Psalmen
Inleiding 1 Opschrift 2-6 Gebed om bescherming 7-9 Vertrouwen in Gods bescherming 10-12 Gebed om oordeel 13-14 God zal recht doen
Inleiding

Deze psalm is een gebed om bevrijding van het kwaad en de gewelddadige man. Profetisch zien we hier Israël in verbinding met de HEERE, maar omgeven door de hoogmoedige, trotse mens, de antichrist en zijn volgelingen.

De psalm leert ons, die te midden van de meedogenloze en sluwe goddeloze mensen leven, om ons volledig over te geven aan de Heer. De gelovige kan niet tegen de wereld met zijn sluwheid en samenzwering op. Maar er is er Eén Die het einde vanaf het begin kent: naar Hem moeten we kijken. We kunnen op de hulp van de Heer Jezus rekenen tegen de boosdoener en de slechte mens.


Opschrift

1Een psalm van David, voor de koorleider.

Dit is “een psalm van David” (vers 11Een psalm van David, voor de koorleider.). Hij heeft hem, evenals de vorige psalm, gedicht “voor de koorleider” (Ps 139:11Een psalm van David, voor de koorleider.
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
)
, waardoor hij aan een breder publiek, een koor, beschikbaar wordt gesteld. Hij kan door anderen worden gezongen als ze dergelijke ervaringen in hun eigen leven herkennen.


Gebed om bescherming

2Red mij, HEERE, van slechte mensen.
Bescherm mij tegen de mannen van geweld,
3die veel kwaad in [hun] hart bedenken,
elke dag samenscholen om te strijden.
4Zij scherpen hun tong als een slang,
addervergif is onder hun lippen. /Sela/
5Bewaar mij, HEERE, voor de handen van de goddeloze.
Bescherm mij tegen mannen van geweld,
die mijn voeten denken weg te stoten.
6De hoogmoedigen verborgen een strik voor mij en touwen.
Zij spanden een net langs de weg,
valstrikken zetten zij voor mij. /Sela/

De aanleiding van de psalm blijkt duidelijk uit deze verzen. David, ofwel het gelovig overblijfsel in de eindtijd, wordt omringd en vijandig behandeld door “slechte mensen” (vers 22Red mij, HEERE, van slechte mensen.
Bescherm mij tegen de mannen van geweld,
)
. David vraagt de HEERE hem daarvan te redden. Het zijn “de mannen van geweld”, tegen wie David de HEERE om Zijn bescherming vraagt. ‘Slechte mensen’ geeft aan wat de mens is: hij is door en door slecht. ‘Mannen van geweld’ geeft aan wat de mens doet: hij doet niets anders dan ellende veroorzaken, zowel door zijn woorden als door zijn daden.

David kent de overleggingen van het hart van deze mensen, dat ze daarin “veel kwaad … bedenken” (vers 33die veel kwaad in [hun] hart bedenken,
elke dag samenscholen om te strijden.
)
. Het is niet zomaar een kwade gedachte, maar het gaat om veel kwaad, wat aangeeft dat ze hem op veel manieren kwaad willen doen. Ze zijn er ook niet zo af en toe mee bezig, maar ze scholen “elke dag” samen “om te strijden”. Ze zijn er voortdurend mee bezig plannen te beramen om hem kwaad te doen en uit de weg te ruimen.

Er zijn door de tijd heen steeds weer samenscholingen geweest van koningen en hun raadslieden tegen de gezanten van de Heer. We zien het in Egypte bij de farao en zijn tovenaars die Mozes weerstaan. In de woestijn doen Balak en Bileam dat. Weer later is er in het land de samenscholing van Absalom en Achitofel tegen David. Hetzelfde doen de Joden en Kajafas met Herodes tegen van de ware Gezalfde. Zo zullen in de laatste dagen het beest en de valse profeet en hun volgelingen tegen het gelovig overblijfsel samenscholen. Maar God zal bewijzen dat Hij boven alle volken staat. Hij zal voor eeuwig als Koning regeren.

Voordat samenzweerders David met hun zwaard te lijf gaan, vallen ze hem met hun tong aan. De taal die ze gebruiken bij het opmaken van hun strijdplannen tegen hem, liegt er niet om (vers 44Zij scherpen hun tong als een slang,
addervergif is onder hun lippen. /Sela/
)
. Ze voeren een haat- en lastercampagne tegen hem. David zegt van hen dat ze een spreekbuis van de duivel zijn door te spreken over “het scherpen van hun tong als een slang” (vgl. Ps 64:4-54Zij die hun tong scherpen als een zwaard,
een bitter woord aanleggen [als] hun pijl,
5om in verborgen plaatsen de oprechte te beschieten;
plotseling schieten zij op hem en zij zijn niet bevreesd.
)
en dat er “addergif is onder hun lippen”.

Dit laatste wordt door Paulus aangehaald als bewijs van de volkomen verdorvenheid van de mens (Rm 3:1313‘hun keel is een open graf; met hun tongen plegen zij bedrog’; ‘addergif is onder hun lippen’;). Wie erdoor worden gekenmerkt, zijn kinderen van de duivel, ze hebben zijn aard (Jh 8:4444U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van [het] begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.). Ze strooien de gemeenste geruchten over hem rond en begaan daardoor wat wij ‘karaktermoord’ noemen.

David verweert zich niet tegen hun valse beschuldigingen, maar neemt zijn toevlucht tot de HEERE (vers 55Bewaar mij, HEERE, voor de handen van de goddeloze.
Bescherm mij tegen mannen van geweld,
die mijn voeten denken weg te stoten.
)
. Hij vraagt om Zijn bewaring “voor de handen van de goddeloze”, in wie we Saul herkennen ofwel de antichrist in de eindtijd. Hij vraagt de HEERE ook om bescherming “tegen de mannen van geweld” in wie we de volgelingen van Saul ofwel van de antichrist herkennen. Zij “denken” zijn voeten “weg te stoten”, zodat hij valt en zij hem kunnen vertrappen.

Een volgende karaktertrek van de goddelozen is hun hoogmoed, hun trots (vers 66De hoogmoedigen verborgen een strik voor mij en touwen.
Zij spanden een net langs de weg,
valstrikken zetten zij voor mij. /Sela/
)
. Zij hebben het voorzien op hen die in trouw aan de HEERE hun weg gaan. Die willen ze uit de weg ruimen, want ze willen niet aan God en Zijn wil herinnerd worden. Er staat hun een arsenaal aan boosaardige middelen ter beschikking om de rechtvaardige te vangen.

Hun keus is gemaakt. Ze willen niets aan het toeval overlaten en zetten de sluwste, de gemeenste middelen in: een verborgen strik en touwen, een net langs de weg en valstrikken. Ze loeren op hem alsof ze een gevaarlijk wild dier willen vangen. Een van hun toegepaste middelen zal toch wel het door hen gewenste effect hebben, zo menen ze.


Vertrouwen in Gods bescherming

7Ik heb tegen de HEERE gezegd: U bent mijn God,
neem, HEERE, mijn luide smeekbeden ter ore.
8HEERE Heere, kracht van mijn heil,
U hebt mijn hoofd beschut op de dag van de strijd.
9HEERE, vervul de wensen van de goddeloze niet,
laat zijn [boze] plannen niet lukken;
zij zouden zich [trots] verheffen. /Sela/

Tegenover de leugentaal van de slechts, gewelddadige, hoogmoedige mensen spreekt de psalmist tot de HEERE het getuigenis uit: “U bent mijn God” (vers 77Ik heb tegen de HEERE gezegd: U bent mijn God,
neem, HEERE, mijn luide smeekbeden ter ore.
)
. Tot Hem neemt hij zijn toevlucht.

Hij noemt God “HEERE Heere”, Jahweh Adonai (vers 88HEERE Heere, kracht van mijn heil,
U hebt mijn hoofd beschut op de dag van de strijd.
)
. Als HEERE is Hij de God van het verbond met Zijn volk en als Heere is Hij de soevereine Heerser van en in het heelal aan Wie alles onderworpen is en Die alles bestuurt. Die God is de “kracht van mijn heil”. Gods kracht is gebleken uit het beschutten van zijn hoofd “op de dag van de strijd”.

In de zekerheid van de beschutting van God vraagt de Godvrezende aan God dat Hij “de wensen van de goddeloze niet” vervult en “zijn [boze] plannen niet” niet laat lukken (vers 99HEERE, vervul de wensen van de goddeloze niet,
laat zijn [boze] plannen niet lukken;
zij zouden zich [trots] verheffen. /Sela/
)
. Als God niet ingrijpt en de goddeloze zijn gang laat gaan, zouden “zij”, dat zijn de antichrist en zijn volgelingen, “zich [trots] verheffen”. Het is onmogelijk dat God dit toelaat.


Gebed om oordeel

10Het hoofd van wie mij omringen –
laat het kwaad van zijn lippen hemzelf bedekken.
11Vurige kolen moeten over hen uitgestort worden.
[O God,] doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen,
zodat zij niet meer opstaan.
12Een man met een [boze] tong houdt op de aarde geen stand,
een man van geweld – laat onheil hem vangen,
totdat hij helemaal verdreven is.

De vraag dat het kwaad van de lippen van het hoofd van de vijanden die hem omringen hemzelf zal bedekken, is geen persoonlijke roep om wraak (vers 1010Het hoofd van wie mij omringen –
laat het kwaad van zijn lippen hemzelf bedekken.
)
. Het is de vraag dat God het onrecht zal straffen naar de regel van de vergelding dat het kwaad dat iemand een ander doet of wenst hemzelf zal treffen (Ex 21:2424oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet,; vgl. Es 5:1414Toen zei Zeres, zijn vrouw, tegen hem, samen met al zijn vrienden: Laat men een galg maken, vijftig el hoog, en zeg morgen tegen de koning dat men Mordechai daaraan moet hangen. Ga dus blij met de koning naar de maaltijd. Deze raad was goed in de ogen van Haman en hij liet de galg maken.; 9:2525Maar toen zij, [Esther,] voor de koning was gekomen, beval hij door middel van die brieven dat het boze plan van [Haman] dat hij tegen de Joden bedacht had, op zijn [eigen] hoofd zou neerkomen, en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen.; Ps 7:16-1716Hij heeft een kuil gedolven en die uitgegraven,
maar hij is gevallen in het graf [dat] hij [zelf] gemaakt heeft.
17Zijn moeite zal op zijn [eigen] hoofd terugkeren,
zijn geweld op zijn [eigen] schedel neerdalen.
; Sp 26:2727Wie een kuil graaft, zal erin vallen,
verrolt hij een steen, op hem zal hij terugvallen.
; Dn 6:2525Vervolgens gaf de koning bevel en men haalde de mannen die Daniël openlijk hadden beschuldigd, en men wierp hen, hun kinderen en hun vrouwen, in de leeuwenkuil. Zij hadden de bodem van de kuil nog niet bereikt, of de leeuwen maakten zich van hen meester en verbrijzelden al hun beenderen.)
.

De Godvrezende geeft ook aan wat een gepast oordeel is voor zijn vijanden (vers 1111Vurige kolen moeten over hen uitgestort worden.
[O God,] doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen,
zodat zij niet meer opstaan.
)
. Hij spreekt over “vurige kolen”, “het vuur” en “diepe kuilen”. Die moeten over hen worden uitgestort, daarin moeten zij vallen. Het tekent hun definitieve oordeel, want dit oordeel moet tot gevolg hebben dat “zij niet meer opstaan”. Dit oordeel zal het beest, de valse profeet of wel de antichrist en hun inspirator, de duivel, treffen. Ze zullen tot in eeuwigheid in de poel van het vuur van de hel zijn (Op 19:2020En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.; 20:1010En de duivel die hen misleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel waar zowel het beest als de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid.).

Het is in het licht van Gods uiteindelijke oordeel duidelijk dat “een man met een [boze] tong … op de aarde geen stand” houdt (vers 1212Een man met een [boze] tong houdt op de aarde geen stand,
een man van geweld – laat onheil hem vangen,
totdat hij helemaal verdreven is.
)
. Die man met zijn boze tong en kwade lippen, de antichrist ofwel het beest uit de aarde (Op 13:1-101En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.10Als iemand in gevangenschap [leidt], dan gaat hij in gevangenschap; als iemand met [het] zwaard zal doden, dan moet hij met [het] zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen.), is nauw verbonden met “een man van geweld”, dat is het beest uit de aarde (Op 13:11-1811En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.16En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;17<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.18Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.), de heerser over het herstelde Romeinse rijk, de Verenigde Staten van Europa.

Zowel de een als de ander zal door “onheil” worden gevangen, “totdat hij helemaal verdreven is”. Voor kwaadsprekers en kwaaddoeners is er geen toekomst op aarde. Zij zullen niet delen in de rust van het vrederijk. Hun deel is de hel waar zij in worden geworpen in overeenstemming met hun woorden en daden en waar zij tot in eeuwigheid hun tongen zullen kauwen van pijn.


God zal recht doen

13Ik weet dat de HEERE de rechtszaak van de ellendige
[en] het recht van de armen zal behartigen.
14Voorzeker, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven,
de oprechten zullen voor Uw aangezicht wonen.

Na de overtuiging dat God het laatste woord heeft en het oordeel zal brengen over alle goddelozen, klinkt het vol zekerheid: “Ik weet dat de HEERE de rechtszaak van de ellendige [en] het recht van de armen zal behartigen” (vers 1313Ik weet dat de HEERE de rechtszaak van de ellendige
[en] het recht van de armen zal behartigen.
)
. Het oordeel is niet Gods laatste woord. Dat is het wel voor de onboetvaardige goddelozen, maar niet voor de ellendige en de armen.

De ellendige en armen hebben zwaar geleden van alle onrecht en vijandschap die hun door de goddelozen zijn aangedaan. Dat heeft God door Zijn oordeel rechtgezet. Er is geen enkele twijfel meer aangaande hun recht. De ellendige is de individuele gelovige. Het is bovenal de Heer Jezus. Hem is het grootste onrecht aangedaan, Hij is meer dan iemand anders gehaat en gelasterd. Hij heeft alles overgegeven aan God Die rechtvaardig oordeelt (1Pt 2:2323Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;) in de zekerheid dat Hij Zijn rechtszaak behartigen zal. De armen zijn “de armen van geest” (Mt 5:33Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.). Zij vormen het gelovig overblijfsel.

De ellendige en de armen van vers 1313Ik weet dat de HEERE de rechtszaak van de ellendige
[en] het recht van de armen zal behartigen.
zijn “de rechtvaardigen” en “de oprechten” van vers 1414Voorzeker, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven,
de oprechten zullen voor Uw aangezicht wonen.
. Zoals de Godvrezende in vers 1313Ik weet dat de HEERE de rechtszaak van de ellendige
[en] het recht van de armen zal behartigen.
vol zekerheid zegt “ik weet”, zo zegt hij in vers 1414Voorzeker, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven,
de oprechten zullen voor Uw aangezicht wonen.
“voorzeker”
. Het lijdt voor het geloof geen twijfel dat de rechtvaardigen de Naam van de HEERE zullen loven. Hun gebeden zijn veranderd in lofzangen.

Het lijdt ook geen twijfel dat de oprechten voor Gods aangezicht zullen wonen. Ze worden niet meer opgejaagd door vijanden die het voortdurend op hun leven hebben voorzien, maar ze wonen nu in rust in de tegenwoordigheid van God. Hoe gezegend is het volk dat de HEERE als God heeft!


Lees verder