Psalmen
Inleiding 1-2 De Schepper 3-8 De Bewaarder
Inleiding

Deze psalm bezingt de HEERE als de grote zekerheid van hen die in trouw aan Hem hun weg gaan. Daarom wordt Zijn Naam zo vaak herhaald. Daardoor wordt duidelijk dat er niemand zo veilig is als degene die zijn hulp uitsluitend van Hem verwacht. Hij is de Schepper van hemel en aarde en de Bewaarder van Zijn volk Israël en vooral van de getrouwen. De HEERE zal hen altijd in alle omstandigheden bewaren.


De Schepper

1Een pelgrimslied.
Ik sla mijn ogen op naar de bergen,
vanwaar mijn hulp komen zal.
2Mijn hulp is van de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Dit tweede “pelgrimslied” (vers 11Een pelgrimslied.
Ik sla mijn ogen op naar de bergen,
vanwaar mijn hulp komen zal.
)
sluit nauw aan bij het vorige, waarin de getrouwe in benauwdheid is. In de vorige psalm kijkt de gelovige bezorgd om zich heen; in deze psalm kijkt hij vol vertrouwen omhoog voor hulp om de weg naar Jeruzalem te gaan. ‘Hulp’ betekent bescherming, ondersteuning, leiding en zegen. Daarvoor slaat de pelgrim in het geloof zijn ogen op naar de bergen rondom Jeruzalem, weliswaar ver bij hem vandaan, maar te midden daarvan woont de HEERE (Ps 125:22Rondom Jeruzalem zijn bergen,
zo is de HEERE rondom Zijn volk,
van nu aan tot in eeuwigheid.
; vgl. 1Kn 8:46-4946Wanneer zij tegen U hebben gezondigd – er is immers geen mens die niet zondigt – en U toornig op hen bent, en hen overlevert aan de vijand, zodat zij die hen gevangengenomen hebben, hen als gevangenen wegvoeren naar het land van de vijand, ver weg of dichtbij,47en zij het in het land waarheen zij als gevangenen werden weggevoerd, ter harte nemen, zich bekeren en tot U smeken in het land van hen die hen gevangengenomen hebben, door te zeggen: Wij hebben gezondigd en ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld,48en [als] zij zich in het land van hun vijanden die hen als gevangenen weggevoerd hebben, tot U bekeren met heel hun hart en met heel hun ziel, en tot U bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaderen gegeven hebt, [en] van de stad die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam gebouwd heb,49luistert U dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht.; Dn 6:1111Toen Daniël te weten kwam dat dit bevelschrift ondertekend was, ging hij zijn huis binnen. Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters in de richting van Jeruzalem. [Op] drie tijdstippen per dag ging hij op zijn knieën, bad hij en dankte hij voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voordien had gedaan.)
.

Bergen zijn een beeld van aardse machten. Maar de pelgrim beseft dat zijn hulp niet van aardse machten, maar van de HEERE komt (vers 22Mijn hulp is van de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
; vgl. Jr 3:2323Voorwaar, tevergeefs [verwacht men het] van de heuvels,
[en] de menigte van de bergen.
Voorwaar, in de HEERE, onze God,
is het heil van Israël.
)
. Hij beseft dat zijn hulp alleen van Hem is. Dat is niet moeilijk als hij in Hem de Schepper van hemel en aarde ziet (vgl. Ps 115:1515U bent gezegend door de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
)
. Zou Hij, Die alles heeft geschapen en in stand houdt, ook niet voor hem kunnen zorgen? Daarvan is hij overtuigd.

God is geen plaatselijke God zoals de afgoden van de volken, maar de God van hemel en aarde. Hij, Die alles heeft geschapen en in stand houdt, kent ook de weg van de pelgrim en zal hem helpen die te gaan. Alle moeilijkheden die hij op zijn weg kan tegenkomen, komen van de God Die hij gaat ontmoeten. Daarom staan ze onder Zijn controle.


De Bewaarder

3Hij zal uw voet niet laten wankelen,
uw Bewaarder zal niet sluimeren.
4Zie, de Bewaarder van Israël
zal niet sluimeren of slapen.
5De HEERE is uw Bewaarder,
de HEERE is uw schaduw aan uw rechterhand.
6De zon zal u overdag niet steken,
de maan niet in de nacht.
7De HEERE zal u bewaren voor alle kwaad,
uw ziel zal Hij bewaren.
8De HEERE zal uw uitgaan en uw ingaan bewaren,
van nu aan tot in eeuwigheid.

Vanaf vers 33Hij zal uw voet niet laten wankelen,
uw Bewaarder zal niet sluimeren.
is de getrouwe niet meer aan het woord, maar horen we, als het ware uit het heiligdom, het antwoord op het geloofsvertrouwen dat de getrouwe in de verzen 1-21Een pelgrimslied.
Ik sla mijn ogen op naar de bergen,
vanwaar mijn hulp komen zal.
2Mijn hulp is van de HEERE,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
heeft uitgesproken. De getrouwe wordt ervan verzekerd dat de HEERE zijn voet niet zal laten wankelen (vers 33Hij zal uw voet niet laten wankelen,
uw Bewaarder zal niet sluimeren.
)
. Hij zal hem ondersteunen bij elke stap die hij zet (Jb 31:44Ziet Hij mijn wegen niet,
en telt Hij niet al mijn voetstappen?
)
. God is machtig om voor wankelen en struikelen te bewaren (Jd 1:2424Hem nu Die machtig is u te bewaren zonder dat u struikelt en u onberispelijk voor Zijn heerlijkheid te stellen met vreugdegejuich,).

Daarbij zal Hij geen ogenblik in Zijn aandacht voor hem verslappen. Hij is zijn Bewaarder Die niet zal sluimeren (vgl. 1Kn 18:2727En het gebeurde tijdens de middag dat Elia met hen begon te spotten en zei: Roep met luide stem! Hij is immers een god. Hij is vast in gedachten! Of hij heeft zich vast afgezonderd! Of hij is vast op reis! Misschien slaapt hij [wel] en moet hij wakker worden!). Hij zal hem niet uit het oog verliezen, en ook niet onverschillig toekijken hoe het hem vergaat als hij op weg gaat naar Jeruzalem, een weg die vol gevaren is. Hij zal hem met de grootste persoonlijke aandacht begeleiden en nauw bij hem betrokken zijn. Zijn Bewaarder heeft zelfs de haren van zijn hoofd geteld en geen enkele haar ervan zal verloren gaan (Lk 12:77Ja, zelfs de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Weest niet bang; u gaat vele musjes te boven.; 21:1818En geen enkele haar van uw hoofd zal verloren gaan.; Hd 27:3434Daarom spoor ik u aan voedsel te nemen, want dit dient tot uw behoudenis; want van niemand van u zal een haar van het hoofd verloren gaan.).

Met de oproep “zie” wordt de aandacht van de getrouwe er met nadruk op gevestigd dat de HEERE “de Bewaarder van Israël”, Zijn volk, is (vers 44Zie, de Bewaarder van Israël
zal niet sluimeren of slapen.
)
. Er is bij Hem geen sprake van verslapping in Zijn bewaring. Er is geen indutten en daardoor al helemaal niet van in slaap vallen. Hij zal niet sluimeren of slapen, maar zonder onderbreking vol oplettendheid waken over Zijn eigendom. Zijn volk is Zijn “persoonlijk eigendom” (Ex 19:55Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.; Dt 7:66Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is.).

Hij is niet alleen de Bewaarder van Zijn volk, maar ook van de individuele leden van Zijn volk (vers 55De HEERE is uw Bewaarder,
de HEERE is uw schaduw aan uw rechterhand.
)
. Twee keer wordt in dit vers gezegd dat de HEERE Zelf de Zijnen bewaart. Hij is voor hen “uw schaduw aan uw rechterhand”. Hij is zo dicht bij hen als een schaduw bij een persoon is. Zij mogen in Zijn schaduw wandelen, wat wil zeggen dat Hij hen beschermt (Ps 91:11Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten,
zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.
; Js 25:44Want U bent voor de geringe een vesting geweest,
een vesting voor de arme in zijn nood,
een toevlucht tegen de vloed, een schaduw tegen de hitte.
Want het razen van geweldplegers is als een vloed [tegen] een muur.
; 49:22Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard,
in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen.
Hij heeft Mij gemaakt tot een puntige pijl,
Hij heeft Mij in Zijn pijlkoker gestoken.
; vgl. Js 30:22Zij gaan om af te dalen naar Egypte
– maar naar [wat] Mijn mond [spreekt], vragen zij niet –
om [zichzelf] in veiligheid te brengen bij de macht van de farao,
en om hun toevlucht te zoeken in de schaduw van Egypte.
)
. Dat Hij aan hun rechterhand is, wil zeggen dat Hij hen met Zijn kracht ondersteunt.

Zijn zorg voor hen is er dag en nacht, als de zon schijnt en als de maan schijnt (vers 66De zon zal u overdag niet steken,
de maan niet in de nacht.
)
. Hij schermt Zijn volk af tegen de stekende hitte van de zon overdag en tegen stekende koude van de heldere maan in de nacht (vgl. Gn 31:4040Het is zo met mij geweest: overdag werd ik gekweld door de hitte, 's nachts door de kou, zodat de slaap van mijn ogen week.; Ps 91:5-65U zult niet vrezen voor het beangstigende van de nacht,
voor de pijl die overdag aan komt vliegen,
6voor de pest, die in het donker rondgaat,
voor het verderf dat midden op de dag verwoest.
)
. Alle omstandigheden waarin Zijn volk op hun reis naar Jeruzalem kan zijn, zijn in Zijn hand. Hij zal hen voorzien van alles wat ze nodig hebben (Js 49:9-109om te zeggen tegen de gevangenen: Ga uit!,
tegen hen die in duisternis verkeren: Kom tevoorschijn!
Op de wegen zullen zij weiden,
op alle kale hoogten zullen hun weidegronden zijn.
10Zij zullen geen honger hebben of dorst lijden,
hitte en zon zullen hen niet steken,
want hun Ontfermer zal hen leiden,
Hij zal hen zachtjes leiden naar waterbronnen.
)
. Ook het kwaad dat hen omgeeft, hun vijanden, is in Zijn hand (vers 77De HEERE zal u bewaren voor alle kwaad,
uw ziel zal Hij bewaren.
)
. Hij zal hen “bewaren voor alle kwaad”. Dat is het kwaad van de zonde en het kwaad van de verdrukking. Ook hun ziel, waarin zo snel wantrouwen aan Zijn trouw kan opkomen, zal Hij in de hand houden, zodat ze niet in hun ziel zullen bezwijken.

De HEERE neemt de volle verantwoordelijkheid voor hun hele reis op Zich (vers 88De HEERE zal uw uitgaan en uw ingaan bewaren,
van nu aan tot in eeuwigheid.
)
. Hij bewaart hen als ze uitgaan uit het vreemde land, dat is het begin van de reis, tot en met hun ingaan in het beloofde land, als ze op hun eindbestemming zijn aangekomen. En ook daar, op de plaats van zegen waar ze dan zijn, gaat Hij door met hen te bewaren. Hij doet het “van nu aan tot in eeuwigheid”.

De toepassing voor ons: Nadat wij onszelf hebben gezien in het licht van God en ook de wereld in zijn ware karakter in dat licht hebben gezien, zijn wij op reis gegaan naar de hemel, de woonplaats van God. Op onze pelgrimsreis mogen wij rekenen op Zijn voortdurende nabijheid en zorg.


Lees verder