Psalmen
1-4 Gods kracht en de zwakke mens 5-8 Gebed om Gods ingrijpen 9-11 Een nieuw lied voor een nieuw begin 12-15 Zegen voor Gods volk
Gods kracht en de zwakke mens

1[Een psalm] van David.
Geloofd zij de HEERE, mijn rots,
Die mijn handen leert om te strijden,
mijn vingers om oorlog te voeren;
2mijn goedertierenheid en mijn burcht,
mijn veilige vesting en mijn, ja, mijn Bevrijder,
mijn schild, tot Wie ik de toevlucht heb genomen,
Die mijn volk aan mij onderwerpt.
3HEERE, wat is de mens, dat U hem kent,
de sterveling, dat U aan hem denkt?
4De mens lijkt op een zucht,
zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

Deze psalm is “van David” (vers 1a1[Een psalm] van David.
Geloofd zij de HEERE, mijn rots,
Die mijn handen leert om te strijden,
mijn vingers om oorlog te voeren;
)
. Hij begint niet met een gebed, zoals de vorige psalmen, maar met een lofzang (vers 1b1[Een psalm] van David.
Geloofd zij de HEERE, mijn rots,
Die mijn handen leert om te strijden,
mijn vingers om oorlog te voeren;
)
. David looft de HEERE als “mijn rots” (Ps 18:4747De HEERE leeft, en geloofd zij mijn rots,
geroemd zij de God van mijn heil!
)
. Daarom is hij onwankelbaar in de strijd. De HEERE leert zijn handen ook om te strijden (vgl. Ps 18:3535Hij oefent mijn handen voor de strijd
en [leert] mijn armen een bronzen boog spannen.
)
. Daarom is hij doeltreffend in de strijd. De HEERE leert zijn vingers om oorlog te voeren. Daarom weet hij hoe hij de vijand moet benaderen om hem te overwinnen.

David is een krijgsman van zijn jeugd af. Hij heeft gestreden in de Naam van God (1Sm 17:45-4745Maar David zei tegen de Filistijn: U komt naar mij toe met een zwaard, met een speer en met een werpspies, maar ik kom naar u toe in de Naam van de HEERE van de legermachten, de God van de gelederen van Israël, Die u gehoond hebt.46Op deze dag zal de HEERE u in mijn hand overleveren. Ik zal u verslaan en uw hoofd van u wegnemen. Ik zal deze dag de dode lichamen van het leger van de Filistijnen aan de vogels in de lucht geven en aan de dieren van de aarde, en heel de aarde zal weten dat Israël een God heeft.47En deze hele gemeente zal weten dat de HEERE niet door zwaard of door speer verlost, want de strijd is van de HEERE. Hij zal u in onze hand geven.). Hij is de strijd niet aangegaan zonder eerst Gods wil te vragen (1Kr 14:10,1410en David vroeg aan God: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult U hen in mijn hand geven? En de HEERE zei tegen hem: Trek op, en Ik zal hen in uw hand geven.14David vroeg God weer [om raad] en God zei tegen hem: U moet niet achter hen aan optrekken; maak een omtrekkende beweging van boven hen, zodat u bij hen komt van de zijde van de moerbeibomen.). Zo is hij door de HEERE onderwezen om te strijden en oorlog te voeren. Dat is het geheim van al zijn overwinningen.

Ook wij hebben een strijd te strijden, en wel een geestelijke strijd (Fp 4:33Ja, ik vraag ook u, trouwe metgezel, wees hun behulpzaam die met mij hebben gestreden in het evangelie, samen met Clemens en mijn overige medearbeiders, van wie de namen in [het] boek van [het] leven staan.; Ko 4:1212U groet Epafras, die [een] van u is, een slaaf van Christus <Jezus>, die altijd voor u strijdt in de gebeden dat u mag vaststaan, volmaakt en ten volle verzekerd in [de] hele wil van God.; Jd 1:33Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.). God wil ons leren hoe wij moeten strijden. De regels daarvoor geeft Hij in Zijn Woord, want Hij wil dat wij een wettige manier strijden (2Tm 2:55En als iemand ook kampvechter is, wordt hij niet gekroond als hij niet wettig heeft gestreden.). Alleen als we zo strijden, geeft Hij Zijn beloning. Hij geeft ons Zijn wapenrusting, waardoor we de vijand kunnen weerstaan, zodat dat die ons niet zal verslaan (Ef 6:10-1810Overigens, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte.11Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.12Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].13Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,).

Het onderwijs van de HEERE in de strijd en in de oorlog ziet David als een uiting van Gods goedertierenheid (vers 22mijn goedertierenheid en mijn burcht,
mijn veilige vesting en mijn, ja, mijn Bevrijder,
mijn schild, tot Wie ik de toevlucht heb genomen,
Die mijn volk aan mij onderwerpt.
)
. Daardoor weet hij hoe hij moet strijden. Tegelijk blijft hij zich ervan bewust dat hij Gods bescherming nodig heeft. God is voor hem dan ook “mijn burcht, mijn veilige vesting” (vgl. Ps 18:33De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
)
. Vanuit die beschutting kan hij de vijand bestoken. Daarbij rekent hij op de HEERE als “mijn, ja, mijn Bevrijder”. Deze dubbele nadruk op ‘mijn’ Bevrijder geeft aan dat hij alles alleen van God verwacht. Hij schrijft geen enkele overwinning aan zichzelf toe.

God is zijn schild waarachter hij schuilt. Welke pijl of welk zwaard kan hem dan enig kwaad doen? De vijand zou eerst God moeten uitschakelen. En aangezien dat onmogelijk is, is David volkomen onkwetsbaar voor welk wapen van de vijand ook. God is zijn toevlucht en daarom is hij volkomen veilig voor de vijand.

De vijand met wie David de strijd moet aanbidden of tegen wie hij oorlog moet voeren, is Saul of Absalom. Beide personen hebben Gods volk aan zich onderworpen, terwijl hij, de door God uitverkoren koning, opgejaagd en verjaagd is. David heeft het recht niet in eigen hand genomen, maar in de hand van de HEERE gelegd. Daarom kan hij van de HEERE zeggen dat “Die mijn volk aan mij onderwerpt” (vgl. Ps 18:4848U bent de God Die mij volkomen wraak geeft
en volken aan mij onderwerpt,
)
.

Die gedachte is wonderlijk in zijn ogen. Hij zegt daarom tegen de HEERE: “HEERE, wat is de mens, dat U hem kent, de sterveling, dat U aan hem denkt?” (vers 33HEERE, wat is de mens, dat U hem kent,
de sterveling, dat U aan hem denkt?
)
. De mens, David zelf, is zo onbetekenend, en toch denkt God aan hem. Hij kan niet begrijpen dat God zijn volk aan hem onderwerpt, terwijl hij toch niet meer dan een mens is, een sterveling, een nietig, vergankelijk mens (vgl. Ps 8:55wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
)
.

David zegt het in vers 44De mens lijkt op een zucht,
zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
nog sterker, als hij de mens vergelijk met een zucht, een ademtocht (Ps 39:66Zie, U hebt mijn dagen een handbreed gemaakt
en mijn levensduur is voor U als niets.
Ja, ieder mens is niet meer dan een zucht,
[hoe] vast [hij] ook staat. /Sela/
)
. Een zucht zie je niet. Als het koud is, zie je damp, maar slechts even, want dan is hij onzichtbaar verdwenen, zonder een spoor achter te laten (Jk 4:13-1413Komaan dan, u die zegt: Vandaag of morgen zullen wij naar die stad gaan en daar een jaar doorbrengen en handel drijven en winst maken;14u die niet weet wat morgen [gebeuren] zal. (Want hoe is uw leven? Want u bent een damp die een korte tijd gezien wordt en daarna verdwijnt)). Een schaduw is al even ongrijpbaar en snel voorbijgaand (Jb 8:99Immers, wij zijn van gisteren en weten niets,
want onze dagen op aarde zijn een schaduw.
; Ps 102:1212Mijn dagen zijn als een langer wordende schaduw
en ík verdor als gras.
; Pr 6:1212Want wie weet wat goed is voor de mens in dit leven, [tijdens] het getal van de dagen van zijn vluchtige leven, die hij als een schaduw doorbrengt? Wie zal de mens bekendmaken wat er na hem zal zijn onder de zon?)
. Er is geen enkel houvast in een schaduw.


Gebed om Gods ingrijpen

5Buig Uw hemel, HEERE, en daal neer,
raak de bergen aan, zodat zij roken.
6Slinger Uw bliksem en verspreid hen,
schiet Uw pijlen af en breng hen in verwarring.
7Steek Uw handen uit van omhoog,
bevrijd mij en ontruk mij aan de grote wateren,
uit de hand van vreemdelingen;
8want hun mond spreekt valse [dingen],
hun rechterhand is een hand vol bedrog.

In het besef van zijn eigen volkomen krachteloosheid en nietigheid vraagt hij aan de HEERE om tegen zijn vijanden op te treden (vers 55Buig Uw hemel, HEERE, en daal neer,
raak de bergen aan, zodat zij roken.
)
. Hij vraagt aan Hem om Zijn hemel te buigen, dat is om Zijn woonplaats te verlaten, en neer te dalen. Dan moet Hij de bergen aanraken, zodat zij roken (Ps 104:32b32Aanschouwt Hij de aarde, dan beeft hij,
raakt Hij de bergen aan, dan roken zij.
)
. Dit indrukwekkende natuurverschijnsel laat zien dat de HEERE is neergedaald.

David heeft van de HEERE geleerd hoe hij moet strijden en oorlog moet voeren (vers 11[Een psalm] van David.
Geloofd zij de HEERE, mijn rots,
Die mijn handen leert om te strijden,
mijn vingers om oorlog te voeren;
)
. In feite is dat inzicht in de wijze waarop de HEERE strijdt. Dit inzicht gebruikt hij nu om de HEERE voor te stellen hoe Hij de vijand zal bestrijden (vers 66Slinger Uw bliksem en verspreid hen,
schiet Uw pijlen af en breng hen in verwarring.
)
. Hij vraagt de HEERE om Zijn bliksem te slingeren en de vijand te verspreiden. Als Hij Zijn pijlen, Zijn bliksemschichten afschiet (Ps 18:1515Hij schoot Zijn pijlen af en verspreidde hen,
Hij slingerde de bliksemflitsen en bracht hen in verwarring.
)
, zal Hij hen verwarring brengen.

Terwijl de vijand in verwarring is, kan de HEERE Zijn handen van omhoog uitsteken en Hem bevrijden (vers 77Steek Uw handen uit van omhoog,
bevrijd mij en ontruk mij aan de grote wateren,
uit de hand van vreemdelingen;
)
. De bevrijding gebeurt door hem “aan de grote wateren, uit de hand van vreemdelingen” te ontrukken. De grote wateren spreken van grote beproevingen. De hand van vreemdelingen spreekt van mensen die recht op Gods land laten gelden, maar geen verbinding met God hebben. We kunnen hierbij denken aan de Filistijnen.

Wat deze vreemdelingen kenmerkt, is een mond die valse dingen spreekt (vers 88want hun mond spreekt valse [dingen],
hun rechterhand is een hand vol bedrog.
)
. Er is niets oprechts in hun spreken. Ze zijn onbetrouwbaar, verraderlijk in wat zij zeggen. Daarbij komt dat “hun rechterhand … een hand vol bedrog” is. Met de rechterhand worden krachtige daden gedaan (Ps 118:15-1615In de tenten van de rechtvaardigen
klinkt luide vreugdezang, [een lied] van verlossing:
De rechterhand van de HEERE doet krachtige daden,
16de rechterhand van de HEERE is [hoog]verheven,
de rechterhand van de HEERE doet krachtige daden.
)
en er wordt bij gezworen (Js 62:88De HEERE heeft gezworen bij Zijn rechterhand
en bij Zijn sterke arm:
Nooit zal Ik uw koren meer geven
als voedsel aan uw vijanden,
en nooit zullen vreemdelingen [meer] uw nieuwe wijn drinken
waarvoor u zich ingespannen hebt!
)
. Er is in al hun krachtige handelingen en krachtige eedzweringen niets oprechts.

Wat ze zeggen, is niet eerlijk, maar vals. Wat ze doen of beloven te doen, gaat lijnrecht tegen de waarheid in, het is louter bedrog. Wij herkennen deze ‘vreemdelingen’ in mensen van wie Paulus zegt: Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij” (2Tm 3:55Ogenschijnlijk bezitten zij Godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af.).


Een nieuw lied voor een nieuw begin

9O God, ik zal een nieuw lied voor U zingen,
met de luit [en] het tiensnarig instrument zal ik psalmen voor U zingen.
10U bent het Die koningen de overwinning geeft,
Die Zijn dienaar David bevrijdt van het zwaard dat onheil [brengt].
11Bevrijd mij en red mij
van de hand van vreemdelingen,
van wie de mond valse [dingen] spreekt,
van wie de rechterhand een rechterhand vol bedrog is.

Een nieuwe bevrijding die een nieuwe tijd inluidt, vraagt om een nieuw lied (vers 99O God, ik zal een nieuw lied voor U zingen,
met de luit [en] het tiensnarig instrument zal ik psalmen voor U zingen.
; Ps 33:33Zing voor Hem een nieuw lied,
speel welluidend met vrolijke klanken.
)
. Met het oog op de aanstaande tussenkomst van God tot zijn bevrijding zegt David dat hij een nieuw lied voor God zal zingen. Hij zal “de luit [en] het tiensnarig instrument” gebruiken en psalmen voor Hem zingen.

God is de grote Overwinnaar (vers 1010U bent het Die koningen de overwinning geeft,
Die Zijn dienaar David bevrijdt van het zwaard dat onheil [brengt].
)
. Koningen lijken de machtigste mensen op aarde. Als zij overwinnen, kunnen ze wel menen dat zij een overwinning aan hun kracht of slimheid te danken hebben, maar de werkelijkheid is dat ze alleen overwinnen omdat God hun “de overwinning geeft”.

David is zich dat diep bewust. Hij is koning, maar zo noemt hij zich hier niet. Hij spreekt over “Zijn dienaar David”. Ook spreekt hij niet over overwinning, maar over bevrijding “van het zwaard dat onheil [brengt]”. Hiermee erkent hij dat hij volledig afhankelijk is van God. Hij heeft geen macht dan alleen de macht die God hem heeft gegeven. Er is geen hoop op bevrijding dan alleen in God.

Met dezelfde woorden die hij eerder in de psalm heeft gebruikt, vraagt hij nog eens om bevrijding en redding van de hand van vreemdelingen (vers 1111Bevrijd mij en red mij
van de hand van vreemdelingen,
van wie de mond valse [dingen] spreekt,
van wie de rechterhand een rechterhand vol bedrog is.
; verzen 7b-87Steek Uw handen uit van omhoog,
bevrijd mij en ontruk mij aan de grote wateren,
uit de hand van vreemdelingen;
8want hun mond spreekt valse [dingen],
hun rechterhand is een hand vol bedrog.
)
. De vorige keer heeft David op zijn vraag naar bevrijding een nieuw lied laten volgen (vers 99O God, ik zal een nieuw lied voor U zingen,
met de luit [en] het tiensnarig instrument zal ik psalmen voor U zingen.
)
. Hier verbindt David aan zijn vraag om bevrijding zegeningen voor Gods volk. Die zegeningen beschrijft hij in de volgende verzen.


Zegen voor Gods volk

12Dan zullen onze zonen als planten zijn,
[hoog] opgegroeid in hun jeugd;
onze dochters als hoekstenen,
uitgesneden naar het ontwerp van een paleis.
13[Dan] zijn onze schuren vol
en leveren zij de ene voorraad na de andere;
[dan] werpen onze kudden bij duizenden,
ja, met tienduizenden nemen zij toe in onze velden.
14[Dan] zijn onze runderen zwaarbeladen,
[dan] wordt er geen inval of uitval gedaan
en is er geen gejammer op onze pleinen.
15Welzalig het volk dat het zo vergaat,
welzalig het volk waarvan de HEERE zijn God is.

David verlangt naar bevrijding van strijd en oorlog om een vreedzame samenleving tot stand te brengen. Wat gebeurt er met de vrouwen, kinderen, vee en bezittingentijdens de afwezigheid van de mannen die ten strijde trekken? Deze vragen houden de gemoederen in oorlogstijd bezig en doen verlangen naar een tijd van vrede. David ziet het voor zich. Hij somt in de verzen 12-1412Dan zullen onze zonen als planten zijn,
[hoog] opgegroeid in hun jeugd;
onze dochters als hoekstenen,
uitgesneden naar het ontwerp van een paleis.
13[Dan] zijn onze schuren vol
en leveren zij de ene voorraad na de andere;
[dan] werpen onze kudden bij duizenden,
ja, met tienduizenden nemen zij toe in onze velden.
14[Dan] zijn onze runderen zwaarbeladen,
[dan] wordt er geen inval of uitval gedaan
en is er geen gejammer op onze pleinen.
een aantal zegeningen op die een tijd van vrede kenmerken (vgl. Dt 28:3-83Gezegend zult u zijn in de stad, en gezegend zult u zijn op het veld.4Gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw land en de vrucht van uw vee, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee.5Gezegend zal zijn uw korf en uw baktrog.6Gezegend zult u zijn bij uw komen, gezegend zult u zijn bij uw weggaan.7De HEERE zal geven dat uw vijanden die u aanvallen, door u verslagen worden; over één weg zullen zij tegen u uittrekken, maar over zeven wegen zullen zij voor u wegvluchten.8De HEERE zal de zegen over u gebieden in uw schuren en in alles wat u ter hand neemt. Hij zal u zegenen in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.).

Al deze zegeningen zullen het deel van Israël zijn tijdens het duizendjarig vrederijk. Een voorsmaak daarvan wordt genoten tijdens de regering van Salomo, de zoon van David, die een beeld is van de grote Zoon van David, de Heer Jezus. Israël zal dan de machtigste natie op aarde zijn, terwijl de mannen thuis zijn en hun huizen besturen.

De eerste en grote zegen is die van een gelukkig gezinsleven. Dat is te zien in de welvarendheid van de zonen en dochters. Ook is er maatschappelijke welvaart. Dat is te zien in de schuren en de kudden. Daarbij komt dat dit alles in vrijheid zal plaatsvinden. Het is het beeld van volmaakt geluk dat in ongestoorde vrede wordt genoten.

1. Als er vrede is, zullen “onze zonen”, de zonen van het volk, niet voor de oorlog worden weggeroepen om ontbering op het veld te ondergaan of zelfs te sneuvelen (vers 1212Dan zullen onze zonen als planten zijn,
[hoog] opgegroeid in hun jeugd;
onze dochters als hoekstenen,
uitgesneden naar het ontwerp van een paleis.
)
. Ze zullen integendeel thuis “als planten zijn, [hoog] opgegroeid in hun jeugd”. Daar zijn ze “een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken” (Js 61:33om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden
sieraad in plaats van as,
vreugdeolie in plaats van rouw,
een lofgewaad in plaats van een benauwde geest,
opdat zij genoemd worden eiken van de gerechtigheid,
een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken.
; vgl. Ps 128:33Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok
binnen in uw huis,
uw kinderen zullen zijn als jonge olijfbomen
rondom uw tafel.
; Mt 15:1313Hij antwoordde echter en zei: Elke plant die Mijn hemelse Vader niet heeft geplant, zal worden uitgerukt.)
.

2. De tweede zegen is dat “onze dochters als hoekstenen” zijn, “uitgesneden naar het ontwerp van een paleis”. Hier gaat het om een woning. Hoekstenen zijn belangrijk in een gebouw. Ze geven kracht aan het fundament van het huis. Dit geeft de grote waarde van de dochters van Gods volk aan.

3. De volgende zegen is dat “onze schuren vol” zijn en “de ene voorraad na de andere” leveren (vers 1313[Dan] zijn onze schuren vol
en leveren zij de ene voorraad na de andere;
[dan] werpen onze kudden bij duizenden,
ja, met tienduizenden nemen zij toe in onze velden.
)
. De voorraad voedsel zal zo groot zijn, dat er voor mens en dier een overvloed aan eten is.

4. De vierde zegen is dat “onze kudden bij duizenden” werpen, “ja, met tienduizenden nemen zij toe in onze velden”. De kudden schapen zijn groot en zullen voortdurend toenemen. De velden bevatten overvloedig groen gras voor de kudden waardoor de dieren gezond blijven. De kudden zijn er in de eerste plaats om daarvan offers te brengen aan God. Verder mag er ook van gegeten worden.

5. Naast de kudden schapen zijn er ook runderen of ossen. Daarvan zegt David dat “onze runderen zwaarbeladen” zijn (vers 1414[Dan] zijn onze runderen zwaarbeladen,
[dan] wordt er geen inval of uitval gedaan
en is er geen gejammer op onze pleinen.
)
. De runderen zijn trekdieren en lastdragers. Dat wijst erop dat er in een tijd van vrede veel dienstwerk zal worden gedaan, wat alles tot eer van God is (vgl. 1Ko 9:9-109Want in de wet van Mozes staat geschreven: ‘U zult een dorsende os niet muilbanden’. Zorgt God voor de ossen?10Of zegt hij dit eigenlijk ter wille van ons? Want ter wille van ons is dit geschreven, dat de ploeger op hoop moet ploegen, en de dorser op hoop zijn deel te ontvangen.).

6. De zesde zegen is dat “er geen inval of uitval gedaan” wordt. Dit wijst erop dat er geen bressen zijn in de muur, waardoor de vijand binnen zou kunnen komen en na de verovering weer zou kunnen vertrekken. De steden zijn veilige woonplaatsen.

7. De zevende zegen is dat “er geen gejammer op onze pleinen” is. Binnen de steden heerst vrede naar de ingestelde orde en regels. Iedereen respecteert de rechten van de ander. Er zijn geen burenruzies. Iedereen is ook gezond. Er is geen enkele aanleiding voor gejammer op de pleinen van de stad.

Het volk dat de redding, bescherming en zegen van de HEERE heeft ervaren, is in dubbel opzicht een gelukkig volk (vers 1515Welzalig het volk dat het zo vergaat,
welzalig het volk waarvan de HEERE zijn God is.
)
. In de eerste plaats vergaat het dit volk zoals het in de vorige verzen wordt beschreven, met gelukkige gezinnen en grote materiële voorspoed.

In de tweede en nog belangrijker plaats behoort dit volk de HEERE toe Die zijn God is. Hij is de God Die met hen een verbond heeft gesloten. Op grond daarvan heeft Hij hun al die zegeningen geschonken. Daardoor zijn deze zegeningen niet van hen af te nemen en zullen ze die eeuwig bezitten. Hij is een bron van alle geluk. Hem bezitten is alles bezitten zonder enige mogelijkheid er ooit ook maar iets van te verliezen.


Lees verder