Psalmen
Inleiding 1-6 God, de Alwetende 7-12 God, de Alomtegenwoordige 13-18 God, de Formeerder van het leven 19-22 God zal oordelen 23-24 Doorgrond mij
Inleiding

In Psalm 139 vertelt David over de oefeningen van zijn hart, terwijl hij de wegen van God gaat. Hij deelt in deze psalm zijn persoonlijke ervaringen mee die hij heeft opgedaan met God.


God, de Alwetende

1Een psalm van David, voor de koorleider.
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
2Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.
3U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
U bent met al mijn wegen vertrouwd.
4Al is er [nog] geen woord op mijn tong,
zie, HEERE, U weet het alles.
5U sluit mij in van achter en van voren,
U legt Uw hand op mij.
6Dit kennen – het is mij te wonderlijk,
te hoog, ik kan er niet bij.

Dit is “een psalm van David” en is bestemd “voor de koorleider” (vers 1a1Een psalm van David, voor de koorleider.
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
)
. De psalm wordt daardoor aan een breder publiek, een koor, beschikbaar gesteld. De bewoordingen waarin David zijn gevoelens hier uitspreekt, kunnen door anderen worden gebruikt om hun gevoelens op een Godwelgevallige wijze tot uiting te brengen. Hij kan door anderen worden gezongen als ze dergelijke ervaringen in hun eigen leven herkennen.

God weet en ziet alles (vers 1b1Een psalm van David, voor de koorleider.
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
)
. Er is niets wat aan Zijn alziend oog ontsnapt. Het gaat nog verder, want Hij doorgrondt ook alles, ook de mens, ieder mens. Volgens gegevens op www.wikipedia.org woonden er in 2016 7,442 miljard mensen op aarde. Naar schatting zijn daar tot nu toe elke dag ruim 200.000 mensen bij gekomen. En dat is dan een momentopname. Deze cijfers gaan ons denken al ver te boven, laat staan als we denken aan alle mensen die sinds Adam op aarde hebben geleefd.

Voor God zijn dit geen statistieken. Hij doorgrondt en kent ieder mens die ooit heeft geleefd en op dit moment leeft. Doorgronden betekent uiterst secuur en van dichtbij onderzoeken. Het resultaat van dit nauwkeurige onderzoek is een volmaakte kennis van de mens. Natuurlijk is voor God dit nauwkeurige onderzoek niet nodig. Hij kent de mens, want het is Zijn eigen schepsel. Waar het hier om gaat, is de diepe indruk die David van God heeft door zijn omgang met Hem. Hij werkt dit uit en past dit toe in wat hij verder in de psalm zegt.

Wat David hier zegt, is dit geen feitelijke uitspraak, geen algemene belijdenis, hoe waar dat ook is, maar een uitspraak die aangeeft dat hij zich er diep van bewust is dat God hem doorgrondt en kent. Deze belijdenis gebeurt niet uit angst of onder dwang, maar vanuit een levende relatie met en het grootste vertrouwen in die God. Het is een zaak tussen “U” en “mij”.

In het besef van Gods alwetendheid mag ik bedenken dat God in elke uithoek van mijn hart aanwezig is. Daarbij weet ik ook dat Hij mij beter kent dan dat ik mijzelf ken (1Jh 3:19-2019<En> hieraan zullen wij weten dat wij uit de waarheid zijn en ons hart overtuigen tegenover Hem,20dat als [ons] hart ons veroordeelt, God groter is dan ons hart en alles weet.). Voor Hem zijn ook de duisterste plekken in mijn hart volkomen in het licht (vers 1212Zelfs de duisternis maakt het voor U niet duister,
maar de nacht licht op als de dag,
de duisternis is als het licht.
; Dn 2:2222Hij openbaart diepe en verborgen dingen,
Hij weet wat in het duister is,
want het licht woont bij Hem.
)
. Als dit besef mij onrustig maakt, kan het zijn dat ik in mijn hart dingen bedenk die niet naar Zijn wil zijn. In dat geval kan ik mijn foute bedenksels wegdoen – en mocht dat nodig zijn, belijden – en Hem vervolgens vragen naar Zijn wil.

Zijn kennis van mij is totaal. Het kent de momenten van “mijn zitten”, waarom ik dat doe en wat ik dan doe (vers 22Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.
)
. Hij kent ook “mijn opstaan”, wanneer ik dat doe en waarom, wat ik van plan ben om te gaan doen (vgl. Js 37:2828Maar uw zitten,
uw uitgaan, uw [thuis]komen ken Ik,
en uw tekeergaan tegen Mij.
)
. Ook “mijn gedachten” zijn voor Hem een geopend boek. Hij weet niet alleen wat ik denk, maar “begrijpt” ook wat ik denk en dat zelfs “van verre”. Dit is een vertroostende gedachte.

“Mijn gaan en mijn liggen” worden door Hem onderzocht (vers 33U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
U bent met al mijn wegen vertrouwd.
)
. Dit gaat over het dagelijks leven, van de morgen, vanaf het opstaan en weggaan naar het dagelijks werk, tot de avond, het weer naar bed gaan. Hij onderzoekt hoe ik mij in die tijd en gedurende die bezigheden gedraag. Er is in alles wat ik de hele dag door doe, niets wat Hem verrast of verbaast, want Hij is “met al mijn wegen vertrouwd” (vgl. Jb 31:44Ziet Hij mijn wegen niet,
en telt Hij niet al mijn voetstappen?
)
.

Ook alles wat ik mij voorneem om te zeggen, dus nog voordat ik een “woord op mijn tong” neem, weet Hij dat (vers 44Al is er [nog] geen woord op mijn tong,
zie, HEERE, U weet het alles.
)
. Zijn volmaakte kennis van mij houdt in dat er door mijn niets kan worden gezegd of gedaan dat Hem verrast. Het is veelmeer mijn verwondering over Hem, over Zijn volmaakte kennis van mijn hele wezen, ook van wat ik zelf nog niet eens weet, maar wat Hij bij mij ziet, waardoor ik zeg: “Zie, HEERE, U weet het alles.”

Die alwetende God beschermt mij en bedekt mij met Zijn hand, die Hij liefdevol op mij legt (vers 55U sluit mij in van achter en van voren,
U legt Uw hand op mij.
)
. Hij “sluit mij in van achter en van voren”. Het ‘insluiten’ wordt wel gebruikt voor de belegering van een stad, waardoor deze helemaal ingesloten is. Dat doet God met mij. Ik kan niets doen buiten Hem om. Ik kan geen stap naar achteren of naar voren zetten of Hij is erbij. Dit maakt niet bang, maar geeft rust. Het is tevens Zijn bescherming tegen vijanden die mij van achter of van voren willen aanvallen.

We kunnen bij ‘van achter’ ook denken aan ons verleden en bij ‘van voren’ aan onze toekomst. Soms kunnen gedachten aan ons verleden ons aanvallen en kan het denken aan de toekomst ons benauwen. Dan plaatst Hij Zich achter ons en voor ons. Hij zegt daar als het ware mee dat het verleden in Zijn hand is en dat met betrekking tot het verleden door het werk van Zijn Zoon alles is goed gemaakt. En wat de toekomst betreft, is ook alles in Zijn hand. Door hetzelfde werk van Zijn Zoon zullen we voor eeuwig bij Hem zijn. Vervolgens legt Hij Zijn hand op ons, waarmee Hij tegen ons zegt: ‘Jij bent van Mij.’

Dan voelen we de reactie van vers 66Dit kennen – het is mij te wonderlijk,
te hoog, ik kan er niet bij.
in ons opkomen. In grote verwondering zeggen we tegen Hem: “Dit kennen – het is mij te wonderlijk, te hoog, ik kan er niet bij.” Het menselijk verstand schiet volledig tekort om dingen te kennen die de kennis te boven gaan. Er zijn geen woorden voor om dit te omschrijven (vgl. Ef 3:1919en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot de hele volheid van God.; Fp 4:77En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus.). Het enige wat hier past, is op onze knieën vallen en Hem aanbidden.


God, de Alomtegenwoordige

7Waar kan ik Uw Geest ontgaan,
waar Uw aangezicht ontvluchten?
8Al steeg ik op naar de hemel, U bent daar;
of legde ik mij neer in de hel, zie, U bent [daar].
9Nam ik vleugels van de dageraad,
woonde ik aan het einde van de zee,
10ook daar zou Uw hand mij leiden
en Uw rechterhand mij vasthouden.
11Zei ik: Ja, duisternis zal mij opslokken! –
dan is de nacht een licht om mij heen.
12Zelfs de duisternis maakt het voor U niet duister,
maar de nacht licht op als de dag,
de duisternis is als het licht.

Na de alwetendheid van God op indrukwekkende wijze te hebben beschreven spreekt David in deze verzen op even indrukwekkende wijze over de alomtegenwoordigheid van God. Het is onmogelijk ergens heen te gaan waar Gods Geest mij niet zou kunnen bereiken of ergens heen te gaan waar ik niet meer in Gods tegenwoordigheid ben (vers 77Waar kan ik Uw Geest ontgaan,
waar Uw aangezicht ontvluchten?
; Jr 23:2424Zou iemand zich op verborgen plaatsen kunnen verbergen
en zou Ík hem niet zien? spreekt de HEERE.
Vervul Ik niet de hemel en de aarde?
spreekt de HEERE.
)
. De profeet Jona heeft het geprobeerd, maar het is hem niet gelukt (Jn 1:1-171Het woord van de HEERE kwam tot Jona, de zoon van Amitthai:2Sta op, ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar, want hun kwaad is opgestegen voor Mijn aangezicht.3Maar Jona stond op om naar Tarsis te vluchten, weg van het aangezicht van de HEERE. Hij daalde af naar Jafo en vond een schip dat naar Tarsis ging. Hij betaalde de prijs [voor de overtocht] en ging aan boord om met hen mee te gaan naar Tarsis, weg van het aangezicht van de HEERE.4Maar de HEERE wierp een hevige wind op de zee; er ontstond een zware storm op de zee, zodat het schip dreigde te breken.5Toen werden de zeelieden bevreesd en zij riepen, ieder tot zijn god. Zij wierpen de lading die in het schip was, in de zee om het daardoor lichter te maken. Maar Jona was afgedaald in het ruim van het schip, was gaan liggen en was in een diepe slaap gevallen.6De kapitein kwam bij hem en zei tegen hem: Hoe kunt u zo diep in slaap zijn! Sta op, roep uw God aan! Misschien zal die God aan ons denken, zodat wij niet vergaan!7Daarop zeiden de mannen tegen elkaar: Kom, laten wij het lot werpen, zodat wij weten door wie dit onheil ons [overkomt]. Zij wierpen het lot, en het lot viel op Jona.8Toen zeiden zij tegen hem: Vertel ons toch door wie dit onheil ons [overkomt]. Wat is uw werk en waar komt u vandaan? Wat is uw land en van welk volk bent u?9Hij zei tegen hen: Ik ben een Hebreeër en ik vrees de HEERE, de God van de hemel, Die de zee en het droge gemaakt heeft.10Toen werden de mannen zeer bevreesd, en ze zeiden tegen hem: Hoe hebt u dit kunnen doen? De mannen wisten namelijk dat hij op de vlucht was, weg van het aangezicht van de HEERE, want hij had het hun verteld.11Zij zeiden dan tegen hem: Wat moeten wij met u doen, zodat de zee ons met rust laat? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.12Daarop zei hij tegen hen: Pak mij op en werp mij in de zee; dan zal de zee u met rust laten, want ik weet dat deze zware storm u omwille van mij [overkomt].13De mannen roeiden echter om [het schip] terug te brengen naar het droge. Maar zij konden het niet, want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.14Toen riepen zij de HEERE aan en zeiden: Och HEERE, laat ons toch niet vergaan om het leven van deze man! Leg geen onschuldig bloed op ons! Want U, HEERE, doet zoals het U behaagd heeft.15Daarop pakten zij Jona op en wierpen hem in de zee. En de woedende zee kwam tot bedaren.16Toen werden de mannen zeer bevreesd voor de HEERE; zij brachten de HEERE een slachtoffer en legden geloften af.17En de HEERE beschikte een grote vis om Jona op te slokken. Jona was drie dagen en drie nachten in het binnenste van de vis.).

Als David spreekt over “Uw Geest ontgaan” en “Uw aangezicht ontvluchten” bedoelt hij daarmee niet te zeggen dat hij dat wil. Hij wil nog sterker duidelijk maken dat God, Die Geest is (Jh 4:2424God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.), alles weet en overal aanwezig is. Het is voor de mens onmogelijk zich voor Hem te verbergen. Er is geen plek in de schepping waar Hij niet is, want Hij heeft alles geschapen. De vraag is niet: Waar is God?, maar: Waar is God niet? Hij maakt geen deel uit van Zijn heelal, Hij is er geen onderdeel van, maar heerst erover met volkomen wetenschap van elk detail erin.

Stel je voor, zegt David, dat ik opsteeg naar de hemel (vers 88Al steeg ik op naar de hemel, U bent daar;
of legde ik mij neer in de hel, zie, U bent [daar].
)
. Dan zou ik U daar ontmoeten, want U woont daar. Maar als ik nu eens neerdaalde tot de diepste plek in de schepping, het dodenrijk [hel is geen goede vertaling], dan ontmoet ik U daar ook, want daar bent U ook.

In de hoogte en in de diepte lukt het dus niet om U te ontlopen. Als ik het nu eens in de breedte of lengte probeerde (vers 99Nam ik vleugels van de dageraad,
woonde ik aan het einde van de zee,
)
. Laat ik de “vleugels van de dageraad” nemen en “aan het einde van de zee” gaan wonen. Dat wil zeggen dat ik mij met de snelheid van het licht van oost naar west verplaats en ga wonen op de uiterste plek op aarde.

De mogelijkheden die David noemt om aan God te ontkomen, worden tegelijk door hemzelf beantwoord: het is eenvoudig onmogelijk ergens heen te gaan waar God niet is. Maar David komt door zijn vragen wel tot een troostrijke constatering en die is dat Gods hand hem overal leidt (vers 1010ook daar zou Uw hand mij leiden
en Uw rechterhand mij vasthouden.
)
. En hij ontdekt – niet alleen dat God hem niet loslaat, maar – dat Gods rechterhand hem vasthoudt.

Als dan de afstand geen mogelijkheid biedt om aan God te ontkomen, is het misschien mogelijk door de duisternis opgeslokt te worden (vers 1111Zei ik: Ja, duisternis zal mij opslokken! –
dan is de nacht een licht om mij heen.
)
. Maar wat gebeurt er dan? Dan verandert door Gods aanwezigheid bij hem “de nacht” in “een licht om mij heen” (vgl. Hd 12:7a7En zie, een engel van [de] Heer kwam bij hem staan en een licht scheen in de cel; en door de zijde van Petrus aan te stoten wekte hij hem en zei: Sta vlug op. En zijn ketenen vielen van zijn handen.). Hij komt in het volle licht. Waar God komt, wordt het automatisch licht, want God is licht.

De duisternis maakt dingen donker voor ons. Dat is ook zo in geestelijk opzicht. Er zijn veel dingen in ons leven ‘duister’ voor ons, we begrijpen ze niet. Voor God is dat niet zo. Het maakt voor Hem geen enkel verschil of het nacht of dag is, of dat het duisternis of licht is (vers 1212Zelfs de duisternis maakt het voor U niet duister,
maar de nacht licht op als de dag,
de duisternis is als het licht.
)
. Alles is licht voor Hem. Dag en nacht, licht en duisternis, het is allemaal door Hem geschapen en daarom is er niets voor Hem verborgen.


God, de Formeerder van het leven

13Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder geweven.
14Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
15Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
[en] geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
16Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw boek beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond.
17Daarom, hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten, o God,
hoe machtig groot is hun aantal.
18Zou ik ze tellen? Zij zijn talrijker dan [korrels] zand;
ontwaak ik, dan ben ik nog bij U.

God kent alles omdat Hij alles heeft geschapen. Hij kent de mens omdat Hij de mens heeft geschapen. Voor de gelovige komt daar de geweldige bemoediging bij dat God hem in genade kent. Het woord “want” (vers 1313Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder geweven.
)
geeft aan dat nu de verklaring van het voorgaande komt. Natuurlijk weet God alles van mij, natuurlijk is God overal waar ik ben, want Hij is mijn Maker. Daarom kent Hij mij door en door en begeleidt Hij mij op mijn wegen.

Bij de beschrijving van zijn schepping begint David met “mijn nieren”. De nieren zijn het meest innerlijke van de mens, en worden verbonden met de overleggingen die een mens heeft. God toetst de nieren (Jr 11:2020Maar, HEERE van de legermachten, rechtvaardige Rechter,
U Die de nieren en het hart beproeft,
laat mij Uw wraak aan hen zien,
want aan U heb ik mijn rechtszaak bekendgemaakt.
; 17:1010Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
; 20:1212HEERE van de legermachten, Die de rechtvaardige beproeft,
Die de nieren en het hart ziet,
laat mij Uw wraak op hen zien,
want ik heb mijn rechtszaak aan U bekendgemaakt.
; Kl 3:1313Hij heeft in mijn nieren doen binnendringen /he/
de pijlen uit Zijn koker.
; Op 2:2323En haar kinderen zal Ik door [de] dood ombrengen, en alle gemeenten zullen weten dat Ik het ben Die nieren en harten doorzoek, en Ik zal u geven ieder naar uw werken.)
. Ze worden ook wel gezien als het symbool van de wijsheid, het niet materiële, maar meer emotionele en geestelijke deel van de mens (Jb 16:13; 19:27; 38:26; Ps 7:99De HEERE zal over de volken rechtspreken.
Doe mij recht, HEERE, want ik ben rechtvaardig
en oprechtheid is bij mij.
; 16:77Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven;
zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.
; 26:22Beproef mij, HEERE, ja, stel mij op de proef,
toets mijn nieren en mijn hart.
; 73:2121Toen mijn hart verbitterd was
en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
; Sp 23:1616Mijn nieren zullen van vreugde opspringen,
als je lippen spreken wat billijk is.
)
.

Daarna spreekt hij erover dat God “mij” in de duisternis van “de schoot van mijn moeder geweven” heeft. Die diep verborgen, duistere plaats is licht voor Hem. Daar heeft God hem kunstig ‘samengesteld’. Hij heeft alle delen harmonieus met elkaar verbonden. Daarom heeft Hij volmaakte kennis van de mens en is er niets in de mens dat Hij niet kent. Hij heeft het allemaal Zelf aangebracht op precies die plaats die Hij wilde en met die functie die Hij eraan heeft gegeven. Hij heeft er één geheel van gemaakt, waarbij elk ‘onderdeel’ het andere ‘onderdeel’ ondersteunt.

Hoewel David niet de kennis van het ontstaan van het menselijk leven en lichaam bezit die wij bezitten, looft hij God omdat hij “ontzagwekkend wonderlijk gemaakt” is (vers 1414Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
)
. Zoals al Gods werken wonderlijk zijn, zo is hij dat ook. Hij is er diep overtuigd – “mijn ziel weet dat zeer goed” – dat God met hem een persoonlijk plan heeft. Dit mag ieder van de Zijnen weten en met zekerheid zeggen (vgl. Ef 2:1010Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren heeft bereid, opdat wij daarin zouden wandelen.).

Toen David in het verborgene gemaakt werd, was geen van zijn “beenderen” voor God verborgen (vers 1515Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
[en] geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
)
. Ze maken een wezenlijk deel uit van zijn lichaam. De beenderen geven kracht aan het lichaam. Het lichaam kan erdoor bewegen. Maar God heeft bij maken van de beenderen in de mens geen lamp nodig. Hij borduurt zonder licht in het donkere verborgene een kunstwerk omdat Hij als licht in het verborgene aanwezig is. “De laagste plaatsen van de aarde” is een dichterlijke omschrijving voor “het verborgene”. Het benadrukt dat het om de meest verborgen plaatsen gaat, iets wat met geen mensenoog te zien is (vgl. Jb 28:77De roofvogel kent het pad [erheen] niet,
en het oog van de kiekendief heeft het niet waargenomen.
)
.

In vers 1616Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw boek beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond.
spreekt David over de ogen van God die zijn “ongevormd begin gezien” hebben. Hij heeft alle “dagen dat zij gevormd werden, toen er nog niet één van hen bestond”, in Zijn “boek beschreven”. Zijn naam staat geschreven in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is (Op 13:88En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.). God beschrijft van tevoren hoe een mensenleven verloopt (vgl. Jr 1:55Voordat Ik u in de [moeder]schoot vormde, heb Ik u gekend;
voordat u uit de baarmoeder naar buiten kwam, heb Ik u geheiligd.
Ik heb u aangesteld tot een profeet voor de volken.
)
. Voor Hem is niet alleen de duisternis als het licht, maar de toekomst is voor Hem ook als het heden.

God kende onze gedachten, lang voordat wij aan Hem dachten (vers 22Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.
)
, maar Hij heeft Zelf ook gedachten (vers 1717Daarom, hoe kostbaar zijn mij Uw gedachten, o God,
hoe machtig groot is hun aantal.
)
. Dit gaat verder dan de wonderen van Gods alwetendheid en alomtegenwoordigheid en hoe Hij alles heeft gemaakt. Het gaat over de gedachten van God die achter Zijn werken schuilgaan (vgl. Ps 40:66HEERE, mijn God, veel zijn Uw wonderen, die Ú hebt gedaan,
en Uw gedachten, die U over ons hebt.
Men kan ze voor U niet uiteenzetten.
Zou ik ze verkondigen en uitspreken,
[dan] zijn ze zó machtig veel dat ik ze niet kan tellen.
)
. Die zijn voor de gelovige bijzonder kostbaar, hoewel hun aantal zijn denken volledig te boven gaat.

Gods gedachten zijn ontelbaar, nog ontelbaarder “dan [korrels] zand” (vers 1818Zou ik ze tellen? Zij zijn talrijker dan [korrels] zand;
ontwaak ik, dan ben ik nog bij U.
; vgl. Gn 22:1717zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.; 32:1212U hebt immers gezegd: Ik zal u zéker weldoen en Ik zal uw nageslacht maken als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!; Hb 11:1212Daarom zijn er ook van één, en dat van een afgestorvene, geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand aan de oever van de zee, dat ontelbaar is.)
. Dit veroorzaakt geen twijfel, maar geeft volkomen rust. De Godvrezende valt met de gedachte aan God in slaap. En als hij ontwaakt uit zijn onbewuste toestand van slaap, is hij nog bij God. Dan kan hij verdergaan met over Hem na te denken.


God zal oordelen

19O God, breng de goddeloze om!
Mannen van bloed, ga weg van mij.
20Want met listige plannen spreken zij over U
[en] zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid.
21Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
22Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn [eigen] vijanden zijn het.

Wie, zoals David en zoals iedere Godvrezende, met God verbonden is, zal een absolute scheiding tussen zich en de goddelozen willen aanbrengen. Hij zal God vragen “de goddeloze”, dat is de antichrist, om te brengen (vers 1919O God, breng de goddeloze om!
Mannen van bloed, ga weg van mij.
)
. Hij zal tegen de “mannen van bloed”, de volgelingen van de antichrist, zeggen dat ze van hem weg moeten gaan (vgl. Sp 29:1010Bloeddorstigen haten de vrome,
maar oprechten zoeken zijn behoud.
)
. Bij deze mensen is geen enkel respect voor het leven waarvan David zo diep onder de indruk is gekomen.

Zij zijn erop uit om Gods plannen te dwarsbomen en de uitvoering ervan te verhinderen (vers 2020Want met listige plannen spreken zij over U
[en] zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid.
)
. Dat legt de Godvrezende aan God voor: “Want met listige plannen spreken zij over U[en] zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid.” De invloed van de goddeloze en de mannen van bloed voert tot verderf van hen die onder hun invloed komen. God moet een einde aan die verderfelijke invloed maken, zodat er niet nog meer mensen meegesleept worden op de weg van het verderf.

De Godvrezende kent het hart van God en Zijn haat tegen de zonde (vers 2121Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
)
. Hij kan niet anders dan Gods kant tegenover de haters van God kiezen. Hij walgt van hen die tegen God opstaan – het zijn opstandelingen, rebellen, die elk gezag verwerpen – om Hem af te houden van de zegen die aan de Zijnen Hij wil geven. Walgen wij ook van mensen die, om hun eigen lusten te kunnen botvieren, bewust ingaan tegen alles wat God tot zegen heeft gegeven? Toewijding aan de Heer sluit elke loyaliteit met hen die Hem haten uit.

Voor de Godvrezende is het geen vraag. Hij haat hen met een volkomen haat (vers 2222Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn [eigen] vijanden zijn het.
)
. Het gaat niet om die mensen op zich, want God heeft geen behagen in de dood van de zondaar, maar veeleer daarin dat hij zich bekeert en leeft. Als een mens echter onstuitbaar doorgaat op een weg van zonde en daarin ook nog anderen meesleept, bewijzen zij vijanden van God te zijn. Zulke mensen zullen door iedere Godvrezende als zijn eigen vijanden worden gezien.


Doorgrond mij

23Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
24Zie of er bij mij een schadelijke weg is
en leid mij op de eeuwige weg.

De Godvrezende haat allen die tegen God opstaan (vers 2222Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn [eigen] vijanden zijn het.
)
. Dat doet hij niet in een trotse geest, maar vanuit liefde voor God. Dat blijkt ook uit zijn gebed in deze verzen. Hij haat ook de gedachte dat er bij hem iets aanwezig zou zijn dat niet onderworpen is aan God. Daarom vraagt hij in deze slotverzen aan God om een volkomen, diep en grondig onderzoek van zijn hart en zijn gedachten. Na zijn vraag om oordeel over de goddeloze en de vijanden van God, vraagt hij nu om Gods oordeel over zichzelf.

Hij is de psalm begonnen met de constatering dat God hem doorgrondt en kent (vers 11Een psalm van David, voor de koorleider.
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
)
. Nu vraagt hij aan God om hem te doorgronden en hem te laten zien wat er in zijn hart is (vers 2323Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
; vgl. Jr 17:9-109Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
)
. Hij plaatst zich in de tegenwoordigheid van God en vraagt om hem te beproeven, hem te testen op de echtheid en zuiverheid van zijn gedachten (vgl. Hb 4:12-1312Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.13En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.).

Hij wil niets liever dan leven in overeenstemming met de wil van God. Daarom vraagt hij of God zijn geestelijke toestand wil bekijken en bij hem wil onderzoeken of er “een schadelijke weg” is (vers 2424Zie of er bij mij een schadelijke weg is
en leid mij op de eeuwige weg.
)
. Een schadelijke weg is een weg met moeiten en verdriet als gevolg van eigenwillige keuzes. Als dat zo is, zegt David tegen God, wilt U het mij dan laten weten.

Vervolgens vraagt hij of God hem “op de eeuwige weg” wil leiden. Daar gaat zijn verlangen naar uit. Hij wil op de weg gaan waarop het leven uit en met God wordt geleefd. Die weg komt ook uit in het eeuwige leven, bij Hem Die de bron ervan is, God Zelf. De dood maakt aan die weg geen einde, maar is een laatste stap op die weg die hem in de volle, ongestoorde gemeenschap met God brengt.


Lees verder