Psalmen
1-3 Danklied na de ballingschap 4-6 Met tranen zaaien, met gejuich maaien
Danklied na de ballingschap

1Een pelgrimslied.
Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren,
waren wij als [mensen] die droomden.
2Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.
Toen zei men onder de heidenvolken:
De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!
3De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan,
[daarom] zijn wij verblijd.

Dit is het zevende “pelgrimslied” (vers 11Een pelgrimslied.
Toen de HEERE de gevangenen van Sion terug deed keren,
waren wij als [mensen] die droomden.
)
. De psalmist, en in hem het overblijfsel, bezingt de terugkeer van “de gevangenen van Sion”. Hierbij kunnen we denken aan het overblijfsel uit het tweestammenrijk dat uit de Babylonische ballingschap naar Jeruzalem terugkeert. Dit wordt hier aan de activiteit van de HEERE toegeschreven. Het is niet te danken aan de edelmoedigheid van Kores, maar aan de HEERE. Hij heeft het bewerkt (2Kr 36:22-2322In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:23Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt. Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – de HEERE, zijn God, zij met hem en laat hij optrekken.; Ea 1:1-31In het eerste jaar nu van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEERE de geest van Kores op, de koning van Perzië, opdat het woord van de HEERE, [dat Hij] bij monde van Jeremia [gesproken had], vervuld zou worden om door zijn hele koninkrijk een boodschap te laten gaan, ook in geschrifte:2Zo zegt Kores, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEERE, de God van de hemel, aan mij gegeven, en Hij is het Die mij heeft opgedragen om een huis voor Hem te bouwen in Jeruzalem, dat in Juda ligt.3Wie er onder u ook maar tot al Zijn volk behoort – zijn God zij met hem – laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en laat hij het huis van de HEERE, de God van Israël, bouwen; Hij is de God Die in Jeruzalem [woont].).

De gevangenschap was een bittere tijd voor allen van wie het hart verbonden bleef met Jeruzalem. Als na zeventig jaar de ballingschap voorbij is (Jr 29:1010Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn, zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats.) en het volk mag terug naar hun eigen land, lijkt het voor hen alsof ze dromen (vgl. Hd 12:99En hij ging naar buiten en volgde. En hij wist niet, dat wat door de engel plaatsvond, waar was, maar hij meende een gezicht te zien.). De ballingschap hebben ze aan zichzelf te wijten; hun bevrijding hebben ze uitsluitend aan de HEERE te danken.

Als ze als het ware tot zichzelf komen en zich realiseren dat ze niet dromen, maar dat ze echt vrij zijn, wordt hun “mond vervuld met lachen” en hun “tong met gejuich” (vers 22Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.
Toen zei men onder de heidenvolken:
De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!
; vgl. Jb 8:2121Eens zal Hij je mond [weer] met lachen vervullen,
en je lippen met gejuich.
)
. Verdwenen is de schaduw van de nacht, voorbij is alle lijden. In plaats van treurnis en verdriet is er lachen en in plaats van klaagzangen is er gejuich. Het volk dat terugkeert, is vol blijdschap.

Hun terugkeer naar het land is een getuigenis van de macht van de HEERE tegenover de heidenvolken. Ze erkennen met onverholen eerbied en ontzag: “De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan”.

Dit getuigenis wordt direct door het overblijfsel overgenomen (vers 33De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan,
[daarom] zijn wij verblijd.
)
. Ze zeggen: “De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan, [daarom] zijn wij verblijd” (vgl. Jl 2:2121Wees niet bevreesd, land,
verheug u en wees blij,
want de HEERE heeft grote dingen gedaan.
)
. De Godvrezende kan nergens anders blijdschap in vinden dan in God en in Zijn werken. Wij hebben alle reden om blij te zijn omdat God Zijn Zoon voor ons heeft gegeven om voor ons te doen wat wij niet konden: verzoening tot stand brengen tussen God en ons.


Met tranen zaaien, met gejuich maaien

4HEERE, breng een omkeer in onze gevangenschap,
zoals [water]stromen in het zuiden.
5Wie met tranen zaaien,
zullen met gejuich maaien.
6Wie het zaad draagt en dat zaait,
gaat al wenend [zijn weg];
[maar] hij zal [zeker] terugkomen met gejuich,
en zijn schoven dragen.

Nadat de gevangenen zich met groot enthousiasme hebben gereedgemaakt om naar huis te gaan, voelen ze de behoefte aan de ondersteuning van de HEERE in hun terugkeer (vers 44HEERE, breng een omkeer in onze gevangenschap,
zoals [water]stromen in het zuiden.
)
. Ze vragen aan Hem om Zijn verkwikking “zoals [water]stromen in het zuiden”. Het zuiden is het droge woestijngebied, waar toch geregeld zware regens neervallen waardoor de woestijn gaat bloeien.

Hun gebed is dat de HEERE aan hen, die met zo weinigen teruggaan, de verkwikking wil geven dat meerderen zich bij hen zullen voegen. Met hun terugkeer zijn niet alle gevangenen van Sion zijn teruggekeerd. Ze vragen niet om ‘een omkeer in hun gevangenschap’, de gevangenschap van die anderen, maar over “een omkeer in onze gevangenschap”, dat is hun eigen gevangenschap, want hun eigen omkeer is nog niet die van allen. Het gaat profetische om de grote omkeer en terugkeer van alle twaalf stammen naar Israël.

Dit grote resultaat van de terugkeer van alle stammen in het land is niet terugkeer uit de Babylonische ballingschap. De terugkeer bestaat dan uit slechts een handjevol Joden. Daarom is er bij de vreugde over de terugkeer ook het verdriet van de armzaligheid van de situatie (Ea 3:10-1310En de bouwers legden de fundering van de tempel van de HEERE, en men stelde de priesters op, gekleed [in ambtsgewaad], met de trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, met de cimbalen, om de HEERE te prijzen, naar de richtlijnen van David, de koning van Israël.11Zij zongen in beurtzang bij het prijzen en bij het danken van de HEERE dat [Hij] goed is, dat Zijn goedertierenheid over Israël tot in eeuwigheid is. Heel het volk hief een groot gejuich aan bij het prijzen van de HEERE, omdat de fundering voor het huis van de HEERE gelegd was.12Maar velen van de priesters en de Levieten en de familiehoofden, [namelijk] de ouderen die het eerste huis op zijn fundering gezien hadden, huilden met luide stem toen [zij] dit huis voor hun ogen [zagen], terwijl vele [anderen] met gejuich [en] met blijdschap [hun] stem verhieven.13En het volk kon geen onderscheid maken tussen het geluid van het vreugdegejuich en het geluid van het huilen van het volk, want het volk hief een groot gejuich aan en het geluid werd tot ver gehoord.).

De volle vreugde komt alleen na het verdriet dat de Godvrezende heeft vanwege het kwaad van de wereld waarin hij leeft (Mt 5:44Gelukkig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.). Tijdens de grote verdrukking zal hij dat in volle hevigheid beleven, wat tranen van verdriet zal veroorzaken. Maar daarna zal God hun lot wenden en hen in de zegen van het vrederijk invoeren waar ze vol vreugde van de zegen zullen genieten.

Er is nu nog een zaaien met tranen (vers 55Wie met tranen zaaien,
zullen met gejuich maaien.
)
. In dit geval kunnen we denken aan de moeite en inspanning om de verwoeste steden weer te herbouwen en de braakliggende grond weer bouwrijp te maken. Meer algemeen kunnen we denken aan het opbouwen van het hele nationale bestaan van het volk. En dat alles onder tegenstand en vijandschap van de omringende volken.

Maar al dit werk mag gebeuren in het vooruitzicht van een resultaat dat gejuich veroorzaakt. Het bewijst de waarheid van het woord van de Prediker, dat het einde van een zaak beter is dan het begin ervan (Pr 7:88Het einde van een zaak is beter dan zijn begin.
Beter een geduldige geest dan een hoogmoedige geest.
)
. Profetisch zien we dit in wat Jesaja beschrijft. Hij stelt de terugkeer van Gods volk voor als een daad van de heidenen die Gods volk als een graan- of spijsoffer aan de HEERE brengen (Js 66:2020En zij zullen al uw broeders uit alle heidenvolken brengen [als] graanoffer aan de HEERE, op paarden en op wagens, met huifkarren, op muildieren en op [snelle] kamelen, naar Mijn heilige berg toe, [naar] Jeruzalem, zegt de HEERE, zoals de Israëlieten het graanoffer in rein vaatwerk naar het huis van de HEERE brengen.
)
.

Vers 66Wie het zaad draagt en dat zaait,
gaat al wenend [zijn weg];
[maar] hij zal [zeker] terugkomen met gejuich,
en zijn schoven dragen.
is wel bijzonder van toepassing op de Heer Jezus. Hij is de Zaaier Die het goede zaad heeft gedragen, dat is het Woord van het koninkrijk, en dat zaad heeft gezaaid (Mt 13:1-9,18-231Op die dag ging Jezus uit het huis en ging zitten bij de zee.2En vele menigten verzamelden zich bij Hem, zodat Hij aan boord van een schip ging en [daarin] neerzat, en de hele menigte stond op het strand.3En Hij sprak tot hen vele dingen in gelijkenissen en zei: Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.4En terwijl hij zaaide, vielen sommige [zaden] bij de weg, en de vogels kwamen en aten ze op.5Andere nu vielen op de rotsachtige bodems, waar ze niet veel aarde hadden, en ze kwamen terstond op, doordat ze geen diepe aarde hadden.6Toen echter de zon was opgegaan, verschroeiden ze, en doordat ze geen wortel hadden, verdorden ze.7Andere [zaden] nu vielen tussen de dorens, en de dorens schoten op en verstikten ze.8Andere [zaden] nu vielen in de goede aarde en gaven vrucht, het ene honderdvoudig, het andere zestigvoudig en het andere dertigvoudig.9Wie oren heeft <om te horen>, laat hij horen.18U dan, hoort de gelijkenis van de zaaier.19Als iemand het Woord van het koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft weg wat in zijn hart was gezaaid; dit is hij die bij de weg is gezaaid.20Hij nu die op de rotsachtige bodems is gezaaid, die is het die het Woord hoort en het terstond met vreugde aanneemt;21hij heeft echter geen wortel in zichzelf, maar is [iemand] van het ogenblik; als nu verdrukking of vervolging komt om het Woord, dan wordt hij terstond ten val gebracht.22Hij nu die tussen de dorens is gezaaid, die is het die het Woord hoort, en de zorg van het leven en het bedrieglijke van de rijkdom verstikken het Woord en het wordt onvruchtbaar.23Hij nu die in de goede aarde is gezaaid, die is het die het Woord hoort en verstaat, die dus vrucht draagt en voortbrengt, de een honderdvoudig, de ander zestigvoudig en de ander dertigvoudig.). Dat heeft Hij al wenend gedaan, want het is een zwaar werk geweest (vgl. Lk 19:2121want ik was bang voor u, omdat u een streng mens bent; u neemt weg wat u niet neergelegd en u maait wat u niet gezaaid hebt.). Maar Hij zal “zeker” naar de aarde “[terug]komen met gejuich, en Zijn schoven dragen”.

Die schoven zijn al de Zijnen. Ze zijn schoven als gevolg van het zaad van het Woord dat Hij in hen heeft gezaaid en dat in hen tot ontkieming is gekomen. Dat is het nieuwe leven, Zijn leven dat in hen is. Dit komt doordat Hij ook Zelf het zaad is geworden. Hij is de tarwekorrel die in de aarde is gevallen en is gestorven, met als resultaat een enorm rijke vrucht (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.). Als Hij terugkomt, zal Hij omgeven zijn met de vrucht die Hij door Zijn moeitevolle lijden heeft voortgebracht en “Hij zal verzadigd worden” (Js 53:11a11Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
)
.


Lees verder