Psalmen
Inleiding 1-7 Een woning voor God 8-10 Gebed van Gods Gezalfde 11-18 Gods antwoord
Inleiding

Na Psalm 131 is de pelgrim niet meer met zichzelf bezig, maar alleen nog met het huis van God (Psalm 132), de gemeenschap met zijn medepelgrims (Psalm 133), en de aanbidding van God in Zijn huis (Psalm 134). Hij denkt in Psalm 132 aan de oorsprong van het huis, waarheen hij op weg is.

De indeling van Psalm 132 is opmerkelijk. De tweede helft van de psalm is precies de tegenhanger van het eerste deel van de psalm. Alles wat in de eerste helft wordt gebeden, rust op de eed die God aan David heeft gezworen en waarvan de inhoud in de tweede helft beschreven wordt.

A David heeft de HEERE gezworen (vers 22hoe hij de HEERE gezworen heeft,
de Machtige Jakobs [deze] gelofte deed:
)

 B Wat David heeft gezworen (verzen 3-53Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen,
ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer;
4ik gun mijn ogen geen slaap,
mijn oogleden geen sluimer,
5totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
)

  C Plaats voor de ark gezocht (verzen 6-76Zie, wij hebben [van de ark] gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
7Laten wij Zijn woning binnengaan,
ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.
)

D Gebed voor een rustplaats (vers 88Sta op, HEERE, [ga] naar Uw rustplaats,
U en de ark van Uw macht.
)

 E Gebed voor priesters en gunstelingen (vers 99Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen.
)

  F Gebed voor de gezalfde (vers 1010Wijs het gebed van Uw gezalfde niet af,
omwille van David, Uw dienaar.
)

A De HEERE heeft David gezworen (vers 11a11De HEERE heeft David [in] waarheid gezworen,
[en] Hij zal daar niet van afwijken:
[Eén] van de vrucht van uw schoot
zal Ik op uw troon zetten.
)

 B Wat de HEERE heeft gezworen (verzen 11b-1211De HEERE heeft David [in] waarheid gezworen,
[en] Hij zal daar niet van afwijken:
[Eén] van de vrucht van uw schoot
zal Ik op uw troon zetten.
12Als uw zonen Mijn verbond in acht zullen nemen
en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal,
zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid
op uw troon zitten.
)

  C Plaats voor de ark gekozen (vers 1313Want de HEERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
)

D Rustplaats vastgesteld (verzen 14-1514Dit is, [zei Hij,] Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
15Haar voedsel zal Ik rijk zegenen,
haar armen met brood verzadigen.
)

 E Belofte voor priesters en gunstelingen (vers 1616Haar priesters zal Ik kleden met heil,
haar gunstelingen zullen uitbundig juichen.
)

  F Beloften aan de gezalfde (verzen 17-1817Daar zal Ik voor David een hoorn doen opkomen
en voor Mijn gezalfde een lamp gereedmaken.
18Ik zal zijn vijanden met schaamte kleden,
maar op hem zal zijn diadeem schitteren.
)

De psalm is van een Godvrezende in wie de Geest van de profetie van het gelovig overblijfsel in de eindtijd werkzaam is. Het overblijfsel ziet uit naar de vervulling van de beloften van God aan David. Die beloften bevatten vooral de eeuwige heerschappij van het geslacht van David, dat is Christus, en de aanbidding van God in gerechtigheid in Sion. In deze psalm worden zo het koningschap en het priesterschap van de Heer Jezus op bijzondere wijze met elkaar verbonden. In de Messias zal alles van deze psalm vervuld worden.

We zien het overblijfsel in de eindtijd op weg gaan naar het huis van God. Daarbij nemen ze woorden van deze psalm op de lippen. Het zijn de dagen die het herstel van het volk als Gods volk inluiden. Daarbij verwachten ze een spoedige vervulling van de belofte dat God in de Messias Zijn plaats te midden van hen zal innemen op de plaats die Hij heeft uitgekozen.


Een woning voor God

1Een pelgrimslied.
HEERE, denk aan David,
aan al zijn lijden,
2hoe hij de HEERE gezworen heeft,
de Machtige Jakobs [deze] gelofte deed:
3Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen,
ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer;
4ik gun mijn ogen geen slaap,
mijn oogleden geen sluimer,
5totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
6Zie, wij hebben [van de ark] gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
7Laten wij Zijn woning binnengaan,
ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.

Dit is het dertiende “pelgrimslied” (vers 1a1Een pelgrimslied.
HEERE, denk aan David,
aan al zijn lijden,
)
.

Het lied begint met het gebed tot de HEERE te denken “aan David, aan al zijn lijden” . Hierbij denkt de bidder niet aan de moeitevolle wegen die David is gegaan, maar aan al zijn inspanningen om voor God een woonplaats te bouwen (1Kr 22:1414Zie, ik heb door [al] mijn verdrukking honderdduizend talent goud gereedgemaakt voor het huis van de HEERE, en een miljoen talent zilver; het koper en het ijzer is niet te wegen, want het is er in grote hoeveelheid. Ik heb ook hout en stenen gereedgemaakt; daar moet je [nog meer] aan toevoegen.). Dat blijkt uit de volgende verzen. Bij al zijn omzwervingen en al zijn strijd heeft hij steeds dit doel voor ogen gehad.

Dit is volmaakt waar van de grote Zoon van David, de Heer Jezus, Die door Zijn lijden de gemeente tot stand heeft gebracht, waarin Hij en God nu wonen. Het lijden van de Heer Jezus mag ook voor ons de aanleiding zijn om God te smeken voor wat nu Zijn huis is, dat is de gemeente van de levende God. Ons gebed mag zijn dat het een plaats is waar Hij rust vindt bij hen die als Zijn huis samenkomen.

David heeft met het oog op een woonplaats voor God “de HEERE gezworen” en een “gelofte” gedaan aan “de Machtige Jakobs” (vers 22hoe hij de HEERE gezworen heeft,
de Machtige Jakobs [deze] gelofte deed:
)
. Jakob spreekt in de zegen die hij over Jozef uitspreekt over “de handen van de Machtige van Jakob” (Gn 49:3131Daar hebben ze Abraham begraven en Sara, zijn vrouw; daar hebben ze Izak begraven en Rebekka, zijn vrouw; en daar heb ik Lea begraven.). Door deze Naam verbindt de machtige God Zich met de zwakheid van Jakob, in wie hier het hele volk in zijn zwakheid wordt voorgesteld. Deze Naam wordt ook nog in vers 55totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
genoemd. Het benadrukt dat al dit streven naar het zoeken van een plaats voor God om te wonen, in zwakheid gebeurt, maar door Zijn macht tot resultaat voert. Het wijst er tevens op dat Zijn macht elke tegenstand uitschakelt die dit voornemen wil verhinderen.

Wanneer David zijn eed heeft gezworen, staat niet in de Schrift. Het is niet ondenkbaar dat hij dat heeft gedaan in zijn jonge jaren, tijdens het als herder hoeden van de schapen van zijn vader. In die tijd heeft hij in het vrije veld daarover nagedacht. Zijn hart is altijd uitgegaan naar God en Zijn belangen. David is in zijn inzet om een woonplaats voor God te zoeken een beeld van de Heer Jezus, Die van Zichzelf zegt, dat de ijver voor Gods huis Hem heeft verteerd (Jh 2:1717Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: ’De ijver voor Uw huis zal Mij verteren’.).

De kracht van zijn verlangen blijkt uit wat hij zegt: “Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen, ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer; ik gun mijn ogen geen slaap, mijn oogleden geen sluimer, totdat …” (verzen 3-53Nee, ik ga mijn tent, mijn huis, niet binnen,
ik leg mij op de rustbank, mijn bed, niet neer;
4ik gun mijn ogen geen slaap,
mijn oogleden geen sluimer,
5totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
)
. Hij zal niet tevreden zijn hoofd ergens te ruste leggen, voordat hij dit verlangen heeft verwezenlijkt. Dit komt overeen met het verlangen van God Zelf om een plaats te hebben waar Hij Zijn Naam doet wonen en waarvan Hij wil dat Zijn volk daarnaar vraagt en zoekt (Dt 12:5,11,14,18,21,265Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.11Dan zal daar de plaats zijn die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofte[offers] die u de HEERE belooft,14maar [alleen] op de plaats die de HEERE in een van uw stammen zal uitkiezen. Daar moet u uw brandoffers brengen en daar moet u doen alles wat ik u gebied.18Alleen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen, mag u dat eten: u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, en de Leviet die binnen uw poorten is; en u zult u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden over alles wat u ter hand genomen hebt.21Wanneer de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, ver van u vandaan is, dan mag u van uw runderen en uw kleinvee die de HEERE u gegeven heeft, slachten, zoals ik u geboden heb, en mag u [ervan] eten binnen uw poorten, naar het volle verlangen van uw ziel.26Maar de heilige [gaven] die u hebt, en uw gelofte[offers], moet u opnemen en [ermee] naar de plaats komen die de HEERE zal uitkiezen.). God wijst David die plaats aan (2Sm 24:18-2518Op die dag kwam Gad bij David en zei tegen hem: Ga [de heuvel] op [en] richt op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet, een altaar op voor de HEERE.19En David ging naar boven, overeenkomstig het woord van Gad, zoals de HEERE geboden had.20Arauna keek omlaag en zag de koning en zijn dienaren naar zich toe komen. Daarop kwam Arauna [de dorsvloer] af en boog zich voor de koning neer, met zijn gezicht ter aarde.21En Arauna zei: Waarom komt mijn heer de koning naar zijn dienaar toe? En David zei: Om deze dorsvloer van u te kopen, om voor de HEERE een altaar te bouwen, zodat de plaag over het volk tot stilstand gebracht wordt.22Toen zei Arauna tegen David: Laat mijn heer de koning nemen en offeren wat goed is in zijn ogen. Ziedaar, de runderen voor het brandoffer, en de dorssleden en de werktuigen voor de runderen voor het [brand]hout.23Dit alles, o koning, geeft Arauna aan de koning. Verder zei Arauna tegen de koning: Moge de HEERE, uw God, u goedgezind zijn.24Maar de koning zei tegen Arauna: Nee, ik wil het beslist voor de [volle] prijs van u kopen, want ik wil de HEERE, mijn God, geen brandoffers brengen die niets kosten. Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig sikkel zilver.25Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers. Zo liet de HEERE Zich verbidden ten gunste van het land, en de plaag over Israël werd tot stilstand gebracht.; 1Kr 22:11Toen zei David: Dit hier is het huis van de HEERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël.).

In de dagen van Saul is er niet naar de ark gevraagd (1Kr 13:33En laten we de ark van onze God naar ons terughalen, want in de dagen van Saul hebben wij er niet naar gevraagd.). Twintig jaar is hij in Kirjath-Jearim, in het huis van Abinadab (1Sm 7:1-21Toen kwamen de mannen van Kirjath-Jearim, haalden de ark van de HEERE en brachten die in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar om voor de ark van de HEERE zorg te dragen.2En het gebeurde vanaf de dag dat de ark in Kirjath-Jearim bleef, dat er veel dagen verliepen – het werden twintig jaren – en het hele huis van Israël wendde zich klagend tot de HEERE.). David begint ernaar begint te vragen. Als hij en zijn mannen, “wij”, in Efratha zijn, “in de velden van Jaär”, horen ze over de ark (vers 66Zie, wij hebben [van de ark] gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
)
.

Als hij koning is, gaat hij de ark uit het huis van Abinadab ophalen (2Sm 6:2-32David stond op en ging [op weg] met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, [de ark] waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.3Zij vervoerden de ark van God op een nieuwe wagen. Ze haalden hem uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, en Uzza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen.). Dat doet hij eerst niet op de goede manier en de ark komt in het huis van Obed-Edom. Na drie maanden haalt hij de ark op uit het huis van Obed-Edom en brengt hem op de door God voorgeschreven manier naar Sion (2Sm 6:4-174Zij haalden [de wagen] uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel lag, met de ark van God, en Ahio liep voor de ark uit.5David en het hele huis van Israël huppelden voor het aangezicht van de HEERE, met allerlei [muziekinstrumenten] van cipressenhout, met harpen, met luiten, met tamboerijnen, met rinkelbellen en met cimbalen.6Maar toen zij bij de dorsvloer van Nachon kwamen, strekte Uzza [zijn hand] uit naar de ark van God en greep die, omdat de runderen struikelden.7Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God.8David ontstak [in woede], omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht, en hij noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag.9David was op die dag bevreesd voor de HEERE en zei: Hoe moet de ark van de HEERE bij mij komen?10David wilde de ark van de HEERE niet bij zich laten komen in de stad van David, maar David liet hem uitwijken naar het huis van Obed-Edom, de Gethiet.11Zo bleef de ark van de HEERE in het huis van Obed-Edom, de Gethiet, drie maanden [lang], en de HEERE zegende Obed-Edom en heel zijn huis.12Koning David werd de boodschap gebracht: De HEERE heeft het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God. Toen ging David [op weg] en bracht de ark van God met blijdschap vanuit het huis van Obed-Edom over naar de stad van David.13En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest [kalf] offerde.14David huppelde uit alle macht voor het aangezicht van de HEERE; en David was gekleed in een linnen priesterhemd.15Zo brachten David en heel het huis van Israël de ark van de HEERE over, met gejuich en met bazuingeschal.16En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, uit het venster neerkeek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart.17Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers.).

Op de plaats waar David de ark heeft gebracht, dat is in “Zijn woning” (Ps 74:77Zij staken Uw heiligdom in brand;
tot de grond toe ontheiligden zij de woning van Uw Naam.
; 76:33In Salem is Zijn hut,
en Zijn woning in Sion.
; 84:22Hoe lieflijk zijn Uw woningen,
HEERE van de legermachten.
; 132:5,135totdat ik voor de HEERE een plaats gevonden heb,
een woning voor de Machtige Jakobs!
13Want de HEERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
)
, de woning van God, wil het volk binnengaan om God te aanbidden (vers 77Laten wij Zijn woning binnengaan,
ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten.
)
. Historisch gebeurt dat als David en het volk de ark brengen naar de tent die hij ervoor heeft gespannen (2Sm 6:1717Toen zij de ark van de HEERE [de stad] binnenbrachten, zetten zij die op zijn plaats, midden in de tent die David ervoor gespannen had. En David bracht brandoffers voor het aangezicht van de HEERE, en dankoffers.). Dan komt de ark tot rust. De ark als “de voetbank van Zijn voeten” wijst erop dat God op de ark Zijn rust heeft.

Als we eraan denken dat de ark een prachtig beeld is van de Heer Jezus, zien we dat Gods volk een plaats van rust zoekt en vindt voor de Heer Jezus. Die plaats is waar de gemeente als huis van God samenkomt, al is het maar met twee of drie, om daar tot Zijn Naam samen te komen (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.; 1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). Tegelijk is de Heer Jezus ook de ‘plaats’ van rust voor God. Nergens anders kan God op aarde rust vinden dan alleen in Hem. Alle rust op aarde is in Hem verenigd en wordt door Hem doorgegeven aan hen die op Hem vertrouwen.


Gebed van Gods Gezalfde

8Sta op, HEERE, [ga] naar Uw rustplaats,
U en de ark van Uw macht.
9Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen.
10Wijs het gebed van Uw gezalfde niet af,
omwille van David, Uw dienaar.

Nu de woonplaats voor de ark is gevonden (vers 66Zie, wij hebben [van de ark] gehoord in Efratha,
hem gevonden in de velden van Jaär.
)
, willen ze de ark erheen brengen en hem weer tot middelpunt van de dienst aan de HEERE maken (vers 88Sta op, HEERE, [ga] naar Uw rustplaats,
U en de ark van Uw macht.
)
. Ze maken daarbij gebruik van de woorden die Mozes heeft gesproken (Nm 10:3535En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei:
Sta op, HEERE,
laat Uw vijanden [overal] verspreid worden
en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten!
)
. Mozes heeft die woorden gesproken met het oog op het verslaan van Gods vijanden. De Godvrezende hier spreekt deze woorden met oog op de aanbidding van God.

De woorden van dit gebed worden door Salomo uitgesproken bij de inwijding van de tempel (2Kr 6:41-4241Welnu, HEERE God, sta op, [trek] naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw macht. Laten Uw priesters, HEERE God, met heil bekleed worden, en laten Uw gunstelingen verblijd zijn over het goede.42HEERE God, wijs het gebed van Uw gezalfde niet af. Denk aan [Uw] blijken van goedertierenheid aan David, Uw dienaar.). De HEERE “en de ark van Uw macht” worden in één adem genoemd. De ark symboliseert zowel de HEERE Zelf als Zijn macht.

De priesters die dienst doen bij de ark, moeten “bekleed worden met gerechtigheid” (vers 99Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen.
)
. Zij zullen niet handelen zoals de zonen van Eli dat hebben gedaan en daardoor de toorn van God over zich hebben gehaald (1Sm 2:12-16,22-2512De zonen van Eli echter waren verdorven mannen; zij kenden de HEERE niet.13Want de handelwijze van deze priesters met het volk was [aldus: wanneer] iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester, terwijl het vlees kookte, met een drietandige vork in zijn hand,14stak die in de kookpot, in de ketel, in de pan of in de pot, [en] alles wat de vork [dan] optrok, nam de priester voor zichzelf. Zo deden zij met al de Israëlieten die daar in Silo kwamen.15Ook vóór zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de knecht van de priester en zei tegen de man die het offer bracht: Geef dat vlees om te braden aan de priester, want hij wil geen gekookt vlees van u aannemen, maar rauw.16En wanneer die man tegen hem zei: Zij moeten dat vet beslist eerst in rook laten opgaan; neem daarna [maar] voor uzelf zoals uw ziel verlangt, [dan] zei hij tegen hem: Nee, u moet het nú geven, en zo niet, dan neem ik het met geweld.22Eli nu was heel oud en hoorde alles wat zijn zonen heel Israël aandeden, en [ook] dat zij sliepen met de vrouwen die bij de ingang van de tent van ontmoeting dienst deden.23Hij zei tegen hen: Waarom doen jullie zulke dingen, zodat ik deze wandaden van jullie te horen krijg van dit hele volk?24[Dit kan] niet, mijn zonen! Nee, dit is geen goed bericht dat ik hoor; jullie laten het volk van de HEERE overtredingen begaan.25Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen de HEERE zondigt, wie zal [dan] voor hem bidden? Maar zij luisterden niet naar de stem van hun vader, want de HEERE wilde hen doden.). Hun kleding van gerechtigheid symboliseert hun waardigheid en waarachtigheid om in de tegenwoordigheid van de HEERE naar Zijn welgevallen Hem te dienen. Het offer zal niet worden veracht, maar geëerd en met blijdschap en dankbaarheid door Gods “gunstelingen” worden gebracht.

Het eerste deel van dit lied besluit met de bede dat de HEERE het gebed van de vorige twee verzen niet zal afwijzen (vers 1010Wijs het gebed van Uw gezalfde niet af,
omwille van David, Uw dienaar.
)
. Het is “het gebed van Uw gezalfde”. Het maakt voor God alles uit wie bidt. Zijn Gezalfde is de Heer Jezus. Het is ook een gebed “omwille van David, Uw dienaar”. David is de man naar Gods hart, aan wie Hij de belofte van zijn grote Zoon heeft gedaan, Die eeuwig op zijn troon zal zitten. Een gebed met die verwijzingen – naar Zijn Zoon en naar Zijn beloften – kan God nooit afwijzen.


Gods antwoord

11De HEERE heeft David [in] waarheid gezworen,
[en] Hij zal daar niet van afwijken:
[Eén] van de vrucht van uw schoot
zal Ik op uw troon zetten.
12Als uw zonen Mijn verbond in acht zullen nemen
en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal,
zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid
op uw troon zitten.
13Want de HEERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
14Dit is, [zei Hij,] Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
15Haar voedsel zal Ik rijk zegenen,
haar armen met brood verzadigen.
16Haar priesters zal Ik kleden met heil,
haar gunstelingen zullen uitbundig juichen.
17Daar zal Ik voor David een hoorn doen opkomen
en voor Mijn gezalfde een lamp gereedmaken.
18Ik zal zijn vijanden met schaamte kleden,
maar op hem zal zijn diadeem schitteren.

In dit gedeelte geeft de HEERE antwoord op het gebed van de vorige verzen. Hij begint met een antwoord op de eed van David in vers 22hoe hij de HEERE gezworen heeft,
de Machtige Jakobs [deze] gelofte deed:
. Zijn antwoord is een bevestiging gevolgd door een ontkenning die de bevestiging versterkt (vgl. Hb 6:16-1816Want mensen zweren bij een meerdere en de eed is voor hen tot bevestiging, [het] eind van alle tegenspraak.17Daarom heeft God, omdat Hij de erfgenamen van de belofte de onveranderlijkheid van Zijn raad overvloediger wilde bewijzen, Zich met een eed verbonden,18opdat wij door [deze] twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, een sterke vertroosting hebben, wij die de toevlucht hebben genomen om de voorgestelde hoop aan te grijpen.). Hij “heeft David [in] waarheid gezworen” en “Hij zal daarvan niet afwijken” (vers 1111De HEERE heeft David [in] waarheid gezworen,
[en] Hij zal daar niet van afwijken:
[Eén] van de vrucht van uw schoot
zal Ik op uw troon zetten.
)
.

En wat heeft Hij aan David beloofd, waaraan Hij niet ontrouw zal zijn? “[Eén] van de vrucht van uw schoot zal Ik op uw troon zetten” (vgl. 2Sm 7:12-1312Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen.13Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.). Petrus citeert dit vers tijdens zijn prediking op de Pinksterdag en past de vervulling ervan toe op de Heer Jezus (Hd 2:30-3130Daar hij dan een profeet was en wist, dat God hem met een eed had gezworen [Eén] uit [de] vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten,31heeft hij vooruitgezien en gesproken over de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan [de] hades is overgelaten en Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.; vgl. Lk 1:31-3331en zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven.32Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,33en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.).

De HEERE verbindt wel voorwaarden aan de troonopvolging door de zonen van David en de zonen van zijn zonen (vers 1212Als uw zonen Mijn verbond in acht zullen nemen
en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal,
zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid
op uw troon zitten.
; 2Sm 7:14-1514Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat [wil zeggen]: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok [als] van mensen en met slagen [als] van mensenkinderen.15Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die deed wijken van Saul, die Ik voor uw [ogen] weggenomen heb.)
. Ze moeten luisteren naar het onderwijs van God. Hij zal hun leren Zijn verbond en Zijn getuigenissen in acht te nemen. Als ze dat doen, zullen zijn nakomelingen op zijn troon zitten. Dat hebben ze echter niet gedaan. Daardoor is het huis van David vervallen. Maar God zal het vervallen huis weer oprichten omdat er één Zoon van David is, Die wel Zijn verbond en Zijn getuigenissen in acht heeft genomen.

Onlosmakelijk aan de belofte van het eeuwig koningschap van David is de verkiezing van Sion door de HEERE (vers 1313Want de HEERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
)
. De plaats waar David naar zoekt en die hij heeft gevonden, is allang door God uitgekozen. Die plaats heeft Hij “begeerd tot Zijn woongebied”. Er is bij God niet alleen verkiezing van die plaats, maar ook een verlangen daar te wonen. De woonplaats van de koning is ook de woonplaats van God. De tempel en het koningschap horen bij elkaar.

Het is ook geen tijdelijke rustplaats voor God maar Zijn “rustplaats tot in eeuwigheid” (vers 1414Dit is, [zei Hij,] Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
)
. ‘Eeuwigheid’ wil hier zeggen de periode van het vrederijk. Gedurende die hele tijd is dat Zijn vaste woonplaats (vgl. Ps 68:1717Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst
naar deze berg, [die] God als Zijn woning heeft begeerd?
Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.
)
. Hij zal niet meer met het volk hoeven mee te trekken door de woestijn, want het volk woont in zekerheid en gerustheid in het land. Hij hoeft Zijn volk ook niet meer te verlaten, want het dient Hem in trouw. Deze aspecten maken dat Hij ernaar heeft verlangd daar te wonen.

Als gevolg van het innemen door God van Zijn plaats te midden van Zijn volk, zal er overvloed aan voedsel zijn, zodat de armen met brood verzadigd worden (vers 1515Haar voedsel zal Ik rijk zegenen,
haar armen met brood verzadigen.
)
. Waar Hij woont, daar zegent Hij rijkelijk hen die bij Hem komen. Meer nog dan brood voor het lichaam geeft Hij brood voor de ziel. De armen zijn niet zozeer de materieel armen, maar de armen van geest (Mt 5:33Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.). Zij zijn niet vol van zichzelf, maar leeg, ze hebben geen hoge pretenties. Zij worden innerlijk met vrede verzadigd.

In vers 99Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen.
is gebeden dat de HEERE Zijn priesters bekleed zal laten worden met gerechtigheid en dat Hij Zijn gunstelingen zal laten juichen. In vers 1616Haar priesters zal Ik kleden met heil,
haar gunstelingen zullen uitbundig juichen.
horen we de toezegging van de HEERE dat Hij dat zal doen en zelfs meer zal doen. Hij zal de priesters van Sion “kleden met heil”. Heil is behoudenis in de volste zin van het woord, met inbegrip van gerechtigheid. Het is het genieten van de volle zegen van Gods tegenwoordigheid. De gunstelingen van Sion reageren daarop, niet met juichen, zoals is gevraagd, maar met “uitbundig juichen”.

In vers 1717Daar zal Ik voor David een hoorn doen opkomen
en voor Mijn gezalfde een lamp gereedmaken.
, dat aansluit op vers 1212Als uw zonen Mijn verbond in acht zullen nemen
en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal,
zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid
op uw troon zitten.
, spreekt de HEERE over “een hoorn” die Hij voor David zal doen opkomen. Zacharia spreekt in zijn lofzang over “een hoorn van behoudenis” en doelt daarmee op de Heer Jezus (Lk 1:68-6968Gezegend zij [de] Heer, de God van Israël, want Hij heeft Zijn volk bezocht en er verlossing voor bewerkt,69en heeft een hoorn van behoudenis voor ons opgericht in [het] huis van Zijn knecht David). Een hoorn is een symbool van kracht. ‘Doen opkomen’ wijst op uitspruiten van de Spruit, de Messias (Js 4:22Op die dag zal de SPRUIT van de HEERE tot een heerlijk sieraad zijn, en de vrucht van de aarde tot trots en luister voor hen in Israël die ontkomen zijn.; Jr 23:55Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.
Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,
Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.
; 33:1515In die dagen en in die tijd zal Ik voor David een SPRUIT van gerechtigheid doen opkomen. Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.; Zc 3:88Luister toch, hogepriester Jozua,
u en uw vrienden die vóór u zitten
– zij zijn immers een wonderteken –
want zie, Ik ga Mijn Knecht, de SPRUIT, doen komen.
; 6:1212en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.
)
.

De HEERE spreekt ook over “een lamp” die Hij zal gereedmaken voor Zijn gezalfde. Over David wordt gesproken als een lamp (2Sm 21:1717Maar Abisaï, de zoon van Zeruja, hielp hem, sloeg de Filistijn neer en doodde hem. Toen bezwoeren de mannen van David hem: U moet niet meer met ons ten strijde trekken, opdat u de lamp van Israël niet uitdooft.). Ook over zijn zoon wordt als een lamp gesproken (1Kn 11:3636En aan zijn zoon zal Ik één stam geven, zodat Mijn dienaar David alle dagen een lamp voor Mijn aangezicht zal hebben in Jeruzalem, de stad die Ik voor Mij heb verkozen om Mijn Naam daar te vestigen.). Het gereedmaken van een lamp heeft de betekenis dat het licht van het huis van David nooit zal uitgaan. Dit is in de Heer Jezus, de ware Gezalfde, tot uiting gekomen.

De vijanden van Gods Koning en Gods volk zijn er altijd op uit om te verhinderen dat God geëerd en gediend wordt (vers 1818Ik zal zijn vijanden met schaamte kleden,
maar op hem zal zijn diadeem schitteren.
)
. De Messias zal hen “met schaamte kleden”. Daartegenover zal op de Gezalfde “Zijn diadeem schitteren”. Het woord voor diadeem is letterlijk ‘wijding’ en is verbonden met de diadeem op het hoofd van de hogepriester als teken van zijn wijding (Ex 29:66Dan moet u de tulband op zijn hoofd zetten en de heilige diadeem aan de tulband vastmaken.; 39:3030Zij maakten ook een plaat van zuiver goud, de heilige diadeem, en zij maakten daarin een inscriptie met zegelgraveringen: DE HEILIGHEID VAN DE HEERE.; Lv 8:99Daarna zette hij de tulband op zijn hoofd, en bevestigde aan de voorkant van de tulband de gouden plaat, de heilige diadeem, zoals de HEERE Mozes geboden had.). De Koning, de Messias, over Israël is aan God gewijd en is tegelijk Priester (Zc 6:12-1312en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.13Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen,
Híj zal met majesteit bekleed zijn,
Hij zal zitten en heersen op Zijn troon.
Hij zal Priester zijn op Zijn troon;
tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden.
)
.


Lees verder