Psalmen
1-4 Gebed om redding
Gebed om redding

1Een pelgrimslied.
Ik sla mijn ogen op naar U,
Die in de hemel zit.
2Zie, zoals de ogen van dienaren
[gericht zijn] op de hand van hun heren
[en] zoals de ogen van een dienares
[gericht zijn] op de hand van haar meesteres,
zo [zijn] onze ogen [gericht] op de HEERE, onze God,
totdat Hij ons genadig is.
3Wees ons genadig, HEERE, wees ons genadig,
want wij zijn meer dan verzadigd met verachting.
4Onze ziel is meer dan verzadigd
van de spot van de zorgelozen,
de verachting van de hoogmoedigen.

Dit is het vierde “pelgrimslied” (vers 11Een pelgrimslied.
Ik sla mijn ogen op naar U,
Die in de hemel zit.
)
. We horen in de dichter de stem van het gelovig overblijfsel dat met hun hart in Jeruzalem is, zoals de vorige psalm laat zien, maar feitelijk nog te midden van vijanden is. De laatste twee verzen van de psalm maken duidelijk wat hun situatie is: ze worden overladen met spot en verachting. Dat drijft hen uit tot gebed.

Ze beginnen met tegen de HEERE te zeggen: “Ik sla mijn ogen op naar U, Die in de hemel zit.” Hij “zit” daar op Zijn troon, in alle rust, en regeert (Ps 103:1919De HEERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd,
Zijn Koninkrijk heerst over alles.
)
. Niets op aarde kan Zijn rust en regering verstoren. Door Hem daar te zoeken en bij Hem hun toevlucht te nemen, gaan ze delen in Zijn rust. Ze weten dat het Hem niet uit de hand loopt en ze verwachten van Hem dat Hij hun situatie ten goede verandert. Hij is wel in de hemel, maar ze weten dat Hij ten nauwste bij hun omstandigheden betrokken is.

Er is in hun blik op de HEERE een verwachtingsvol uitzien naar Zijn handelend optreden (vers 22Zie, zoals de ogen van dienaren
[gericht zijn] op de hand van hun heren
[en] zoals de ogen van een dienares
[gericht zijn] op de hand van haar meesteres,
zo [zijn] onze ogen [gericht] op de HEERE, onze God,
totdat Hij ons genadig is.
)
. Ze vergelijken zich met “dienaren” van wie de ogen “[gericht zijn] op de hand van hun heren” en met “een dienares” van wie de ogen “[gericht zijn] op de hand van haar meesteres”. Als afzonderlijke leden van Gods volk zijn zij Zijn dienaren en als geheel zijn zij Zijn dienares. Hun houding is die van wachten op een aanwijzing van Hem Die ze dienen, zonder inbreng van de eigen wil, want het enige wat telt, is de wil van de meester of meesteres.

Ze kijken naar Zijn hand, want die kan alleen verlossing brengen. Daarbij oefenen ze geduld. Ze blijven naar Hem kijken “totdat Hij ons genadig is”. Dat ze op genade van de HEERE wachten, houdt in dat ze erkennen door eigen falen in deze ellendige omstandigheden terecht zijn gekomen. Ze pleiten niet op hun onschuld. Dat ze zeggen “totdat”, betekent dat ze erop vertrouwen dat Hij genadig zal zijn (vgl. Js 30:1818En daarom wacht de HEERE, opdat Hij u genadig zal zijn;
en daarom zal Hij Zich verheffen om Zich over u te ontfermen.
Voorzeker, de HEERE is een God van recht.
Welzalig zijn allen die Hem verwachten.
)
. Dit afwachten is het enige wat ze kunnen doen. Ze hebben geen enkele mogelijkheid om een verandering ten goede te bewerken.

Ze claimen geen verlossing, maar doen wel een indringend beroep op Hem om hen genadig te zijn door Hem daar twee keer naar te vragen (vers 33Wees ons genadig, HEERE, wees ons genadig,
want wij zijn meer dan verzadigd met verachting.
)
. De verachting die over hen wordt uitgegoten, heeft zulke vormen aangenomen dat ze er “meer dan verzadigd” door zijn. De grens van wat ze kunnen verdragen is ruimschoots overschreden. Nog meer verachting erbij kunnen ze niet meer verdragen.

Hun ziel heeft meer dan genoeg geleden onder “de spot van de zorgelozen” en “de verachting van de hoogmoedigen” (vers 44Onze ziel is meer dan verzadigd
van de spot van de zorgelozen,
de verachting van de hoogmoedigen.
)
. Ze zijn oververzadigd. Te lang al hebben ze de hatelijke en grievende opmerkingen van hun vijanden moeten slikken. Er kan niet meer bij. Het overblijfsel zoekt niet hun gunst om van de druk af te komen, maar richt zich tot de HEERE.

De zorgelozen wanen zich zeker van hun macht, waaraan in hun verbeelding geen einde zal komen. Het komt in hun zorgeloosheid niet bij hen op dat ze een keer met God te maken zullen krijgen en dat spot voor Zijn volk door Hem als het bespotten van Hem Zelf wordt gezien. De hoogmoedigen zijn alleen uit op hun eigen grootheid en belangrijkheid, dat is het enige waarin zij geloven. God bestaat voor hen niet. Daarom zou het ook dwaas zijn om hun gunst te zoeken om zich van hun spot en verachting te bevrijden.


Lees verder