Psalmen
1 Opschrift 2-5 Niemand ziet naar mij om 6-8 U bent goed voor mij
Opschrift

1Een onderwijzing van David, een gebed, toen hij in de grot was.

Dit is weer “een onderwijzing”, een maskil, “van David”. Het is de laatste van de dertien psalmen die maskil, onderwijzing, worden genoemd (Ps 32:11Een onderwijzing van David.
 Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven,
van wie de zonde bedekt is.
; 42:11Voor de koorleider, een onderwijzing van de zonen van Korach.; 44:11Voor de koorleider, een onderwijzing, van de zonen van Korach.; 45:11Een onderwijzing, een lied over de liefde, voor de koorleider, van de zonen van Korach, op ‘De lelies’.; 52:11Een onderwijzing van David, voor de koorleider;; 53:11Een onderwijzing van David, voor de koorleider, op Machalath.; 54:11Een onderwijzing van David, voor de koorleider, bij snarenspel;; 55:11Een onderwijzing van David, voor de koorleider, bij snarenspel.; 74:11Een onderwijzing van Asaf.
O God, waarom hebt U [ons] voor altijd verstoten?
[Waarom] ontbrandt Uw toorn tegen de schapen van Uw weide?
; 78:11Een onderwijzing van Asaf.
Mijn volk, neem mijn onderricht ter ore,
neig uw oor tot de woorden van mijn mond.
; 88:11Een lied, een psalm van de zonen van Korach, voor de koorleider, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, de Ezrahiet.; 89:11Een onderwijzing van Ethan, de Ezrahiet.; 142:11Een onderwijzing van David, een gebed, toen hij in de grot was.)
. Zie voor de uitleg bij Psalm 32:1. De ervaringen die David in deze psalm beschrijft, zijn onderwijs voor anderen. Hierdoor wil hij laten weten dat je je helemaal alleen kunt voelen, maar dat de Heer toch aanwezig is voor ieder die Hem trouw wil blijven.

David dicht deze psalm als hij door Saul achterna wordt gezeten en hij zich “in de grot” heeft verborgen (1Sm 24:3-73Toen nam Saul drieduizend van de beste mannen uit heel Israël, en ging [op weg] om David en zijn mannen te zoeken bij de Steenbokrotsen.4Hij kwam bij de schaapskooien aan de weg, waar een grot was; Saul ging daarin om zijn behoefte te doen. Nu zaten David en zijn mannen aan de zijkanten in de grot.5Toen zeiden de mannen van David tegen hem: Zie de dag waarvan de HEERE u gezegd heeft: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u kunt met hem doen zoals het goed is in uw ogen. Toen stond David op en sneed stilletjes een punt van Sauls mantel af.6En het gebeurde daarna dat het hart van David in hem bonsde, omdat hij die punt van de [mantel] van Saul afgesneden had.7En hij zei tegen zijn mannen: Moge de HEERE er geen sprake van laten zijn dat ik [ooit] zoiets zou doen bij mijn heer, bij de gezalfde van de HEERE, dat ik mijn hand tegen hem uit zou steken, want hij is de gezalfde van de HEERE.). Psalm 57 heeft hij onder dezelfde omstandigheden gedicht (vgl. Ps 57:11Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’; toen hij voor Saul vluchtte in de grot.).


Niemand ziet naar mij om

2Met mijn stem roep ik tot de HEERE,
met mijn stem smeek ik de HEERE.
3Ik stort mijn klacht uit voor Zijn aangezicht,
ik maak voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid bekend.
4Toen mijn geest in mij bezweek,
kende Ú mijn pad.
Zij hebben een strik voor mij verborgen
op de weg die ik gaan zou.
5Ik keek aan mijn rechterhand en zie,
er was niemand die naar mij omzag;
voor mij was [de mogelijkheid tot] ontvluchten verloren,
niemand zorgde voor mijn ziel.

David bidt niet in zijn hart, maar hardop. Hij verheft zijn stem om te bidden en dat op een indringende manier. Hij zegt dat hij tot de HEERE roept en smeekt (vers 22Met mijn stem roep ik tot de HEERE,
met mijn stem smeek ik de HEERE.
)
. De omstandigheden zijn er ook naar. Hij is in grote nood, want hij is omsingeld door Saul en zijn manschappen.

In vers 33Ik stort mijn klacht uit voor Zijn aangezicht,
ik maak voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid bekend.
gaat hij verder met het beschrijven van zijn gemoedstoestand. Hij stort zijn klacht uit voor Gods aangezicht en maakt voor Gods aangezicht zijn benauwdheid bekent. Het woord ‘klacht’ betekent niet klagen over God of mensen, maar betreft de benauwdheid waarin hij is. Hij stort zijn hart vrijmoedig uit voor de HEERE.

Hij is er slecht aan toe. Zijn geestelijke gesteldheid is op een dieptepunt, zijn geest is in hem bezweken (vers 44Toen mijn geest in mij bezweek,
kende Ú mijn pad.
Zij hebben een strik voor mij verborgen
op de weg die ik gaan zou.
)
. Maar – en dan schijnt er even een straal van hoop in zijn donkere omstandigheden – hij weet dat God zijn pad kent en dat Hij er steeds bij is geweest. Dat is voor hem van groot belang, want zijn vijanden “hebben een strik voor mij verborgen op de weg die ik gaan zou”. Zij kennen zijn weg ook en doen verwoede en gemene pogingen om hem op die weg in een valstrik te laten lopen.

En dan zijn eenzaamheid. Als hij naar rechts kijkt, waar hij iemand verwacht die hem helpt, iemand die er voor hem is, moet hij constateren dat er niemand is (vers 55Ik keek aan mijn rechterhand en zie,
er was niemand die naar mij omzag;
voor mij was [de mogelijkheid tot] ontvluchten verloren,
niemand zorgde voor mijn ziel.
)
. Er is helemaal niemand die naar hem omziet. Hij is door iedereen in de steek gelaten en wordt gemeden als de pest. Er is niemand die medelijden met hem heeft.

Als er iemand bij hem zou zijn, was het misschien mogelijk te ontvluchten. Maar nu is er niemand die voor zijn ziel zorgt, niemand die hem moed inspreekt, niemand die ook maar enige actie onderneemt dat hij in leven kan blijven. Zijn metgezellen in de grot begrijpen hem niet dat hij Saul niet doodt nu hij daartoe de mogelijkheid heeft (1Sm 24:4-84Hij kwam bij de schaapskooien aan de weg, waar een grot was; Saul ging daarin om zijn behoefte te doen. Nu zaten David en zijn mannen aan de zijkanten in de grot.5Toen zeiden de mannen van David tegen hem: Zie de dag waarvan de HEERE u gezegd heeft: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u kunt met hem doen zoals het goed is in uw ogen. Toen stond David op en sneed stilletjes een punt van Sauls mantel af.6En het gebeurde daarna dat het hart van David in hem bonsde, omdat hij die punt van de [mantel] van Saul afgesneden had.7En hij zei tegen zijn mannen: Moge de HEERE er geen sprake van laten zijn dat ik [ooit] zoiets zou doen bij mijn heer, bij de gezalfde van de HEERE, dat ik mijn hand tegen hem uit zou steken, want hij is de gezalfde van de HEERE.8En David weerhield zijn mannen met [deze] woorden, en hij liet hun niet toe tegen Saul op te staan. En Saul stond op en ging de grot uit, naar de weg.).

Er is niemand zo eenzaam en onbegrepen geweest op aarde als de Heer Jezus. Eerst volgen velen van Zijn discipelen Hem niet meer (Jh 6:6666Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en wandelden niet meer met Hem.). Als Hij in Gethsémané zijn drie meest vertrouwde discipelen vraagt met Hem te waken, vallen ze in slaap. Als Hij gevangengenomen wordt, vluchten alle twaalf discipelen van Hem weg (Mk 14:5050En zij verlieten Hem en vluchtten allen.).


U bent goed voor mij

6Tot U roep ik, HEERE.
Ik zeg: U bent mijn toevlucht,
mijn deel in het land der levenden.
7Sla acht op mijn roepen,
want ik ben volkomen uitgeteerd;
red mij van mijn vervolgers,
want zij zijn machtiger dan ik.
8Leid mijn ziel uit de gevangenis
om Uw Naam te loven;
de rechtvaardigen zullen mij omringen,
want U bent goed voor mij.

Als David om zich heen kijkt, is er niemand. Maar dan kijkt hij naar boven, en daar is de HEERE (vers 66Tot U roep ik, HEERE.
Ik zeg: U bent mijn toevlucht,
mijn deel in het land der levenden.
)
. Hij is de Enige Die hij heeft. Tot Hem roept hij, want Hij is zijn toevlucht. Dat doet de doodsdreiging wijken, want wie de HEERE als toevlucht heeft, van hem is zijn ”deel in het land der levenden”. Er is niemand anders onder de mensen die op aarde leven tot wie hij kan gaan, dan alleen tot de levende God. Alle andere levende mensen zijn tegen hem.

Dit is ook de ervaring van het Israël van God (Dt 32:3636Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen,
Hij zal berouw hebben over Zijn dienaren.
Want Hij zal zien dat [hun] kracht is vergaan,
en dat het met de gebondene en de vrije gedaan is.
; Js 49:1616Zie, Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd,
uw muren zijn steeds vóór Mij.
)
. Paulus kent zulke ervaringen ook. Hij is in de steek gelaten. Niemand staat hem bij in zijn verdediging voor de keizer, maar de Heer heeft hem bijgestaan (2Tm 4:16-1716Bij mijn eerste verdediging is niemand bij mij geweest, maar allen hebben mij verlaten; moge het hun niet toegerekend worden.17Maar de Heer heeft mij bijgestaan en mij gesterkt, opdat de prediking door mij ten volle vervuld zou worden en al de volken haar zouden horen; en ik ben uit [de] leeuwenmuil gered.; vgl. Hd 18:99De Heer nu zei ‘s nachts door een gezicht tot Paulus: Wees niet bang, maar spreek en zwijg niet,; 23:1111De volgende nacht nu stond de Heer bij hem en zei: Heb goede moed, want zoals je in Jeruzalem van Mij hebt betuigd, zo moet je ook in Rome getuigen.). Dat heeft hem de kracht gegeven te volharden in zijn vertrouwen op Hem.

David heeft gezegd dat de HEERE zijn toevlucht is. Daarom vraagt hij Hem nog indringender om acht te slaan op zijn roepen, want hij is “volkomen uitgeteerd”, dat wil zeggen dat hij aan het eind van zijn krachten is (vers 77Sla acht op mijn roepen,
want ik ben volkomen uitgeteerd;
red mij van mijn vervolgers,
want zij zijn machtiger dan ik.
)
. Hij is voortdurend op de vlucht. Dat sloopt hem. Hij kan niet tegen zijn vervolgers op, “want zij zijn machtiger dan ik”.

David vergelijkt zijn situatie met een gevangenis (vers 88Leid mijn ziel uit de gevangenis
om Uw Naam te loven;
de rechtvaardigen zullen mij omringen,
want U bent goed voor mij.
)
. Hij is een gevangene van de benauwdheid waarin hij is en vraagt aan de HEERE om zijn ziel daaruit uit te leiden (vgl. Ps 25:1717De benauwdheden van mijn hart hebben zich wijd uitgestrekt, /tsade/
bevrijd mij uit mijn angsten.
)
. Hij vraagt dat niet in de eerste plaats om zelf weer vrij te zijn, maar “om Uw Naam te loven”. Het gaat hem om de eer van God. Dat is altijd belangrijker dan ons eigen geluk. In de omstandigheden waarin hij zich nu bevindt, kan hij alleen maar in zijn grote nood tot de HEERE roepen en is er geen sprake van het loven van Zijn Naam.

Een bijkomend gevolg van zijn bevrijding door de HEERE is dat “de rechtvaardigen” hem “zullen … omringen”. Zij nemen de plaats in van zijn vervolgers die hem nu omringen. In zijn nood is hij alleen, zonder iemand die naar hem omziet. Maar als de HEERE hem heeft verlost, zullen de rechtvaardigen delen in de verlossing. Zij zullen met hem de HEERE loven voor Zijn goedheid die Hij aan hem persoonlijk heeft bewezen door zijn roepen om hulp te verhoren.


Lees verder