Psalmen
Inleiding 1-8 Welzalig door het Woord \aleph\ 9-16 Een zuiver pad door het Woord \beth\ 17-24 Het Woord geeft raad \gimel\ 25-32 Gebed om inzicht in het Woord \daleth\ 33-40 Verlangen naar het Woord \he\ 41-48 Behoudenis door het Woord \waw\ 49-56 Troost door het Woord \zain\ 57-64 Toewijding aan het Woord \cheth\ 65-72 Waarde van het Woord \teth\ 73-80 Overdenken van het Woord \jod\ 81-88 Vervolgd omwille van het Woord \kaph\ 89-96 Het Woord is eeuwig vast \lamed\ 97-104 Het Woord maakt wijs \mem\ 105-112 Het Woord geeft licht \nun\ 113-120 Vrees voor het Woord \samech\ 121-128 Rechtvaardigheid van het Woord \ain\ 129-136 De wonderen van het Woord \pe\ 137-144 Het Woord is juist \tsade\ 145-152 Het Woord is waarachtig \koph\ 153-160 Leven door het Woord \resj\ 161-168 Liefde voor het Woord \sin,sjin\ 169-176 Lofzang over het Woord \taw\
Inleiding

In Psalm 119 horen we de stem van het overblijfsel in de psalmist. Het is een profetische psalm, die gaat over de tijd dat het overblijfsel is teruggekeerd naar de HEERE en naar Diens woorden die ze lang hebben genegeerd.

Het kenmerk van de psalm is dat de wet in het hart van het overblijfsel is geschreven. De wet wordt in bijna elk vers genoemd, waarbij ook anderen namen dan ‘wet’ worden gebruikt. Alleen in de verzen 84,121,122,13284Hoeveel zijn de dagen van Uw dienaar?
Wanneer zult U gericht oefenen over mijn vervolgers?
121Ik heb recht en gerechtigheid gedaan;
geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
122Wees borg voor het welzijn van Uw dienaar;
laat de hoogmoedigen mij niet onderdrukken.
132Wend U tot mij en wees mij genadig,
overeenkomstig het recht voor wie Uw Naam liefhebben.
komt geen verwijzing naar de wet voor.

Er worden tien verschillende woorden gebruikt, wat de rijkdom van de wet en van het Woord van God als geheel laat zien. Het verklaart waardoor de psalmist in staat is zo over het Woord uit te weiden. Het daagt ons uit om het geopenbaarde Woord van God meer te waarderen.

De tien woorden die de psalmist gebruikt, zijn:
1. Wet (thora, 25 keer) = onderwijs, leer --> de wet als het leerboek van de wil van Jahweh. Het is het geheel van de geschreven openbaring van Jahweh, het Oude Testament, en niet alleen de vijf boeken van Mozes (Mt 5:17-1817Meent niet dat Ik ben gekomen om de wet of de profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen.18Want voorwaar, Ik zeg u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal niet één jota of één tittel van de wet voorbijgaan totdat alles is gebeurd.).
2. Woord (dabar, 24 keer) = ordelijk uiteenzetten in een toespraak -->de vorm of het middel waardoor Jahweh Zijn wil meedeelt.
3. Belofte (imrah, 19 keer) = spreuk, gezegde, uitspraak --> uitdrukking van de wil van Jahweh in wat Hij zegt.
4. Gebod (mitzvah, 21 keer) --> voorschrift dat gehoorzaamheid eist; opgelegde plicht of verantwoordelijkheid. Het onderstreept Gods recht om de basis te bepalen van onze relatie met Hem
5. Verordening, inzetting (chukkim, 22 keer) = graveren, beitelen --> het blijvend getuigenis van de wil van Jahweh, als in steen gegraveerd en daardoor onuitwisbaar. Het stelt de bindende en voortdurende kracht van Gods wet voor.
6. Bevelen of voorschriften (piqqudim, 21 keer) = opdracht geven -->nauwgezette voorschriften die ons leven nauwkeurig onderzoeken en nauwkeurig definiëren of omschrijven.
7. Oordeel (mishpat, 23 keer) = recht, gericht, oordeel, rechtspreken --> de wil van Jahweh als Rechter in rechtszaken. Het zijn ook de regels die God heeft gegeven om de relaties tussen mensen te besturen.
8. Getuigenis (edut, 23 keer) --> getuigt van de relatie (verbond) met Jahweh en de verantwoordelijkheid die daaraan verbonden is; het woord is afgeleid van herhalen, betuigen ofwel iets met nadruk zeggen; de wet wordt ook ‘de getuigenis’ genoemd (Ex 25:16,2116Vervolgens moet u in de ark de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.21Vervolgens moet u het verzoendeksel op de ark leggen, en in de ark moet u de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.). Het zijn praktische uitgangspunten die het gedrag besturen. Het Woord van God geeft ‘getuigenis’ van gerechtigheid en ‘getuigt tegen onze zondigheid.
9. Weg (derech, 13 keer) -->naar een doel gaan op de door Jahweh aangewezen weg
10. Volgens de Masoreten: Gerechtigheid (tzedek, 14 keer) --> wat overeenkomt met het richtsnoer, de maatstaf, de gegeven norm.

Het is een lange psalm, veruit de langste van alle psalmen en van alle hoofdstukken in de hele Bijbel. Omdat hij is ingedeeld in tweeëntwintig coupletten naar de tweeëntwintig letters van het Hebreeuwse alfabet is het geen langdradige psalm. Er zijn meer psalmen die zo zijn gedicht (Psalmen 9-10; 25; 34; 37; 111; 112; 145). In die psalmen wordt (bijna) altijd één letter per vers gebruikt. Bij Psalm 119 is het zo, dat elk couplet bestaat uit acht verzen, waarbij elk van de acht verzen met dezelfde letter van het alfabet begint. Elk vers van het eerste couplet begint dus met de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, de letter aleph; elk vers van het tweede couplet begint met de tweede letter van het Hebreeuwse alfabet, de letter beth; enzovoort.

Een gedeelte van Gods Woord dat alle letters van de menselijke taal gebruikt om ons een onderwerp voor te stellen bepaalt ons bij de waarde van het onderwerp van dat gedeelte. Het betreft hier het Woord van God dat een onuitputtelijke waarde heeft en dat door het gebruik van alle letters van het alfabet op een volledige wijze aan ons wordt voorgesteld.

Dit betekent niet dat we de onuitputtelijke waarde van het Woord van God kennen als de psalm goed hebben begrepen. Met een variant op wat Spurgeon eens, na jarenlange studie van het Woord, heeft gezegd, willen we het zo weergeven: Een lang leven is net genoeg om aan het strand met onze voeten te gaan staan in het water van de eindeloze oceaan van het Woord, die, naarmate we stap voor stap verder het water ingaan, steeds eindelozer wordt.

Het gaat in deze psalm over het Woord van God als het enige middel om God Zelf daardoor beter te leren kennen. De psalmist waardeert het Woord omdat het van Hem komt. Met uitzondering van de verzen 1-3,91Welzalig zijn de oprechten van wandel,
die in de wet van de HEERE gaan.
2Welzalig wie Zijn getuigenissen in acht nemen,
[die] Hem met heel hun hart zoeken,
3die ook geen onrecht bedrijven,
[maar] in Zijn wegen gaan.
9Waarmee houdt een jongeman zijn pad zuiver?
Als hij [dat] bewaart overeenkomstig Uw woord.
spreekt hij in alle verzen tot de “HEERE”, de God van het verbond met Zijn volk. Hij spreekt tot Hem over “Uw bevelen”, “Uw verordeningen”, “Uw bepalingen”, enzovoort. De psalmist verheerlijkt niet het Boek, maar de God Die Zich in en door dit Boek openbaart en met Wie hij een persoonlijke relatie heeft.

De psalm toont de rijkdom van Gods Woord. Het is onmogelijk de rijkdom ervan in een enkele zin of een paar zinnen te beschrijven. Zelfs het alfabet is niet lang genoeg. De psalmist gaat acht keer door het alfabet heen, zonder dat hij één enkele keer iets herhaalt. Telkens zien we een nieuw aspect van de rijkdom van Gods Woord. Het getal acht wijst op een nieuw begin. Het Woord van God bewerkt een nieuw begin.

Bezig zijn met Gods Woord is een bezigheid die waar geluk, ware zegen geeft. Het eerste woord van de psalm is “welzalig” (vers 11Welzalig zijn de oprechten van wandel,
die in de wet van de HEERE gaan.
)
. Het maakt werkelijk gelukkig in die zin dat het een vredig hart en een blijde geest geeft. Iets dergelijks vinden we in de ‘zaligsprekingen’ van de Heer Jezus in de bergrede (Mt 5:3-123Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen.4Gelukkig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.5Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.6Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.7Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verkrijgen.8Gelukkig de reinen van hart, want zij zullen God zien.9Gelukkig de vredestichters, want zij zullen zonen van God worden genoemd.10Gelukkig zij die worden vervolgd ter wille van [de] gerechtigheid, want van hen is het koninkrijk der hemelen.11Gelukkig bent u wanneer zij u smaden en vervolgen en <liegend> allerlei kwaad van u spreken ter wille van Mij.12Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij de profeten vervolgd die vóór u geweest zijn.). De ware dienaar van God zal niet tevreden zijn met een vluchtig lezen van Gods Woord. Zijn verlangen is dat het zijn hele leven bestuurt.


Welzalig door het Woord \aleph\

1Welzalig zijn de oprechten van wandel,
die in de wet van de HEERE gaan.
2Welzalig wie Zijn getuigenissen in acht nemen,
[die] Hem met heel hun hart zoeken,
3die ook geen onrecht bedrijven,
[maar] in Zijn wegen gaan.
4[HEERE,] Ú hebt geboden
om Uw bevelen ten zeerste in acht te nemen.
5Och, waren mijn wegen zo vast
om Uw verordeningen in acht te nemen!
6Dan zou ik niet beschaamd worden,
als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.
7Ik zal U loven met een oprecht hart,
wanneer ik Uw rechtvaardige bepalingen geleerd heb.
8Ik zal Uw verordeningen in acht nemen,
verlaat mij niet geheel en al.

De psalm begint met het uitspreken van “welzalig” over “de oprechten van wandel, die in de wet van de HEERE gaan” (vers 11Welzalig zijn de oprechten van wandel,
die in de wet van de HEERE gaan.
)
. Er is voor de Godvrezende Jood slechts één pad door de wereld en dat is het pad van de wet. Niet rijkdom en bezit voeren tot geluk, maar het pad gaan van gehoorzaamheid aan de wet. Wie dat pad met een oprecht hart gaat, staat in de juiste verhouding tot God. Het gevolg is geluk (Lk 11:2828Hij echter zei: Jawel, maar veeleer gelukkig zij die het Woord van God horen en bewaren.).

Dan wordt er nog een “welzalig” aan toegevoegd en dat is voor hen die “Zijn getuigenissen in acht nemen” (vers 22Welzalig wie Zijn getuigenissen in acht nemen,
[die] Hem met heel hun hart zoeken,
)
. Gods wet wordt hier ‘Zijn getuigenissen’ genoemd omdat de wet de getuigenissen van Zijn wil bevat. Dat brengt het overblijfsel direct in verbinding met Hem Zelf. Zijn getuigenissen worden in acht genomen door hen “[die] Hem met heel hun hart zoeken”. Dit spreekt van een levende relatie met Hem. Als die er is, gaat heel het hart naar Hem uit (vgl. verzen 10,34,58,69,14510Ik zoek U met heel mijn hart,
laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
34Geef mij inzicht, dan zal ik Uw wet in acht nemen;
ja, ik zal mij er met heel mijn hart aan houden.
58Ik heb met heel mijn hart getracht Uw aangezicht gunstig te stemmen;
wees mij genadig overeenkomstig Uw belofte.
69Hoogmoedigen hebben mij met leugens besmeurd,
[maar] ík neem Uw bevelen met heel mijn hart in acht.
145Ik heb met heel mijn hart geroepen;
verhoor mij, HEERE, ik zal Uw verordeningen in acht nemen.
)
.

Als die levende relatie er is en Hij wordt gezocht met heel het hart, dan is er “ook geen bedrijven van onrecht” (vers 33die ook geen onrecht bedrijven,
[maar] in Zijn wegen gaan.
)
. Zoals iemand eens heeft gezegd: ‘Het is onmogelijk om te zondigen als Christus voor de aandacht staat.’ Het bedrijven van onrecht is volkomen vreemd aan Wie God is (vgl. Zf 3:55De rechtvaardige HEERE is in haar midden,
Hij doet geen onrecht.
Elke morgen brengt Hij Zijn recht aan het licht,
er ontbreekt niets aan.
Maar wie onrecht doet, kent geen schaamte.
)
. In het hart dat naar Hem uitgaat, zijn de gebaande wegen (Ps 84:66Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
)
. Zo iemand zal “in Zijn wegen gaan”, dat zijn de wegen van God.

Dan richt de psalmist – en in hem het overblijfsel – zich tot de HEERE en zegt met nadruk tegen Hem: “Ú hebt geboden om Uw bevelen ten zeerste in acht te nemen” (vers 44[HEERE,] Ú hebt geboden
om Uw bevelen ten zeerste in acht te nemen.
)
. Zich houden aan Gods bevelen is niet vrijblijvend, het is geen kwestie van beleefdheid, maar van gehoorzaamheid. Het overblijfsel kent de wil van de HEERE en wil daar ook graag naar leven.

Hier voelt de psalmist zich tekortschieten. Er komt een verzuchting, die een gebed is, over zijn lippen: “Och, waren mijn wegen zo vast om Uw verordeningen in acht te nemen!” (vers 55Och, waren mijn wegen zo vast
om Uw verordeningen in acht te nemen!
)
. Hij ziet dat zijn wegen niet vast zijn als het erom gaat de verordeningen van de HEERE in acht te nemen. Het gaat niet alleen om dat innerlijk wordt erkend wat God heeft geboden, maar dat er in de praktijk van het leven ook naar wordt gehandeld.

Hij weet dat hij niet beschaamd zal worden als hij “oog zou hebben voor al Uw geboden” (vers 66Dan zou ik niet beschaamd worden,
als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.
)
. Door voortdurend het oog gericht te houden op “al Uw geboden”, ofwel de hele wil van God (vgl. Ko 4:1212U groet Epafras, die [een] van u is, een slaaf van Christus <Jezus>, die altijd voor u strijdt in de gebeden dat u mag vaststaan, volmaakt en ten volle verzekerd in [de] hele wil van God.), zal hij bewaard blijven voor verkeerde verwachtingen of verkeerde handelingen en daarmee voor schaamte. Zonder uitzondering oog hebben voor al de geboden wil zeggen oog hebben voor de HEERE. Door het Woord wordt ons oog op Hem gericht.

De psalmist belooft de HEERE dat hij Hem met een “oprecht hart” zal loven, “wanneer ik Uw rechtvaardige bepalingen geleerd heb” (vers 77Ik zal U loven met een oprecht hart,
wanneer ik Uw rechtvaardige bepalingen geleerd heb.
)
. Hij is bereid Gods bepalingen, die hij rechtvaardig noemt, te leren. Hij beseft ook dat die bepalingen zijn hart oprecht maken. Dan kan en wil hij God loven op een manier die Hem welgevallige is, niet met louter lippentaal, maar uit een hart dat oprecht is.

Als het overblijfsel door God geleerd is, neemt het zich voor Gods verordeningen in acht te nemen (vers 88Ik zal Uw verordeningen in acht nemen,
verlaat mij niet geheel en al.
)
. Tegelijk is er het gebed tot God hem “niet geheel en al” te verlaten. Hier horen we de onzekerheid die zo kenmerkend is voor de verhouding tussen de oudtestamentische gelovige en God. Dit is geen gebed dat de nieuwtestamentische gelovige bidt, zoals hij ook niet bidt dat God Zijn Heilige Geest niet van hem zal wegnemen, wat David wel doet (Ps 51:13b13Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht
en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
)
.


Een zuiver pad door het Woord \beth\

9Waarmee houdt een jongeman zijn pad zuiver?
Als hij [dat] bewaart overeenkomstig Uw woord.
10Ik zoek U met heel mijn hart,
laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw belofte in mijn hart opgeborgen,
opdat ik tegen U niet zondig.
12Geloofd zij U, HEERE,
leer mij Uw verordeningen.
13Ik heb met mijn lippen verteld
al de bepalingen van Uw mond.
14In de weg van Uw getuigenissen verblijd ik mij meer
dan in alle bezit.
15Ik overdenk Uw bevelen
en heb oog voor Uw paden.
16Ik verblijd mij in Uw verordeningen,
Uw woord vergeet ik niet.

Het tweede couplet begint met de vraag “waarmee … een jongeman zijn pad zuiver” houdt (vers 99Waarmee houdt een jongeman zijn pad zuiver?
Als hij [dat] bewaart overeenkomstig Uw woord.
)
. De vraag wordt aan de HEERE gesteld en komt voort uit het besef dat de wereld vol onzuiverheid of onreinheid is. De jongeling loopt groot gevaar door de aantrekkingskracht van de zonde meegezogen te worden. Wie deze vraag niet kent, beseft dit gevaar niet en zal zeker geen zuiver of rein pad hebben.

De psalmist geeft zelf het antwoord aan Hem aan Wie hij de vraag heeft gericht. Hij zegt tegen Hem: “Als hij dat bewaart overeenkomstig Uw woord”, dat is het Woord van God in zijn meest omvattende betekenis. Het hele Woord wijst de weg van reinheid. Gehoorzaamheid aan het Woord in al zijn aspecten en de toepassing ervan op alle terreinen van het leven bewaren voor onreinheid. Het Woord dat gebiedt, is ook het Woord dat in staat stelt om te doen wat het gebiedt.

De psalmist, en met hem het overblijfsel, kan tegen de HEERE zeggen: “Ik zoek U met heel mijn hart” (vers 1010Ik zoek U met heel mijn hart,
laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
; vgl. vers 22Welzalig wie Zijn getuigenissen in acht nemen,
[die] Hem met heel hun hart zoeken,
)
. De HEERE zoeken om Hem en Zijn wil te leren kennen is een levenshouding. Het hart van de psalmist gaat ongedeeld naar Hem Zelf, naar Zijn Persoon, uit. Er is geen ander voorwerp waarnaar zijn hart uitgaat.

Hij beroemt zich daar niet op. Juist omdat heel zijn hart naar de HEERE uitgaat, ziet hij dat hij van Hem afhankelijk is om niet van Zijn geboden af te dwalen. Daarom vraagt hij Hem om niet toe te laten dat hij van Zijn geboden afdwaalt, maar zich daardoor laat leiden op zijn weg.

Nog een keer zegt hij tegen de HEERE dat zijn hart naar Hem uitgaat. Hij heeft namelijk Zijn belofte in zijn hart opgeborgen (vers 1111Ik heb Uw belofte in mijn hart opgeborgen,
opdat ik tegen U niet zondig.
)
. Dit heeft hij gedaan met het doel, zo zegt hij tegen de HEERE, “opdat ik tegen U niet zondig”. Als het Woord van God in het hart is om van daaruit het leven te besturen, houdt dat de rechtvaardige van de zonde af. Als er zonde in het hart aanwezig is, gebeurt het omgekeerde, dan houdt de zonde de rechtvaardige van het Woord van God af.

Als Gods Woord in het hart is, als het daar rijkelijk aanwezig is, zal de Godvrezende in plaats van te zondigen de HEERE loven (vers 1212Geloofd zij U, HEERE,
leer mij Uw verordeningen.
; Ko 3:1616Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.)
. Hij richt zich daarvoor direct tot Hem en zegt: “Geloofd zij U, HEERE”. Zulke uitingen zijn Hem bijzonder aangenaam. Vanuit die houding van lofprijzing klinkt de vraag aan de HEERE: “Leer mij Uw verordeningen.” Hij verlangt ernaar Gods verordeningen te leren kennen op een wijze dat Zijn wil in zijn hart wordt gegraveerd, zodat hij er niet van zal afwijken.

De liefde van de psalmist ofwel het overblijfsel voor Gods Woord blijkt uit het getuigenis dat hij met zijn lippen heeft verteld (vers 1313Ik heb met mijn lippen verteld
al de bepalingen van Uw mond.
)
. Wat hij heeft gehoord, heeft hij niet voor zichzelf gehouden, maar in een openbaar getuigenis aan anderen doorgegeven. Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.

Het Woord van God bestaat voor hem niet uit louter woorden, waarheden die hij uit zijn hoofd heeft geleerd. Het Woord van God is voor hem “al de bepalingen van Uw mond”. Elke bepaling heeft zijn hart geraakt omdat Gods mond die heeft gesproken. De stem van de Geliefde klinkt in zijn hart en daar spreken zijn lippen over.

De vreugde die hij over het Woord van God heeft, is veel groter dan “alle bezit” (vers 1414In de weg van Uw getuigenissen verblijd ik mij meer
dan in alle bezit.
)
. Hij zegt tegen de HEERE dat de vreugde die alle bezit van de wereld zou kunnen geven, voor hem niet opweegt tegen het gaan in “de weg van Uw getuigenissen”. Vreugde in bezit is per definitie tijdelijk en beperkt en geeft nooit volledige voldoening aan het hart (vgl. Ps 4:88U hebt mij meer blijdschap in het hart gegeven
dan ten tijde dat zij hun koren en hun nieuwe wijn in overvloed hadden.
)
. Wie in de weg van de getuigenissen van God gaat, wie zich daardoor laat leiden in zijn levensweg, ondervindt de onvergankelijke waarde ervan.

De gelovige die daar oog voor heeft, overdenkt Gods bevelen (vers 1515Ik overdenk Uw bevelen
en heb oog voor Uw paden.
; Ps 1:22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
)
. Het overdenken van het Woord van God, het onderzoeken daarvan, geeft diepe voldoening. Daardoor krijgt de gelovige oog voor Gods paden. Overdenken van Gods Woord is nooit alleen intellectueel bezig zijn, maar opent de ogen voor de praktijk van het leven. Het brengt tot het doen van wat het Woord zegt.

Zo bezig zijn met Gods Woord geeft blijdschap in Gods verordeningen, de ingegraveerde, onuitwisbare woorden van God (vers 1616Ik verblijd mij in Uw verordeningen,
Uw woord vergeet ik niet.
; vgl. Jr 15:1616[Zodra] Uw woorden gevonden werden, at ik ze op.
Uw woord was mij tot vreugde
en tot blijdschap in mijn hart,
want Uw Naam is over mij uitgeroepen,
HEERE, God van de legermachten.
)
. Het geeft stabiliteit aan het geloofsleven, want niets erin is onzeker. Wie zich verblijdt in Gods verordeningen, kan met vrijmoedigheid zeggen: “Uw woord vergeet ik niet.” Het is immers in het hart gebeiteld.


Het Woord geeft raad \gimel\

17Wees goed voor Uw dienaar, [dan] zal ik leven
en Uw woord in acht nemen.
18Ontsluit mijn ogen en laat mij aanschouwen
de wonderen van Uw wet.
19Ik ben een vreemdeling op de aarde,
verberg Uw geboden niet voor mij.
20Mijn ziel wordt verteerd van verlangen
naar Uw bepalingen, te allen tijde.
21U bestraft de vervloekte hoogmoedigen,
die van Uw geboden afdwalen.
22Wentel smaad en verachting van mij af,
want ik heb Uw getuigenissen in acht genomen.
23Zelfs [toen] vorsten [op hun troon] gezeten tegen mij spraken,
overdacht Uw dienaar Uw verordeningen.
24Ja, Uw getuigenissen zijn mijn bron van blijdschap,
zij zijn mijn raadgevers.

De psalmist vraagt niet aan de HEERE hem te helpen om goed te doen, maar of de HEERE goed voor hem wil zijn (vers 1717Wees goed voor Uw dienaar, [dan] zal ik leven
en Uw woord in acht nemen.
)
. Hij verwacht geen goedheid van zichzelf, maar van de HEERE. Het is geen vraag van iemand die van de goedheid van God wil profiteren en verder zijn eigen eg wil gaan. De psalmist vraagt het als “Uw dienaar”, waarmee hij de HEERE als zijn Heer en Meester erkent.

Hij doet een beroep op de goedheid van de HEERE omdat hij alleen daardoor zal kunnen leven. Dit betekent niet dat hij alleen maar aangename dingen van God wil krijgen. Hij motiveert zijn vraag naar leven, want dan kan hij “Uw woord in acht nemen” kan. Dit is het ware leven. De mens zal van brood alleen niet leven, maar van alle woord dat door de mond van God uitgaat.

Om Gods Woord in acht te kunnen nemen moeten de ogen daarvoor ontsloten worden (vers 1818Ontsluit mijn ogen en laat mij aanschouwen
de wonderen van Uw wet.
)
. Dat is iets wat van God moet komen (vgl. Lk 24:4545Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden,). Het verlangen van de psalmist is “de wonderen van Uw wet” te mogen aanschouwen. Het Woord van God staat vol met wonderen die ons op het eerste gezicht niet opvallen. Maar ieder die de Bijbel liefheeft, verlangt ernaar steeds meer van die wonderen te zien.

Het begint met het wonder van de schepping in al haar veelzijdigheid. Als de zonde in de schepping is binnengedrongen, wordt het wonder van het offer voor de zonde getoond. Daarna volgen talloze wonderen, eerst alleen voor individuele mensen, daarna ook voor een heel volk, Gods volk. Alleen al het ontstaan ervan is een weergaloos wonder. En dat gaat het de hele geschiedenis van Gods volk door. Het staat allemaal in het Oude Testament opgetekend.

De weg van de gelovige op de aarde is die van “een vreemdeling” (vers 1919Ik ben een vreemdeling op de aarde,
verberg Uw geboden niet voor mij.
; vgl. 1Pt 2:1111Geliefden, ik vermaan [u] dat u zich als bijwoners en vreemdelingen onthoudt van de vleselijke begeerten die strijd voeren tegen uw ziel,; Hb 11:1313In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.)
. Om zijn weg op aarde te kennen heeft hij richtingaanwijzers voor zijn weg naar zijn vaderland, de hemel, nodig. Die vindt hij in het Woord van God. Voor het ontdekken van die richtingaanwijzers is hij afhankelijk van God. Hij vraagt niet of God ze hem wil laten zien, maar of God ze niet voor hem verbergt. Soms lijkt dat er voor zijn gevoel op. Hij heeft dan geen richtinggevoel, hij weet niet welke kant hij op moet gaan.

De pelgrim richt zich tot de HEERE en zegt tegen Hem: “Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar Uw bepalingen, te allen tijde” (vers 2020Mijn ziel wordt verteerd van verlangen
naar Uw bepalingen, te allen tijde.
)
. Hij heeft een intens verlangen naar wat de HEERE heeft bepaald, wat Hij heeft vastgelegd in Zijn Woord voor het leven van de Zijnen. Dit verlangen is er niet slechts af en toe, maar “te allen tijde”. Hij verlangt voortdurend naar het kennen van de wil van God voor zijn leven en voor de weg die hij moet gaan.

De gezindheid van verlangen naar het Woord geeft een juist zicht op de man van de wereld. Tegenover die gezindheid staan “de vervloekte hoogmoedigen” (vers 2121U bestraft de vervloekte hoogmoedigen,
die van Uw geboden afdwalen.
)
, de mensen die handelen vanuit zichzelf en met het oog op zichzelf. Ze lijken vaak succes te hebben en zich ongestraft in hoogmoed tegen God te kunnen verheffen.

De rechtvaardige weet en spreekt het uit tot de HEERE dat Hij hen bestraft. De vloek komt over de hoogmoedigen, omdat, zo zegt hij tegen de HEERE “die van Uw geboden afdwalen”. Ze kennen Gods geboden wel, maar ze dwalen ervan af. Ze kiezen bewust voor een eigen weg. Dit handelen tegen beter weten in, dat wil zeggen tegen de uitdrukkelijke wil van God in, is hoogmoed. Het einde van de vervloekten is het eeuwige vuur (Mt 25:4141Dan zal Hij ook zeggen tot hen die aan Zijn linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid;).

De vervloekte hoogmoedigen overladen de rechtvaardige met “smaad en verachting” omdat hij zich wel aan Gods geboden houdt (vers 2222Wentel smaad en verachting van mij af,
want ik heb Uw getuigenissen in acht genomen.
)
. Hij heeft Gods “getuigenissen in acht genomen” en vraagt op grond daarvan of God de smaad en verachting die op hem geladen wordt, wil afwentelen. Wie rekening houdt met Gods Woord, moet rekenen op de minachting van de wereld. Maar hij mag daarmee naar God gaan en om afwenteling van de smaad vragen. Gods oordeel over zijn leven is het enige wat voor hem telt.

Hij krijgt zelfs te maken met de tegenspraak van “vorsten [op hun troon]” (vers 2323Zelfs [toen] vorsten [op hun troon] gezeten tegen mij spraken,
overdacht Uw dienaar Uw verordeningen.
)
. Hij is aangeklaagd door de vervloekte hoogmoedigen en in plaats van vrijspraak stellen de hooggeplaatste heren de aanklagers in het gelijk. Maar hij is er niet door in de war gebracht, want, zo zegt hij tegen de HEERE, toen zij zo spraken, “overdacht Uw dienaar Uw verordeningen”.

Evenals in het eerste vers van dit couplet (vers 1717Wees goed voor Uw dienaar, [dan] zal ik leven
en Uw woord in acht nemen.
)
noemt hij zich hier “Uw dienaar”. Zijn leven is een leven in dienst van de HEERE. Dat heeft hem deze tegenspraak bezorgd. Zijn bescherming tegen hun valse aanklacht en veroordeling ligt in het overdenken van Gods verordeningen. Dat houdt hem staande te midden van alle vijandschap. We zien de vervulling van dit vers in het leven van de Heer Jezus, Die tijdens Zijn hele leven en in het bijzonder in de ‘rechtszaak’ tegen Hem “zo’n tegenspraak door de zondaars tegen Zich heeft verdragen” (Hb 12:33Want let op Hem Die zo’n tegenspraak door de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet moe wordt en in uw zielen bezwijkt.).

Voor de psalmist, en voor het gelovig overblijfsel, en in het bijzonder voor de Heer Jezus, zijn Gods getuigenissen hun persoonlijke, “mijn”, “bron van blijdschap” (vers 2424Ja, Uw getuigenissen zijn mijn bron van blijdschap,
zij zijn mijn raadgevers.
)
. “Zij zijn mijn raadgevers”, zegt de psalmist tegen de HEERE. Dit is een prachtige verpersoonlijking van Gods Woord. Alles wat God in Zijn Woord zegt, is goede raad voor wie er naar wil luisteren.

Dit geldt voor de gelovige als dienaar en als vreemdeling, en voor situaties waarin smaad, verachting en tegenspraak worden ervaren. Dan weet de gelovige wat hij moet doen, welke weg hij moet gaan en hoe hij moet reageren op alles wat er op hem afkomt of wat hem wordt aangedaan.


Gebed om inzicht in het Woord \daleth\

25Mijn ziel kleeft aan het stof;
maak mij levend overeenkomstig Uw woord.
26Ik heb [U] mijn wegen verteld en U hebt mij verhoord;
leer mij Uw verordeningen.
27Geef mij inzicht in de weg van Uw bevelen,
dan zal ik Uw wonderen overdenken.
28Mijn ziel weent tranen van verdriet;
richt mij op overeenkomstig Uw woord.
29Laat de weg van de leugen van mij wijken,
schenk mij genadig Uw wet.
30Ik heb de weg van de waarheid gekozen,
Uw bepalingen heb ik mij voor [ogen] gesteld.
31Ik kleef vast aan Uw getuigenissen;
HEERE, beschaam mij niet.
32Ik zal de weg van Uw geboden lopen,
wanneer U mijn hart verruimd hebt.

De psalmist is terneergedrukt (vers 2525Mijn ziel kleeft aan het stof;
maak mij levend overeenkomstig Uw woord.
)
. Zijn “ziel kleeft aan het stof”, wat aangeeft dat hij de dood nabij is. Hij ervaart hoe aards en sterfelijk hij is. Hij ziet slechts één mogelijkheid om er weer bovenop te komen en dat is de HEERE hem levend maakt “overeenkomstig Uw woord”. Hij weet dat Gods Woord leven in zich heeft en machtig is hem uit de macht van de dood te bevrijden en hem leven te geven (Jh 5:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie Mijn woord hoort en gelooft Hem Die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in [het] oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven.). Dit kenmerkt de getrouwe. Hij gaat niet op zoek naar een gemakkelijkere geloofsweg, maar richt zich tot de HEERE om het leven te leven zoals Hij dat wenst.

Misschien is de situatie van vers 2525Mijn ziel kleeft aan het stof;
maak mij levend overeenkomstig Uw woord.
het gevolg van het gaan van eigen wegen. Hij spreekt over “mijn wegen”. De psalmist heeft zijn wegen aan de HEERE verteld, wat ook een belijdenis van het gaan van zijn eigen wegen inhoudt (vers 2626Ik heb [U] mijn wegen verteld en U hebt mij verhoord;
leer mij Uw verordeningen.
)
. Op grond daarvan heeft God zijn gebed van het vorige vers verhoord en hem levend gemaakt. Nu verlangt hij ernaar om onderwezen te worden in Gods verordeningen. Daardoor zal hij zich houden aan de wegen van God en niet weer in de fout vallen om eigen wegen te gaan.

De psalmist sluit daarop direct aan met de vraag aan God om “inzicht in de weg van Uw bevelen” (vers 2727Geef mij inzicht in de weg van Uw bevelen,
dan zal ik Uw wonderen overdenken.
)
. Hij wil de weg van Gods bevelen gaan omdat hij in die weg de gemeenschap met God beleeft. Het is een weg van wonderen. Wie in gemeenschap met God leeft, ziet steeds meer de wonderen van Zijn leiding en bewaring. Die wonderen zijn het overdenken meer dan waard, want ze laten zien Wie God is en waartoe Hij in staat is. Het kunnen kleine, maar ook grote wonderen zijn.

Er zijn ook omstandigheden waarin de ziel “tranen van verdriet” weent (vers 2828Mijn ziel weent tranen van verdriet;
richt mij op overeenkomstig Uw woord.
)
. Dan is het donker in het leven en lijken de wonderen zo ver weg. De aanleiding van de tranen van verdriet kan heel verschillend zijn, zoals ziekte of teleurstelling of bedrog of laster of onrecht, maar ook zonden. Dan is God in staat om met een enkel woord uit Zijn Woord het door verdriet terneergedrukte leven weer op te richten. Het kan een woord van troost zijn of een woord van vermaning, al naar gelang de aanleiding van het verdriet.

Wat de psalmist niet wil, is “de weg van de leugen” gaan (vers 2929Laat de weg van de leugen van mij wijken,
schenk mij genadig Uw wet.
)
. Die weg kan hij niet in eigen kracht ontwijken. Daarom vraagt Hij aan de HEERE: “Laat de weg van de leugen van mij wijken.” Daarvoor in de plaats vraagt hij: “Schenk mij genadig Uw wet.” De wet, die in genade als richtsnoer voor het leven wordt geschonken, plaatst voor de weg van de leugen het bord: doodlopende weg. De weg van de leugen loopt uit op de dood.

Tegenover de weg van de leugen (vers 2929Laat de weg van de leugen van mij wijken,
schenk mij genadig Uw wet.
)
staat “de weg van de waarheid” of “de weg van trouw” (vers 3030Ik heb de weg van de waarheid gekozen,
Uw bepalingen heb ik mij voor [ogen] gesteld.
)
. De psalmist heeft voor die weg “gekozen”. God wil dat we die weg gaan, maar dwingt ons niet die weg te gaan. Hij stelt ons als verantwoordelijke mensen voor de keus. Dat is al zo sinds het paradijs. Wij kiezen de goede weg als wij ons Gods bepalingen voor ogen stellen. Omdat Eva dat niet heeft gedaan, heeft ze de weg van de leugen, de weg van ontrouw aan God, gekozen.

De psalmist heeft in het eerste vers van dit couplet gezegd dat zijn ziel aan het stof kleeft (vers 2525Mijn ziel kleeft aan het stof;
maak mij levend overeenkomstig Uw woord.
)
. Door de oefeningen van zijn ziel in de daarop volgende verzen is hij nu zover gekomen dat hij tegen de HEERE kan zeggen: “Ik kleef vast aan Uw getuigenissen” (vers 3131Ik kleef vast aan Uw getuigenissen;
HEERE, beschaam mij niet.
)
. Hij kleeft daarmee aan de HEERE Zelf vast, zodat hij er niet van losgerukt kan worden.

Het woord ‘vastkleven’ wordt voor het eerst in de Bijbel gebruikt voor de vaste verbinding tussen Adam en Eva, waar het vertaald is met ‘aanhangen’ (Gn 2:2424Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.). Op dezelfde wijze heeft de psalmist een vaste verbinding met de getuigenissen van de HEERE. De psalmist voelt ook aan hoe broos dit vastkleven of aanhangen nog is. Daarom doet hij een beroep op de HEERE om hem daarin niet te beschamen.

Dat het herstel broos is, blijkt ook uit het laatste vers van dit couplet (vers 3232Ik zal de weg van Uw geboden lopen,
wanneer U mijn hart verruimd hebt.
)
. De gelovige ziet ernaar uit dat de HEERE zijn hart zal verruimen. Dat heeft hij nodig om in de weg van Gods geboden te kunnen lopen. Dan zijn er geen innerlijke verhinderingen meer. Zijn hart is dan ruim geopend voor de geboden, waardoor hij weet welke weg hij moet lopen.


Verlangen naar het Woord \he\

33HEERE, leer mij de weg van Uw verordeningen,
en ik zal die in acht nemen tot het einde toe.
34Geef mij inzicht, dan zal ik Uw wet in acht nemen;
ja, ik zal mij er met heel mijn hart aan houden.
35Doe mij treden op het pad van Uw geboden,
want daarin vind ik vreugde.
36Neig mijn hart naar Uw getuigenissen
en niet naar winstbejag.
37Wend mijn ogen af, zodat zij niet zien wat nutteloos is;
maak mij levend door Uw wegen.
38Bevestig Uw belofte aan Uw dienaar,
die Uw vreze [is toegedaan].
39Wend van mij af de smaad, waarvoor ik beducht ben,
want Uw bepalingen zijn goed.
40Zie, ik verlang naar Uw bevelen,
maak mij levend door Uw gerechtigheid.

Elk vers van dit couplet is een gebed en geeft de relatie tussen het Woord en het gebed aan. De toon ervan is nederig en getuigt van afhankelijkheid. Het Woord is het Woord van God. Dan kan Hij ook alleen de verklaring geven van wat Hij zegt. De rechtvaardige beseft dat en bidt daar dan ook om.

De verordeningen van de HEERE blijven onveranderlijk van waarde zolang de gelovige leeft (vers 3333HEERE, leer mij de weg van Uw verordeningen,
en ik zal die in acht nemen tot het einde toe.
)
. Het leren kennen ervan houdt nooit op. Zolang een gelovige leeft, zal hij nooit kunnen zeggen dat hij uitgeleerd is. Om tot het einde van het leven trouw te blijven in het acht nemen van de geboden, is het verlangen nodig door de HEERE geleerd en onderwezen te worden. Daar bidt de rechtvaardige dan ook om.

Inzicht is nodig om Gods wet in acht te nemen (vers 3434Geef mij inzicht, dan zal ik Uw wet in acht nemen;
ja, ik zal mij er met heel mijn hart aan houden.
)
. Zonder inzicht begrijpen de rechtvaardigen niet wat God van hen vraagt. Dat inzicht krijgen zij als ze bereid zijn zich er met heel hun hart aan te houden. Het is geen kwestie van een goed verstand, maar van een bereidwillig hart (vgl. Jh 7:1717Als iemand Zijn wil doen wil, zal hij van deze leer erkennen of zij uit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek.).

Voor het in praktijk brengen van de geboden van God is Zijn hulp en leiding nodig. Daar vraagt de psalmist om als hij aan de HEERE vraagt: “Doe mij treden op het pad van Uw geboden” (vers 3535Doe mij treden op het pad van Uw geboden,
want daarin vind ik vreugde.
)
. Hij verlangt ernaar dat pad te gaan, “want daarin”, zegt hij, “vind ik vreugde”. Als je iets met plezier doet, doe je het graag.

Er is een bijzondere verleiding in het leven, waaraan ook de gelovige niet ontkomt, zelfs als hij het pad van Gods geboden gaat. Die verleiding is “winstbejag”, het uit zijn op zoveel mogelijk voordeel door het van anderen te roven (vers 3636Neig mijn hart naar Uw getuigenissen
en niet naar winstbejag.
)
. Daarom vraagt hij aan de HEERE: ”Neig mijn hart naar Uw getuigenissen.” Als zijn hart gericht is op de omgang met de HEERE, zal hij niet openstaan voor het najagen van wereldse voorspoed.

Nadat de Godvrezende in het vorige vers over zijn hart heeft gesproken, spreekt hij nu over zijn ogen (vers 3737Wend mijn ogen af, zodat zij niet zien wat nutteloos is;
maak mij levend door Uw wegen.
)
. Hij vraagt aan God om zijn ogen af te wenden, “zodat zij niet zien wat nutteloos is”. Nutteloos is wat geen enkele waarde voor het moment of voor de toekomst heeft. Dit is wel een actueel gebed voor de tijd waarin wij leven, met vloedgolven aan beeldmateriaal via televisie en internet die volledig nutteloos en vaak ook ronduit zondig zijn en waar mensen toch vele uren naar kijken.

Zien wat nutteloos is, is kijken naar iets wat als een sluipmoordenaar het leven van het geloof verstikt. Dat blijkt uit de tweede regel van dit vers. De Godvrezende wil het ware leven genieten, dat is het leven in gemeenschap met God. Dat leven wordt geleefd “door Uw wegen”. Gods wegen zijn wegen van leven. Als we die gaan, leven we pas echt.

De rechtvaardige weet dat er leven is door de wegen van de HEERE. In aansluiting daarop vraagt hij om een bevestiging van de belofte van het leven (vers 3838Bevestig Uw belofte aan Uw dienaar,
die Uw vreze [is toegedaan].
)
. Hij stelt die vraag als “Uw dienaar”. Daar voegt hij aan toe “die Uw vreze [is toegedaan]”. Hij is behalve iemand die de HEERE dient ook iemand die Hem vreest, die leeft in ontzag en eerbied voor Hem. De HEERE zal zo iemand niet afwijzen.

Wat hij niet wil, is de smaad van mensen als gevolg van zijn ontrouw aan de HEERE (vers 3939Wend van mij af de smaad, waarvoor ik beducht ben,
want Uw bepalingen zijn goed.
)
. Hij is “beducht” voor die smaad en vraagt de HEERE die van hem af te wentelen door hem in trouw aan Zijn Woord te bewaren. Hij wil ook trouw zijn, want Gods “bepalingen zijn goed”.

Hij spreekt zijn verlangen naar de bevelen van de HEERE uit (vers 4040Zie, ik verlang naar Uw bevelen,
maak mij levend door Uw gerechtigheid.
)
. Daarin is het leven aanwezig. Hij verlangt ernaar levend gemaakt te worden, niet als een beloning voor zijn verlangen, maar “door Uw gerechtigheid”. Leven door Gods gerechtigheid betekent leven tot in eeuwigheid. Leven dat God geeft op grond van gerechtigheid is leven waarbij aan de heilige eis van Gods recht is voldaan. Aan dat recht heeft de Heer Jezus op het kruis voldaan.


Behoudenis door het Woord \waw\

41Laat Uw [blijken van] goedertierenheid over mij komen, HEERE,
Uw heil overeenkomstig Uw belofte.
42Dan heb ik hem die mij hoont iets te antwoorden,
want ik vertrouw op Uw woord.
43Ontruk het woord van de waarheid niet geheel en al aan mijn mond,
want ik hoop op Uw bepalingen.
44Dan zal ik steeds Uw wet in acht nemen,
voor eeuwig en altijd.
45Ik zal wandelen op ruime [baan],
omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
46Ook zal ik voor koningen spreken over Uw getuigenissen
en mij niet schamen.
47Ik verblijd mij in Uw geboden,
die ik liefheb.
48Ik hef mijn handen op naar Uw geboden,
die ik liefheb, en overdenk Uw verordeningen.

De getrouwen hebben steeds weer het besef van de “goedertierenheid” en het “heil” of de behoudenis van de HEERE nodig (vers 4141Laat Uw [blijken van] goedertierenheid over mij komen, HEERE,
Uw heil overeenkomstig Uw belofte.
)
. De HEERE heeft beloofd dat Hij voor de Zijnen zorgt en hen helpt. Hij hoeft er niet aan herinnerd te worden, maar de gelovigen mogen zich dit herinneren en dat tegen Hem zeggen. Zijn goedertierenheid blijkt uit de behoudenis van de getrouwen uit de gevaren die hen omringen.

Er zullen altijd lieden zijn die de gelovige honen (vers 4242Dan heb ik hem die mij hoont iets te antwoorden,
want ik vertrouw op Uw woord.
)
. Dat kan eigen schuld zijn, door het begaan van een zondige daad, maar het kan ook uit vijandschap gebeuren. Als het onze eigen schuld is, kunnen we dat belijden. Dan kunnen we getuigen van de goedertierenheid van God, dat Hij ons heeft vergeven (vgl. 1Pt 3:1515maar heiligt Christus als Heer in uw harten, altijd bereid tot verantwoording aan ieder die u rekenschap vraagt van de hoop die in u is, maar met zachtmoedigheid en vrees,). Dat vertrouwen hebben we door wat Hij zegt in Zijn Woord (1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.).

Uit zichzelf kan de psalmist, en kan het overblijfsel, en kunnen wij, geen waarheid spreken. Een gelovige kan alleen “het woord van de waarheid” spreken als God hem dat in zijn mond legt (vers 4343Ontruk het woord van de waarheid niet geheel en al aan mijn mond,
want ik hoop op Uw bepalingen.
; vgl. Mt 10:19-2019Wanneer zij u echter overleveren, weest niet bezorgd hoe of wat u moet spreken, want het zal u op dat uur gegeven worden wat u moet spreken;20want niet u bent het die spreekt, maar de Geest van uw Vader is het Die in u spreekt.)
. Ook moet bij de gelovige de “hoop op Uw bepalingen” aanwezig zijn. Dit spreekt van de verwachting die hij heeft dat God hem Zijn bepalingen zal bekendmaken.

Als de HEERE aan zijn wens tegemoetkomt, zal hij, zo belooft hij, steeds Zijn wet in acht nemen, en wel “voor eeuwig en altijd” (vers 4444Dan zal ik steeds Uw wet in acht nemen,
voor eeuwig en altijd.
)
. Dit voornemen van het hart is voor ons waard om na te volgen. Het is een besluit dat gebaseerd is op de ervaren liefde en trouw van de HEERE, waarvan wij in het werk van Christus de volle openbaring zien. Daar kunnen wij alleen maar een totale gehoorzaamheid tegenoverstellen.

Als Gods wet steeds in acht wordt genomen, wandelt de gelovige “op ruime [baan]” (vers 4545Ik zal wandelen op ruime [baan],
omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
)
. Eigenwilligheid en zonde leiden tot gebondenheid. Het zoeken van de bevelen van God maakt een mens vrij van elke gebondenheid die hem verhindert Gods wil te doen en Gods weg te gaan. De Heer Jezus heeft altijd op ruime baan gewandeld. Hij heeft nooit iets anders gedaan de Gods bevelen zoeken om die te volbrengen. Hij heeft op aarde in de ware vrijheid geleefd. Hij maakt slaven van de zonde waarlijk vrij (Jh 8:3636Als dan de Zoon u zal vrijmaken, zult u werkelijk vrij zijn.).

Als iemand op ruime baan in de vrijheid wandelt, kan het gebeuren dat hij toch gevangen wordt gezet. Als hij dan voor koningen moet verschijnen, zal hij zonder zich voor hen te schamen “over Uw getuigenissen” spreken (vers 4646Ook zal ik voor koningen spreken over Uw getuigenissen
en mij niet schamen.
)
. Er is geen mensenvrees, maar een verlangen ook in de hogere kringen te getuigen van Wie God is. Paulus heeft dat gedaan (Hd 25:23-2423De volgende dag kwamen Agrippa en Bernice met grote praal en gingen de gehoorzaal binnen met de oversten en de aanzienlijkste mannen van de stad; en op bevel van Festus werd Paulus voorgebracht.24En Festus zei: Koning Agrippa, en u allen hier met ons aanwezig, hier ziet u degene over wie de hele menigte van de Joden zich tot mij heeft gewend, zowel in Jeruzalem als hier, onder geroep dat hij niet langer behoort te leven.; 26:1-2,27-291Agrippa nu zei tot Paulus: Het is u toegestaan voor uzelf te spreken. Toen strekte Paulus zijn hand uit en verdedigde zich:2Ik acht mij gelukkig, koning Agrippa, dat ik mij over alles waarvan ik door de Joden word beschuldigd, vandaag voor u mag verdedigen,27Gelooft u, koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat u [hen] gelooft.28Agrippa nu zei tot Paulus: Straks zou u mij nog door uw overreding christen maken.29Paulus echter zei: Ik zou God wel willen bidden dat én straks én voor lange tijd niet alleen u, maar ook allen die mij vandaag horen, zodanig werden zoals ook ik ben, uitgezonderd deze boeien.; vgl. Rm 1:1616Want ik schaam mij niet voor het evangelie; want het is Gods kracht tot behoudenis voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.). Hetzelfde zien we bij de vrienden van Daniël (Dn 3:17-1917Als het moet, kan onze God, Die wij vereren, ons verlossen uit de brandende vuuroven, en Hij zal ons, o koning, uit uw hand verlossen.18En zo niet, het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht, niet zullen aanbidden.19Toen werd Nebukadnezar met grimmigheid vervuld, en zijn gelaatsuitdrukking tegenover Sadrach, Mesach en Abed-Nego veranderde. Hij nam het woord en zei dat men de oven zevenmaal heter moest stoken dan men gewoon was hem te stoken.) en Johannes de doper (Mt 14:3-43Want Herodes had Johannes gegrepen en <hem> gebonden en in [de] gevangenis gezet ter wille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus.4Want Johannes had tot hem gezegd: Het is u niet geoorloofd haar te hebben.).

Waar liefde voor de geboden van God is, is blijdschap in die geboden (vers 4747Ik verblijd mij in Uw geboden,
die ik liefheb.
)
. Die blijdschap ervaren we als we Gods Woord lezen en onderzoeken. Het is een kenmerk van iemand die leven uit God heeft dat hij liefde heeft voor ‘de liefdesbrief’ van God, de Bijbel. Iemand die zegt dat hij God liefheeft, maar Zijn Woord niet met liefde leest, is een leugenaar. Als er liefde voor de geboden van God is, drukken deze geboden niet als een last op het geweten, maar zijn ze een vreugde voor het hart.

Het opheffen van de handen naar de geboden van de HEERE is een houding van gebed (vers 4848Ik hef mijn handen op naar Uw geboden,
die ik liefheb, en overdenk Uw verordeningen.
; Ps 28:22Hoor mijn luide smeekbeden,
wanneer ik tot U roep,
wanneer ik mijn handen ophef
naar Uw binnenste heiligdom.
; 141:22Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen [als] het avondoffer zijn.
; vgl. 1Tm 2:88Ik wil dan dat mannen in elke plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist.)
. In dit geval is het de vraag van de rechtvaardige aan de HEERE om Zijn geboden te mogen begrijpen en ze tot Zijn eer uit te leven. Deze houding komt voort uit de liefde die de Godvrezende in zijn hart voor die geboden heeft. Dat blijkt wel uit het feit dat hij de verordeningen van de HEERE overdenkt. Bij het overdenken is de getrouwe niet op zichzelf gericht, maar op Hem van de verordeningen zijn. Het gaat hem erom de HEERE beter te leren kennen.


Troost door het Woord \zain\

49Denk aan het woord [gesproken] tot Uw dienaar,
waarop U mij deed hopen.
50Dit is mij tot troost in mijn ellende:
dat Uw belofte mij levend heeft gemaakt.
51De hoogmoedigen hebben mij ten zeerste bespot,
[toch] ben ik van Uw wet niet afgeweken.
52Ik heb gedacht aan Uw oordelen van oude tijden af, HEERE,
en heb mij getroost.
53Grote verontwaardiging heeft mij bevangen
vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
54Uw verordeningen zijn mijn gezangen geweest
op de plaats waar ik vreemdeling was.
55HEERE, 's nachts heb ik aan Uw Naam gedacht
en ik heb Uw wet in acht genomen.
56Dat is aan mij gebeurd,
omdat ik Uw bevelen in acht genomen heb.

Het is onmogelijk dat de HEERE het woord vergeet dat Hij tot Zijn dienaar heeft gesproken. Dat de dienaar Hem vraagt eraan te denken, wil zeggen dat hij in ellende is en dat het lijkt alsof de HEERE vergeten is wat Hij heeft gezegd (vers 4949Denk aan het woord [gesproken] tot Uw dienaar,
waarop U mij deed hopen.
)
. Hij heeft hem op Zijn Woord doen hopen. Die hoop zal toch niet tevergeefs zijn?

In het volgende vers geeft hij zelf het antwoord (vers 5050Dit is mij tot troost in mijn ellende:
dat Uw belofte mij levend heeft gemaakt.
)
. Zijn troost in zijn ellende is dat de HEERE hem door Zijn belofte “levend heeft gemaakt”. Hij heeft de levend makende kracht van Gods Woord ervaren. Mensen kunnen woorden spreken om te troosten. Soms zijn het nietszeggende woorden, meestal zijn ze goed bedoeld, maar vaak geven niet echt verlichting. Met de woorden van God is dat anders. De woorden van God zijn levende woorden, ze hebben leven in zichzelf.

De rechtvaardige moet met de bijtende, kwetsende spot van de hoogmoedige goddelozen rekenen (vers 5151De hoogmoedigen hebben mij ten zeerste bespot,
[toch] ben ik van Uw wet niet afgeweken.
)
. Afwijzing is normaal. Dit heeft de Heer Jezus ook ervaren en wel in het bijzonder bij Zijn veroordeling tot de kruisdood. Zoals Hij niet van Gods Woord is afgeweken, doet het lijdende overblijfsel dat ook niet.

De gelovige troost zichzelf als hij denkt aan de oordelen van de HEERE van oude tijden af (vers 5252Ik heb gedacht aan Uw oordelen van oude tijden af, HEERE,
en heb mij getroost.
)
. Hij ziet dan dat de HEERE heeft ingegrepen op momenten dat de goddelozen Zijn volk bijzonder in het nauw hebben gedreven. We zien bijvoorbeeld hoe de HEERE het voor Mozes en Aäron opneemt tegen de goddeloze bende van Korach (Nm 16:1-3,28-351Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kahath, zoon van Levi, nam zowel Dathan en Abiram, zonen van Eliab, als On, de zoon van Peleth, nakomelingen van Ruben, [met zich] mee.2Zij kwamen in opstand tegen Mozes, samen met tweehonderdvijftig mannen uit de Israëlieten, leiders van de gemeenschap, afgevaardigden naar de vergadering, mannen van naam.3Zij kwamen vanwege Mozes en vanwege Aäron bijeen, en zeiden tegen hen: U [trekt] te veel naar u [toe], want heel de gemeenschap, allen zijn zij heilig, en de HEERE is in hun midden. Waarom verheft u zich dan boven de gemeente van de HEERE?28Toen zei Mozes: Hierdoor zult u weten dat de HEERE mij gezonden heeft om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn [eigen] hart voortgekomen zijn.29Als dezen zullen sterven zoals elk mens sterft, en hun vergolden zal worden zoals elk mens vergolden wordt, [dan] heeft de HEERE mij niet gezonden.30Maar als de HEERE iets nieuws zal scheppen, zodat de aardbodem zijn mond zal opensperren, en hen en alles wat van hen is, zal verzwelgen en zij levend naar het graf zullen afdalen, dan zult u weten dat deze mannen de HEERE verworpen hebben.31En het gebeurde, toen hij geëindigd had al deze woorden te spreken, dat de aardbodem die onder hen was, gespleten werd.32De aarde opende haar mond en verzwolg hen, met hun gezinnen, en alle mensen die Korach toebehoorden, en al [hun] bezittingen.33En zij daalden levend af naar het graf, zij en alles wat van hen was. En de aarde overdekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden van de gemeente.34En heel Israël dat rondom hen stond, vluchtte weg voor hun gejammer, want zij zeiden: Als de aarde ons ook maar niet verzwelgt!35En vuur kwam bij de HEERE vandaan en verteerde de tweehonderdvijftig mannen die het reukwerk aangeboden hadden.).

De Godvrezende is hevig verontwaardigd als hij ziet hoe de wet van de HEERE wordt verlaten en vertrapt door goddeloze mensen (vers 5353Grote verontwaardiging heeft mij bevangen
vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
)
. Hij voelt dat als een belediging voor de HEERE en deelt daarin Zijn gevoelens (vgl. Rm 15:33Want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar zoals geschreven staat: ‘De smaadheden van hen die U smaden, zijn op Mij gevallen’.). De wet van de HEERE verlaten staat gelijk aan Hem verlaten.

De rechtvaardige haat het verlaten van de wet, maar zelf bejubelt hij die en zingt hij erover, zo zegt hij tegen de HEERE. Dit zal het overblijfsel doen tijdens de grote verdrukking, wanneer zij als vreemdeling op aarde rondzwerven (vers 5454Uw verordeningen zijn mijn gezangen geweest
op de plaats waar ik vreemdeling was.
; vgl. Hb 11:1313In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.)
. Ze zijn verdreven en gevlucht uit hun land. Maar in hun hart hebben ze Gods verordeningen meegedragen. Die zijn hun gezangen geweest. Wij kunnen ook zingen van Gods Woord als we in nood zijn.

In de nacht van de grote verdrukking zijn ze door de verordeningen waarover ze hebben gezongen bepaald bij Gods Naam (vers 5555HEERE, 's nachts heb ik aan Uw Naam gedacht
en ik heb Uw wet in acht genomen.
)
. Zo wordt de nacht van ellende tot een nacht van lofgezang en daarmee een getuigenis tot eer van de Naam van God (vgl. Hd 16:2525Omstreeks middernacht echter baden Paulus en Silas en zongen Gods lof; en de gevangenen luisterden naar hen.). Mensen van de wereld adviseren om maar schaapjes te gaan tellen als je niet kunt slapen. De psalmist zegt dat je beter met de Herder kunt praten. Met Gods Naam is Gods wet onlosmakelijk verbonden. Wie aan Zijn Naam denkt, denkt aan Zijn Woord, waarin over die Naam zoveel geschreven staat.

In vers 5656Dat is aan mij gebeurd,
omdat ik Uw bevelen in acht genomen heb.
zegt de Godvrezende waarom hij in het vreemde land heeft kunnen zingen (vers 5454Uw verordeningen zijn mijn gezangen geweest
op de plaats waar ik vreemdeling was.
)
en ’s nachts aan Gods Naam heeft gedacht (vers 5555HEERE, 's nachts heb ik aan Uw Naam gedacht
en ik heb Uw wet in acht genomen.
)
: het is omdat hij Gods bevelen in acht heeft genomen. De weg van gehoorzaamheid brengt tot een lied waarin de Naam van God wordt geprezen.


Toewijding aan het Woord \cheth\

57De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd
dat ik Uw woorden in acht zal nemen.
58Ik heb met heel mijn hart getracht Uw aangezicht gunstig te stemmen;
wees mij genadig overeenkomstig Uw belofte.
59Ik heb mijn wegen overdacht,
en mijn voeten gekeerd naar Uw getuigenissen.
60Ik heb mij gehaast en niet geaarzeld
Uw geboden in acht te nemen.
61Benden goddelozen hebben mij omringd,
[toch] heb ik Uw wet niet vergeten.
62Midden in de nacht sta ik op
om U te loven voor Uw rechtvaardige bepalingen.
63Ik ben een metgezel van allen die U vrezen
en die Uw bevelen in acht nemen.
64HEERE, de aarde is vol van Uw goedertierenheid;
leer mij Uw verordeningen.

De psalmist kan vol vreugde zeggen dat de HEERE zijn deel is (vers 5757De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd
dat ik Uw woorden in acht zal nemen.
; Ps 16:55De HEERE is mijn enig deel en mijn beker.
U onderhoudt [wat] het lot mij toewees.
; 73:2626Bezwijkt mijn lichaam en mijn hart,
dan is God de rots van mijn hart
en voor eeuwig mijn deel.
; 142:66Tot U roep ik, HEERE.
Ik zeg: U bent mijn toevlucht,
mijn deel in het land der levenden.
; vgl. Nm 18:2020Ook zei de HEERE tegen Aäron: U zult in hun land geen erfelijk bezit nemen, en u zult geen aandeel in het midden van hen hebben. Ik ben uw deel en erfelijk bezit, in het midden van de Israëlieten.)
. Daardoor is alles wat de HEERE bezit ook zijn deel. De rijkdom die Hij bezit, is niet te schatten. De psalmist is er zo van onder de indruk, dat hij heeft gezegd dat hij Gods woorden in acht zal nemen. Als we zien wat we hebben gekregen, en bovenal dat God Zelf ons deel is, zal dat tot de grootst mogelijke gehoorzaamheid aanzetten.

Met heel zijn hart heeft de Godvrezende “getracht Uw aangezicht gunstig te stemmen” (vers 5858Ik heb met heel mijn hart getracht Uw aangezicht gunstig te stemmen;
wees mij genadig overeenkomstig Uw belofte.
)
. Dit ‘trachten ‘, deze inspanning, heeft hem doen beseffen dat hij niets kan doen om de HEERE gunstig te stemmen. De enige grond waarop de HEERE een mens in Zijn gunst aanvaardt, is Zijn genade. Daarom vraagt hij dat de HEERE hem genadig zal zijn, want dat heeft Hij beloofd.

De rechtvaardige mag Gods wegen overdenken, maar het is ook nodig dat hij zijn eigen wegen overdenkt (vers 5959Ik heb mijn wegen overdacht,
en mijn voeten gekeerd naar Uw getuigenissen.
)
. Gods wegen zijn altijd recht, die van de rechtvaardige kunnen wel eens krom zijn. Het lijkt er hier op dat de rechtvaardige bij het overdenken van zijn wegen tot de conclusie is gekomen dat er iets niet goed is geweest. Hij zegt namelijk dat hij zijn voeten “gekeerd” heeft tot Gods getuigenissen, wat veronderstelt dat zijn voeten daar enige tijd niet naar gekeerd zijn geweest.

Na de bekering is er nieuwe ijver om zonder aarzeling Gods wil te doen (vers 6060Ik heb mij gehaast en niet geaarzeld
Uw geboden in acht te nemen.
)
. Het gezegde ‘haastige spoed is zelden goed’ gaat niet op als het erom gaat de wil van God te doen. De gelovige kan niet te snel zijn om zonder aarzeling te gehoorzamen als hem iets duidelijk wordt uit Gods Woord (vgl. Mt 4:19-2219en Hij zei tot hen: Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken.20Zij nu lieten terstond hun netten achter en volgden Hem.21En toen Hij vandaar verder was gegaan, zag Hij twee andere broers, Jakobus, de [zoon] van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, terwijl zij in het schip met hun vader Zebedeüs bezig waren hun netten te verstellen. En Hij riep hen;22en zij lieten terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem.; Lk 19:5-65En toen Jezus bij die plaats kwam, keek Hij naar boven en zei tot hem: Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis verblijven.6En hij kwam vlug naar beneden en ontving Hem met blijdschap.). Er wordt vaak eerst veel geredeneerd over de nuttigheid van iets. Als het om de geboden van Gods Woord gaat, zijn zulke redeneringen uit de boze.

Wie weer zijn weg met de Heer gaat, moet ook rekenen op nieuwe tegenstand (vers 6161Benden goddelozen hebben mij omringd,
[toch] heb ik Uw wet niet vergeten.
)
. De vijand wordt actief als er (opnieuw) toewijding aan de Heer is. Het doel van zijn tegenstand is om de gelovige opnieuw ontrouw aan de wet van de HEERE te maken. Maar de rechtvaardige kan zeggen dat hij Zijn wet niet is vergeten, waardoor de vijand er niet in slaagt om hem weer ontrouw te maken.

Zijn dankbaarheid is zo groot, dat hij midden in de nacht, als het donker is, opstaat om de HEERE te loven voor Zijn “rechtvaardige bepalingen” (vers 6262Midden in de nacht sta ik op
om U te loven voor Uw rechtvaardige bepalingen.
)
. Deze bepalingen zijn als een licht in de nacht. Hij wordt niet beheerst door de duisternis, door spookbeelden, maar door Gods Woord. Dat geeft behalve licht ook rust en vrede en bewerkt een lofzang.

Hij weet ook dat hij niet alleen is (vers 6363Ik ben een metgezel van allen die U vrezen
en die Uw bevelen in acht nemen.
)
. Hij heeft metgezellen, of liever hij is een metgezel van allen die de HEERE vrezen. Dat blijkt uit het in acht nemen van Zijn bevelen. Hij hoort bij hen die de HEERE vrezen, bij dat gezelschap voelt hij zich thuis. Met hen heeft hij gemeenschap. Zij kunnen elkaar wederzijds bemoedigen (Ml 3:1616Dan spreken zij die de HEERE vrezen,
ieder tot zijn naaste:
De HEERE slaat er acht op en luistert.
Er is een gedenkboek geschreven voor Zijn aangezicht,
voor wie de HEERE vrezen
en wie Zijn Naam hoogachten.
)
. Zij die God en Zijn Woord liefhebben, hebben ook de medegelovigen lief, ongeacht ras, nationaliteit of sociale status (1Jh 5:1-31Ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren; en ieder die liefheeft Hem Die deed geboren worden, heeft <ook> lief hem die uit Hem geboren is.2Hieraan weten wij dat wij de kinderen van God liefhebben, wanneer wij God liefhebben en Zijn geboden doen.3Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.).

Dan wordt de kring van zijn belangstelling nog wijder (vers 6464HEERE, de aarde is vol van Uw goedertierenheid;
leer mij Uw verordeningen.
)
. Hij ziet dat de aarde vol is van Gods goedertierenheid, hoewel het kwaad nog aanwezig is. God regeert. Dat doet Hij door middel van Zijn verordeningen. De psalmist wil die leren kennen en vraagt om onderwijs daarin.


Waarde van het Woord \teth\

65U bent goed voor Uw dienaar geweest, HEERE,
overeenkomstig Uw woord.
66Leer mij goed onderscheiden en kennen,
want ik heb in Uw geboden geloofd.
67Voordat ik verdrukt werd, dwaalde ik,
maar nu neem ik Uw woord in acht.
68U bent goed en U doet goed,
leer mij Uw verordeningen.
69Hoogmoedigen hebben mij met leugens besmeurd,
[maar] ík neem Uw bevelen met heel mijn hart in acht.
70Hun hart is zo ongevoelig als vet,
[maar] ík verblijd mij [in] Uw wet.
71Het is goed voor mij dat ik verdrukt ben geweest,
opdat ik Uw verordeningen zou leren.
72De wet uit Uw mond is mij beter
dan duizenden [stukken] goud of zilver.

Dat God goed is voor ieder van Zijn dienaren, zal iedere dienaar kunnen getuigen (vers 6565U bent goed voor Uw dienaar geweest, HEERE,
overeenkomstig Uw woord.
)
. Die goedheid is “overeenkomstig Uw woord”. Gods handelen in goedheid is zoals Hij Zich bekendmaakt in Zijn Woord. Als wij die goedheid hebben ervaren, is het ook goed om dat tegen God te zeggen, zoals de psalmist hier doet.

Ervaren goedheid van God wekt het verlangen om goed te leren onderscheiden en daarvoor de juiste kennis te hebben (vers 6666Leer mij goed onderscheiden en kennen,
want ik heb in Uw geboden geloofd.
)
. Dit onderwijs mogen we van God vragen. Er is bij de rechtvaardige de juiste gesteldheid van hart aanwezig om dit te vragen, want hij heeft geloof of vertrouwen in de geboden van God. Dit is de voorwaarde om van onderwijs het juiste nut te hebben. Er mag geen twijfel zijn over Gods geboden. We moeten ze niet aan ons onderwerpen, maar wij moeten ons eraan onderwerpen. Dan zullen we voor het leren van onderscheid en kennis niet bij andere bronnen te rade gaan.

Als de gelovige niet in Gods geboden gelooft, dwaalt hij (vers 6767Voordat ik verdrukt werd, dwaalde ik,
maar nu neem ik Uw woord in acht.
)
. Dan brengt God verdrukking in zijn leven, tegenslagen en moeiten die hem laten terugkeren naar God. Deze tucht is Gods opvoeding om ons tot gehoorzaamheid aan Zijn Woord te brengen. De rechtvaardige wordt voor afdwaling bewaard als hij Gods Woord in acht neemt.

God is door en door goed en Hij alleen is goed (vers 6868U bent goed en U doet goed,
leer mij Uw verordeningen.
; Lk 18:1919Jezus echter zei tot hem: Wat noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Eén: God.)
. Daarom is ook alles goed wat Hij doet, ook als Hij oordeelt. Hij oordeelt het kwaad uit liefde voor de goeden die anders altijd onder de kwaaddoeners te lijden zouden hebben. Hij oordeelt de satan omdat die al het goede werk van God wil verderven. Iemand die wezenlijk goed is, kan niet anders dan goed doen. De gelovige verlangt ernaar op God te lijken en ook goed te zijn en goed te doen. Daarom vraagt hij of God hem Zijn verordeningen wil leren.

De rechtvaardige leeft in een wereld vol leugen (vers 6969Hoogmoedigen hebben mij met leugens besmeurd,
[maar] ík neem Uw bevelen met heel mijn hart in acht.
)
. De hoogmoedigen besmeuren hem daarmee. Dat is voor de rechtvaardige echter geen reden om van Gods bevelen af te wijken en de weg van gehoorzaamheid te verlaten. Integendeel, hij neemt ze met heel zijn hart in acht.

Het hart van de hoogmoedigen staat daarmee groot contrast, want dat is zo “ongevoelig als vet” omdat zij met heel hun hart aan de zonde hangen (vers 7070Hun hart is zo ongevoelig als vet,
[maar] ík verblijd mij [in] Uw wet.
)
. Maar de rechtvaardige heeft blijdschap in zijn hart vanwege de wet van de HEERE. Dat houdt hem ongevoelig voor de leugens waarmee de hoogmoedigen hem besmeuren.

Hij erkent het nut van de verdrukking waarin hij voor een zekere tijd is geweest (vers 7171Het is goed voor mij dat ik verdrukt ben geweest,
opdat ik Uw verordeningen zou leren.
)
. De verdrukking is tijdelijk geweest, want ze is een keer opgehouden. Maar het is goed voor hem daarin geweest te zijn, zo spreekt hij het uit. Een gelovige is niet zomaar zover dat hij dat kan zeggen. Hij kan in geloof zeggen dat alle dingen meewerken ten goede voor hen die God liefhebben (Rm 8:2828Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar [Zijn] voornemen zijn geroepen.), maar het uit ervaring zeggen is nog iets anders. In dit geval heeft de rechtvaardige de verordeningen van de HEERE erdoor leren kennen en is ze gaan waarderen.

Dat brengt hem ook tot de waardering van “de wet uit Uw mond”, dat die “beter” is “dan duizenden [stukken] goud of zilver” (vers 7272De wet uit Uw mond is mij beter
dan duizenden [stukken] goud of zilver.
)
. Wat uit de mond van God komt, komt uit Zijn hart. Dat maakt Zijn Woord zo waardevol. Goud of zilver hebben hun aantrekkingskracht verloren voor hen die Gods Woord naar waarde hebben leren schatten. Goud en zilver hebben bij al hun waarde in de ogen van mensen slechts tijdelijke waarde, terwijl de waarde van Gods Woord blijft tot in eeuwigheid.


Overdenken van het Woord \jod\

73Uw handen hebben mij gemaakt en bereid;
geef mij inzicht, zodat ik Uw geboden leer.
74Wie U vrezen, zien mij en verblijden zich,
omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
75Ik weet, HEERE, dat Uw oordelen rechtvaardig zijn
en [dat] U mij [in Uw] trouw verdrukt hebt.
76Laat toch Uw goedertierenheid er zijn om mij te troosten,
overeenkomstig Uw belofte aan Uw dienaar.
77Laat Uw barmhartigheid over mij komen,
dan zal ik leven, want Uw wet is mijn bron van blijdschap.
78Laten de hoogmoedigen beschaamd worden, die mij neerdrukten
met leugen, [maar] ík overdenk Uw bevelen.
79Laten zich tot mij keren wie U vrezen
en wie Uw getuigenissen kennen.
80Laat mijn hart oprecht zijn in Uw verordeningen,
dan zal ik niet beschaamd worden.

De rechtvaardige erkent dat hij door de handen van God is gemaakt (vers 7373Uw handen hebben mij gemaakt en bereid;
geef mij inzicht, zodat ik Uw geboden leer.
)
, zoals Gods handen ook het heelal hebben gemaakt (Js 45:1212Ik heb de aarde gemaakt
en Ik heb de mens daarop geschapen.
Ik ben het, Mijn handen hebben de hemel uitgespannen
en aan heel zijn [sterren]leger geef Ik Mijn bevelen.
)
. Hij erkent hiermee dat hij helemaal van zijn Schepper afhankelijk is (vgl. 1Pt 4:1919Laten daarom ook zij die naar de wil van God lijden, hun zielen [de] trouwe Schepper toevertrouwen met goeddoen.). God heeft alles gemaakt met het doel dat het Hem dient. Daarom is de rechtvaardige tegenover God, zijn Formeerder, gehoorzaamheid verschuldigd.

Ook voor inzicht in Gods geboden is hij van zijn Schepper afhankelijk, want zijn verstand is door de zonde verduisterd. Maar God kan het hem geven en daar vraagt hij dan ook om. Hij zegt als het ware tegen God: ‘Ik ben ontstaan door Uw werk; laat mij nu ook wandelen in overeenstemming met Uw geboden.’ Gods geboden zijn de handleiding voor zijn leven.

Niet iedereen verheugt zich over de rechtvaardige, maar wel zij die God vrezen (vers 7474Wie U vrezen, zien mij en verblijden zich,
omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
)
. Zij zien de rechtvaardige en zijn blij omdat zij in zijn leven zien dat hij, net als zij, op Gods Woord heeft gehoopt en dat hij, net als zij, heeft ervaren dat die hoop niet tevergeefs is geweest. Zo’n leven werkt aanstekelijk. Het maakt anderen blij en geeft hun moed (vgl. Ml 3:1616Dan spreken zij die de HEERE vrezen,
ieder tot zijn naaste:
De HEERE slaat er acht op en luistert.
Er is een gedenkboek geschreven voor Zijn aangezicht,
voor wie de HEERE vrezen
en wie Zijn Naam hoogachten.
)
. We zien het in de ontmoeting tussen Elizabeth en Maria (Lk 1:39-4539Maria nu stond in die dagen op en reisde met haast naar het gebergte, naar een stad van Judéa;40en zij kwam in het huis van Zacharia en groette Elizabeth.41En het gebeurde toen Elizabeth de begroeting van Maria hoorde, dat het kindje opsprong in haar schoot; en Elizabeth werd vervuld met [de] Heilige Geest,42en zij riep uit met luid geroep en zei: Gezegend ben jij onder [de] vrouwen en gezegend is de vrucht van je schoot.43En waaraan dank ik dit dat de moeder van mijn Heer bij mij komt?44Want zie, toen het geluid van je begroeting in mijn oren klonk, sprong het kindje van vreugde op in mijn schoot.45En gelukkig zij die geloofd heeft; want de dingen die haar van [de] Heer uit zijn gezegd, zullen worden volbracht.).

De oordelen van de HEERE zijn rechtvaardig, zowel voor de goddelozen als voor de rechtvaardigen (vers 7575Ik weet, HEERE, dat Uw oordelen rechtvaardig zijn
en [dat] U mij [in Uw] trouw verdrukt hebt.
)
. Voor de goddelozen betekenen ze de ondergang. De rechtvaardigen weten dat het verdrukkingen zijn die God in Zijn trouw over hen brengt. Door de verdrukking bewerkt God dat de rechtvaardigen alle hoop op verlossing op Hem stellen en alle ontrouw bij henzelf veroordelen.

Wie verdrukt wordt, heeft behoefte aan troost (vers 7676Laat toch Uw goedertierenheid er zijn om mij te troosten,
overeenkomstig Uw belofte aan Uw dienaar.
)
. Daarom vraagt de psalmist aan God om hem door Zijn goedertierenheid te troosten. Het ervaren van die goedertierenheid verzacht de pijn van de verdrukking. Daarbij doet hij een beroep op de belofte die God aan hem, Zijn dienaar, heeft gedaan.

De psalmist voelt zich duidelijk nog niet helemaal hersteld van de verdrukking. Dat is op te maken uit zijn vraag aan de HEERE om Zijn barmhartigheid (vers 7777Laat Uw barmhartigheid over mij komen,
dan zal ik leven, want Uw wet is mijn bron van blijdschap.
)
. Die heeft hij nodig. Die heeft iedereen nodig die in ellendige omstandigheden is. Als hij barmhartigheid krijgt, zal hij leven, dat is opleven, want hij heeft nieuw leven. Dat blijkt wel uit het feit dat de wet van de HEERE zijn bron van blijdschap is. Voor een ongelovige is de wet geen bron van blijdschap, want die veroordeelt hem.

De hoogmoedigen hebben de rechtvaardige neergedrukt met het verspreiden van leugens over hem (vers 7878Laten de hoogmoedigen beschaamd worden, die mij neerdrukten
met leugen, [maar] ík overdenk Uw bevelen.
)
. Dat hebben ze kunnen doen onder de toelating van God Die daarmee Zijn bedoeling heeft. Het betekent niet dat de hoogmoedigen naar God hebben geluisterd. Zij houden juist helemaal geen rekening met God, maar volgen hun eigen agenda.

De rechtvaardige weet dat en vraagt daarom aan God dat Hij hen beschaamd laat worden. Die vraag kan hij stellen omdat hij Gods bevelen overdenkt. Daardoor weet hij hoe God over deze leugenverspreiders denkt. De hoogmoedigen met hun grote, leugenachtige mond, zullen door God geoordeeld worden. Hij weet daardoor ook hoe hij op deze leugens moet reageren (1Pt 2:2323Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;).

De psalmist heeft behoefte aan gemeenschap met hen die God vrezen en Zijn getuigenissen kennen (vers 7979Laten zich tot mij keren wie U vrezen
en wie Uw getuigenissen kennen.
)
. Hij wil met hen zijn ervaringen delen. Dit is een opmerkelijk verlangen van de gelovigen in alle tijden. Zij die Gods getuigenissen kennen, willen die delen met hen die ze ook kennen. We mogen aan de psalmist een voorbeeld nemen en bidden dat God zulke mensen op onze weg brengt.

De psalmist bidt dat de HEERE zijn hart oprecht laat zijn in Gods verordeningen (vers 8080Laat mijn hart oprecht zijn in Uw verordeningen,
dan zal ik niet beschaamd worden.
)
. Hij onderkent de arglistigheid van zijn hart en weet dat alleen de HEERE het kent (Jr 17:9-109Arglistig is het hart, boven alles,
ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
; 1Kn 8:3939luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, vergeef, en grijp in, en geef eenieder naar al zijn wegen, [U,] Die zijn hart kent. U alleen kent immers het hart van alle mensenkinderen,; Ps 139:1b,231Een psalm van David, voor de koorleider.
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
23Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
)
. Oprechtheid van hart is van wezenlijk belang in de omgang met God. God zoekt waarheid in het binnenste. Als dat aanwezig is, zal de gelovige niet beschaamd worden, omdat hij de zonde geen kans geeft in zijn leven binnen te dringen. Dan zal hij niet in dit leven en ook later niet, voor de rechterstoel van Christus, beschaamd worden.


Vervolgd omwille van het Woord \kaph\

81Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil,
op Uw woord heb ik gehoopt.
82Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw belofte,
terwijl ik zei: Wanneer zult U mij troosten?
83Want ik ben geworden als een leren zak in de rook,
[maar] Uw verordeningen heb ik niet vergeten.
84Hoeveel zijn de dagen van Uw dienaar?
Wanneer zult U gericht oefenen over mijn vervolgers?
85De hoogmoedigen hebben kuilen voor mij gegraven
en dat is niet overeenkomstig Uw wet.
86Al Uw geboden zijn betrouwbaar;
met leugen vervolgen zij mij, help mij!
87Zij hebben mij op de aarde bijna vernietigd,
maar ík heb Uw bevelen niet verlaten.
88Maak mij levend overeenkomstig Uw goedertierenheid;
dan zal ik het getuigenis van Uw mond in acht nemen.

De rechtvaardige ziet met intens verlangen uit naar het heil van de HEERE, naar Zijn uitredding uit de nood en dat hij in de vrede wordt binnen gevoerd (vers 8181Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil,
op Uw woord heb ik gehoopt.
)
. Hij verlangt er zo naar, dat zijn ziel ervan is bezweken. Maar hij heeft gehoopt op wat de HEERE heeft gezegd. Dat heeft hij vastgehouden en dat heeft hem vastgehouden. Hij heeft zijn heil niet bij zichzelf of bij iemand anders gezocht.

Niet alleen zijn ziel is bezweken, ook zijn ogen zijn bezweken en wel van verlangen naar de beloften van de HEERE (vers 8282Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw belofte,
terwijl ik zei: Wanneer zult U mij troosten?
)
. Hij heeft aan Hem gevraagd: “Wanneer zult U mij troosten?” Daaraan heeft hij behoefte, daarnaar ziet hij uit. De Godvrezende twijfelt er niet aan dat de HEERE hem zal troosten, maar wil graag weten wanneer Hij het zal doen.

Hij is volledig aan het einde van zijn krachten, hij is uitgeput (vers 8383Want ik ben geworden als een leren zak in de rook,
[maar] Uw verordeningen heb ik niet vergeten.
)
. Hij vergelijkt zichzelf met een leren zak die in de rook hangt. De rook neemt de soepelheid van het leer weg en maakt de zak zwart. De leren zak kunnen we vergelijken met de uiterlijke mens (2Ko 4:16a16Daarom worden wij niet moedeloos; maar al raakt ook onze uiterlijke mens in verval, toch wordt onze innerlijke van dag tot dag vernieuwd.). Die raakt in verval door de verstikkende rook, het kwaad om hem heen. Het innerlijk van de zak kunnen we vergelijken met het geestelijke leven. Dat wordt van dag tot dag vernieuwd (2Ko 4:16b16Daarom worden wij niet moedeloos; maar al raakt ook onze uiterlijke mens in verval, toch wordt onze innerlijke van dag tot dag vernieuwd.). De oorzaak daarvan is dat hij zich met de verordeningen van de HEERE voedt. Die verordeningen is hij niet vergeten.

Hoelang zal hij nog verder kunnen leven, waarbij hij rekent in dagen (vers 8484Hoeveel zijn de dagen van Uw dienaar?
Wanneer zult U gericht oefenen over mijn vervolgers?
)
? Het leven is kort, maar het kunnen lange dagen zijn als hij van dag tot dag door vervolgers achterna wordt gezeten (vgl. Op 11:77En wanneer zij hun getuigenis voleindigd zullen hebben, zal het beest dat uit de afgrond opstijgt, oorlog met hen voeren en hen overwinnen en hen doden.; 13:77En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.). Hij noemt zich weer “Uw dienaar”, wat aangeeft dat hij in nood is vanwege het dienen van de HEERE. Hij vraagt aan Hem wanneer Hij het oordeel over zijn vervolgers zal brengen, zodat hij verlost wordt van de doodsdreiging. Hij neemt het recht niet in eigen hand, maar laat de wraak aan God over.

Hij weet dat zijn vervolgers, die hij “hoogmoedigen” noemt, “kuilen” hebben gegraven om hem daarin te vangen en vervolgens om te brengen (vers 8585De hoogmoedigen hebben kuilen voor mij gegraven
en dat is niet overeenkomstig Uw wet.
)
. Ze hebben meerdere valkuilen gemaakt, zozeer zijn ze uit op zijn dood. Dat hebben ze gedaan, terwijl God dat heeft verboden. Er staat nergens een uitdrukkelijk gebod ’U zult geen kuilen graven’, maar wel dat iemand zijn naaste moet liefhebben als zichzelf. Kuilen graven om iemand daarin te vangen en dan te doden, is daarmee duidelijk in strijd. Maar deze lieden hebben geen oren naar Gods onderwijs door de wet.

De vervolgde getrouwe belijdt dat al de geboden van de HEERE betrouwbaar zijn (vers 8686Al Uw geboden zijn betrouwbaar;
met leugen vervolgen zij mij, help mij!
)
. Maar zijn vijanden vervolgen hem met leugen. Hij roept de hulp van de HEERE in om hem te verlossen. De Heer Jezus is met leugen vervolgd omdat Hij van de betrouwbaarheid van Gods geboden heeft getuigd. Dit zal iedere gelovige ervaren die daarvan getuigt.

De vervolging is heftig. Het gaat tot aan de rand van het graf (vers 8787Zij hebben mij op de aarde bijna vernietigd,
maar ík heb Uw bevelen niet verlaten.
)
. Bijna hebben de vervolgers de rechtvaardigen op aarde vernietigd. Deze dreiging van de dood heeft er echter niet toe geleid dat zij de bevelen van de HEERE hebben verlaten. Ze hebben eraan vastgehouden, wat betekent dat ze aan het leven hebben vastgehouden. Al zouden zij worden gedood, dan is dat niet het einde van hun leven, maar het begin van een leven zonder zonde en vijandschap tot in eeuwigheid. Ze mogen hun leven verliezen, maar het ware leven kan hun niet afgenomen worden (Mt 10:28a28En weest niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden, maar weest veeleer bang voor Hem Die zowel ziel als lichaam kan verderven in [de] hel.).

Het vervolgde overblijfsel vraagt aan God om hen levend te maken en doet daarbij een beroep op Gods goedertierenheid (vers 8888Maak mij levend overeenkomstig Uw goedertierenheid;
dan zal ik het getuigenis van Uw mond in acht nemen.
)
. Als God dat doet, zullen zij het getuigenis van Gods mond in acht nemen. Het overblijfsel ziet hun leven in verbinding met het leven op aarde. Het kan zijn dat Hij hun gebed verhoort en God hen op aarde laat leven. Maar ook als ze worden gedood, zal hun gebed worden verhoord. Ze zullen namelijk levend worden gemaakt in de opstanding. Dan zullen ze op een volmaakte wijze het getuigenis van Gods mond in acht nemen, want dat staat dan in hun hart geschreven.


Het Woord is eeuwig vast \lamed\

89Voor eeuwig, HEERE,
staat Uw woord vast in de hemel.
90Uw trouw duurt van generatie op generatie;
U hebt de aarde gegrondvest, zodat zij blijft staan.
91Volgens Uw bepalingen blijven zij [ook] heden [nog] staan,
want zij alle zijn Uw dienaren.
92Als Uw wet niet mijn bron van blijdschap geweest was,
dan was ik in mijn ellende vergaan.
93Ik zal Uw bevelen voor eeuwig niet vergeten,
want daardoor hebt U mij levend gemaakt.
94Ik ben de Uwe, verlos mij,
want ik heb Uw bevelen gezocht.
95Goddelozen hebben op mij geloerd om mij om te brengen;
ik let op Uw getuigenissen.
96Aan alles, [hoe] volmaakt [ook], heb ik een einde gezien;
[maar] alleen Uw gebod is onbegrensd.

Het Woord van God is geen voorbijgaand Woord. Het is eeuwig (vers 8989Voor eeuwig, HEERE,
staat Uw woord vast in de hemel.
)
. Nooit zal het de mens en de duivel lukken het uit te roeien. Pogingen daartoe zijn vaak ondernomen, maar nooit geslaagd en zullen ook nooit slagen. Het Woord staat namelijk “vast in de hemel”, onaantastbaar voor de mens en de duivel. Daarom zal ook elke belofte tot op de letter worden vervuld.

Gods trouw eindigt ook nooit, maar “duurt van generatie op generatie” (vers 9090Uw trouw duurt van generatie op generatie;
U hebt de aarde gegrondvest, zodat zij blijft staan.
; vgl. Ps 90:1-21Een gebed van Mozes, de man Gods.
Heere, Ú bent ons een toevlucht geweest
van generatie op generatie.
2[Al] vóór de bergen geboren waren
en U de aarde en de wereld voortgebracht had,
ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God.
)
. Die trouw bewijst Hij aan elke generatie zolang de aarde, die door Hem is gegrondvest, blijft bestaan. Dit is een grote bemoediging voor elke nieuwe generatie. Dit mag elke generatie aan de volgende generatie doorgeven.

De gelovige kan dat zien aan de hemellichamen, die door God bij de schepping aan het firmament zijn geplaatst (vers 9191Volgens Uw bepalingen blijven zij [ook] heden [nog] staan,
want zij alle zijn Uw dienaren.
)
. Ze zijn naar Zijn wil geschapen (Op 4:1111U bent waard, onze Heer en God, te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestonden zij en zijn zij geschapen.), en volgens Zijn bepalingen blijven ze daar tot op de dag van vandaag staan. En ze zijn daar als Zijn dienaren, ze dienen Hem in het doel waarvoor Hij hen heeft gemaakt op de plaats waar Hij hen heeft gesteld.

Midden in alle ellende is de wet van de HEERE de bron van blijdschap van de beproefde gelovige geweest (vers 9292Als Uw wet niet mijn bron van blijdschap geweest was,
dan was ik in mijn ellende vergaan.
)
. Daarom is hij niet vergaan, maar staande gebleven in de ellende. Omdat Christus het centrum van de wet is, is Hij feitelijk de bron van blijdschap. De rechtvaardige die blij kan zijn, terwijl hij in ellende is, ervaart de waarheid van het woord: “De vreugde van de HEERE, dat is uw kracht” (Ne 8:1111Verder zei hij tegen hen: Ga, eet lekkernijen en drink zoete [dranken]. En deel uit aan hen voor wie niets is klaargemaakt, want deze dag is heilig voor onze Heere. Wees niet bedroefd, want de vreugde van de HEERE, dat is uw kracht.).

De rechtvaardige zal de bevelen van de HEERE, die eeuwig vast zijn in de hemel zoals hij aan het begin van dit couplet heeft gezegd (vers 8989Voor eeuwig, HEERE,
staat Uw woord vast in de hemel.
)
, “voor eeuwig niet vergeten” (vers 9393Ik zal Uw bevelen voor eeuwig niet vergeten,
want daardoor hebt U mij levend gemaakt.
)
. De reden daarvan is dat hij daaraan zijn leven te danken heeft. De HEERE heeft Hem door Zijn bevelen levend gemaakt (1Pt 1:2323u die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend Woord.). De woorden van Christus, de eeuwige Zoon van God, “zijn geest en zijn leven” (Jh 6:63b,6863De Geest is het Die levend maakt; het vlees heeft geen enkel nut. De woorden die Ik tot u heb gesproken, zijn geest en zijn leven.68Simon Petrus antwoordde Hem: Heer, naar wie zullen wij toe gaan? U hebt woorden van eeuwig leven.). De gelovige zal de oorsprong van zijn nieuwe leven nooit vergeten. Het zijn woorden die hem het leven hebben gegeven en hem tegelijk ook voortdurend in leven houden.

De rechtvaardige weet dat hij het eigendom van de HEERE is (vers 9494Ik ben de Uwe, verlos mij,
want ik heb Uw bevelen gezocht.
)
. Hij zegt tegen Hem: “Ik ben de Uwe.” Hij herinnert de HEERE als het ware eraan dat Hij daarmee ook de zorg voor hem op Zich heeft genomen. Wij zijn verantwoordelijk om goed te zorgen voor wat ons toebehoort. Dat zien we bij God in Zijn zorg voor wat Hem toebehoort. Daarom doet de rechtvaardige een beroep op Hem om hem te verlossen. Als extra reden voert hij aan dat hij Gods bevelen heeft gezocht. Daaruit blijkt dat hij werkelijk Gods eigendom is en niet slechts een natuurlijke nakomeling van Abraham (vgl. Jh 8:39-4039Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zei tot hen: Als u kinderen van Abraham was, zou u de werken van Abraham doen;40maar nu tracht u Mij te doden, een Mens Die de waarheid tot u heeft gesproken die Ik van God heb gehoord; dat deed Abraham niet.).

Hij vraagt om Gods tussenkomst omdat goddelozen op hem hebben geloerd om hem om te brengen (vers 9595Goddelozen hebben op mij geloerd om mij om te brengen;
ik let op Uw getuigenissen.
)
. De aanleiding voor hun moordzucht is dat hij op de getuigenissen van de HEERE let en dat in zijn leven laat zien. Daarom vervolgen de goddelozen de rechtvaardige. Dat is begonnen met Kaïn die Abel doodslaat. Het heeft zijn absolute dieptepunt gekregen in de massa van het Joodse volk die om de dood van de Heer Jezus roept, een roep waaraan door Pilatus gehoor wordt gegeven.

Alles wat op aarde is gemaakt, heeft een houdbaarheidsdatum (vers 9696Aan alles, [hoe] volmaakt [ook], heb ik een einde gezien;
[maar] alleen Uw gebod is onbegrensd.
)
. Het kan nog zo duurzaam zijn, maar er komt een einde aan (2Pt 3:10,1210Maar [de] dag van [de] Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en [de] elementen brandend vergaan en [de] aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.12terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan [de] hemelen in vuur gezet zullen vergaan en [de] elementen brandend zullen wegsmelten.). Alleen het gebod van God is “onbegrensd”, er komt nooit een einde aan. Het Woord van God blijft tot in eeuwigheid, evenals wie de wil van God doet (1Pt 1:2525maar het Woord van [de] Heer blijft tot in eeuwigheid’. Dit nu is het Woord dat u verkondigd is.; 1Jh 2:1717En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.).


Het Woord maakt wijs \mem\

97Hoe lief heb ik Uw wet!
Hij is heel de dag mijn overdenking.
98Uw geboden maken mij wijzer dan mijn vijanden,
want zij zijn voor eeuwig bij mij.
99Ik ben verstandiger dan al mijn leraren,
want Uw getuigenissen zijn mij [tot] overdenking.
100Ik heb meer inzicht dan de ouderen,
omdat ik Uw bevelen in acht genomen heb.
101Ik heb mijn voeten weerhouden van alle slechte paden,
opdat ik mij aan Uw woord zal houden.
102Ik ben niet afgeweken van Uw bepalingen,
want Ú hebt mij onderwezen.
103Hoe zoet zijn Uw woorden voor mijn gehemelte,
[zoeter] dan honing voor mijn mond.
104Door Uw bevelen krijg ik inzicht,
daarom haat ik elk leugenpad.

Wie de HEERE liefheeft, heeft ook Zijn wet lief (vers 9797Hoe lief heb ik Uw wet!
Hij is heel de dag mijn overdenking.
)
. Iemand die zegt dat hij God liefheeft, maar Zijn Woord nooit leest, is een leugenaar. Wat de rechtvaardige hier zegt, is geen schijnheilige lippenbelijdenis. “Hoe lief heb ik Uw wet” is de uitroep van iemand van wie het hart volledig naar het onderwijs van Gods Woord uitgaat. Hij is ook niet slechts af en toe met Gods Woord bezig, maar het is “heel de dag” zijn overdenking (vgl. Ps 1:22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
)
. Dit is volmaakt waar van de Heer Jezus.

Wie Gods Woord zo intens liefheeft en daarover heel de dag nadenkt, is wijzer dan zijn vijanden (vers 9898Uw geboden maken mij wijzer dan mijn vijanden,
want zij zijn voor eeuwig bij mij.
)
. Het Woord van God maakt de eenvoudigste gelovige, iemand die naar de normen van de wereld niet tot de geleerden behoort, tot een wijze die in wijsheid ver uitsteekt boven de intelligentste mensen die vijanden van God zijn. De wijsheid van de wereld vergaat, maar wie de wijsheid die is gebaseerd op de geboden van God bezit, heeft een eeuwige bron van wijsheid bij zich. Wat de rechtvaardige zegt, is volmaakt waar van de Rechtvaardige.

Zonder een zweem van hoogmoed kan iemand die wijs is door Gods geboden, zeggen: “Ik ben verstandiger dan al mijn leraren” (vers 9999Ik ben verstandiger dan al mijn leraren,
want Uw getuigenissen zijn mij [tot] overdenking.
)
. Zijn verstand is het door Gods Woord en Gods Geest verlichte verstand, omdat hij Gods getuigenissen tot zijn overdenking heeft gemaakt. Hij kan met verstand spreken over de dingen van het leven waarmee anderen worstelen. Evenals de twee vorige verzen geldt dit volmaakt voor de Heer Jezus.

De rechtvaardige kan, zelfs als hij jong is, ook zonder een zweem van hoogmoed zeggen dat hij “meer inzicht dan de ouderen” heeft (vers 100100Ik heb meer inzicht dan de ouderen,
omdat ik Uw bevelen in acht genomen heb.
)
. Hij heeft niet alleen Gods Woord overdacht, maar dat ook in acht genomen, dat wil zeggen dat hij ernaar heeft geleefd. Daardoor wordt zijn inzicht in alle dingen van dit leven als een licht dat elk ding in zijn ware aard en in zijn juiste verhouding tot elk ander dinglaat zien. De Heer Jezus heeft als Jongen van twaalf jaar meer inzicht dan de leraren en de ouderen die zich als Zijn vijanden zullen ontpoppen (Lk 2:46-4746En het gebeurde na drie dagen dat zij Hem in de tempel vonden, waar Hij zat te midden van de leraren en naar hen luisterde en hun vragen stelde.47Allen nu die Hem hoorden, waren buiten zichzelf over Zijn inzicht en Zijn antwoorden.).

Liefde voor het Woord van God, het erover nadenken, maakt wijs, verstandig en geeft inzicht (verzen 97-10097Hoe lief heb ik Uw wet!
Hij is heel de dag mijn overdenking.
98Uw geboden maken mij wijzer dan mijn vijanden,
want zij zijn voor eeuwig bij mij.
99Ik ben verstandiger dan al mijn leraren,
want Uw getuigenissen zijn mij [tot] overdenking.
100Ik heb meer inzicht dan de ouderen,
omdat ik Uw bevelen in acht genomen heb.
)
. Dit zal de rechtvaardige tot een praktijk brengen waarbij hij zijn voeten “van alle slechte paden” zal weerhouden (vers 101101Ik heb mijn voeten weerhouden van alle slechte paden,
opdat ik mij aan Uw woord zal houden.
)
. Daardoor laat hij zien dat hij zich aan Gods Woord houdt. Er zijn talloze slechte paden en er is maar één goed pad, dat is het pad dat Gods Woord aangeeft. Alle slechte paden voeren naar de dood, het ene goede pad voert naar het leven.

Dat hij zich aan Gods Woord houdt, is geen eigen prestatie. Hij wijkt niet van Gods bepalingen af omdat God hem heeft onderwezen (vers 102102Ik ben niet afgeweken van Uw bepalingen,
want Ú hebt mij onderwezen.
)
. Er is geen leraar zoals Hij (Jb 36:2222Zie, God is hoogverheven door Zijn kracht;
wie is een Leraar als Hij?
)
. Hij geeft het volmaakte onderwijs dat precies op de leerling is afgestemd. De algemene uitwerking van dit gezonde onderwijs in het Woord is dat het een afkeer van de zonde en een verlangen naar een leven in heiligheid tot Gods eer geeft (vgl. 2Tm 3:16-1716Alle Schrift is door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in [de] gerechtigheid,17opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust.).

Het onderwijs uit Gods Woord is zoet voor zijn gehemelte (vers 103103Hoe zoet zijn Uw woorden voor mijn gehemelte,
[zoeter] dan honing voor mijn mond.
)
. Het is aangenaam om in te nemen. De zoetheid ervan gaat boven de zoetheid van honing uit. Wie de zoetheid ervan heeft gesmaakt, heeft gesmaakt dat de Heer goedertieren is (1Pt 2:33als u geproefd hebt dat de Heer goedertieren is,). Daarom wil hij er meer van hebben.

De bevelen van de HEERE zijn de waarheid en geven inzicht in de weg van de waarheid (vers 104104Door Uw bevelen krijg ik inzicht,
daarom haat ik elk leugenpad.
)
. De gelovige die deze bevelen gehoorzaamt, krijgt inzicht in de wil van God. Het gevolg is dat hij “elk leugenpad” zal haten, want op dat pad worden de bevelen van de HEERE niet toegelaten. Het leugenpad van de zonde is een dwaalweg die naar de dood leidt. Dat weet de rechtvaardige omdat hij naar de bevelen luistert.


Het Woord geeft licht \nun\

105Uw woord is een lamp voor mijn voet
en een licht op mijn pad.
106Ik heb gezworen, en ik zal het gestand doen:
ik zal Uw rechtvaardige bepalingen in acht nemen.
107Ik ben ten zeerste verdrukt;
HEERE, maak mij levend overeenkomstig Uw woord.
108Aanvaard toch, HEERE, de vrijwillige gaven van mijn mond,
en leer mij Uw bepalingen.
109Mijn leven is voortdurend in gevaar,
toch vergeet ik Uw wet niet.
110De goddelozen hebben voor mij een strik gezet,
toch ben ik van Uw bevelen niet afgedwaald.
111Uw getuigenissen heb ik voor eeuwig in erfelijk bezit genomen,
want zij zijn de vreugde van mijn hart.
112Ik heb mijn hart geneigd om overeenkomstig Uw verordeningen te handelen,
voor eeuwig, tot het einde toe.

Het Woord van God verspreidt geen duisternis, maar licht (Sp 6:2323Want een gebod is een lamp, en onderricht is een licht,
bestraffingen [en] vermaning zijn de weg van het leven,
)
. Het is een lamp die voor de voet van de gelovige schijnt waardoor hij weet waar hij de volgende voetstap moet zetten in een wereld die volledig duister is (vers 105105Uw woord is een lamp voor mijn voet
en een licht op mijn pad.
)
. Het Woord van God is ook een licht op het pad van de gelovige. Een licht schijnt verder vooruit op het pad. Het Woord schijnt in de duisternis en laat de richting en het doel duidelijk zien, zodat de weg naar het doel gevolgd kan worden.

Omdat het Woord van God licht geeft, heeft de rechtvaardige de vaste wil om Gods rechtvaardige bepalingen in acht te nemen (vers 106106Ik heb gezworen, en ik zal het gestand doen:
ik zal Uw rechtvaardige bepalingen in acht nemen.
)
. Hij verklaart op plechtige wijze met een eed dat hij zijn wil in daden zal omzetten. Deze overtuiging spreekt iemand alleen uit, als hij de waarde van Gods Woord als gids voor zijn leven kent én aanvaardt.

De vaste wil hebben om Gods Woord te gehoorzamen levert verdrukking op in plaats van een rustig leven (vers 107107Ik ben ten zeerste verdrukt;
HEERE, maak mij levend overeenkomstig Uw woord.
)
. Dat komt doordat de gelovige leeft in een wereld die erop uit is hem het zwijgen op te leggen. Zijn leven getuigt van Wie God is. Met die God willen de goddelozen afrekenen. De gelovige richt zich daarom tot de HEERE en vraagt of Hij hem tot een levende getuige wil maken die niet zwicht voor de druk om te zwijgen.

De gelovige is een offeraar en een leerling (vers 108108Aanvaard toch, HEERE, de vrijwillige gaven van mijn mond,
en leer mij Uw bepalingen.
)
. Als offeraar of priester komt hij tot God met vrijwillige gaven van zijn mond, dat zijn offers van lof en dank (Hs 14:33Neem [deze] woorden met u mee,
bekeer u tot de HEERE.
Zeg tegen Hem:
Neem alle ongerechtigheid weg, neem het goede aan.
Dan zullen wij de offers van onze lippen nakomen.
; vgl. 1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.; Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.)
. Hij wenst dat God die aanvaardt. Hij wil die offers brengen op een Hem welgevallige wijze. Daarom vraagt hij als een leerling aan de HEERE hem Zijn bepalingen te leren. Wij, christenen, weten dat de Vader aanbidders zoekt en dat Hij ook zegt hoe wij dat moeten doen (Jh 4:23-2423Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.).

Buiten het heiligdom is de rechtvaardige voortdurend in gevaar (vers 109109Mijn leven is voortdurend in gevaar,
toch vergeet ik Uw wet niet.
)
. De goddelozen willen hem de mond stoppen. Ze willen niet dat de gelovige God eert en willen ook niet door zijn leven aan Hem herinnerd worden. De rechtvaardige laat zich niet door hen intimideren om Gods Woord te vergeten. Dat Woord is juist zijn bescherming tegen het gevaar.

Dat het leven van de rechtvaardige in gevaar is, is niet denkbeeldig. De goddelozen hebben namelijk een strik voor hem gezet (vers 110110De goddelozen hebben voor mij een strik gezet,
toch ben ik van Uw bevelen niet afgedwaald.
)
. Het heeft hem echter niet in de verleiding gebracht om dan maar van de bevelen van de HEERE af te dwalen. Ze bewaren hem juist op de weg van de HEERE zodat hij niet in de strik van de vijand terechtkomt. Zo hebben de pogingen van de vijand om hem te verstrikken in plaats van hem los te maken van de HEERE hem in Zijn armen gedreven.

Het is zelfs zo, dat hij de getuigenissen van de HEERE voor eeuwig in erfelijk bezit heeft genomen (vers 111111Uw getuigenissen heb ik voor eeuwig in erfelijk bezit genomen,
want zij zijn de vreugde van mijn hart.
)
. Het is als een nalatenschap. Het valt iemand zomaar in de schoot. Iemand kan niet zichzelf tot erfgenaam verklaren en hij kan de erfenis ook niet zelf uitzoeken. Iemand kan wel een erfenis weigeren of verwerpen, er afstand van doen, als blijkt dat de erfenis uit schulden bestaat. Voor de rechtvaardige is dit geen vraag. Hij omarmt dit onvoorziene geschenk met vreugde in zijn hart. De erfenis is voor hem het grootst denkbare geschenk: het is Gods Woord.

Wie het erfelijk bezit waardeert en bewaart, zal zijn hart ernaar neigen om er het volle profijt van te hebben (vers 112112Ik heb mijn hart geneigd om overeenkomstig Uw verordeningen te handelen,
voor eeuwig, tot het einde toe.
)
. Hij zal willen weten wat het erfelijk bezit allemaal inhoudt. Daarbij komt zijn voornemen om alles wat hij erin ontdekt, zijn hele verdere leven door, “voor eeuwig, tot het einde toe”, in zijn leven een plaats te geven.


Vrees voor het Woord \samech\

113Ik haat de halfhartigen,
maar Uw wet heb ik lief.
114U bent mijn schuilplaats en mijn schild,
op Uw woord heb ik gehoopt.
115Ga weg van mij, kwaaddoeners,
zodat ik de geboden van mijn God in acht zal nemen.
116Ondersteun mij overeenkomstig Uw belofte, dan zal ik leven;
laat mij in mijn hoop niet beschaamd worden.
117Ondersteun mij, dan ben ik verlost
en vermaak ik mij voortdurend in Uw verordeningen.
118U verwerpt allen die van Uw verordeningen afdwalen,
want hun bedrog is leugen.
119U doet alle goddelozen van de aarde weg [als] schuim,
daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
120[Het haar van] mijn lichaam is te berge gerezen uit grote vrees voor U,
ik heb gevreesd voor Uw oordelen.

De oprechte “haat de halfhartigen” (vers 113113Ik haat de halfhartigen,
maar Uw wet heb ik lief.
)
. Dit zijn mensen met een ‘dubbele ziel’ (Jk 1:88hij is een wankelmoedig man, onberekenbaar in al zijn wegen.). Zulke mensen zeggen dat ze God liefhebben, maar in werkelijkheid verachten ze Hem. Dat blijkt uit hun houding tegenover het onderwijs uit Gods Woord. De oprechte daarentegen heeft de wet van de HEERE lief. Hij verlangt naar het onderwijs uit Gods Woord. Zijn haat van de halfhartigen komt dan ook uit dit onderwijs voort. Het is de haat van God Zelf (Ps 139:21-2221Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten,
walgen van wie tegen U opstaan?
22Ik haat hen met een volkomen haat,
mijn [eigen] vijanden zijn het.
)
.

De Godvrezende wordt vanwege zijn haat van de halfhartigen vervolgd. Dat brengt hem tot een nieuwe ervaring, en wel dat de HEERE zijn schuilplaats en zijn schild is (vers 114114U bent mijn schuilplaats en mijn schild,
op Uw woord heb ik gehoopt.
)
. Zijn hoop op het woord van de HEERE brengt hem in veiligheid en biedt hem bescherming. Tevens is Gods Woord ook een schuilplaats en schild voor alle hatelijke woorden die als vurige pijlen op hem worden afgeschoten, want hoop en vertrouwen daarop zullen de vurige pijlen tegenhouden (Ef 6:1616terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.).

De Godvrezende leeft te midden van de kwaaddoeners (vers 115115Ga weg van mij, kwaaddoeners,
zodat ik de geboden van mijn God in acht zal nemen.
)
. In plaats van tot de HEERE wendt hij zich bij wijze van uitzondering een keer tot hen. Hij gebiedt hen dat ze van hem weg moeten gaan, want hij wil niets met hen te maken hebben. Als hij toestaat dat zij in zijn leven hun invloed uitoefenen, zal dat ten koste gaan van het in acht nemen van de geboden van God (vgl. 1Ko 15:3333Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden.). Dat wil hij niet. Dat moet geen gelovige willen. Daarom zal hij kwaaddoeners de deur wijzen (2Jh 1:1010Als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en begroet hem niet.; Tt 3:1010Verwerp een sektarisch mens na [de] eerste en tweede vermaning,; vgl. Rm 16:1717En ik vermaan u, broeders, geeft acht op hen die tweedracht en aanleidingen tot vallen verwekken tegen de leer die u geleerd hebt, en onttrekt u aan hen.) en zich verzetten tegen een vals evangelie (Gl 2:4-54en [dat] vanwege de binnengeslopen valse broeders, die zich hadden binnengedrongen om onze vrijheid te bespieden die wij in Christus Jezus hebben, met het doel ons tot slavernij te brengen.5Voor hen zijn wij ook geen uur geweken door ons te onderwerpen, opdat de waarheid van het evangelie bij u blijft.).

Het krachtige optreden van het vorige vers is alleen mogelijk als er tegelijk een beroep wordt gedaan op de belofte van God dat Hij ondersteunt wie op Hem vertrouwt (vers 116116Ondersteun mij overeenkomstig Uw belofte, dan zal ik leven;
laat mij in mijn hoop niet beschaamd worden.
)
. Dan zal de Godvrezende leven, dat wil zeggen dat hij het ware leven zal leven. Hij vraagt om Gods ondersteuning omdat hij niet in zijn hoop beschaamd wil worden.

De ondersteuning waar hij om vraagt, is met het oog op hen die hem vervolgen, want van hen wil hij verlost zijn (vers 117117Ondersteun mij, dan ben ik verlost
en vermaak ik mij voortdurend in Uw verordeningen.
)
. Hij vraagt niet om zijn vervolgers om te brengen. Als de HEERE hem ondersteunt, is hij op Hem gericht en niet meer bang voor zijn vervolgers. Dan vermaakt hij zich voortdurend in de verordeningen van de HEERE. Die bepalen dan de inhoud van zijn leven en niet zij die hem naar het leven staan.

Hij laat het oordeel over zijn vervolgers aan de HEERE over (vers 118118U verwerpt allen die van Uw verordeningen afdwalen,
want hun bedrog is leugen.
)
. Hij weet dat de HEERE allen verwerpt die van Zijn verordeningen afdwalen. Ze bedriegen anderen met hun leugentaal. Het gaat hier profetisch om mensen die de antichrist in zijn leugenachtige bedriegerijen volgen.

Al deze goddelozen worden door de HEERE als schuim van de aarde weggedaan (vers 119119U doet alle goddelozen van de aarde weg [als] schuim,
daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
)
. Hiermee verwijst de rechtvaardige naar het smeltproces waarbij een smelter het schuim verwijdert dat op het gesmolten edelmetaal drijft (Js 1:25-2625Ik zal Mij tegen u keren,
Ik zal uw schuim als met loog uitzuiveren
en Ik zal al uw tin wegnemen.26Ik zal uw rechters teruggeven als vroeger,
en uw raadslieden als in het begin.
Daarna zult u genoemd worden:
stad van de gerechtigheid, trouwe stad.
; Ml 3:2-32Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?
Wie zal bij Zijn verschijning standhouden?
Want Hij is als vuur van een edelsmid,
en als zeep van de blekers.
3Hij zal zitten [als iemand] die zilver smelt en reinigt:
Hij zal de Levieten reinigen en hen zuiveren als goud en zilver.
Dan zullen zij de HEERE een graanoffer brengen in gerechtigheid.
; 1Pt 1:77opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus.)
. Hij weet dat God op rechtvaardige wijze met de goddelozen zal handelen. Het is voor hem een extra motief om Gods getuigenissen lief te hebben. Hij wil niet als schuim worden weggedaan (vgl. Ez 22:19-2219Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u allen schuim bent geworden, zie, daarom breng Ik u bijeen in het midden van Jeruzalem.20[Zoals] zilver, koper, ijzer, lood en tin in het midden van een oven bijeengebracht worden [en] er een vuur over wordt aangeblazen om het te laten smelten, zo zal Ik u bijeenbrengen in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid. Dan zal Ik [u daarin] zetten en laten smelten.21Ik zal u verzamelen en Ik zal op u blazen in het vuur van Mijn verbolgenheid, zodat u in het midden ervan gesmolten wordt.22Zoals het smelten van zilver midden in een oven, zo zult u in het midden ervan gesmolten worden. Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, Mijn grimmigheid over u uitgestort heb.).

Het oordeel over de goddelozen (vers 119119U doet alle goddelozen van de aarde weg [als] schuim,
daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
)
is voor de Godvrezende behalve een motief om de getuigenissen van de HEERE lief te hebben ook een motief om Hem te vrezen (vers 120120[Het haar van] mijn lichaam is te berge gerezen uit grote vrees voor U,
ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
)
. Hij heeft daardoor grote vrees voor Hem (vgl. Op 1:1717En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei: Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste,; Js 6:55Toen zei ik:
Wee mij, want ik verga!
Ik ben immers een man met onreine lippen
en woon te midden van een volk met onreine lippen.
Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien.
)
. Dat zijn haar daarbij te berge is gerezen, wil zoiets zeggen dat het hem, zoals wij dat noemen, kippenvel heeft bezorgd. Hij is in zichzelf niet beter dan de goddelozen en heeft gevreesd voor Gods oordelen. Dat is tegelijk het grote verschil met de goddelozen, want die tonen geen enkele vrees voor Hem Die zozeer te vrezen is.


Rechtvaardigheid van het Woord \ain\

121Ik heb recht en gerechtigheid gedaan;
geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
122Wees borg voor het welzijn van Uw dienaar;
laat de hoogmoedigen mij niet onderdrukken.
123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil
en naar de belofte van Uw rechtvaardigheid.
124Doe met Uw dienaar overeenkomstig Uw goedertierenheid,
en leer mij Uw verordeningen.
125Ik ben Uw dienaar; geef mij inzicht,
dan zal ik Uw getuigenissen kennen.
126Het is tijd voor de HEERE om te handelen,
[want] zij hebben Uw wet verbroken.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud,
ja, meer dan zuiver goud.
128Daarom heb ik al [Uw] bevelen [in] alles voor recht gehouden,
[maar] elk leugenpad heb ik gehaat.

De rechtvaardige kan tegen de HEERE zeggen dat hij “recht en gerechtigheid gedaan” heeft (vers 121121Ik heb recht en gerechtigheid gedaan;
geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
)
. Dit betekent niet dat hij zonder zonde is, maar dat hij naar zijn oprechtheid de HEERE heeft gediend. Het verkeerde dat hij heeft gedaan, heeft hij beleden, zodat er niets is tussen hem en de HEERE. Op grond daarvan vraagt hij aan de HEERE hem niet aan zijn onderdrukkers over te geven. Voor zijn bewaring voor zijn onderdrukkers rekent hij niet op zijn eigen kracht, maar op de HEERE.

In vers 122122Wees borg voor het welzijn van Uw dienaar;
laat de hoogmoedigen mij niet onderdrukken.
gaat hij nog een stap verder. Hij vraagt aan de HEERE om borg te zijn voor zijn welzijn (vgl. Js 38:1414Als een zwaluw [of] kraanvogel, zo piepte ik,
ik kirde als een duif.
Mijn ogen waren smekend opgeslagen naar omhoog:
Heere, ik word neergedrukt; wees U mijn Borg!
)
en de hoogmoedigen niet toe te staan hem te onderdrukken en zo zijn welzijn te verderven. Daarbij stelt hij zich weer aan Hem als “Uw dienaar” voor. Een borg is niet alleen een beschermer, maar ook en vooral een plaatsvervanger, iemand die de zaak van een ander op zich neemt en tot de zijne maakt. Dit is de Heer Jezus in volmaakte zin voor de Zijnen omdat Hij op het kruis hun zonden op Zich heeft genomen. En ook nu Hij in de hemel is, is Hij de Borg voor de Zijnen (Rm 8:3434wie is het die veroordeelt? Christus <Jezus> is het Die gestorven is, ja nog meer, Die opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt.; Hb 7:22,2522in zover is Jezus <ook> Borg geworden van een beter verbond.25Daarom kan Hij ook volledig behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden.).

De ogen van de rechtvaardige zijn bezweken van verlangen naar het heil of de behoudenis van de HEERE (vers 123123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil
en naar de belofte van Uw rechtvaardigheid.
)
, dat is naar Zijn uitredding en vrede. De rechtvaardige heeft daarvoor een grond en dat is de belofte van de rechtvaardigheid van de HEERE. Die rechtvaardigheid houdt de belofte in dat Hij het kwaad zal oordelen en het goede zal belonen. Hij zal beide doen wanneer Hij in Christus voor de tweede keer naar de aarde komt.

De psalmist vraagt als dienaar van de HEERE aan Hem om met hem te doen overeenkomstig Zijn goedertierenheid (vers 124124Doe met Uw dienaar overeenkomstig Uw goedertierenheid,
en leer mij Uw verordeningen.
)
. Die goedertierenheid houdt bescherming tegen zijn vervolgers in, maar ook onderwijs in de verordeningen van de HEERE. Dingen staan nooit op zichzelf. Ze zijn altijd op de een of andere manier verbonden met Gods Woord. Daarin kunnen we leren hoe God tegen de dingen aankijkt, waardoor wij Zijn zicht erop krijgen.

Daarop sluit zijn volgende vraag aan de HEERE aan, waarin hij om inzicht vraagt (vers 125125Ik ben Uw dienaar; geef mij inzicht,
dan zal ik Uw getuigenissen kennen.
)
. Nadrukkelijk stelt hij deze vraag als Zijn dienaar. Als de HEERE hem inzicht geeft, zal hij Zijn getuigenissen kennen. Hier zien we dat het ontvangen van inzicht afhankelijk is van onze bereidwilligheid om Hem te dienen. Een dienaar vraagt naar de wil van zijn heer en voert die ook uit.

Door het ontvangen inzicht is het voor de rechtvaardige duidelijk dat het “tijd voor de HEERE” is “om te handelen” (vers 126126Het is tijd voor de HEERE om te handelen,
[want] zij hebben Uw wet verbroken.
)
. Het is belangrijk de tijden te kennen (vgl. 1Kr 12:3232En van de nakomelingen van Issaschar, die inzicht hadden in de tijden om te weten wat Israël moest doen: hun hoofden waren er tweehonderd, met al hun broeders onder hun bevel.) en niet vóór de tijd te handelen (vgl. 2Kn 5:2626Maar hij zei tegen hem: Ging mijn hart niet mee, toen die man zich vanaf zijn wagen omkeerde [en] je tegemoet ging? Was het tijd om dat zilver aan te nemen en gewaden aan te nemen, [om] olijfbomen en wijngaarden, schapen en runderen, dienaren en dienaressen [te kunnen kopen]?). De vraag aan de HEERE om te handelen is geen vraag van ongeduld, maar de vraag om nu op te treden omdat Zijn wet is verbroken. De wet is talloze malen verbroken, maar in de eindtijd zal dat op de meest stuitende wijze gebeuren, waardoor langer uitstel van oordeel niet meer mogelijk is.

Omdat Gods Woord inzicht geeft in de tijd van het handelen van de HEERE, heeft de Godvrezende de geboden van de HEERE lief (vers 127127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud,
ja, meer dan zuiver goud.
)
. Zijn liefde voor die geboden gaat de waarde van goud, ja, van zuiver goud, ver te boven. Goud mag veel waard zijn, maar het bezit ervan is broos, want het kan zo verdwenen zijn, en tijdelijk, want het genot ervan stopt bij de dood.

Dat zijn waardering van Gods Woord de waarde van goud ver te boven gaat, blijkt uit zijn gehoorzaamheid eraan. Hij heeft al Gods bevelen in alles voor recht gehouden (vers 128128Daarom heb ik al [Uw] bevelen [in] alles voor recht gehouden,
[maar] elk leugenpad heb ik gehaat.
)
. Ze zijn de waarheid. Daartegenover heeft hij “elk leugenpad … gehaat”. De absolute maatstaf voor het verschil tussen goed en kwaad is het Woord. Liefde voor Gods Woord betekent automatisch het haten van de leugen en elk leugenpad, elke weg waarop de leugen hoogtij viert. Het is onmogelijk dat beide samengaan (vgl. Mt 6:2424Niemand kan twee heren dienen, want hij zal òf de een haten en de ander liefhebben, òf zich aan de een hechten en de ander verachten. U kunt niet God dienen en Mammon.).


De wonderen van het Woord \pe\

129Uw getuigenissen zijn wonderen,
daarom zal mijn ziel die in acht nemen.
130Het opengaan van Uw woorden geeft licht,
het schenkt eenvoudigen inzicht.
131Ik sper mijn mond open en hijg,
want ik verlang naar Uw geboden.
132Wend U tot mij en wees mij genadig,
overeenkomstig het recht voor wie Uw Naam liefhebben.
133Laat mijn voetstappen vaststaan in Uw woord,
laat geen enkel onrecht over mij heersen.
134Verlos mij van de onderdrukking door mensen,
dan zal ik Uw bevelen in acht nemen.
135Doe Uw aangezicht lichten over Uw dienaar,
en leer mij Uw verordeningen.
136Beken [vol] water stromen uit mijn ogen neer,
omdat men Uw wet niet in acht neemt.

Wie Gods Woord enigszins kent, komt telkens weer en telkens meer onder de indruk van de wonderen van Gods getuigenissen (vers 129129Uw getuigenissen zijn wonderen,
daarom zal mijn ziel die in acht nemen.
)
. Dat kan ook niet anders want een van de namen van de Auteur is ”Wonderlijk” (Js 9:55Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
)
. Hij is ook de God Die wonderen doet (Ps 72:1818Geloofd zij de HEERE God, de God van Israël;
Hij doet wonderen, Hij alleen.
)
. Het versterkt het verlangen van de ziel om de getuigenissen van zo’n God in acht te nemen.

Het leven is ingewikkeld en er zijn veel vragen. Wat is het Woord dan een kostbaar geschenk. Als dat geopend wordt, straalt het licht eruit op alle situaties waarin de rechtvaardige kan zijn (vers 130130Het opengaan van Uw woorden geeft licht,
het schenkt eenvoudigen inzicht.
)
. Dan krijgen “de eenvoudigen inzicht”. De ‘eenvoudigen’ zijn de gelovigen die geen hoge dunk van zichzelf hebben en zich tot Gods Woord wenden om inzicht te krijgen in de omstandigheden (vgl. Mt 11:2525In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard.).

De psalmist is zo’n eenvoudige. Hij heeft intense honger naar het Woord van God (vers 131131Ik sper mijn mond open en hijg,
want ik verlang naar Uw geboden.
)
. Hij doet niet slechts zijn mond open, maar spert hem wijd open zoals jonge vogels dat doen als de moeder met eten komt. Ook hijgt hij, want hij heeft zich ingespannen om de geboden tot zich te nemen, zo groot is zijn verlangen ernaar (vgl. Ps 42:2-32Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God.
Wanneer zal ik binnengaan
om voor Gods aangezicht te verschijnen?
; 1Pt 2:22Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis;)
.

Wie het Woord tot zich heeft genomen, gaat vrijmoedig naar God toe met de vraag Zich tot hem te wenden om hem genadig te zijn (vers 132132Wend U tot mij en wees mij genadig,
overeenkomstig het recht voor wie Uw Naam liefhebben.
)
. De rechtvaardige heeft er in Gods Woord over gelezen dat het overeenkomstig het recht van God is als daarnaar wordt gevraagd door hen die Zijn Naam liefhebben. Aan Gods recht is namelijk door Zijn Zoon op het kruis voldaan voor allen die in Hem geloven.

Er zijn twee kanten aan het leven van de liefhebber van Gods Naam. De ene kant is dat zijn voetstappen vaststaan in Gods Woord (vers 133133Laat mijn voetstappen vaststaan in Uw woord,
laat geen enkel onrecht over mij heersen.
)
. Hij vraagt erom dat dit zo mag zijn, dat hij zal leven naar de wil van God die Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard. Aan de andere kant beseft hij dat hij te midden van een wereld vol onrecht leeft, die hem gemakkelijk kan aankleven. Daarom vraagt hij dat God hem daarvoor bewaart en dat “geen enkel onrecht” over hem zal heersen. Als het eerste gebeurt, zal het tweede ook gebeuren.

Er wordt druk door mensen op hem uitgeoefend om hem voor het onrecht te laten buigen. Hij vraagt aan God om hem van die onderdrukking te verlossen (vers 134134Verlos mij van de onderdrukking door mensen,
dan zal ik Uw bevelen in acht nemen.
)
. Door die verdrukking voelt hij een verhindering om Gods bevelen in acht te nemen. Als God hem daarvan verlost, is hij vrij Zijn bevelen in acht te nemen.

Er is door en bij het verlangen naar Gods Woord ook verlangen naar het licht van Gods aangezicht over hem (vers 135135Doe Uw aangezicht lichten over Uw dienaar,
en leer mij Uw verordeningen.
)
. Hiermee vraagt hij om het licht van Gods tegenwoordigheid, om Zijn aanwezigheid in zijn leven als Gods dienaar. Het licht van Gods aanwezigheid is het enig goede licht waarin God Zijn verordeningen kan onderwijzen.

Terwijl hij in Gods licht is, voelt hij meer dan ergens anders dat Gods wet niet in acht wordt genomen (vers 136136Beken [vol] water stromen uit mijn ogen neer,
omdat men Uw wet niet in acht neemt.
)
. Door het verachten van de gave van de wet wordt de Wetgever Zelf veracht. Het zijn in Gods tegenwoordigheid maakt hem daarvoor in bijzondere mate gevoelig. Het veroorzaakt een stroom van water uit zijn ogen, zo diep verdrietig is hij over de verachting van de wet (vgl. Rm 9:1-51Ik spreek [de] waarheid in Christus, ik lieg niet, terwijl mijn geweten meegetuigt door [de] Heilige Geest,2dat ik grote droefheid heb en een onophoudelijke smart in mijn hart.3Want zelf heb ik gewenst door een vloek [gescheiden] te zijn van Christus ter wille van mijn broeders, mijn verwanten naar [het] vlees.4Israëlieten zijn zij, van hen is het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst en de beloften;5tot hen behoren de vaderen, en uit hen is naar [het] vlees de Christus, Die God is over alles, gezegend tot in eeuwigheid. Amen.; Lk 19:41-4441En toen Hij naderde en de stad zag, weende Hij over haar42en zei: Och, mocht op deze <uw> dag ook u erkennen wat tot <uw> vrede [dient]. Nu is het echter verborgen voor uw ogen.43Want er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen en u zullen omsingelen en u van alle zijden benauwen;44en zij zullen u met de grond gelijkmaken met uw kinderen in u; en zij zullen in u geen steen op [de andere] steen laten, aangezien u de tijd waarin naar u werd omgezien, niet hebt erkend.).


Het Woord is juist \tsade\

137U bent rechtvaardig, HEERE,
en [al] Uw oordelen zijn juist.
138U hebt [in] Uw getuigenissen gerechtigheid uitgevaardigd
en grote trouw.
139Mijn ijver heeft mij verteerd,
want mijn tegenstanders hebben Uw woorden vergeten.
140Uw woord is zeer gelouterd,
Uw dienaar heeft het lief.
141Ik ben klein en veracht,
[maar] Uw bevelen heb ik niet vergeten.
142Uw gerechtigheid is een gerechtigheid voor eeuwig
en Uw wet is waarachtig.
143Benauwdheid en nood hebben mij getroffen,
[maar] Uw geboden zijn mijn bron van blijdschap.
144Uw rechtvaardige getuigenissen zijn voor eeuwig;
geef mij inzicht, dan zal ik leven.

Dit couplet begint met het uitspreken van de diepe overtuiging door de rechtvaardige tot de HEERE: “U bent rechtvaardig” (vers 137137U bent rechtvaardig, HEERE,
en [al] Uw oordelen zijn juist.
)
. En omdat de HEERE rechtvaardig is, zijn al Zijn oordelen “juist” (vgl. Op 15:3-43En zij zingen het lied van Mozes, de slaaf van God, en het lied van het Lam en zeggen: Groot en wonderbaar zijn Uw werken, Heer, God de Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Koning van de naties!4Wie toch zou <U> niet vrezen, Heer, en Uw Naam niet verheerlijken? Want U alleen bent heilig, want alle naties zullen komen en zich voor U neerbuigen, omdat Uw gerechtigheden openbaar zijn geworden.). Zijn oordelen en Zijn Persoon zijn volmaakt met elkaar in overeenstemming (Dt 32:44Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.
)
. Deze vaststelling is van groot belang. Iemand die dit niet gelooft of daaraan twijfelt, kan Gods Woord niet begrijpen, maar bekritiseert het.

De bewijzen van de vaststelling van vers 137137U bent rechtvaardig, HEERE,
en [al] Uw oordelen zijn juist.
worden in vers 138138U hebt [in] Uw getuigenissen gerechtigheid uitgevaardigd
en grote trouw.
gegeven. De HEERE heeft in Zijn getuigenissen zowel “gerechtigheid uitgevaardigd” als “grote trouw”. Alles wat Hij zegt en doet, bewijst dat Hij rechtvaardig en groot in trouw is. Er is bij Hem geen onrecht aanwezig. Daarom kan Hij ook niet ontrouw zijn.

De rechtvaardige is ijverig bezig met het handhaven van de woorden van de HEERE (vers 139139Mijn ijver heeft mij verteerd,
want mijn tegenstanders hebben Uw woorden vergeten.
)
. Dat is nodig omdat de afvallige massa van Gods volk, die zijn tegenstanders zijn, Zijn woorden hebben vergeten. De ijver van de rechtvaardige komt voort uit zijn liefde voor Gods woorden. De tegenstanders van de getrouwen houden geen rekening met wat Hij heeft gezegd, maar gaan daar met grote kracht tegenin. Dat verteert de rechtvaardige die door liefde voor Gods woorden wordt gedreven.

De Godvrezende heeft Gods Woord niet vergeten, maar waardeert het ten volle. Hij zegt tegen God dat Zijn Woord “zeer gelouterd” is (vers 140140Uw woord is zeer gelouterd,
Uw dienaar heeft het lief.
)
. Er zijn talloze aanvallen op gedaan om het te ontkrachten of uit te roeien. Maar al die aanvallen hebben de zuiverheid ervan des te meer aangetoond. De vijand heeft het tegendeel bereikt van zijn bedoelingen. De dienaar van God heeft het zeer gelouterde Woord van God niet vergeten of verworpen, maar juist lief.

In vers 141141Ik ben klein en veracht,
[maar] Uw bevelen heb ik niet vergeten.
horen we in de psalmist het gelovig overblijfsel spreken. Ze erkennen dat ze “klein en veracht” zijn in vergelijking met de massa van hun afvallige, vijandige volksgenoten. Maar terwijl hun tegenstanders Gods Woord hebben vergeten (vers 139139Mijn ijver heeft mij verteerd,
want mijn tegenstanders hebben Uw woorden vergeten.
)
, kunnen zij zeggen dat zij de bevelen van de HEERE niet vergeten hebben. Ze zijn daarop, juist omdat ze klein en veracht zijn, volledig aangewezen. Daarin vinden zij hun kracht om tegen de vijandschap van de goddeloze massa stand te houden.

De gerechtigheid van God “is een gerechtigheid voor eeuwig” (vers 142142Uw gerechtigheid is een gerechtigheid voor eeuwig
en Uw wet is waarachtig.
)
. Gerechtigheid is het rechtvaardig handelen van God, een handelen dat in overeenstemming is met Zijn heiligheid. Daarom heeft het niet slechts een tijdelijk effect, maar blijven de resultaten daarvan eeuwig bestaan. Direct daaraan verbonden is de vaststelling dat de wet van de HEERE “waarachtig” is, volkomen waar en betrouwbaar, zonder een zweem van onwaarheid.

De getrouwe is door “benauwdheid en nood” getroffen (vers 143143Benauwdheid en nood hebben mij getroffen,
[maar] Uw geboden zijn mijn bron van blijdschap.
)
. Dit wijst op de tijd van de grote verdrukking waarin alle getrouwen, dat is het gelovig overblijfsel, zich aan het einde van de tijd zullen bevinden. In die tijd van grote nood hebben ze een bron van blijdschap die hen door die tijd heen zal helpen. Die bron wordt gevormd door de geboden van de HEERE.

De verdrukking kan lang duren, maar er komt een einde aan. Dat is met de rechtvaardige getuigenissen van de HEERE anders, want die zijn “voor eeuwig” (vers 144144Uw rechtvaardige getuigenissen zijn voor eeuwig;
geef mij inzicht, dan zal ik leven.
)
. De rechtvaardige vraagt om inzicht in die getuigenissen, want daarin bevindt zich het leven. Dit leven is het leven met God en geldt voor zowel nu als in de toekomst, want Zijn getuigenissen zijn voor eeuwig.

Gods getuigenissen zijn volledig, er komen geen nieuwe meer. Wat we als christenen nodig hebben, zijn geen nieuwe getuigenissen of openbaringen, maar een dieper inzicht in de door God gegeven openbaring in Zijn Woord. Zonder inzicht in deze Schriftopenbaring van God kan de mens niet leven, want daarin leert de mens Wie God is en wie hij zelf is.


Het Woord is waarachtig \koph\

145Ik heb met heel mijn hart geroepen;
verhoor mij, HEERE, ik zal Uw verordeningen in acht nemen.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij;
dan zal ik mij aan Uw getuigenissen houden.
147Ik ben de [morgen]schemering voor geweest en heb om hulp geroepen;
op Uw woord heb ik gehoopt.
148Mijn ogen zijn de [nacht]waken voor geweest
om Uw woord te overdenken.
149Hoor mijn stem overeenkomstig Uw goedertierenheid;
HEERE, maak mij levend overeenkomstig Uw recht.
150Wie schandelijk gedrag najagen, komen naderbij;
zij zijn ver van Uw wet verwijderd.
151[Maar] U, HEERE, bent nabij,
en al Uw geboden zijn waarachtig.
152[Al] vanouds weet ik van Uw getuigenissen,
ja, U hebt ze voor eeuwig gegrondvest.

De rechtvaardige heeft met heel zijn hart tot de HEERE geroepen (vers 145145Ik heb met heel mijn hart geroepen;
verhoor mij, HEERE, ik zal Uw verordeningen in acht nemen.
)
. Dit betekent dat hij een rein hart heeft, anders kan hij niet met heel zijn hart tot de HEERE roepen. Hij roept tot Hem aan omdat hij in nood is. Hij roept om verhoring. Daaraan verbindt hij de belofte om de verordeningen van de HEERE in acht te nemen.

In vers 146146Ik heb U aangeroepen, verlos mij;
dan zal ik mij aan Uw getuigenissen houden.
herhaalt hij zijn roep om verlossing. Het wijst op de ernst van de nood. Ook hier verbindt hij aan zijn verlossing de belofte om zich na zijn verlossing aan Gods getuigenissen te houden.

In vers 147147Ik ben de [morgen]schemering voor geweest en heb om hulp geroepen;
op Uw woord heb ik gehoopt.
spreekt hij verder over zijn roep om hulp en zegt daarvan dat hij geroepen heeft voordat de morgen begon te schemeren. Nog voor het aanbreken van de dag heeft hij tot God om hulp geroepen. Hij heeft dat gedaan omdat hij op Gods Woord heeft gehoopt.

Ook gedurende de nacht heeft hij zijn ogen geopend om Gods Woord te overdenken (vers 148148Mijn ogen zijn de [nacht]waken voor geweest
om Uw woord te overdenken.
)
. Hij is gewend om dat te doen tijdens de nachtwaken. Dat is een gewoonte voor hem, een goede gewoonte. Maar er zijn ook tijden dat hij van dit vaste patroon afwijkt. Hij is dan zo met een bepaalde zaak bezig, dat hij Gods woord overdenkt en niet wacht tot de gebruikelijke tijd ervoor.

De psalmist vraagt aan de HEERE om zijn stem te horen en dat te doen “overeenkomstig Uw goedertierenheid” (vers 149149Hoor mijn stem overeenkomstig Uw goedertierenheid;
HEERE, maak mij levend overeenkomstig Uw recht.
)
. Hij claimt geen recht om gehoord te worden, maar doet een beroep op Gods goedertierenheid. Wat hij vraagt, is hem levend te maken. Daarbij doet hij geen beroep op Gods goedertierenheid, maar op Zijn recht. Hij erkent God in het volle recht dat Hij op zijn leven heeft. Hij wil leven zoals het recht is voor God.

Hij voelt zich in zijn leven bedreigd door hen die “schandelijk gedrag najagen” (vers 150150Wie schandelijk gedrag najagen, komen naderbij;
zij zijn ver van Uw wet verwijderd.
)
. Zij “komen naderbij” om hem kwaad te doen. Ze gedragen zich zo, omdat zij ver van Gods wet verwijderd zijn. Ze houden in geen enkel opzicht rekening met het gezag van God.

De bedreigde rechtvaardige, die de goddelozen naderbij ziet komen, zegt tegen de HEERE dat Hij “nabij” is (vers 151151[Maar] U, HEERE, bent nabij,
en al Uw geboden zijn waarachtig.
)
. Als Hij nabij is, kunnen de kwaaddoeners nog zo dicht bij hem komen, maar de HEERE zal hem beschermen. De kwaaddoeners zijn ver van Gods wet verwijderd, maar de rechtvaardige spreekt het vol overtuiging uit dat al Gods geboden waarachtig zijn.

Dit is geen spontane belijdenis met het oog op dreigend gevaar, maar hij weet “vanouds” van Gods getuigenissen (vers 152152[Al] vanouds weet ik van Uw getuigenissen,
ja, U hebt ze voor eeuwig gegrondvest.
)
. Hij weet ervan ‘vanouds’ omdat ze altijd hebben bestaan. Hij weet ook dat God “ze voor eeuwig gegrondvest” heeft. God is eeuwig, daarom zijn ook Zijn getuigenis voor eeuwig vast.


Leven door het Woord \resj\

153Zie mijn ellende aan en red mij,
want Uw wet heb ik niet vergeten.
154Voer mijn rechtszaak en verlos mij;
maak mij levend overeenkomstig Uw belofte.
155Het heil is ver van de goddelozen,
want zij zoeken Uw verordeningen niet.
156Uw barmhartigheid is groot, HEERE;
maak mij levend overeenkomstig Uw bepalingen.
157Mijn vervolgers en tegenstanders zijn met velen,
[maar] van Uw getuigenissen wijk ik niet af.
158Ik zag hen die trouweloos handelen, en ik walgde,
omdat zij zich niet aan Uw woord hielden.
159Zie [toch] hoe ik Uw bevelen liefheb;
HEERE, maak mij levend overeenkomstig Uw goedertierenheid.
160[Vanaf] het begin is Uw woord waarachtig,
al Uw rechtvaardige bepalingen zijn voor eeuwig.

Als reden voor het aanzien van zijn ellende en zijn redding daaruit voert de psalmist aan dat hij Gods wet niet vergeten heeft (vers 153153Zie mijn ellende aan en red mij,
want Uw wet heb ik niet vergeten.
)
. Zijn vraag toont aan dat hij erop rekent dat God zijn ellende zal aanzien en hem zal redden. Die zekerheid ontleent hij aan Gods Woord, waarin hij God heeft leren kennen als een zorgende God, Die in barmhartigheid omziet naar de Zijnen, ook als ze in ellende zijn.

De rechtvaardige wordt aangeklaagd, er zijn zware beschuldigingen, die allemaal vals zijn (vers 154154Voer mijn rechtszaak en verlos mij;
maak mij levend overeenkomstig Uw belofte.
)
. Hij kan in vrijmoedigheid aan God vragen om zijn rechtszaak te voeren en het voor hem op te nemen. Dan zal hij verlost zijn en vrijuit gaan. Hij krijgt als het ware zijn leven terug, wat in overeenstemming is met Gods belofte dat Hij leven geeft aan wie zich tot Hem wendt.

Het heil of de behoudenis is “ver van de goddelozen” (vers 155155Het heil is ver van de goddelozen,
want zij zoeken Uw verordeningen niet.
)
. De oorzaak daarvan ligt niet bij God, maar bij henzelf. Zij zoeken namelijk Gods verordeningen niet. Wie aan Gods Woord voorbijgaan, zullen nooit het vrederijk binnengaan. Niet zoeken, wil zeggen er geen verlangen naar hebben. Ze willen zich niet met Gods Woord bezighouden.

De rechtvaardige daarentegen ziet dat de barmhartigheid van de HEERE groot is (vers 156156Uw barmhartigheid is groot, HEERE;
maak mij levend overeenkomstig Uw bepalingen.
)
. Dat heeft hij in zijn leven ervaren. Nu hij in ellende is, doet hij daarop opnieuw een beroep. Hij wil leven tot eer van God. Daarom vraagt hij dat God hem levend maakt overeenkomstig Zijn bepalingen. Hij weet dat het leven met God vast verbonden is aan wat Gods Woord zegt. Zonder het Woord is er geen leven. Het Woord is leven (Dt 32:4747Want het is geen woord zonder inhoud voor u, maar het is uw leven. En door dit woord zult u de dagen verlengen in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen.).

De druk op de rechtvaardige is groot (vers 157157Mijn vervolgers en tegenstanders zijn met velen,
[maar] van Uw getuigenissen wijk ik niet af.
)
. Hij wordt niet slechts door een enkeling vervolgd en tegengestaan, maar zijn “vervolgers en tegenstanders zijn met velen”. Het is erg om vervolgd te worden en tegenstand te ondervinden. Maar als dat massaal gebeurt, is dat wel een heel grote beproeving. Toch zegt de rechtvaardige dat hij niet van Gods getuigenissen afwijkt. Hij blijft met een voornemen van het hart bij de Heer (vgl. Hd 11:2323Toen hij daar aankwam en de genade van God zag, verblijdde hij zich en vermaande allen met het voornemen van hun hart bij de Heer te blijven.).

De psalmist heeft zijn ogen open voor wat er om hem heen gebeurt. Zo ziet hij “hen die trouweloos handelen” (vers 158158Ik zag hen die trouweloos handelen, en ik walgde,
omdat zij zich niet aan Uw woord hielden.
)
. Dat veroorzaakt walging bij hem. Die walging komt niet in hem op vanwege trouweloos handelen tegen hem, maar omdat zij zich niet aan Gods Woord houden. Trouweloosheid is afschuwelijk en dat te meer als de wil van God gekend wordt, maar men zich daar niet aan houdt.

We kunnen in onze tijd denken aan trouweloosheid in het huwelijk. Het is een van de walgelijkste vormen van ontrouw. We zien het ook in de ontrouw aan het man-zijn en vrouw-zijn in het algemeen. We zien dat in de wil tot geslachtsverandering omdat iemand zich niet meer man of vrouw voelt. Dit is zo stuitend, dat er een gevoel van walging is bij hen die zien hoezeer Gods Woord hiermee wordt vertrapt.

De psalmist wil blijven leven, hij wil opleven of herleven, omdat hij Gods bevelen liefheeft (vers 159159Zie [toch] hoe ik Uw bevelen liefheb;
HEERE, maak mij levend overeenkomstig Uw goedertierenheid.
)
. Zijn verlangen naar leven komt voort uit liefde voor Gods bevelen. Daarin staat dat het leven wordt beloofd aan wie Gods Woord liefhebben. Niet dat hij het recht op leven claimt. Hij doet daarvoor een beroep op Gods goedertierenheid.

Evenals het laatste vers van het vorige couplet (vers 152152[Al] vanouds weet ik van Uw getuigenissen,
ja, U hebt ze voor eeuwig gegrondvest.
)
, gaat het laatste vers van dit couplet over het begin van het Woord en dat het eeuwig is (vers 160160[Vanaf] het begin is Uw woord waarachtig,
al Uw rechtvaardige bepalingen zijn voor eeuwig.
)
. De Godvrezende verklaart dat Gods Woord “[vanaf] het begin … waarachtig” is. Het betekent niet dat het Woord een begin heeft, maar dat alles waarover het Woord spreekt en dat een begin heeft, het Woord daarover de waarheid spreekt. Het Woord, met al de rechtvaardige bepalingen die het bevat, heeft geen begin en ook geen einde, het is “voor eeuwig”.


Liefde voor het Woord \sin,sjin\

161Vorsten hebben mij zonder reden vervolgd,
maar voor Uw woord heeft mijn hart diep ontzag gehad.
162Ik ben verblijd over Uw belofte,
als [iemand] die een grote buit vindt.
163Ik haat de leugen en heb er een afschuw van,
[maar] Uw wet heb ik lief.
164Ik loof U zeven[maal] op een dag
om Uw rechtvaardige bepalingen.
165Wie Uw wet liefhebben, hebben diepe vrede;
voor hen ligt er geen struikelblok.
166Ik hoop op Uw heil, HEERE,
en doe Uw geboden.
167Mijn ziel neemt Uw getuigenissen in acht,
want ik heb ze zeer lief.
168Ik neem Uw bevelen en getuigenissen in acht,
want al mijn wegen [liggen] voor U [open].

De psalmist is niet bang geweest voor vorsten, maar hij heeft wel diep ontzag gehad voor Gods Woord (vers 161161Vorsten hebben mij zonder reden vervolgd,
maar voor Uw woord heeft mijn hart diep ontzag gehad.
)
. Dat heeft hem ervoor bewaard Gods Naam voor overheidspersonen, die hem zonder reden hebben vervolgd, te verloochenen, maar juist tegenover hen trouw van Hem te getuigen. Voorbeelden daarvan zijn Daniël voor Nebukadnezar, Paulus voor koning Agrippa en bovenal de Heer Jezus voor Pilatus.

De vreugde over Gods belofte is te vergelijken met het vinden van een grote buit (vers 162162Ik ben verblijd over Uw belofte,
als [iemand] die een grote buit vindt.
)
. Het is geen toevallige vondst, maar het resultaat van harde mijnwerkersarbeid die nodig is om goud te vinden. Het Woord van God is een goudmijn die een grote buit bevat voor hen die er moeite voor doen daarin te delven om die buit tevoorschijn te halen.

De leugen is totaal verwerpelijk en afschuwelijk en waard om te haten (vers 163163Ik haat de leugen en heb er een afschuw van,
[maar] Uw wet heb ik lief.
)
. De wet, Gods Woord, is de absolute waarheid en waard om lief te hebben. Deze gevoelens van haat en afschuw voor de leugen en liefde voor Gods Woord worden door het lezen van Gods Woord bewerkt. Door het Woord van God krijgen we de juiste aanvoeling van leugen en waarheid.

De psalmist looft God zeven keer per dag, dat is voortdurend, vanwege Gods rechtvaardige bepalingen die daarin staan (vers 164164Ik loof U zeven[maal] op een dag
om Uw rechtvaardige bepalingen.
)
. Het Woord van God bewerkt ook gevoelens van dankbaarheid. Alles in Gods Woord is ook bedoeld om ons tot lofprijzing van God te brengen. Wat krijgen we veel reden tot lofprijzing als we in Gods Woord ontdekken Wie de Heer Jezus voor Hem en voor ons is en wat Hij heeft gedaan en nog steeds doet.

Het liefhebben van het Woord van God heeft “diepe vrede” tot gevolg (vers 165165Wie Uw wet liefhebben, hebben diepe vrede;
voor hen ligt er geen struikelblok.
)
en dat in een wereld die vol onvrede en verleiding is. Die vrede is de vrede van God. Wie deze vrede kent, zal niet struikelen. Ze onderkennen elk struikelblok en stappen daaroverheen. Met die diepe vrede is de Heer Jezus Zijn weg op aarde gegaan, zonder struikeling.

Als de rechtvaardigen in problemen zijn, mogen ze op het heil of de behoudenis van de HEERE hopen, terwijl ze Zijn geboden doen (vers 166166Ik hoop op Uw heil, HEERE,
en doe Uw geboden.
)
. Deze hoop op de behoudenis is geen onzekerheid, maar betekent dat ze zeker weten dat wat is beloofd, komt (Hb 11:11Het geloof nu is [de] zekerheid van wat men hoopt, [de] overtuiging van wat men niet ziet.). Deze zekerheid maakt niet lichtzinnig, maar gehoorzaam aan de geboden van God.

De liefde tot God komt tot uiting in het in acht nemen van Gods getuigenissen (vers 167167Mijn ziel neemt Uw getuigenissen in acht,
want ik heb ze zeer lief.
)
. De psalmist spreekt over “mijn ziel”. Daarmee zegt hij dat zijn hele wezen, zijn hele innerlijk erbij betrokken is. Liefde voor Gods getuigenissen blijkt niet uit slechts een mondelinge verklaring, maar blijkt uit de volledige opname ervan in het hart van waaruit het in de praktijk zichtbaar wordt.

Als de bevelen en getuigenissen van God in acht worden genomen, is daaraan het besef verbonden dat alle wegen van de Godvrezende openliggen voor God (vers 168168Ik neem Uw bevelen en getuigenissen in acht,
want al mijn wegen [liggen] voor U [open].
; vgl. Hb 4:12-1312Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.13En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.)
. Omdat hij weet dat God al zijn wegen overziet, wil hij zich laten leiden door Zijn bevelen en getuigenissen. Voor God kennen de wegen die de Zijnen gaan, geen geheimen. Daarom is het zo nodig Zijn Woord te raadplegen, want daarin laat Hij zien welke weg ieder van de Zijnen moet gaan.


Lofzang over het Woord \taw\

169Laat mijn roepen naderen voor Uw aangezicht, HEERE;
geef mij inzicht overeenkomstig Uw woord.
170Laat mijn smeken voor Uw aangezicht komen;
red mij overeenkomstig Uw belofte.
171Mijn lippen vloeien over van lofzang,
want U leert mij Uw verordeningen.
172Mijn tong zal Uw woorden bezingen,
want al Uw geboden zijn rechtvaardig.
173Laat Uw hand mij te hulp komen,
want ik heb Uw bevelen uitgekozen.
174HEERE, ik verlang naar Uw heil;
Uw wet is mijn bron van blijdschap.
175Laat mijn ziel leven, dan zal hij U loven;
laat Uw bepalingen mij helpen.
176Ik heb gedwaald als een verloren schaap;
zoek Uw dienaar, want Uw geboden heb ik niet vergeten.

Dit is het laatste couplet waarin de waarde van het Woord in al zijn aspecten die voor ons leven van belang zijn, wordt bezongen. De toonsterkte van het aanspreken van God lijkt hier het hoogst te zijn. Hij roept tot God (vers 169169Laat mijn roepen naderen voor Uw aangezicht, HEERE;
geef mij inzicht overeenkomstig Uw woord.
)
. Dat heeft hij vaker in deze psalm gedaan. Maar hier stelt hij zijn roepen voor als een persoon waarvan hij aan God vraagt of die persoon mag “naderen voor Uw aangezicht”. Hij is een roepende om inzicht overeenkomstig Zijn Woord. Hij wil graag in alle dingen inzicht krijgen, niet vanuit het menselijk denken, maar vanuit Gods geopenbaarde wil in Zijn Woord.

Wie naar inzicht in Gods Woord verlangt, is ook een speciaal voorwerp van de aanvallen van de vijand (vers 170170Laat mijn smeken voor Uw aangezicht komen;
red mij overeenkomstig Uw belofte.
)
. Daarom komt hij behalve als een roepende, ook als een smekeling. Hij vraagt aan God dat zijn smeken tot “voor Uw aangezicht” mag komen. De Godvrezende smeekt om redding uit gevaren overeenkomstig Gods belofte. God heeft immers beloofd dat Hij de Zijnen niet zal begeven en niet zal verlaten.

Nadat hij zich aan God als een roepende en smekeling heeft voorgesteld, meldt hij zich bij God als een Godlover (vers 171171Mijn lippen vloeien over van lofzang,
want U leert mij Uw verordeningen.
)
. In Gods tegenwoordigheid komt niet alleen hulpgeroep over zijn lippen, maar ook “lofzang” (vgl. Fp 4:66Weest in niets bezorgd, maar laat in alles, door gebed en smeking met dankzegging, uw verlangens bekend worden bij God.). Zijn lippen vloeien er zelfs van over. Dit is het gevolg van onderwijs door God in Zijn verordeningen.

Zijn lofzang bestaat uit het bezingen van de woorden van God (vers 172172Mijn tong zal Uw woorden bezingen,
want al Uw geboden zijn rechtvaardig.
)
. Het ‘instrument’ daarvoor is zijn tong. In heel wat hedendaagse ‘lofliederen’ komen uitspraken voor die niet gebaseerd zijn op het Woord van God, maar ertegen ingaan. Ook voor onze lofliederen geldt dat ze in overeenstemming met het Woord van God moeten zijn. Dan luistert Hij daar graag naar. Het thema van de zang hier is de rechtvaardigheid van Gods geboden.

Er is ook besef bij de rechtvaardige dat hij afhankelijk is van de HEERE (vers 173173Laat Uw hand mij te hulp komen,
want ik heb Uw bevelen uitgekozen.
)
. Daarom vraagt hij aan Hem dat Zijn hand hem te hulp komt. Hij heeft Gods bevelen uitgekozen om zich daaraan te houden en daarmee bezig te zijn. Deze keus moet iedere getrouwe maken. De hulp van de HEERE is verbonden aan Zijn Woord. Hij kan niemand helpen die niet voor Zijn Woord buigt.

De Godvrezende verlangt naar het heil of de behoudenis van de HEERE (vers 174174HEERE, ik verlang naar Uw heil;
Uw wet is mijn bron van blijdschap.
)
. Daarmee bedoelt hij de periode van zegen onder de regering van de Heer Jezus. Daarover heeft hij in Gods Woord gelezen, dat voor hem “een bron van blijdschap” is.

Het vraagt de HEERE zijn ziel te laten leven (vers 175175Laat mijn ziel leven, dan zal hij U loven;
laat Uw bepalingen mij helpen.
)
. Dat is niet om van het leven te genieten, maar om de HEERE te loven. Hij beseft dat hij dat niet kan zonder de hulp van de HEERE. Deze hulp, zo weet hij, ligt in Gods bepalingen. Het Woord van God geeft stof te over om de HEERE te loven.

Het laatste vers is een belijdenis van zonde met verlangen naar herstel van de relatie die door de zonde is verbroken (vers 176176Ik heb gedwaald als een verloren schaap;
zoek Uw dienaar, want Uw geboden heb ik niet vergeten.
)
. De psalmist erkent dat Hij heeft “gedwaald als een verloren schaap”. Hij ziet ook in dat hij wordt opgezocht door de Herder, want hij vindt zelf de weg niet terug. Toch weet hij Wie hij aanspreekt. Hij weet ook dat hij Gods “dienaar” is. Dat hij wel verdwaald is, maar toch God niet volledig de rug heeft toegekeerd, blijkt daaruit dat hij Gods geboden niet is vergeten.


Lees verder