste van de synagoge echter, die het zeer kwalijk nam dat Jezus op de sabbat genas, antwoordde en zei tot de menigte: Er zijn zes dagen waarop men moet werken; komt u dan op die [dagen] laten genezen en niet op de sabbatdag.15De Heer echter antwoordde hem en zei: Huichelaars, maakt niet ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, leidt hem weg en geeft hem te drinken?16Moest dan deze, die een dochter van Abraham is, die de satan, zie, achttien jaar had gebonden, niet van deze band worden losgemaakt op de sabbatdag?17En toen Hij dit zei, werden al Zijn tegenstanders beschaamd, en de hele menigte verblijdde zich over al de heerlijke dingen die door Hem gebeurden.). Wat hier allemaal van de HEERE gezegd wordt, heeft de Heer Jezus in Zijn leven op aarde laten zien. Hij is de HEERE Die tot Zijn volk is gekomen. Omdat Zijn volk Hem heeft verworpen, zijn deze zegeningen voor het volk als geheel uitgesteld. Hij zal ze in het vrederijk allemaal geven.

Allen die in hun nood tot de HEERE zijn gegaan, zijn door hem tot “rechtvaardigen” gemaakt. Zij zijn het nieuwe volk van God dat helemaal uit rechtvaardigen bestaat (Js 60:2121Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn,
voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen.
Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant,
een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden.
)
. Zij hebben gedaan wat recht is in Zijn ogen en blijven dat doen. In hen ziet Hij Zijn eigen kenmerken. Dat verheugt Zijn hart. Naar hen gaat Zijn liefde uit en Hij verzekert hen ervan dat Hij hen liefheeft.

De HEERE betoont Zich een Bewaarder van “de vreemdelingen” (vers 99De HEERE bewaart de vreemdelingen,
Hij houdt wees en weduwe staande,
maar de weg van de goddelozen maakt Hij krom.
)
. Vreemdelingen zijn mensen die geen burgerrecht in Israël hebben. Zij hebben niets waarop ze aanspraak kunnen maken. Maar “de HEERE bewaart de vreemdelingen” die zich daarvan bewust zijn en zich bij Zijn volk hebben aangesloten. Zij delen in de zegen die Hij aan Zijn volk geeft. Mooie voorbeelden daarvan zijn Rachab en Ruth (Jz 2:8-138Maar voor zij zich te slapen gelegd hadden, klom zij naar hen toe, op het dak,9en zei tegen die mannen: Ik weet dat de HEERE u dit land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land weggesmolten zijn [van angst] voor u.10Want wij hebben gehoord dat de HEERE het water van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen u uit Egypte ging. En [ook] wat u hebt gedaan met de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, die aan de andere zijde van de Jordaan waren, die u met de ban geslagen hebt.11Toen wij [dat] hoorden, smolt ons hart weg [van angst], en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.12Nu dan, zweer mij toch bij de HEERE, omdat ik goedertierenheid aan u bewezen heb, dat u ook goedertierenheid zult bewijzen aan het huis van mijn vader, en geef mij een teken van trouw13dat u mijn vader en mijn moeder zult laten leven, en ook mijn broers en mijn zusters met al wat van hen is, en dat u ons leven van de dood redden zult.; 6:22-2522En Jozua zei tegen de twee mannen, de verkenners van het land: Ga het huis van die vrouw, die hoer, binnen en breng de vrouw vandaar naar buiten, met alles wat van haar is, zoals u haar gezworen hebt.23Toen gingen de jongemannen, de verkenners, naar binnen en brachten Rachab naar buiten, met haar vader, haar moeder, haar broers, en alles wat van haar was. Ook brachten zij al haar familieleden naar buiten en zij lieten hen buiten het kamp van Israël verblijven.24De stad verbrandden zij met vuur, met alles wat daarin was. Alleen het zilver en het goud en de koperen en ijzeren voorwerpen legden zij bij de schat van het huis van de HEERE.25Zo liet Jozua de hoer Rachab in leven, met de familie van haar vader en alles wat van haar was. Zij heeft tot op deze dag in het midden van Israël gewoond, omdat zij de boden verborgen had die Jozua gestuurd had om Jericho te verkennen.; Ru 1:16-1716Maar Ruth zei: Dring er bij mij niet langer op aan u te verlaten en terug te gaan, bij u vandaan. Want waar u heen gaat, zal ik ook gaan, en waar u overnacht, zal ik overnachten. Uw volk is mijn volk en uw God mijn God.17Waar u sterft, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden. De HEERE mag zó en nog veel erger doen: voorzeker, [alleen] de dood zal scheiding maken tussen mij en u.; 4:13-1713Zo nam Boaz Ruth en zij werd hem tot vrouw, en hij kwam bij haar. En de HEERE gaf haar dat zij zwanger werd en een zoon baarde.14Toen zeiden de vrouwen tegen Naomi: Geloofd zij de HEERE, Die niet heeft nagelaten om u vandaag een losser te geven. Moge zijn naam beroemd worden in Israël!15Hij zal er voor u zijn om u te verkwikken en [u in] uw ouderdom te onderhouden. Want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, zij die beter voor u is dan zeven zonen.16En Naomi nam het kind en zette het op haar schoot. En zij werd zijn verzorgster.17En de buurvrouwen gaven hem een naam. Zij zeiden: Bij Naomi is een zoon geboren. En zij gaven hem de naam Obed. Hij is de vader van Isaï, de vader van David.; Mt 1:5-6a5en Salmon verwekte Boaz bij Rachab; en Boaz verwekte Obed bij Ruth; en Obed verwekte Isaï,6en Isaï verwekte David, de koning. En David verwekte Salomo bij de [vrouw] van Uria;).

De “wees en weduwe” worden door de HEERE staande gehouden. Wees en weduwe zijn de kwetsbaarste mensen in de samenleving. Zij hebben geen ouders en man die voor hen zorgt. De HEERE neemt de zorg voor hen op Zich. Hij ondersteunt hen (Ps 68:66Vader van de wezen en Rechter van de weduwen:
[dát is] God in Zijn heilige woning;
)
.

Tegenover de veelheid aan weldaden voor hen die de God van Jakob tot hun hulp hebben en hun verwachting op Hem hebben gesteld (vers 77Die de onderdrukten recht doet,
Die de hongerigen brood geeft.
De HEERE maakt de gevangenen los,
)
, wordt één regel gewijd aan het lot van de goddelozen. De tragiek van hun lot komt daardoor sterk uit. Goddelozen keren zich niet tot God, maar volgen hun eigen weg. Het is een weg die door de HEERE krom gemaakt is. Ze raken de weg kwijt. Zonder het te beseffen gaan ze doelloos ronddwalen. Zo vervolgen ze hun weg in een heel andere richting dan ze vermoeden. In plaats van de door hen begeerde doelstellingen te bereiken eindigen ze in het graf.


De HEERE regeert voor eeuwig

10De HEERE zal voor eeuwig regeren;
uw God, Sion, is van generatie op generatie.
Halleluja!

Na het korte intermezzo over de kromme weg van de goddelozen volgt het slotakkoord van de lofzang: “De HEERE zal voor eeuwig regeren.” Hij bepaalt niet alleen de weg van de goddelozen, maar de hele loop van de geschiedenis. Het is de geschiedenis voor Sion. Hij is haar God. Dat was Hij, is Hij en zal Hij zijn “van generatie op generatie”. Sion blijft voor eeuwig bestaan voor allen die met haar verbonden zijn.

Deze constatering ontlokt een nieuw “halleluja” waardoor de psalm eindigt zoals hij is begonnen. Maar er is een verschil. In vers 11Halleluja!
Mijn ziel, loof de HEERE.
spoort de psalmist zichzelf aan om de HEERE te loven. In het laatste vers roept hij iedereen op om de HEERE te loven. Dit is de juiste volgorde. Pas als we zelf iets hebben gedaan, kunnen we anderen ertoe oproepen het ook te doen.


Lees verder